|
Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot. |
|
Contraterrein, Nijgh & Van Ditmar, 's Gravenhage, Rotterdam, 1971, p. 107-115.
Dat klinkt nog redelijk, allemaal: ook het zich van het menselijke afwenden. Maar in Het stenen bruidsbed zegt Norman Corinth na zijn besluit, de stad die hij hielp vernietigen, op te zoeken: 'Zijn vrouw hoefde hij het niet uit te leggen, zij begreep immers alles? Zij begreep immers dit en dat en zo en daarom en waarom? Haar begrip hing in kringen om haar ogen, holde haar wangen uit, stond in flessen en potjes en buisjes naast haar bed' (p. 12). Het frappante in beide citaten is niet de overeenkomst die men waarneemt, maar de radicale toon in het laatste, vergeleken bij de van inzicht getuigende redenering in het eerste. Die verschillen spruiten niet voort uit de 'psychologie' van Strohalm en Corinth, maar tonen hoe een beginsel, dat de schrijver zelf als juist aanvaardt, zich ook ontwikkelt, en dat het zulke beginselen zijn die de uitingen van de verschillende figuren en dus ook hun ziel ('Ik heb geen ziel,' zegt Norman Corinth) sterk bepalen. Het onmenselijke, het lachen, de lak aan het begrip èn derhalve aan de psychologie, het onmenselijke lachen dat Corinth met Eichmann gemeen heeft, bezie ik liever van deze gezichtshoek uit, en niet van achter een telraam. Corinth, Strohalm: ze zochten het onmenselijke op - daar helpt geen begrip, geen medelijden: daar heerst de lach, de Witz, de geest. Daarom verschaft Mulisch zijn lezer ook geen sleutel tot zijn werk. 'Het boek is een afgesloten kast,' zegt hij in zijn nawoord bij Archibald Strohalm, 'en de sleutel ligt in de kast.' In zijn schrijven is een bewuste afwending van het publiek waar te nemen, en zijn ideaal is het 'niemand' te worden: een groot en onzichtbaar oog. Hoe komt het dat iemand die zulke ideeën heeft toch populair kon worden? Mulisch werd populair in dezelfde tijd dat ook Lucebert (even maar), Karel Appel en Simon Vinkenoog populair werden - in die tijd dus dat het anti-intellectualisme het eindelijk begon te winnen van de hoe dan ook romantische, toch vooral rationalistische richting. Niet gestudeerd te hebben, ongeschoold te kunnen denken, de spontaniteit te hebben bewaard, dat waren in de naoorlogse dagen kwaliteiten om opnieuw te kunnen beginnen - althans in de kunst. Het anti-intellectualisme van deze mensen was in de oorlog zelf geboren. Wie toen het hoofd boven water moest zien te houden, moest iets hebben van de selfmade-man, en zo'n man is van nature achterdochtig met betrekking tot kennis die geen enkel praktisch nut oplevert. De lancering van zijn anti-aristotelische stelling (die ik hier nu maar kort onder woorden breng - de juiste tekst staat in Voer voor psychologen, p. 27/28): 'A is ongelijk A met als grensgeval dat het A is', een stelling waarvan de juistheid door Gibbs statistisch is bewezen, moest ook wel weerklank vinden in een tijd waarin het irrationele en absurde aan de orde van de dag was. Voor een schrijver die uit hoofde van zijn schrijverschap meer met het wonderbare dan met het waarschijnlijke te maken heeft, meer met een wereld van de fantasie dan met de fysische kosmos, opent de formule bovendien de mogelijkheid om zich te allen tijde en volgens een of ander systeem van zichzelf te distantiëren, - maar ook om zich te allen tijde en volgens een of ander systeem met iets of iemand, of met alles en allen te identificeren. Meer dan eens wees ik er elders al op dat Mulisch zich ook werkelijk splijt - in een 'ik' en een 'meer ik dan ik'. In een aan de stoffelijke wereld gebonden 'ik' en een niet aan die wereld gebonden 'meer ik dan ik'. Maar als dit meer ik dan ik niet aan de wereld gebonden is, waar ìs het dan? Het is in wat Mulisch 'het geschrevene' noemt. In Voer p. 182 schrijft hij: 'Ik ben niet die en die en doe daar vervolgens mededeling van: pas in deze regels sta ik op, en alleen in deze regels sta ik, nergens anders. Ik uit mij niet, ik in.' Dit ik is van de afgesloten kast die het boek is, de sleutel. 'Wat hier gebeurt,' zegt Mulisch dan ook (Voer, p. 181) 'is het oprichten van een structuur, meer ik dan ik, waarvoor mijn leven het materiaal levert. Wat is mijn leven? Het krabben van een beer over de rots, dat in de afgrond verdwijnt.' De natuurlijke realiteit vergeleken bij die van de realiteit in 'het geschrevene': 'Moorden zou groter bevrediging schenken dan schrijven, wanneer het niet zo voorbijgaand was, zo niet-gebeurd en buiten de geschiedenis.' (Voer, p. 78). Wèl gebeurd is dus het geschrevene, - er is, voor wie dit aanvaardt, geen andere conclusie dan: 'de werkelijkheid is de beschrijving van het niets' (Voer, p. 230). Zo wordt de natuurlijke realiteit getransmuteerd tot een wereld van vormen waarachter zich het ene, en dat wil hier zeggen: het Niets onthult. Ik kan blijven citeren, - hier is bijv. paragraaf 3 van blz. 227 uit Voer van toepassing, maar ik wil er vooral op wijzen dat het streven van Mulisch om 'niemand' te worden neerkomt op een identificatie van het Ik met het niets, en dus met de (fysische) werkelijkheid. In een grandioze formule worden alle tussenstations gelijkgeschakeld: ik - meer ik dan ik - de werkelijkheid - het Niets. Met topsnelheid lost het ik zich op in het niets, dat door deze formule identiek wordt met alles en natuurlijk ook met wie ernaar streeft. Logische identiteiten zijn dit niet - Mulisch noemt ze 'postlogisch'. Maar het klinkt ook een beetje Indisch, en oosters in ieder geval.
