www.cornetsdegroot.com

Nieuwsbrief



Wilt u informatie ontvangen over deze website en over het werk van Rudy Cornets de Groot, dan kunt u hieronder uw e-mailadres achterlaten. U ontvangt dan een paar keer per jaar een nieuwsbrief.

Naam:

E-mailadres:



Nieuwsbrief 10 (1 september 2009)

Met de gnostische lamp
en
Ladders in de leegte


Geachte lezer,

In de vorige nieuwsbrief stelde ik u nog drie boeken van Rudy Cornets de Groot in het vooruitzicht; in deze aflevering meld ik de oplevering van twee daarvan. Nog één te gaan dus - is daarmee de ballon bijna leeggelopen, of staat ie op barsten? Ik laat het u raden!

omslag Met de gnostische lamp  

Ook zei ik dat het om Cornets de Groots 'mooiste' boeken ging. Dat was misschien wat ondoordacht, want ik vermoed dat hij er zelf anders over gedacht zou hebben. Allicht had ik beter kunnen zeggen: zijn belangrijkste boeken. Maar dan zijn er ook belangen in het spel, en die hoeven niet per se met die van de auteur samen te vallen. Deze twee boeken, over de poëzie van Lucebert (Met de gnostische lamp) en plagiaat (Ladders in de leegte) zijn vooral van belang voor wie zich voor de erin behandelde onderwerpen interesseert. Ze zijn dus van minder belang voor wie zich voor Cornets de Groot interesseert, zoals in de eerste plaats CdG zelf, die althans in zijn latere jaren meer belang stelde in autobiografisch werk: zijn romans, dagboeken, jeugdherinneringen.
Al aan het begin van zijn schrijverschap stelde hij dat hij streefde naar 'psychische taal', maar zich bij gebrek daaraan soms in 'literaire taal' moest uitdrukken. 1 In het voorwoord tot de bundel Contraterrein (1971) zei hij het zo:

    'En terwijl de wereld sprakeloos voor mijn ogen bezweek, herleefde de wereld.' 2

Hoe ironisch dat juist deze beide boeken, die bij uitstek 'literaire taal' bevatten, en daarmee dus vooral van belang zijn voor 'de wereld', zijn beste werk zouden vertegenwoordigen. Als ze dat doen, is dat alleen omdat ze zich richten tot de beperkte kring van wie die 'literaire taal' verstaat, maar - en dat is het slechte nieuws - zonder die kring in die taal te bevestigen.

'Ik ben mijn eigen en enige partijganger, en meer heeft mijn partij ook niet nodig. (...) Ik vertik het mijn taak uit het geheel te lichten, integendeel, ik plaats die in de totaliteit die mijn realiteit is, en die o.m. mijn relatie tot deze poëzie, deze dichter en deze en diens wereld bevat. (...) Ik ga liefdevol om met poëzie, - ik zit niet 'objectief' tegen een 'tekst' aan te hikken, dat is alvast een belangrijk verschil. Bij mijn methode is, evenals bij Lucebert, sprake van een bezig zijn, dat denkend zich voltrekt, en een denken, dat begint bij het doen. Een denken dat tot denken opvoedt, dat de creatie van nieuwe, andere samenhangen mogelijk maakt.' 3

Niet 'objectief' tegen een 'tekst' aanhikken. Olieverf op doek, 50 x 70 cm, 1956.

Zo besluit Cornets de Groot zijn zeventig pagina's lange tirade tegen close reader Van de Watering in Ladders in de leegte (1981). We bevinden ons met deze twee boeken aan het einde van zijn essayistisch werk, vlak voor de overgang naar die psychische taal van zijn romans en dagboeken. Er is veel aan vooraf gegaan: onschuld, naïveteit, schrijven 'zoals een onderwijzer onderwijst', terechtwijzingen van hoogleraren en close readers, verzet, polemiek, de behoefte 'terug te keren naar het begin', verzoening, en ten slotte de bekroning van dat beschouwend werk met twee boeken die zich door die vermaledijde neerlandistiek domweg niet lieten diskwalificeren, al was het maar omdat die in deze boeken onder opgaaf van redenen zelf werd gediskwalificeerd:

'Van de Watering baseert zijn zekerheden graag op de uitkomsten van zijn wetenschappelijk onderzoek, zonder te beseffen dat daar in de literatuurbeschouwing geen dwingende reden voor is. Zekerheid is tenslotte een gevoel, en men zou daaruit kunnen leren, dat het dwaas is, gevoelens die ons zekerheid verschaffen, te wantrouwen. Er is geen enkele reden om zijn begeerten en angsten voor ondoelmatig te houden. Zij zijn ons zesde zintuig en ons tweede verstand. (...) Ik zit natuurlijk ook wel es op een woord, een woordengroep, een zin te kijken, maar maak daar niet meteen een systeem van additief-mechanische aard van. Ik begin de analyse van een gedicht lang niet altijd bij de eerste zin, om in de geboden volgorde bij de laatste te belanden. Het denken beweegt zicht anders. Het blijft es stilstaan. Het loopt es door, het keert es terug, of het slaat een paar droomwegen in, en vindt de realiteit van het gedicht niet zelden juist daar.' 4

Was Cornets de Groot zijn carrière met Ladders in de leegte en Met de gnostische lamp begonnen, dan zou hij nooit op zoveel tegenstand zijn gestuit - ook al waren een mythisch systeem als het gnosticisme en de - overigens nooit beantwoorde - tirade tegen close reader Van de Watering dan natuurlijk nog altijd tegen het al te zere been. Maar zie hier de tragiek èn de bevrijding: 'Het inzicht dat nu zo makkelijk uit de tikmachine komt, bezat ik toen natuurlijk nog niet: ik kon me dan ook niet verdedigen. En nu heb ik daar geen trek meer in.' 5. En zo kon het gebeuren dat hij op het toppunt van zijn literair-kritische vermogen zijn essays eraan gaf, en het over een andere boeg gooide.

---o0o---

Deleuze op een systeemkaart in CdG's archief.
Nergens? Tóch! Deleuze op een systeemkaart in CdG's archief.
Nergens in Cornets de Groots werk - en met nog één boek te gaan begint de zoekfunctie op de site haar vruchten af te werpen - komen we de namen tegen van Barthes, Derrida, Lacan of Deleuze. Maar het is duidelijk dat de vraag naar het plagiaat in Ladders - in zijn meest algemene zin geformuleerd: 'Hoe komt de schrijver aan zijn woorden?' 6 - ten minste ten grondslag ligt aan het werk van de twee eerstgenoemden, terwijl het antwoord: 'Niemand kiest zijn eigen gedachten' 7 parallel loopt met de anti-subjectfilosofie van de laatste twee. Er is hier sprake van een structuralisme, dat de eigenschappen van het subject afhankelijk stelt van zijn verhouding tot de symbolische orde waarvan hij deel uitmaakt, en die Cornets de Groot voor auteurs als Vestdijk, Mulisch en Lucebert in mythische systemen als de astrologie, de alchemie en het gnosticisme naging. De objecten van deze systemen - de sterrenhemel, het brouwsel van de alchemist, God - zouden, met een variatie op Vestdijk, gezien kunnen worden als 'het algemeenste, waartoe men tevens in de persoonlijkste verhouding staat', 8 wat weer een andere omschrijving is van CdG's Kosmische Metafoor, 9een formule waarin deze verhoudingen hun meest algemene uitdrukking vonden. Plagiaat nu, als meest ondubbelzinnige voorbeeld van de verhouding van een schrijver tot de taal, bracht opnieuw het subjectivisme, de 'persoonlijkheid' van de schrijver in het geding.

