Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot.


Bloemlezing - Een queeste - Lucebert

De nieuwe poëtica

(Inleiding)



Lucebert en Cornets de Groot in het Letterkundig Museum, 1983.

Lucebert is in veel opzichten van bijzondere, om niet te zeggen beslissende betekenis voor Cornets de Groots werk geweest. Om te beginnen was Lucebert - samen met Jan Elburg, een ander dubbeltalent - de dichter die in de vroege jaren vijftig Cornets de Groots passie voor beeldende kunst definitief met die voor de literatuur vermenigvuldigde. In een terugblik op die jaren vertelt Cornets de Groot:
'Zijn werk volgde ik van publicatie tot publicatie, niet omdat het mijn hoofd aan het werk zette, of zelfs maar mijn hart - het sprak een veel dieper gelegen gevoel aan. "Lichamelijke taal", zegt Lucebert, en hij spreekt van dat "reine denken diep in de buik"'. 1
Deze inleidende woorden raken de kern van Cornets de Groots waardering voor Lucebert. In deze poëzie herkende hij een dichter die het dichten niet langer opvatte als iets dat zich in een exclusief rijk van de geest afspeelde, maar die integendeel deze verhevenheid weer met het lichaam wilde verbinden. In feite was het deze poging om de eenheid tussen lichaam en geest te herstellen - een democratisch motief - die aan de basis stond van heel Luceberts 'anti-dualistische program':
'Wie [] verklaart: "er is alles in de wereld het is alles", verklaart de wereld synoniem met de som van alle realiteit. Dan is er niets buiten en niets boven die wereld: dan is die wereld zelf "de ruimte van het volledig leven" - vol, voor zover dat het lichaam aangaat, ledig wanneer het gaat om de geest'. 2 In deze poëzie ontbrak het aan iedere vorm van metafysica, aan wat Cornets de Groot zelf in Bikini met de term 'kosmische metafoor' had afgewezen.
Het is deze verwantschap tussen Luceberts 'lichamelijk te beleven taal' en Cornets de Groots besef van het concrete, gebonden en vergankelijke karakter van alle literatuur en kunst, die zijn grote ontvankelijkheid voor Luceberts poëzie kan verklaren, en het bijzondere talent dat hij, hoezeer ook met vallen en opstaan, ontwikkelde voor het begrijpen en analyseren ervan. In tegenstelling tot de richting van de close reading, die uitgerekend in Lucebert een figuur zag om haar strenge inzichten op toe te passen, hanteerde hij daarbij geen vooropgezette methode, maar ontleende hij zijn werkwijze, volgens heuristische principes, uitsluitend aan het gedicht zelf: een 'anti-methode', of ook wel, met een geuzennaam, 'rotzooi-maar-aan-methode', waarvan hij de grondbeginselen als volgt omschreef:
'Om te beginnen vind ik dat men poëzie in ieder geval moet aanvoelen of ondergaan; niet in plaats van die te begrijpen, maar omdat er zonder aanvoeling zeker nooit begrip zal ontstaan. Er is geen school voor het lezen van poëzie, die buiten de affecten om kan. Daarom is het ook in orde, vóordat het tot begrip komt, dat een lezer in een gedicht leest, wat hij erin lezen wil: er is ook geen school voor het lezen van poëzie, die geen profijt trekt van de kunst van het falen. []
Ten tweede vind ik dat je in poëzie, van wie dan ook, algemene verschijnselen, conventies, grote lijnen e.d. moet kunnen vinden, om een werkhypothese te kunnen formuleren, waarvan de voorlopige waarde vastgesteld kan worden door overleg en experiment, niet direct door interpretatie. Interpretaties voeren immers wel eens tot voorbarige conclusies, meningen, oordelen, waarden, die - als ze eenmaal plausibel lijken - eerder een hinderpaal zijn voor de voortgang van het denken, dan een hulp. Het vervelende bij het interpreteren is de dwang tot het vinden van oplossingen. Onder het teken van die dwang ziet men oplossingen en samenhangen die verhelderend zijn: voor dít moment, voor dít geval. Ik heb dit vaak zelf ondervonden, juist bij Luceberts poëzie - tot ik in de gaten kreeg, dat het níet-begrijpen van de samenhang in een bepaalde tekst op den duur van groter waarde blijkt dan de directe bevrediging van onze intellectuele behoeften door iets dat "voor de hand" schijnt te liggen'. 3
Dit citaat vormt de meest praktische uitdrukking van wat Cornets de Groot de 'kunst van het falen' noemde: een omgang met poëzie die zich niet beperkte tot wat in objectieve termen gevangen kon worden, maar die alle functies van het denken - rationele èn intuïtieve - mobiliseerde om ook dat 'reine denken diep in de buik' te kunnen blijven verstaan. Om die reden kon aan de norm van objectiviteit die hem door de literatuurwetenschap werd aangelegd, niet worden voldaan: een dergelijk streven wees in zijn ogen vooral op de behoefte zich boven het gedicht te verheffen en het onschadelijk te maken. Alleen door Lucebert op het niveau van de auteursintentie te lezen, kon de integriteit van het gedicht bewaard blijven:
'Een parafrase van een gedicht is het gedicht niet meer. We hebben het veranderd, en zelfs vernietigd. Een tekst is niet een "manifeste" inhoud, die je opzij kunt schuiven om zo de "latente" te vinden. Alsof er een wereld van verschijnselen is, waarachter de "ware" verscholen gaat. Maar dat is juist wat Lucebert bestrijdt! Dat leidt tot ideologische tekstvervuiling'. 4
Bovendien: '[Luceberts] solidariteit gaat niet uit naar het publiek, maar naar de onderdrukte, de weerloze. Hij maakt zich als dichter meester van hun taal: "dief van de volksmond", "omarmende honderdman". Hij levert strijd met de taal in hun belang, hij is "temidden van de menigte een denker". [] Dit is de ware solidariteit. Solidariteit is niet: zo schrijven dat de menigte je begrijpt, maar strijden voor de menigte met wapens die zij zelf niet heeft'. 5
Cornets de Groots essays over Lucebert kunnen dan ook niet worden opgevat als pogingen om deze poëzie te verklaren of voor het publiek toegankelijk te maken. Zij zijn het verslag van een leeservaring, waarvan de waarde in laatste instantie niet wordt bepaald door een al of niet adequate interpretatie, maar door de mate waarin zij de lezer zelf aanzetten om nieuwe, andere samenhangen te ontdekken: een pedagogische kwaliteit, waarvoor niet kennis, maar ervaring en avontuurlijkheid de voorwaarde schiepen.

