Start » Overzichtsartikelen » Achtergronden bij enige critici

Achtergronden bij enige critici

Prof. dr. A.L. Sötemann

 

Door: Prof. dr. A.L. Sötemann.
Bron: Nieuwe Taalgids, 61e jrg., nr. 2 (mrt 1968), p. 104-107.
Over: De chaos en de volheid, De open ruimte.
Zie Nawoord bij Een wijze van lev/zen voor een reactie van Cornets de Groot.

[p. 104]

Een essayist is een man met een benijdenswaardige vrijheid, wanneer men hem vergelijkt met de wetenschappelijke beoefenaar van het vak. is niet gebonden aan een stringente methode, hij behoeft niet van stap tot stap verantwoording af te leggen van zijn beweringen, hij kan zich permitteren een strikt persoonlijke visie te presenteren en mag de gewaagdste rapprochementen ondernemen. Maar toch is ook hij gebonden op vele punten: in de eerste plaats moet hij spits en boeiend zijn, z’n lezer ertoe bewegen zijn verrichtingen te volgen met ingehouden adem. Hetgeen betekent dat hij een evenwichtskunstenaar moet wezen, een, zij het hachelijke, balans bewarend op zijn slappe koord. Dat houdt ook in: zelfbeheersing en subtiliteit bij alle capriolen. Niet velen zien met plezier een man op zware klompen een zinloos kronkelend spoor nalaten door de bloemenbedden.
Maar alle beeldspraak terzijde. Er zijn essayisten die met grote scherpzinnigheid aspecten van een oeuvre belichten, eventueel óverbelichten, zó dat de wetenschapsman hun bijzonder dankbaar moet zijn voor de verrijking van zijn inzicht. Er is geen enkele reden om aan hun werk hautain voorbij te gaan omdat het niet “verantwoord” zou

[p. 105]

wezen. Wij weten allen dat heel wat “wetenschappelijk” werk aanzienlijk minder heeft bijgedragen tot een beter begrip van literaire werken en verschijnselen dan talrijke essays.
Wanneer men een dergelijk “vrij” en persoonlijk, om niet te zeggen “particulier”, werk in een tijdschrift als De nieuwe taalgids bespreekt, dan dient uiteraard als criterium gehanteerd te worden de vraag of er van een zodanige bijdrage sprake is. Mocht dat niet het geval zijn, dan blijft heel wel de mogelijkheid bestaan dat men met een curieus geschrift van doen heeft, doch in deze context is het niet interessant meer.
Uit de omstandigheid dat de uitgever aan de redactie van dit tijdschrift twee essaybundels van R.A. Cornets de Groot ter bespreking heeft gezonden, dient te worden afgeleid dat althans de eerstgenoemde van mening is dat deze boeken aanspraak mogen maken op de hier vermelde kwaliteiten. Het was natuurlijk mogelijk geweest de toegezonden exemplaren terug te sturen met de mededeling dat ze niet voor recensie in aanmerking kwamen. Gegeven echter het feit dat Cornets de Groot bijzonder produktief is, bijdragen publiceert in allerlei literaire bladen, en ná De chaos en de volheid en De open ruimte (Bert Bakker/Daamen N.V.; Den Haag, 1966 resp. 1967) alweer een nieuw boek heeft uitgegeven, is het misschien zinvol er ook hier enige aandacht aan te wijden.
Het eerstgenoemde boek is “een vijfvoudig essay over Vestdijk”. Het gaat hier om “het astrologische aspect in Vestdijks werk. De schrijver komt, zonder schroom voor zijn persoonlijke visie, tot een diepgaand inzicht van algemener aard in het werk van deze auteur, die voor verdere Vestdijk-studie een bouwsteen kan zijn”, aldus een aankondiging op het schutblad. Men ziet, ze belooft nauwkeurig wat van een goed essayist verwacht mag worden. De ruimte ontbreekt voor zeer uitvoerige citaten, maar de eerste zin van het “ter inleiding” mag hier niet ontbreken:

Het tussen-haken-zetten van de wereld vereist een sisteem, al is het een sisteemloos sisteem, of een sisteem, waarin we niet geloven zouden, als het zich niet verfijnen liet tot het sisteem, dat ons de hand in het vuur deed steken.

Dit soort schijn-diepzinnigheid, in waarschijnlijk als speels bedoelde on-taal, is typerend voor de formuleringswijze van Cornets de Groot, zoals ook het doorslaan naar de andere kant:

Ik heb trouwens toch sterk de indruk dat deze kleine keus mijn kennis en macht al ver te boven gaat… ik heb een paar aantekeningen gemaakt, en ik hoop dat die zoiets als een visie op Vestdijk achter zich aan zullen slepen. (Chaos, blz. 6 resp. 7).

Of ook, als hij door Vestdijk op zijn vingers getikt is:

Mijn metode was eenvoudig verwerpelijk: ik bewandelde de omgekeerde weg. Ik heb Vestdijks boek gewoon héel slecht gelezen en met betrekking tot de planeten misgekleund. (Maatstaf jg. 14 (1966/67) blz. 1035).