'[Een schrijver] streeft ernaar zich vrij te maken. Daarom streeft hij er ook naar de afstand tussen voorbeeld en navolging zo groot mogelijk te maken. Of die losmaking geslaagd is, hangt ervan af, of de emulator 10 bij het overnemen van andermans vormkenmerken begrip toonde voor de geest achter die vormen. Het werk vertoont dan een zekere autonomie, doordat het zich laat plaatsen in een reeks van literaire uitingen, die op zichzelf niets met het origineel te maken hebben. Immers, hoe groter de afstand tussen voorbeeld en navolging, des te groter is de kans dat de nieuwe creatie zich met andere scheppingen binden laat.' 11

Het beeld dat dit oplevert is dat van een 'ladder in de leegte': een verbinding tussen twee of meer overgeleverde verhalen die niet (meer) tot een enkele topos teruggevoerd kunnen worden, maar die met elkaar een web vormen waarover het auteurschap zich verdeelt.
Een postmodern web dus? Zelfs die term zoekt men tevergeefs in dit werk - maar er kan geen twijfel aan zijn dat Cornets de Groot, ruim twintig jaar vóór Thomas Vaessens' postmoderne interpretatie van Luceberts poëzie 12 in deze boeken tot inzichten kwam waar op dat moment in Nederland vrijwel niemand, daarbuiten alleen de genoemde boegbeelden uit het Franse postmoderne discours aan toe waren.

---o0o---

Hoe groot de afstand tussen voorbeeld en navolging kan worden blijkt uit Luceberts verwerking van gnostische beelden en ideeën in zijn poëzie. In 1978 publiceerde Cornets de Groot Met de gnostische lamp, een 'krimi-essay', waarvan de titel behalve naar de thermische lans van meesterkraker Aage M. ook naar het 'lezen met de loep' van de close reading verwijst, en waarin Lucebert, compleet met 'handlangers' en 'slachtoffers' als 'hoofdverdachte' achterna wordt gezeten. Cornets de Groot wijst in zijn rol van 'detective' in dit boek op een aantal overeenkomsten tussen Luceberts beeldvorming en die van het gnosticisme, waarvan de radicaal dualistische grondgedachte niettemin in volstrekte tegenspraak staat tot Luceberts eigen visie.
Deze hypothese, die in 1994 in een omvangrijke studie van Anja de Feijter 13 uitgebreid werd naar de 'intertekst' van de Joodse kabbala en de poëzie van Hölderlin, was in wezen de concretisering van het algemene inzicht dat Lucebert tegenstellingen als die tussen de wereld en God, mens en kosmos, lichaam en geest etc. in zijn poëzie voortdurend ophief en verzoende: een 'antidualistisch program', waartoe hij het gnosticisme 'onthoofde':
'Het ingewikkelde bij Lucebert is, dat hij een systeem, dat hij principieel verwerpt, tóch nodig heeft (...), voor symboliek en structuur van zijn poëzie en voor zijn ideologische strijd voor een andere maatschappij'. 14

Lucebert en Cornets de Groot in het Letterkundig Museum, 1983
Lucebert en Cornets de Groot in het Letterkundig Museum, 1983.

In 1999 verscheen bij uitgeverij Vantilt Lucebert, mysticus, een al even omvangrijk proefschrift van Jan Oegema. Hoewel de auteur hier en daar afstand neemt van Cornets de Groots beweringen over Luceberts antidualistische en antiplatonische programma, komt Cornets de Groot erin naar voren als de figuur die niet alleen belangrijk pionierswerk heeft verricht, maar die het denken over Lucebert tot op de huidige dag beheerst. Dit laatste werd in datzelfde jaar 1999 nog eens bevestigd door de postume opname van een ongepubliceerd artikel 15 in een door Hans Groenewegen aangelegde verzameling Lucebert-essays onder de titel Licht is de wind der duisternis (Historische Uitgeverij), en de gunstige waardering die vooral dat essay in de kritieken mocht ontvangen.

Lucebert-liefhebbers opgelet! Ter gelegenheid van deze oplevering van Met de gnostische lamp heb ik een aantal tot dusverre niet eerder gepubliceerde documenten van Cornets de Groot over Lucebert aan de site toegevoegd. Het gaat om de volgende teksten:
  • Een onvoltooid essay over het gedicht 'de discipel'
  • Een recensie van de bundel Oogsten in de dwaaltuin
  • Een lange brief aan R.L.K. Fokkema (van Het complot der vijftigers) over 'het orakel van monte carlo'
  • Ongedateerde aantekeningen
  • Een beschouwing over Lucebert en het vrije vers (met in handschrift de mededeling 'door Lucebert verworpen'!)
---o0o---

Nog een paar mededelingen tot slot. Piet Boekestijn, die mij zoals ik in de eervorige aflevering vertelde, volkomen onverwachts een aantal onbekende gedichten van mijn vader ter hand stelde, publiceert op zijn site herinneringen aan oude vrienden, onder wie de dichter Jozef Eijckmans en fotograaf Cor Stutvoet, die eveneens tot Cornets de Groots vriendenkring behoorden. Zijn herinnering aan zijn oude vriend Rudy heeft een gebalanceerd en uitstekend geschreven verhaal opgeleverd, waaruit blijkt dat Cornets de Groot al ruim vóór zijn eerste publicaties - en vooral vóór de seksuele revolutie - met thema's als dood en seks op goede voet stond. Een enkel citaat:

'Mijn onzekerheden beheersen veel van mijn doen en laten. De onzekerheden van Rudy lijken daarentegen zonder concessies in een leefbare filosofie te zijn ondergebracht. Sexualiteit beleef ik met resten van ingeprent zondebesef. Met realiteitszin en een open mind alles onderzoekend, ontdekkend en analyserend zit Rudy tegenover me, een vriend die in korte tijd mijn leraar wordt. (...) Zijn overwicht is natuurlijk, maar onnadrukkelijk. Als vanzelf spreken we over onze verhouding tot vrouwen. En over de bikini, het kledingstuk, dat de atoombom met het lichaam van de vrouw verbindt! De bevrijding van de Japanse overheersing, gekoppeld aan een begin van losmaking van sexuele repressie!'
Lees Piet Boekestijns herinnering hier.

---o0o---

'Ik word getagd, dus ik besta' - zo luidt ons nieuwe existentialisme. Ook Rudy Cornets de Groot heeft zijn eigen pagina op de sociale netwerksite Facebook - een onvermijdelijke ontwikkeling. Veel activiteit is er nog niet, maar wie weet wat de toekomst brengt. Meld u aan als fan, zegt het voort, of laat het aan u voorbijgaan. In alle geval:

Tot de volgende keer!

