Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot.


Bloemlezing - Een queeste - Vestdijk

De artistieke opbouw van Vestdijks romans (2)

Rudy Cornets de Groot



Vestdijks horoscoop.
Om de betekenis hiervan te peilen, zullen we De ziener, het boek dat het beeld van de romancier geeft, onder de loep moeten nemen.
Als vertegenwoordigers der drie æonen treffen we hier de trits God-Le Roy-romancier aan.
In een interview door Hans van Straten noemde Vestdijk de romancier een 'aartskoppelaar' en deze roman is inderdaad die metafoor, volgehouden tot de laatste bladzijde. Le Roy koppelt wat er te koppelen valt, ver vooruitziende en onfeilbaar haast...
De ziener, 'want zonder hem zag God misschien niets', laat niets aan het toeval over, evenmin als zijn koele deïstische God - een God uit de absolutistische, achttiende eeuwse wereld, een God dus, die eveneens ver vooruit ziet, het toeval niet kent, en derhalve leeft zonder wonderen. Aan hem ontleent Le Roy - een programmanaam! - door een soort van droit divin zijn 'macht'. Regelt hij niet evenals God het leven der mensen: hun liefde, hun huwelijk, kinderen, vriendschap, roddelpraat? En bovenal: heerst hij niet over het 'heelal' van zijn postzegelalbum - de hele wereld in enkele bladzijden verzameld?
Men begrijpt dat de vernietiging daarvan alles betekent voor Le Roy. Hij had het niet gedaan, als alleen maar zijn leven op het spel had gestaan. Deze spectaculaire overwinning op de verstoktheid van het ik, tevens de overwinning op zijn voor warmte onverschillige God, maakt dat Le Roy weer als gewoon mens onder mensen kan leven. Het is zijn verzoening met het bestaan op aarde...

Veel interessanter is de structuur van de driedeling in De kellner en de levenden. Om de bespreking van dit boek met een climax te beginnen: men vindt hier niet alleen de æonen terug met de daarmee corresponderende emanaties - Vestdijk heeft aan die drieëenheidsvorm namelijk een dubbelgestalte gegeven. Dat kon hier omdat deze roman het beeld van de toneelspeler geeft. Vestdijk heeft zijn boek eenvoudig de gestalte van het klassieke toneel gegeven, zoals dat grotendeels door Aristoteles werd beschreven, en met enige variaties door Shakespeare werd gevolgd. Het boek is 'toneel' in 'roman' vertaald en de kenmerken van het klassieke toneel: de uitwerking van expositio tot katharsis, de eenheden van tijd, plaats en handeling zijn in dit boek gemakkelijk aanwijsbaar. Eenheid van tijd, want heden, verleden en toekomst zijn zo in elkaar verstrengeld, in elkaar gedrukt als een trekharmonica, een treinwrak, dat ze nooit meer van elkaar te scheiden schijnen te zijn. En, hoewel het hoofdstuk 'Het avontuur van Richard Haack' schijnbaar de eenheid van handeling doorbreekt, mag men toch van die eenheid spreken, omdat dit hoofdstuk in klein bestek de grote orde weerspiegelt, op een wijze die vergelijkbaar is met het treurspel in een treurspel dat Hamlet het Deense hof presenteert. Er is een 'tragische held', Haack, er zijn er zelfs dertien: de kellner en de twaalf flatbewoners. Er is bovendien een 'deus ex machina' in de vorm van een luidspreker, die de kwelgeest Leenderts uit de martelkamer wegroept, zodat de ontsnapping van de dertien helden aan onmenselijke wreedheden mogelijk wordt. De kellner en diens lotgenoten vinden hun 'double' in Christus en diens apostelen. Men kan onmiddellijk identificeren: dit is Petrus, dit Thomas en zonder twijfel staat Judas voor Haack, zodat men omdat Haack van de twaalf de grootste blijkt te zijn, in deze roman een Judas-apologie mag zien.