Anderzijds dan weer, als reactie op Vestdijks ironische opmerking over zijn interpretatie van De kellner en de levenden (:”lk heb er niets op tegen, maar het staat niet in de roman” – ibid. blz. 1028): “…deze eenheid… die Vestdijk niet ziet, en weigert te zien, blijf ik, heel stom, belijden.” (ibid. blz. 1033) Als die belijdenis dan komt, geeft hij een boerenslimme uitleg aan een zin van Vestdijk om daarna, via enige fiorituren,

[p. 106]

zijn stelling dat De kellner en de levenden een droom of de horoskoop is van Haack en tegelijkertijd van de kellner, te handhaven. (ibid. blz. 1037)
Het fenomeen Cornets de Groot is niet moeilijk te begrijpen: hij heeft de eigenschappen van de autodidact in gehypertrofieerde vorm. Enerzijds is hij onmatig trots op brokstukken, bij voorkeur esoterische, noties die hij zich verworven heeft: astrologie, alchemie, gnosis en manicheïsme, katharen en hermetische achtergronden van Arthurromans, heksen, psychanalytische gemeenplaatsen; het is alles bijeen voldoende om sterker benen te doen wankelen onder de weelde aan oncontroleerbaarheden en vaagheden. Onvervaard wordt de hele zaak in de geliefde alchemistische kolf gestort, en met het resultaat wordt men naar wens bediend. Vestdijks Kellner is al een menigte kunstbewerkingen onderworpen, maar er kan nòg wel een konijn tevoorschijn getoverd worden: “Want hoezeer ik ook mijn visie… handhaaf, evenzeer zal ik trachten die visie hier op de kop te zetten en in de twaalf levenden plus Leenderts als dertiende een heksencove te zien.” (Ruimte blz. 110)
Ter inleiding van deze krachttoer zijn dan al terloops even ter sprake gebracht: Christus, Doornroosje, de oppergod Dianus, Margaret Murray, Jeanne d’Arc, Calvijn, “ons aller Mani (216-277)”, Augustinus, de Imitatione Christi, de keizer van het Byzantijnse rijk, de Bogomilen, het katarisme, Gregorius de Grote, Matthaeus, de Albigenzen, de ongelovige Thomas en ten slotte Satan zelve (Ruimte blz. 105/10). Dat eenvoudige geesten bij een dergelijk terloops vertoon van de duizelingwekkende geleerdheid in geïmponeerde verwarring geraken, is niet onbegrijpelijk.
Tot de dwaze zelfoverschatting van de auteur behoort ook een opmerking als:

Ik waag me niet gauw, niet graag, aan oudere literatuur… Toch is die oudere literatuur niet helemaal een gesloten boek voor mij: ik heb Knuvelder bij de hand en kan dus ongeveer de vaargeul wel raden waardoorheen de letterkundige prof of amateur zich roeien moet om in de buurt te komen van problemen die door een boek, een roman, een gedicht, aan de orde worden gesteld… Die laatste schrijver [Van Eyck] leverde kritiek op de logika van dit gedicht, vertelt Knuvelder, en Van Eycks kritiek moet dus wel van groot belang voor ons zijn. ik weiger het te lezen – ik ken het niet, en ik wil het niet kennen voor dit, mijn stuk, geschreven is… Ik heb het vermoeden dat enkele ideeën over dit gedicht hier in première gaan: Heer, sta me bij, ik ga U voor. (Ruimte blz. 45/46).

Anderzijds is er dan de (pseudo-)deemoed van het “miskleunen”, en “ik weet niet zo heel veel van het verleden.” (Ruimte blz. 45)
Uit het bovenstaande zal gebleken zijn dat de auteur van de Chaos en de Ruimte een uitermate verwarde geest bezit. Hij schijnt te menen dat een “synthese” of een “eenheid-in-tegendelen” hetzelfde is als een volstrekte hutspot van disparate kennisbrokken, en dat de term “poly-interpretabel” vrijdom geeft tot elke verwarring van hersenspinsels.
Nog een enkel voorbeeld van “gewaagde speculatie”: Het gedicht “Thebe” van Gerrit Achterberg refereert uiteraard aan de Egyptische dodenstad. Met het Griekse Thebe biedt het geen enkel aanknopingspunt. Dat verhindert Cornets de Groot niet een reeks buitelingen te maken naar aanleiding van dit thema. Kenmerkend is dan weer dit citaat:

Ik weet natuurlijk niet of Achterberg Nonnos’ visie op Thebe kende, al deelde hij die [volgens C.de G. uiteraard], maar het is misschien nog na te gaan. Thebe verscheen in

[p. 105]

1941. In het jaar daarvoor verscheen in Critisch bulletin een bespreking van Th. von Scheffer, Die Legenden der Sterne (1939) door A. Chernar, en in Von Scheffers boek is in de literatuurlijst opgenomen V. Stegeman, Astrologie und Universalgeschichte, Studien und Interpretationen zu den Dyonisiaka des Nonnos von Panoplis, 1930, in een van de bijlagen waarvan uitvoerig op het aan de planeten gewijde Thebe wordt ingegaan. (Ruimte blz. 40).

Tant de bruit? Ik ben mij bewust dat de toon van deze aanval ongebruikelijk is in De nieuwe taalgids. Ik meen echter dat het verschijnsel Cornets de Groot langzamerhand zodanige afmetingen is gaan aannemen dat een zeer nadrukkelijke afwijzing noodzakelijk is geworden. Uit deze “omelette” is een totaal ongefundeerde kritische reputatie aan het groeien.
De grondslag van dit soort essayistische bedrijvigheid is eenvoudig non-existent. 1
 





NOTEN
  1. Zie Nawoord bij Een wijze van lev/zen voor een reactie van Cornets de Groot. ↩

Cornets de Groot: eigen plaats in essayistiek »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>