---o0o---

Klik hier voor Met de gnostische lamp.
Klik
hier voor Ladders in de leegte.


NOTEN

  1. Voorwoord tot De open ruimte, p. 13.
  2. Voorwoord tot Contraterrein, p. 10/11.
  3. Foutenanalyse, Ladders in de leegte, p. 224.
  4. Idem.
  5. Brief aan Jan Verstappen, p. 2.
  6. Aldus de ondertitel van Ladders in de leegte.
  7. Inleidend, De kunst van het falen, p. 7.
  8. Aldus Vestdijks definitie van mythologie. In: S. Vestdijk, Albert Verwey en de Idee, Rijswijk (Z-H), 1940, p. 80.
  9. Zie de Inleiding tot Bikini.
  10. 'Voor de emulatoren - de gelukkigen die ontlenen èn verbeteren - is 'plagiaat' een symbolische daad van onafhankelijkheid, een zich ontdoen van het voorbeeld.' Plagiaat, een beroepsdeformatie?, Ladders in de leegte, p. 22.
  11. Contact, of de herkenning van het eigene in de ander, Ladders in de leegte, p. 84.
  12. Thomas Vaessens, De verstoorde lezer, Nijmegen, 2001.
  13. Anja de Feijter, 'Apocrief / de analfabetische naam' - het historisch debuut van Lucebert, Amsterdam, 1994.
  14. Een voorgeschiedenis onder de loep, Met de gnostische lamp, p. 25.
  15. Ontwerp voor een quizz.


Nieuwsbrief 9 (19 februari 2009): Gele Vellen

Geachte lezer,

In de film The Shining van Stanley Kubrick werkt schrijver Jack Torrance, gespeeld door Jack Nicholson, dag en nacht verwoed aan een manuscript, terwijl hij gaandeweg bevangen wordt door een demon. Wanneer zijn vrouw na een paar maanden eens een kijkje neemt, blijkt het manuscript te bestaan uit een enkel, talloze malen overgetypt zinnetje ('All work and no play makes Jack a dull boy').

Hoe gaat dat: je bent iets aan het doen, - niemand weet wat. Zelf weet je alleen dat wat je doet gedaan moet worden, ongeacht wat wie ervan denkt, - ja dat het ontbreken van nut precies het belang ervan uitmaakt. Het is geen kwestie van volharding, maar van een bepaalde modus waarin je terecht komt, een beweging zonder doel maar met een gang, waarvan het 'eindresultaat' niet meer dan een kleine verschuiving is: het wijzigen van een typografische vorm, of van de codering van een tekst.
Zo, als Jack Torrance, heb ik me de afgelopen vijf maanden gevoeld bij het bezorgen van vijftien jaargangen van het Informatief Bulletin van het Lodewijk Makeblijde College, bijgenaamd de 'Gele vellen'.

stapel gele vellen
Niet dus dat het hier om zinloze, manische of meditatieve arbeid ging, of om de loutere(nde) ervaring van het typen, zoals bij de projecten van Kenneth Goldsmith, die voor zijn plezier sportverslagen, weerberichten en filemeldingen uittypt, zoals Samuel Vriezen "hier" een tijdje geleden wist te vertellen. Nee - hád ik het scanapparaat maar kunnen gebruiken! Maar het was juist de gele kleur van de stencils waaraan deze vellen hun bijnaam danken, die dat verhinderde.

Daarmee werd de tautologische vraag die Goldsmith aan de orde stelt, nl. die naar het nut van monnikenwerk, voor mij actueel: welk belang was ermee gediend om deze bijdragen aan vijftien jaargangen van een lerarenorgaan op het internet te zetten? Of, om de subtekst c.q. de verdrongen inhoud c.q. het geweten van de vraag maar in het licht te stellen: welk nut had het om werk uit de periferie van een obscuur oeuvre op een officieus medium te plaatsen? Ging dat niet wat ver? Was hier geen sprake van een exces?

Gelukkig las ik, halverwege de vierde jaargang en nog elf te gaan, de weldadige woorden die Dirk Vekemans aan het exces wijdde: 'Van een exces', zei hij, 'kan je nooit teveel hebben, want dat is per definitie al iets dat bovenop het nodige bestaat, daar bestaat geen "juiste of behoorlijke kwantiteit" van (Van Dale). Het is enkel negatief redenerend vanuit een fictief tekort dat er van iets dergelijks een teveel zou kunnen zijn, want dan pas kan je via dat tekort een mate bepalen waarin wat er te kort zou zijn (niks dus, want dat is fictief) effectief in ‘behoorlijke of juiste’ mate wel aanwezig zou moeten zijn. Ergo: elke (poging tot) normerende bepaling van creatieve groei is een repressieve beweging vanuit een obsessie tot beknotting, castratie. Het teveel dat weerzin wekt, "is in feite" de weerzin om het eigen tekort.' (Dirk Vekemans, Otoliths #11).

En het is vanuit dat tekort dat men zich paranoïde kan afvragen wat iemand aan het doen is, om verbaasd zijn eigen tekort terug te zien in de onafzienbare overvloed van een ander.

Enfin. Er is natuurlijk geen twijfel aan: deze gele vellen zouden zonder het internet nooit een tweede leven hebben gekregen. Ze kunnen alleen bestaan in een ruimte die om zo te zeggen voor het exces ontworpen is, dwz. voor een ruimte zonder begrenzingen, dus laten we zeggen: voor een open ruimte. Maar die ruimte kan op haar beurt pas open zijn doordat ze - afgezien van de lopende praktijk - teksten bevat die buiten de canon vallen, dwz. teksten die niet omwille van een doodsdrift moeten worden onthouden en bewaard, maar die we juist 'vergeten', negeren, verdringen. En ja, heeft het werk van Cornets de Groot daar niet altijd toe uitgenodigd?

Neem onderstaande foto. Ze staat op p. 269 van Hugo Brems' geschiedenis van de naoorlogse Nederlandstalige literatuur, Altijd weer vogels die nesten beginnen (1945-2005).



Heeresma, Carmiggelt en Andriesse. Maar wie is die man in die lammycoat, die daar wat achteraf staat, en toch als enige de moeite neemt de camera in de lens te kijken? Juist. Op sleeptouw genomen door zijn zwager Heeresma, altijd al de man van de 'acties en attracties', maar zelf in alle opzichten een buitenstaander ('Ik ben geen barricadeheld, geen provo. Geen blauwe builen voor mij'). 1 Had Brems die positie beter kunnen illustreren dan met deze foto, het onderschrift, en zijn auteursregister, waarin die naam al evenzeer ontbreekt? Heeft hij zich niet uitstekend van zijn taak gekweten? Waar dient zo'n literatuurwetenschappelijk overzicht anders voor, dan om mensen hun plaats te wijzen?