Hypocriet is het Griekse woord voor toneelspeler. Haack en Judas zijn hypocriet, letterlijk en figuurlijk.
Veel ellendiger dan zijn heros kan Haack er niet aan toe zijn. Hij is homoseksueel, Judas een verrader. Beiden zijn gewikkeld in een strijd tegen de meest eenvoudige gevoelens die mensen kennen. Haack houdt daarom zijn neigingen voor het oog van de wereld verborgen; Judas verschuilt zich achter een toneelkus. Haack doet de mensen in zijn liefde voor een actrice geloven, die van zijn opzet het slachtoffer wordt en zelfmoord pleegt. De parallel met Judas hoeft hier natuurlijk niet te worden uitgewerkt.
Men kan tegenwoordig geen van beide figuren resoluut veroordelen. Toneelspelers als Haack en Judas nu eenmaal zijn, raken gemakkelijk verstrikt in hun eigen gevoelens. Zij houden ten slotte geveinsde liefde voor echt en omgekeerd. Voor de hypocriet zijn de grenzen der moraal (soms) vloeiend en de liefde bewandelt geen conventionele paden. 'Een hart is altijd anders' en 'wanneer een vrouw ons liefde geeft, kunnen wij onszelf niet beletten wederliefde te gevoelen', zegt Haack. Er zijn dus verzachtende omstandigheden, psychologisch beschouwd, maar het pleit voor Haack dat hij ze verwerpt.
Duizelingwekkend verdiept zich het perspectief van dit verhaal, wanneer men bedenkt dat ook Judas zijn voorbeeld heeft gehad. Het kan niemand anders dan Christus geweest zijn. Dat Judas op dit voorbeeld botsen zou, was niet te voorzien, al voorzag Christus het natuurlijk toch, maar dat het gebeurt is uiteraard koren op de molen van Vestdijks romankunst. En dat het met Judas verkeerd afliep (waar men metafysisch gesproken toch niet al te zeker meer van kan zijn), is met Vestdijks romanopvattingen allerminst in strijd. Het conflict brengt nu eenmaal de grootste risico's mee en van de uitslag ervan moet men maar het beste hopen... Judas is Haacks is heros, maar alleen voor zover het diens 'normale levenspatroon' betreft. Eens heeft Haack zich daaraan onttrokken, en wel gedurende de episode van zijn gefingeerde liefde voor de actrice, een fase, die hij Hamlettesk 'een comedie in een comedie' noemt. Voor die periode is Judas het goede 'voorbeeld' niet meer. In Haacks behoefte aan een vreemde heros voorziet daarom Hamlet. In het reeds genoemde hoofdstuk 'Het avontuur van Richard Haack' ziet hij inderdaad zichzelf als Hamlet in de boertige scène aan het graf van Ophelia. Daar hoort hij ook in zichzelf de zin klinken die dit meisje de dood in dreef, zijn 'Get thee to a nunnery!', de weigering om zich met het object van zijn liefde te vereenzelvigen. En dan pas doorziet hij zichzelf, Hamlet (en Judas). Hun liefde was voor vervulling niet vatbaar, hun vermogens waren niet toereikend, het was een liefde die het in de vernietiging moet zoeken, van Christus, Ophelia, de actrice, om te voorkomen dat zij werden ontheiligd, dat men zichzelf eerst voorgoed schuldig maken zou...
Naast de Judas-apologie en de apologie van de toneelspeler heeft deze roman een algemener aspect. Het stelt namelijk als literair spel de vraag of men, ook al is men (een) Judas, in de leegte (het station) geplaatst, uitzicht kan krijgen op eeuwig heil?
Het bestaan in de leegheid dwingt inderdaad de twaalf flatbewoners tot een verregaand nihilisme. Bijeengebracht in een martelkamer, eist Leenderts (de duivel) van hen de diepste vernedering, de ontkenning van God en de ontkenning van het bestaan. Ieder van hen krijgt de vraag te beantwoorden van het 'to be or not to be'. Zij besluiten tot het 'zijn', ook al hadden zij in hun nihilisme alles, de leegte, het station, en de hele troep stinkende duivels, weggebracht. Het vervloekingswoord komt ten slotte niet over hun lippen. Het zou hun ondergang hebben betekend naar de geest. Deze collectieve overwinning op de verstoktheid van het ik heeft ongetwijfeld tot hun bevrijding bijgedragen, en dat hun in het eind de apotheose te beurt viel, die zij zich in rampspoed en beproeving hadden veroverd, daar laat het boek geen twijfel over bestaan.