Alchemie - dat was de enige kunst die hem onzichtbaar maken kon, en zo kon Vingerling worden tot Hermes Trismegistus: wat Mulisch in de jongensheld geboeid heeft, was niet scheikunde, niet rozenkruiserij (Voer, 158), maar literatuur. Men moet alchemie niet splitsen in chemie en occultisme, zoals dat in de 18de eeuw al gebeurde, ontdekte hij. Hij vond ook, tot zijn 'peilloze verbazing' dat hij de hegeliaanse dialectiek tot in de finesses had herontdekt. Schrijven is worden en doen: 'Ik schrijf als een alchimist: ik doe en word, - en deze twee zijn hetzelfde ding.' Waarom? Omdat de alchimist die de steen der wijzen zoekt en daartoe zijn brouwsel boven het vuur zet, tijdgelijk met de veranderingen in zijn fiool mee verandert. Het koken daar, ginds, in het kristal, is hetzelfde proces dat zich afspeelt hier, binnen, in de ziel van de creator. Mulisch vond dat een innerlijk proces alleen dan voor de buitenwereld toegankelijk was, wanneer het zich objectiveerde in een uitdrukking. 'De geest heeft slechts intuïtie, wanneer hij handelt, vormt, uitdrukt,' is een uitspraak van Croce die ik hier aanhaal, zonder meer te weten waar ik ze ooit ben tegengekomen. Schrijven is voor Mulisch niet vertellen (verhaaltje) en overwegen (essay). De afwisseling in verhaal en essay in Zelfportret met tulband zijn niet 'twee' dingen, maar de veranderingen in het essay zijn een parallel van die in het verhaal. De schrijver 'doet' in zijn verhaal en 'wordt' in zijn essay: steeds minder ik, steeds meer ik dan ik. 'Alleen zo wordt voldaan aan Trismegistus' alias Vingerlings opdracht tot onzichtbaar worden. Het is een onzichtbaarwording in "het volstrekte leven" van het geschrevene. Ik doe wat ik doe. Het geschrevene is een organisme van taal dat mij baart als een tweede moeder' (Voer, p. 182).