Gelukkig dus, deze open ruimte van het internet. In een bijdrage aan een dossier over poëzie en internet van het tijdschrift De Brakke Hond zei ik er onlangs het volgende over:

'Op De open ruimte, de titel van de website op www.cornetsdegroot.com, is de status van de bijeengebrachte teksten anders dan die ze destijds op papier hadden. De ruimte is er veel opener dan die van de bundel De open ruimte (1966) ooit kon zijn. Dat boekje was een object met een commerciële, en later nostalgische waarde, dat men op grond van onderwerp, alfabet of andere formele indeling in de boekenkast kon klemmen. Op het internet is de verwevenheid met andere teksten veel groter, doordat andere websites er naar verwijzen, en zoekmachines de teksten op meer gegevens indexeren dan alleen die beginletter of dat onderwerp'. (RHCdG, Filmisch lezen - een flarfessay).

Anders gezegd: de digitalisering op www.cornetsdegroot.com vertegenwoordigt geen doel 'in zichzelf', maar constitueert (mede) een nieuwe creatieve praktijk, al was het alleen doordat het de zoekresultaten van Google, dit compendium van onze blinde vlekken, van nieuwe impulsen voorziet.

---o0o---

De Gele vellen.
In 1969, een jaar na invoering van de Mammoetwet, en twee jaar nadat hij wegens contacten met provokringen zijn loopbaan als onderwijzer in Den Haag had moeten opgeven, solliciteerde Cornets de Groot bij het Lodewijk Makeblijde College, school voor katholiek onderwijs te Rijswijk. 'Solliciteren moest natuurlijk niet bij de afd. Onderwijs van Den Haag gebeuren, maar bij scholen voor bijzonder onderwijs of bij scholen buiten Den Haag. Na drie jaar las ik iets waar ik op af ging. Ik was blij dat ik bij jullie terecht kon.' 2
'"Hoe stelt u zich het onderwijs voor?" werd me bij mijn sollicitatie gevraagd. (...) "Ik wil dat mijn pupillen over zichzelf, over de wereld en over mij iets leren, en met iets bedoel ik zoveel mogelijk." "Dat wordt dan een dolle boel," zei de directeur. "Ja," zei ik. En ik mocht komen.' 3

Een katholieke scholengemeenschap! Wat moest deze, op de fraterschool van Padang grootgebrachte aanhanger van Nietzsche daar? En zou hij er behalve het metafysische en het sociale, ook het derde, mystisch-introspectieve type uit Vestdijks De toekomst der religie terugvinden: zichzelf?

klassefoto

'De eerste twee jaren hield ik me gedeisd op school, wist er zelfs de weg niet. De kantine? de kapel? de kelder? Als ik ergens wezen moest, liep ik de hele school door, - zwervend. In de pauzes bleef ik in mijn lokaal. De architectuur van het gebouw joeg me schrik aan. Ik was gewend aan de Zusterstraat, de Hemsterhuisstraat, de Ketelstraat: verzakte, verwaarloosde, verpauperde gebouwen. Na twee jaar kroop ik uit mijn schulp.' 4
Hij nam het redacteurschap van de Gele vellen op zich, een taak die hij op een paar onderbrekingen na tot aan zijn afscheid in 1985 heeft voortgezet. Het resultaat: niet minder dan 176 artikelen, ofwel 108.966 woorden (inclusief noten): een roman van 400 pagina's of twee essaybundels, de plaatjes niet meegerekend. ('All work and no play makes Jack a dull boy').

Op dat moment, in 1971, had hij al vijf, zes essaybundels gepubliceerd; collega's die zijn werk kenden zagen in zijn komst die van de profeet zelf: 'de man van Bikini'. 5 Het redacteurschap viel dus niet samen met het begin van zijn schrijverschap. Hij probeert er een echt tijdschrift van te maken ('onregelmatig, maar nooit niet op tijd'): die derde jaargang staat vol grappen en grollen, plagerijen en provocaties, en onvermijdelijk ook met wat ruis, al schrijft hij geen zin waarmee niet wat bijzonders aan de hand is. Het gaat dan ook om hermetisch werk in de ware zin des woords: bestemd alleen voor ingewijden, voor collega's die Cornets de Groot op de dag van verschijning nog in de gang of de lerarenkamer tegen het lijf liep - en voor niemand daarbuiten. Het is als met de Vestdijkkroniek, het enige andere tijdschrift waarvoor hij redactiewerk verrichte: ook dat was (en is nog altijd) een blad voor een incrowd.

En wat voor een incrowd! Neem Patty Brard, klasgenootje van Narda uit Cornets de Groots beide romans, en nog altijd in het nieuws met nieuws over een al even hermetische, want privé-gemeenschap als de gemeenschap die in deze gele vellen wordt bezongen. Aan roddel en achterklap dus geen gebrek, al kan men niet zeggen dat men Cornets de Groot in deze stukken ontmoet 'zoals hij werkelijk was'. Maar men komt hem hier tegen zoals de lezers van deze stukken hem op die gang of in die lerarenkamer tegenkwamen, en van wie sommigen zich wel eens afvroegen: 'Hoe kan zo'n aardige man zó iets schrijven?' 6 Pas later, na zijn afscheid, openbaarde hij aan een ex-collega zijn geheime agenda: 'Van het Gele vel maakte ik een mentale bacil. Ik zou de school verzieken. De ware deugd een impuls geven, waardoor ze ging werken als een kwaad, als iets dat verboden was, of moest worden.' 7

Théodore de Saint-Juste Milieu op een geel vel: 'Zó ziet hij er uit, van voren en van binnen: verstandig, wijs, en dienovereenkomstig: bescheiden'.
Of neem Hans Janmaat, leider van de toen extreemrechtse Centrumpartij, die het LMC landelijk in het nieuws bracht toen hij er na zijn avontuur in de Tweede Kamer zijn baan als leraar maatschappijleer weer kwam opeisen. Zou hij de naam van zijn partij niet hebben ontleend aan St. Juste, oprichter van de Partij van het Uiterste Midden? Deze figuur, voluit Théodore de Saint-Juste Milieu, komt vanaf de achtste jaargang aan het woord. Zijn naam, die veeleer is geïnspireerd op de boeddhistisch angehauchte 'leer van het midden' uit Vestdijks roman De dokter en het lichte meisje, leidt tot controverse, en dus tot vragen in de Gele vellen:

'Wie is SJ?' (...)
'SJ is een tegenstrijdige figuur, die in allerlei gedaantes optreedt. Hij is revolutionair èn (zoals zijn naam ook al zegt) bourgeois satisfait. Bovendien is hij heilig. Daardoor onttrekt hij zich aan de gebruikelijke maatstaven. Hij is een verschijnsel.' 8