De nieuwe poëtica is de titel van het laatste deel van de bundel De open ruimte, waarin het de afzonderlijke essays 'Lichamelijke taal' 6 en 'De nieuwe school der poëzie' verenigde. Binnen de opbouw van die bundel wees De nieuwe poëtica vooruit naar een nieuwe tijd, een toekomst tegen wil en dank onder het kwade gesternte van Bikini. Buiten de context van die bundel vormen deze vroege essays hier een nieuwe eenheid, waarin een van de meest boeiende aspecten van Cornets de Groots schrijverschap tot uiting komt. In zijn analyse van het zeer duistere negende gedicht uit de cyclus De dieren der democratie, die in het eerste essay wordt voorbereid en in het tweede daadwerkelijk wordt gegeven, zien we 'een bezig zijn, dat denkend zich voltrekt, en een denken, dat begint bij het doen' 7 zich metterdaad voltrekken.


NOTEN
  1. De kunst van het falen, p. 28. Eigenlijk: 'de reine bron van denken diep in de buik', uit Lucebert, in de middeneeuwen.  
  2. Met de gnostische lamp, p. 25.  
  3. 'Een ladder in de leegte', Ladders in de leegte, pp. 160-161.  
  4. Geciteerd uit ongepubliceerd werk.  
  5. Ongepubliceerd werk.  
  6. Niet te verwarren met de radiolezing van dezelfde naam.  
  7. Ladders in de leegte, p. 224.