Zijn boek, of beter: het geschrevene heeft niets te maken met een toevallige scheiding van twee toevallige ouders op een of andere toevallige dag. Maar het toevallige vastgegrepen en opgeheven uit de tijd constitueerde het geschrevene dat hem baarde als een nieuwe moeder. Alleen zo kon een toevallige moeder de moeder, een toevallige vader de vader een toevallige datum het vandaag worden - een vandaag dat altijd geldt, hoezeer de kalender het ook ontkent. Wie het Zelfportret met tulband overziet, vindt in het eerste Vandaag de drieëenheid van het gezin, dat daar al begint af te brokkelen. In het tweede Vandaag zet zich dit voort in het afscheid van de moeder. In het derde Vandaag is Harry in zekere zin al alleen. Alleen-zijn is, voor Mulisch, het belangrijkste avontuur in de wereld: een tegen allen, of allen tegen een - in een van zijn gesprekken met Nol Gregoor heeft hij dat tot zijn thema verklaard. In dit derde Vandaag vertelt hij dan ook van zijn vliegmanie en van het streven uit zichzelf weg te raken. Hij wil dit aan deze wereld gebonden ik zien te overwinnen en hij stelt zo'n overwinning in het vierde Vandaag, waarin hij terugkeert naar school en bovendien chemie begint te studeren, als eis. De poging mislukt jammerlijk, maar in het vijfde Vandaag ontdekte hij in het schrijven een mogelijkheid om aan die eis te voldoen. In dat vandaag is Harry ook daarom alleen, omdat zijn vader in een kamp is geïnterneerd. Het zesde Vandaag is het tweede afscheid van de moeder, die naar Amerika vertrekt, en waardoor het proces van alleen komen te staan wordt voortgezet. In dit vandaag komt de mythe van Oidineus voor, en daar geeft de schrijver ook uiting aan zijn verlangen de plaats van de vader in te nemen, - maar die mogelijkheid staat pas open in het zevende Vandaag, waarin zijn vader overlijdt. In het achtste Vandaag ontmoet hij Lou. Het is een vandaag waarin hij nog steeds de plaats van zijn vader niet ingenomen heeft: de plaatsvervangende vader is Lou. Hier zien we Mulisch in gezelschap van Hein - een soort Oliver-Hardy-tweeling: 'Werp je op tot de Paulus van de beweging,' zegt Mulisch tegen zijn vriend, - en verder: 'Ik zal de Petrus worden' (Petrus is steen). Maar nog rijst Lou boven ze uit - de oplichter die God was, de voorafbeelder van Tanchelijn - Tanchelijn, die Lou voorafbeeldde! In het negende Vandaag ten slotte openbaart zich het Niets aan de schrijver als laatste werkelijkheid. Van het zesde Vandaag af zien we dus de zoon, die als de vader worden wil; die daartoe de eerste stappen zet (in VII) die in VIII inziet dat zijn afhankelijkheid berust op de onjuiste mening dat hij minder zijn zou dan Lou - een plaatsvervangend beeld Gods - en die in IX het Niets erkent als enige werkelijkheid, die zich in tal van vormen aan hem onthult. Dit niets wordt in het essay van het achtste Vandaag al aangekondigd in het aan de Oepanishad ontleende motto erboven: '"Geloof mij mijn kind," zei hij, 'wat dat ijle is, dat heeft de wereld als haar ziel. Dat is werkelijkheid. Dat zijt gij, o Sjwetaketoe', - een citaat waar het oosterse, waar ik het over had, door aan het licht komt. En aan het slot van het boek Voer voor psychologen: 'En schaterlachend, op één pantoffel, de andere op mijn hoofd, ga ik op weg naar een donkere, glanzende stad achter de bergen, tjokvol mens, licht, lawaai, nacht, beweging - ja ik kom, eindelijk, ik kom,' waarmee hij ook zijn sympathie voor het Zenboeddhisme toont. Maar hoe gebruikt Mulisch die oosterse ideeën, en waar heeft hij, die als selfmade-man geen theoreticus is, ze voor nodig? Hij had die nodig om, in wat ik zijn identificatieprobleem noem, enig houvast te hebben. In de aanhef van Voer schrijft hij: 'Wie ik wel ben ongeveer, heb ik meer dan uit mijn eigen daden geleerd uit de daden van anderen jegens mij, wanneer ik niets deed. Doe niets en let scherp op. De afgrond die dan opengaat, of niet, dat ben jij' - o Sjwetaketoe, zeg ik er maar bij. Aan andermans daden jegens hem kent hij zichzelf. Wie Zelfportret met tulband overziet, ziet Mulisch' weg van de drieëenheid naar het niets - de weg van Bram Vingerling. Natuurlijk is de verleiding groot om met een boek als Voer voor psychologen in handen en met de daarin aanwezige autobiografische gegevens de boeken van Mulisch te 'verklaren' door de problemen ervan terug te voeren naar zekere gebeurtenissen in zijn jeugd: een omgekeerde weg. Men zal gemakkelijk begrijpen dat het Stenen bruidsbedcitaat inzake het begrip van de vrouw van Norman Corinth dat ik in het begin van dit opstel gaf, zich ontwikkeld heeft uit het daarmee vergelijkbare citaat uit Archibald Strohalm: maar wie had kunnen voorzien dat de auteur van Archibald Strohalm ook een boek Het stenen bruidsbed schrijven zou? Wat Mulisch doet is zich toevertrouwen aan het schrijven dat hem naar het in de toekomst verborgen onbekende voert. Wij zagen hoe Zelfportret met tulband een weg was naar het niets. Maar ook was het de weg om niemand te worden, de weg naar identificatie van het ik met het Zelf (in de opvatting van Jung). Schrijven, zo blijkt, is voor Mulisch de weg om erachter te komen, welke bedoeling dit Zelf eigenlijk heeft. En het is de ontdekking van die bedoeling die het ik verlichting brengt: satori. Alleen dagen die satori brengen, zijn Vandagen: daarom ontkent Mulisch continuïteit, evolutie, en daarom is er ook geen verband tussen die Vandagen dan dit van de satori. |