Gaandeweg legt Cornets de Groot zijn narrenpak af, en ontpopt zich tot leider, om niet te zeggen goeroe van een gemeenschap die als een kind 'evenwichtig door de tumultueuze jaren van zijn groei moet komen'. 9 De toon wordt minder frivool. Hij schrijft een hartstochtelijk pleidooi voor het toelaten van boeken met seksueel expliciete passages, dat binnen de katholieke scholengemeenschap een kleine revolutie teweeg brengt. 10 Hij zet de 'leerlingenmoraal' op Nietzscheaanse wijze af tegenover die van de leraren, en vraagt: 'Wat leert het niveau van een vraag ons over het niveau van onze pupil?' 11 En hij schrijft over José, een leerlinge die wel wordt begrepen ('begrip huist helaas overal') maar vooral wordt miskend. 12 Komt er op die manier nog wel iets van lesgeven terecht? Natuurlijk: 'Ik wil graag een voorbeeld zijn, en ik zet cijfers, proefwerken en al dat gedoe er maar voor op de helling tot de tijd anders van mij eist. Dan gaan we twee weken stampen, en richt alles zich weer op schoonheid waarheid en goedheid amen.' 13

Een aantal artikelen uit de laatste jaargangen kunnen zich zonder meer meten met het beste dat Cornets de Groot geschreven heeft. 14 Dat ligt ook voor de hand, want schrijven en lesgeven bevonden zich voor hem altijd op hetzelfde plan. 'Ik vond schrijven zoals een onderwijzer onderwijst een aantrekkelijk werkje' zei hij al n.a.v. zijn debuutessay. Sterker nog: 'Ik stel me aan vreemden altijd als leraar voor - nooit als schrijver. Maar ik ben pas tevreden, als ik eraan heb toegevoegd: "Aan het L.M.C.!"'

Cornets de Groot met Ik predik de nadorst

Na zijn afscheid bedankten zijn collega's hem met een alleraardigst liber amicorum, getiteld Ik predik de nadorst (naar een regel uit een gedicht van Lucebert), dat zowel in gewone tekst als in facsimile is bijgevoegd ('All work', enz.)

---o0o---

Een paar mededelingen tot slot. Voor zijn onlangs verschenen Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays (Prometheus) heeft Joost Zwagerman het essay Met andermans veer opgenomen, naar mijn mening een uitstekende keuze. Volgens mededeling trof Zwagerman het betreffende essay aan op de website. Misschien dat Hugo Brems ook zijn computer eens wil aanzetten?

Het lemma over Cornets de Groot op Wikipedia is inmiddels geen 'beginnetje' meer, maar nog altijd voor uitbreiding vatbaar, voor wie daar zin in heeft.

Dit project nadert zijn einde. Ik heb de mooiste drie boeken voor het laatst bewaard. Graag tot de volgende keer!

---o0o---

Klik hier voor het eerste artikel uit de Gele vellen.
Klik hier voor de weergave in facsimile van Ik predik de nadorst.
Klik hier voor de Brief aan Jan Verstappen.
Klik hier voor Een opstel over Cornets de Groot.


NOTEN
  1. Een onroman een bitterboek, p. 155.
  2. Brief aan Jan Verstappen.
  3. Tropische jaren, p. 133. Zie voor Cornets de Groots verslag van zijn sollicitatie deze krabbel uit de elfde jaargang.
  4. Zie noot 2.
  5. Zie de gelijknamige bijdrage van Jan Verstappen in het liber amicorum Ik predik de nadorst.
  6. Zie deze open brief uit de veertiende jaargang.
  7. Zie noot 2.
  8. Uit Hans' interview met Saint-Juste - vervolg.
  9. Zie deze Krabbel uit de elfde jaargang.
  10. Zie Poètes, - vos papiers! (negende jaargang).
  11. Zie deze Krabbel (elfde jaargang).
  12. Zie Kids are special people (veertiende jaargang).
  13. [Geen titel].
  14. Een van die stukken, een onorthodoxe bespreking van een gedicht van Lucebert, verscheen dan ook als postuum artikel in de door Hans Groenewegen samengestelde bundeling Lucebert-essays Licht is de wind der duisternis, Historische uitgeverij, 1993..


Nieuwsbrief 8 (24 augustus 2008): Vestdijk op de weegschaal


"Libra, and my name is Charles"
The Floaters



Geachte lezer,

'Een mens is niet alleen zichzelf, maar ook de jeugd van zichzelf, hij is zijn ouders, zijn vrienden, zijn minnaressen, zijn ondergeschikten - zijn provincie, zijn omgeving, zijn sociale klasse - hij is alles wat hij gezien, ervaren, geleden en genoten heeft; en tenslotte is hij ook nog wat hij niet is (…). De mens, indien hij een totaliteit is, moet ook dit zijn: zijn eigen contrast, zijn eigen ontkenning.' 1


Van wie zou dit zijn? Van Badiou, met die totaliteit? Nee, helaas. Deleuze dan, ondanks die totaliteit? Ja, dat zou kunnen! Maar het is van iemand die altijd al het midden opzocht, allicht omdat zijn sterrenbeeld Weegschaal hem dat nu eenmaal ingaf: Simon Vestdijk.

- Wat, die schim uit het verleden?
- Helaas, het is zo! Vestdijk is alleen nog een 'duivelskunstenaar' (Ter Braak) voor wie bereid is om de literatuurgeschiedenis - onvermijdelijk een conservatieve aangelegenheid - een moment te vergeten en zich door zijn werk van die duivelskunsten te laten overtuigen. Overigens doet men zichzelf daar een groot plezier mee.


Omslag Vestdijk op de weegschaal


"Vestdijk..." Als kind hoorde ik mijn vader die naam wel eens mompelen, als hij zich een moment alleen waande, in de keuken, op het toilet, of achter zijn bureau. Wie was dat toch? Hij schreef twee boeken en meer dan vijftig artikelen over hem - twee keer zoveel als over Lucebert, de nummer twee in zijn werk. Ja, en wie dat was, Vestdijk - de volgende intimiderende feiten, wanneer men ze in hun versteende, literair-historische vorm tot zich laat spreken, staan een vrije, spontane belangstelling haast in de weg:

'Vestdijk schreef 22 poëtische werken (gedichtenbundels, epische poëzie, een drama in verzen), 7 novellenbundels, meer dan 50 romans en 22 essaybundels, de 10 over muziek niet meegeteld. (...) Verbazing over zijn belangstelling voor het paranormale (in het met Marsman geschreven Heden ik, morgen gij), waar hij zo juist in Else Böhler, Duits dienstmeisje zijn bedrevenheid in het realisme bewezen had, verenigt zich met bewondering voor zijn veelomvattende en diepgaande kennis (van psychologie, godsdienstpsychologie, filosofie, muziek) en zijn inzicht in historische, kunst- en literatuurhistorische vraagstukken.' 2

Overdonderende feiten. Maar wat interesseert een kind, iemand die buiten die geschiedenis staat ('een kind/ een bloesemtak/ een onbekende' - Rodenko) zich daarvoor? Die had allicht ook in 1972, toen dit boekje in het onderwijs werd geïntroduceerd, al lege ogen. Maar waarom kinderen ook met feiten vermoeien, zolang er mogelijkheden zijn om zich over te verwonderen? 'Wat is er gebeurd', vraagt de historicus, en laat zich door toevalligheden het zwijgen opleggen. 'Wat zou er gebeurd zijn, als...'? vraagt het kind, de kunstenaar, de bloesemtak. Vestdijk zelf schreef er een essay over, 'Historische contingentie' (in Essays in duodecimo) waarin hij zich in aanvulling op de gewone geschiedschrijving een 'leer van gemiste kansen' voorstelt. Uiteraard niet om ons van de realiteit af te leiden, maar om die beter te doorzien. Waarom anders geschiedenis bedrijven?

