|
Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot. |
'Lucebert is een dichter die materiaalonderzoek als grondslag van zijn dichterschap ziet. Niet "geest" is uitgangspunt, maar "stof". Met materiaal (letters, klanken, woorden) kun je van alles doen - óók het zo schikken dat de geest er onderdak vindt. Niet "inhoud" is primair, maar "vorm"'. 1 Daarmee beantwoordde Luceberts poëzie volledig aan Cornets de Groots eigen theorieën: een definitie als 'Poëzie is geschreven taal in verticale vorm', hoe algemeen gehouden ook, wijst er immers op dat ook hij aan het plastische karakter van een gedicht het grootste belang toekende. Weliswaar weerhield dit hem er in zijn analyses niet van een dankbaar en intensief gebruik van Van Dale's woordenboek te maken - op het belang waarvan close reader Jessurun d'Oliveira als eerste had gewezen - maar het uitgangspunt van zijn beschouwingen bleef toch altijd het inzicht dat Lucebert zijn poëzie vanuit de taal, en van daaruit alleen schreef, d.w.z. met voorbijgaan aan betekenis, idee, beeld, gevoel, of welk normatief begrip ook. 'Wie Lucebert met enige aandacht volgt, begint te vermoeden, dat een woord inderdaad totaal niets betekent, maar dat het zijn betekenis pas krijgt door de wijze waarop het met andere woorden verbonden is, - en dan is het nog lang niet de grammaticale structuur die het woord zin verleent en inhoud, maar het zijn de typografische en poëtische middelen (waartoe ook de orthografie gerekend moet worden), die dat doen. Betekenis betekent niets in een gedicht: de poëtische middelen zijn alles. Die scheppen taal: door herhaling van klank, van woord, door ritme en rederijkerij, door nuancering en duisterheid, door de kracht van het vormende principe []. In poëzie vrage men niet in de eerste plaats naar betekenis. Betekenis is onze laatste vraag. [] Om Luceberts poëzie naar waarde te kunnen schatten is het nodig een uit zijn poëzie samen te stellen poëtica en stilistiek te schrijven'. 2 Dit vierledige essay, dat als 'bewijsmateriaal' is toegevoegd aan Met de gnostische lamp, werd geschreven om in die behoefte te voorzien: met name het laatste hoofdstuk ervan mag gelden als klein compendium van Luceberts arsenaal aan retorische middelen. Als zodanig is het een voortzetting van de inleiding 'Spelregels' uit Poëzie is kinderspel (1966), met het verschil dat die bloemlezing voor kinderen werd gemaakt; hier ontmoeten we Cornets de Groot als de bekwame taalkundige die hij was, maar in welke hoedanigheid hij zich maar zelden openbaarde.
|