Vestdijk op de weegschaal is naar dat uitgangspunt gemodelleerd. 'Mij gaat het om het beeld van de schrijver in zijn werk,' schrijft Cornets de Groot. 'Aangezien een mensenleven altijd beneden de maat blijft van de doelstellingen in dat leven, mag onze verbeelding zo stout zijn als de biografie het toelaat. Het gaat ons niet om de becijfering van de waarde van dit "ik", maar om die van 't meer ik dan ik.' 3

Na de bloemlezingen uit het werk van Staring, Lucebert en Bert Schierbeek, die alledrie voor gebruik in de klas waren bedoeld, vervolgde Cornets de Groot in 1972 met dit overzicht van Vestdijks werk, dat in de door Martien J.G. de Jong geredigeerde reeks Literaire verkenningen verscheen. Het uiterst sympathieke boekje geeft in krap honderd pagina's niet alleen een chronologisch overzicht van Vestdijk als dichter, romancier, novellist, essayist en criticus, maar wijst ook Vestdijks veranderlijke, 'weegschaal'-karakter aan als het samenbindende element in zijn schrijverschap. 'Steeds wanneer de schaal naar een kant doorslaat, springt Vestdijk op de andere over. Of een van zijn mensen doet dat. Het centrale idee in Vestdijks problematiekgevoeligheid berust op het mechaniek van de weegschaal.' 4



Dat is natuurlijk een astrologische metafoor voor wat in het denken van Deleuze inderdaad als de grootste opgave kan worden gezien, nl. om 'te ontkomen, eruit te komen', dwz. te zorgen dat men als subject niet samenvalt met zijn geschiedenis of zijn toekomst, met wat als zodanig kan worden aangeduid, maar daarbuiten te reiken, naar zijn eigen contrast of ontkenning. Of, in Vestdijks woorden:

'Een menselijk leven, dat zich op de duur niet met tien, twintig andere levens vermenigvuldigt, - levens die geen vorm hebben aangenomen, maar daarom nog geen doodgeboren levens, - verdient de naam van "leven" ternauwernood; het is een leven zonder diepte, zonder ruimtelijkheid, zonder licht en schaduw.' 5

Vestdijk op de weegschaal is nu op www.cornetsdegroot.com in zijn geheel beschikbaar, dwz. met fragmenten uit Vestdijks werk erbij, en een 'Werkboekje', dat ook onze lege ogen met tranen mag vullen: wat Cornets de Groot tóen van een leerling durfde vragen, kan menig leraar van nu niet meer bedenken. Ik dank de Erven Vestdijk voor hun vriendelijke toestemming voor het overnemen van de fragmenten, waaronder het schitterende verhaal Het veer, en het hierboven al genoemde, briljante essay Historische contingentie, dat naar mijn overtuiging niet alleen van Vestdijks werk een hoogtepunt is, maar van het genre tout court.


*****


Al in het voorwoord tot zijn eerste bundel De open ruimte zegt Cornets de Groot dat zijn grote essay Bikini 'een zoveelste hergeboorte van mij [was], een "psychisch" proces, dat bij gebrek aan "psychische" taal werd uitgedrukt in "literaire". Ongetwijfeld is zijn astrologische metafoor voor het werk van Vestdijk zo'n voorbeeld van 'literaire taal'. Het was het verband tussen hemel en aarde dat hem überhaupt zijn belangstelling voor literatuur ingaf, en bovendien een methode aan de hand deed om die belangstelling van een structuur te voorzien: het systeem van de kosmische metafoor. 'Uren kan ik staren op woorden als dag, licht, ster, zon, weerlicht, hemel, planeet of Ram en Stier en Kreeft', schrijft hij, zelf een Waterman.

Aries, Taurus, Cancer, Aquarius, aquarel, 1978.
"Aries, Taurus, Cancer, Aquarius," aquarel, 1978.

Enkele weken geleden ontving ik een e-mail van een meneer die zich voorstelde als Piet Boekestijn, en die vertelde dat hij mijn vader in de jaren '50 in Haagse café's als De Posthoorn en de sociëteit van de Haagse Kunstkring had gekend, temidden van mensen als Jozef Eijckmans, Jan Molitor en Cor Stutvoet. Ik kende zijn naam niet, maar hij bewees zijn vriendschap van toen op bijzonder overtuigende, om niet te zeggen overrompelende wijze, door mij een aantal gedichten ter hand te stellen die mijn vader in die jaren zou hebben geschreven.
Gedichten, van mijn vader? Had hij die ooit geschreven? Meer dan een enkel sinterklaasvers is er niet overgeleverd. En dan uit die vroege periode, die haast mythische voortijd, enkele jaren van vóór zijn debuut? Daaruit was me niet meer dan een enkele titel bekend, Timmeren aan het zwerk, een door Gids-redacteur Anton van Duinkerken als 'gelal' afgewezen essay... 6 En dan nu: poëzie?
Piet Boekestijn gaf me de gedichten, zes stuks in totaal. Hij had ze destijds zelf overgeschreven; de originelen had hij weer teruggegeven, en die waren natuurlijk verloren gaan. Maar Piet had ze bewaard, om ze een halve eeuw later aan de zoon van zijn oude vriend ter hand te stellen. Over de authenticiteit van wat hij me gaf, kon en kan geen enkele twijfel bestaan. Ik citeer het eerste:

Het wonder van de verdampende H-mens

tientongig de taal
muziek knettert op in de keel

men laat zich zingen men luistert in
de zwellende strot naar adders naar
de paniese danseres der ziel
(een klank wordt dampend geboren)
(de damp hoopt zich op in het ei)

de zwaartillende tong stapelt ah op oh
zo vult men de ruimte de ruimte
aan een eierstok tokkelt de ziedende tong
zo bewijst men bewogen zijn wijsheid
in duister verdampend daarna

           de damp hoopt zich op in het ei daarna
           gebeier gebeier gebeier
           de damp hoopt zich op in het ei daarna
           gebeier gebeier gebeier


Natuurlijk, dit is geen eigen, oorspronkelijk werk; het is Lucebert-epigonisme van een aan de weg timmerende dichter van bijna dertig - maar die titel! 'Het wonder van de verdampende H-mens'... H-mens? Waterman? De H-bom of waterstofbom? Hier kwamen, ver vóór Bikini, de astrologische variant van de kosmische metafoor en het tijdperk van een dreigende atoomoorlog al bij elkaar. Onmiskenbaar Cornets de Groot, die hierin zijn 'zoveelste hergeboorte' beleefde, en een weg vond om te worden wie hij moest zijn: zijn eigen contrast, zijn eigen ontkenning: het wonder van de verdampende H-mens.





Met vriendelijke groet,

Rutger H. Cornets de Groot


  1. S. Vestdijk, 'Marcel Proust en het algemene', in: Gallische facetten, Den Haag, 1968, p. 32.  
  2. R.A. Cornets de Groot, Vestdijk op de weegschaal, Leiden, 1972, p. 84.  
  3. Cornets de Groot, De kunst van het falen, Den Haag, 1978, p. 55.  
  4. Cornets de Groot, Intieme optiek, Den Haag, 1973, p. 66.  
  5. S. Vestdijk, 'Historische contingentie', in: Essays in duodecimo, Amsterdam, 1951, p. 23.  
  6. Blijkens een brief van Asselbergs (Van Duinkerken) aan Kees Lekkerkerker van 30 mei 1962.  



Nieuwsbrief 7 (22 maart 2008)

Geachte lezer,

Een nieuwe vormgeving en een nieuwe brief: wij hebben de weersomstandigheden niet nodig om na een onderbreking van meer dan een half jaar onze eigen wederopstanding te beleven. Niet alleen heb ik mijn eigen literaire leven weer opgepakt - houd daarvoor uw ogen de komende dagen scherp gericht op http://blogger.xs4all.nl/cornets5/ - maar ook het nachleben van de man wiens naam, lot en fakkel ik draag. Daarmee wordt niet alleen het resterende laatste kwart van dit project aangesneden, maar ook een 'elementaire beweging' weer ingezet: die van de wereld naar de wereld, dat wil zeggen van vertrouwd terrein naar Contraterrein.



Contraterrein: allicht zou deze inleiding kunnen volstaan met de inleiding die Cornets de Groot zelf voor de bundel schreef - het is een van de mooiste teksten uit zijn werk. Maar Contraterrein is een ambivalent boek. Het lijkt 'in elkaar geflanst' zoals in dat voorwoord wordt benadrukt, maar de compositie is hechter dan van eerder verschenen werk - zij het ook weer niet zo hecht als in werk van daarna. Er is met andere woorden een neiging naar orde en structuur van iemand die zich van nature thuisvoelde in een 'systematische ordeloosheid', maar die zich gaandeweg ook een 'echte systeembouwer' noemde. In geen ander boek uit het oeuvre is die tweeslachtigheid zo merkbaar als in Contraterrein. Zo houdt men aan het boek een merkwaardig onbevredigde indruk over, omdat men voelt dat het niet heeft voldaan aan Cornets de Groots eigen verwachtingen. Bovendien kan de moeizame, pijnlijke ontstaansgeschiedenis er te gemakkelijk aan worden afgelezen.

In eerste instantie dankt Contraterrein zijn ontstaan én zijn titel aan Harry Mulisch. Deze maakte deel uit van de redactie van het door De Bezige Bij uitgegeven tijdschrift Randstad, waar in 1963 Cornets de Groots tweede publicatie, het grote sleutelessay Bikini in verscheen. In die periode moet, in samenspraak met Bezige Bij-directeur Geert Lubberhuizen, het plan zijn ontstaan voor een door Cornets de Groot te schrijven en door De Bezige Bij uit te geven boek over het werk van Mulisch; Cornets de Groot vertelt dit althans aan zijn vaste uitgever Bert Bakker. Van dat boek is het nooit gekomen, maar wel bevat Contraterrein negen opeenvolgende 'Notities bij het werk van Harry Mulisch'. In een terugblik schrijft Cornets de Groot:

'Wat Mulisch' werk betreft: ik potte alles op, en kort voordat ik dan het spaarvarken aan scherven smeet (in Contraterrein, een titel die met Mulisch te maken heeft: 'de tegenaarde')...' (De kunst van het falen, p. 20).

Zo levert Mulisch de eerste titelverklaring van deze bundel. In Voer voor psychologen beschrijft hij deze tegenaarde als datgene 'wat de aarde wordt, wanneer een andere planeet op haar neerdaalt en zichzelf wordt - wanneer een kunstenaar zich ergens op haar oppervlakte binnenstebuiten keert' (p. 51). Op haar beurt, kan men zeggen, is deze tegenaarde afgeleid van het begrip antimaterie, dat in het Engels ook wel met de term contraterrene wordt aangeduid.

Kentering
Omslag van een aflevering van het tijdschrift 'Kentering', 1968.

Bij uitbreiding kan gezegd worden dat de titel het object aanduidt van Cornets de Groots gehele oeuvre, getuige de volgende overweging:

'Een mens - een dichter, een lezer - heeft aan de fysische wereld deel. Maar tussen hem en de wereld bevindt zich een ruimte van niet-stoffelijke aard, die niet van deze wereld is, maar die hij vult: met gebed, magie, dagdroom, muziek - en ook met schrijven, lezen, als hij daar tijd voor overhoudt. Zo'n ruimte, eenmaal gevuld, doet zich aan de beschouwer ervan 'als wereld' voor. Maar ze vertoont van die wereld alleen die kanten die niet van deze wereld zijn: die van de tegenaarde, die kontraterrein zijn. Het is een wereld waarvan de invloed op de realiteit niet onderschat kan worden, en die dan ook om die reden niet van de realiteit valt los te maken, al was het alleen maar omdat de psychische energie van een mens zich in belangrijke mate op die ruimte richt. Ik zeg dus: niet hier in de wereld, noch hier op het papier vallen woord en ding samen, maar ginds in die open ruimte, waarheen de tekst verwijst als naar een realiteit - al is die realiteit van déze ruimte en deze tijd bevrijd.' (Intieme optiek, p. 26).

Niet van deze ruimte en tijd bevrijd, helaas, was de kruisgang (om in Paassfeer te blijven) van het typoscript voordat Nijgh & Van Ditmar het in 1971 eindelijk in het licht gaf. De ironie wil dat Cornets de Groot juist veel moeite had gedaan om Bert Bakker, de uitgever van zijn eerste vier essaybundels, af te laten zien van diens 'recht van optie'. Wanneer Bakker in januari 1969 eindelijk toestemt en Cornets de Groot het zeven jaar eerder geanticipeerde boek bij De Bezige Bij inlevert, krijgt hij het lid op de neus. Aan zijn vriend Wim Meeuws schrijft hij: 'Ik heb 't idee steeds verder geïsoleerd te raken: Bert Bakker gaf eindelijk z'n fiat aan 't plan m'n boek bij de Bij uit te geven en die stuurde de hele zaak binnen een week terug.'

Op 3 maart 1970, ruim een jaar later, en een half jaar na Bert Bakkers dood, probeert hij het bij uitgeverij Bruna, maar die wijst het idee, na een eerste welwillende reactie, ten slotte af: 'Er zijn enkele hoogtepunten in het boek, met name het amusante slotstuk, maar als geheel komt ons Contraterrein niet systematisch en duidelijk genoeg voor om deze bundeling te motiveren'. Hieruit blijkt dat de structuur van het boek niet vanaf het begin heeft vast gestaan, en mogelijk verschillende keren is omgegooid: het 'amusante slotstuk' kan namelijk alleen duiden op het eerder afzonderlijk uitgegeven Een wijze van lev/zen, dat niettemin in de uiteindelijke uitgave aan de aan Mulisch gewijde slothoofdstukken voorafgaat. Toch is Cornets de Groot, wanneer de bundel in de nazomer van 1971 dan eindelijk verschijnt, niet tevreden over het resultaat. In een begeleidend briefje aan dichter Arie van den Berg, aan wie hij de bundel cadeau doet, schrijft hij: 'Contraterrein, weer zo'n bundel essays, ik vermoed dat dit de laatste bundeling is in deze vorm, want in de toekomst doe ik 't anders. Nijgh was te beroerd me de laatste drukproef zelf te laten corrigeren, - met fataal gevolg, zoals je zult zien. Enfin, mijn eigen belangstelling is voor dit soort werk sterk gedaald; gelaten wacht ik de afbraakkritieken maar weer af.'

Het 'fatale gevolg' heeft betrekking op talloze zet- en drukfouten, die de bijvoeging van een errata-velletje noodzakelijk maakten. Hoewel Nijgh & Van Ditmar tot in de jaren tachtig Cornets de Groots uitgever zou blijven, maakt deze eerste proeve van hun samenwerking geen gelukkige indruk. Zo merkt de flaptekst onder meer op dat Cornets de Groot 'andere wetenschappen in zijn literaire studies betrekt, o.a. de astrologie, de kosmische metafysica, enz.'

Men kan zich licht Cornets de Groot teleurstelling voorstellen, ondanks de door Cor Stutvoet genomen foto die onder deze liefdeloze tekst prijkt. Want wat hier als 'kosmische metafysica' wordt aangeduid betrof niets minder dan Cornets de Groots systeem van de 'kosmische metafoor', een kritisch instrument om de band die een schrijver ziet tussen zichzelf en het heelal - anders gezegd, de manier waarop hij zichzelf gesitueerd ziet in de wereld en de werkelijkheid - op het spoor te komen. Een hoogst oorspronkelijke vondst dus, die nimmer navolging kreeg, en waarvan Cornets de Groot in deze vijfde bundel ten slotte in passende bewoordingen afscheid nam:

Stilleven
Planeten en een zwevende Cornets de Groot, thuis op de Denneweg in Den Haag, 1960.

'Ik noemde dit schema in een flits van onwetenschappelijk maar diep inzicht, dat mij, buiten alle systemen en verstand om, ja, dank zij mijn methode die helaas nonexistent is, niet zelden deelachtig wordt, de Kosmische metafoor, kortweg: de KM. [] In ieder stukje van De zevensprong en Labirinteek, in de belangrijkste essays uit De open ruimte bracht ik de KM te pas en te onpas te pas, en liet zien dat dit schema niet van vandaag [] of gisteren [] was, maar altijd al functioneerde in belangwekkende literatuur, en dat het fysische wereldbeeld daarbij een inspirerende rol kan spelen. [] [Het is] het centrum vanwaar uit zowel de persoonlijkheid als het werk wordt gevoed - of uitgehongerd. Maar ja, dat is weer zo'n particulier oordeel van het alleranti-intellectualistisch-te allooi! We doen er daarom verstandig aan [deze] opvattingen met de grootste reserve te bekijken. Iedere gek heeft wel eens een geniale flits, nietwaar? En bovendien, wat weten wij, lettervreters en literaten, nou eigenlijk helemaal van de ziel?'

Ten slotte valt Contraterrein in drie delen uiteen. Dat zijn niet de delen die ons door de inhoudsopgave worden voorgehouden. Evenmin is het waar, dat de inhoud niet door een Verwey-achtige Idee bij elkaar wordt gehouden, zoals het voorwoord wil. Veel meer dan een boek over Mulisch, of over de scabreuze 18e eeuw van Een wijze van lev/zen, lijkt zich in de hoofdstukken die aan die beide delen voorafgaan inderdaad een elementaire beweging af te spelen, - een die zijn beginpunt zoekt in een wereld van de fantasie, en zijn eindpunt vindt in het impressionistische hart van dit 'buiten tekst, ik en wereld gelegen rijk, waarin men nederdaalt om tekst, ik en wereld van hun algemeenheid te verlossen.'

Contraterrein bevat essays over achtereenvolgens Gorters Mei, W.F. Hermans, Achterbergs Spel van de wilde jacht, Vestdijks Een alpenroman, het impressionisme van Tachtig, de 18e eeuwers H.K. Poot en Rhijnvis Feith, en negen essays over Harry Mulisch.

*****

Tot slot nog aandacht voor het volgende: het literair-historische tijdschrift Zacht Lawijd, een samenwerking tussen het AMVC-Letterenhuis Antwerpen en het Letterkundig Museum Den Haag, is zojuist met een mooi nummer over Bert Bakker gekomen. Het bevat aansprekende, rijk geïllustreerde stukken over Bakkers positie in de Haagse kunstwereld, zijn relatie met Paul Rodenko, Lucebert en talloze anderen, over de illegale Mansarde Pers, Maatstaf en de Ooievaarsreeks. Teveel om op te noemen, en van harte aanbevolen. Helaas wordt Cornets de Groot maar één keer genoemd en dan in het voorbijgaan, maar in die omissie was al voorzien: de briefwisseling tussen Cornets de Groot en Bert Bakker prijkt sinds juli vorig jaar op de site. Jammer blijft het natuurlijk wel, te meer daar die ene vermelding al een verbetering van 100% betekent ten opzichte van het vorig jaar verschenen, 800 pagina's grote overzichtswerk van Hugo Brems. Het is zoals Cornets de Groot zelf altijd al constateerde: hij is niet zozeer object van een Bourdieu-achtig uitsluitingsmechanisme, als wel, tot op de huidige dag, van collectieve verdringing. Hoe kan het ook anders:

'De wetenschapper schrijft de essayist heel vlot een benijdenswaardige vrijheid toe. Maar hij kijkt wel uit, zichzelf een weinig benijdenswaardige angst toe te schrijven voor het voorbeeld dat de vrije essayist voor hem is. De verleiding tot nadoen, het infectiegevaar van het taboe, moet hij daar geen maatregelen tegen treffen van een uiteraard dwangmatig karakter? Wie het verdrongen verlangen naar die vrijheid bevredigt, krijgt dan ook al die neurotici op zijn dak. Hij wordt afgestraft, en het is de straf zelf die het de heren wetenschappers mogelijk maakt ook het taboe te doorbreken: niets is onwetenschappelijker dan hun kritiek op het werk van zo'n essayist. De zich wrekende critici zijn dan ook geen haar beter dan de dissident, integendeel: ze zijn beroerder. Zij zijn, als alle machthebbers, zo slecht als ze maar durven.'

Wij weten nu met wie wij te doen hebben. Om de Hugo Bremsen van deze wereld van dienst te zijn is op Wikipedia inmiddels een zogenaamd 'beginnetje' gemaakt met een lemma over R.A Cornets de Groot; vanzelfsprekend is eenieder welkom het dit rudimentaire stadium voorbij te helpen. Wij gaan inmiddels door met Vestdijk op de weegschaal.



Nieuwsbrief 6 (10 juli 2007)

Aan het verzameld werk van Rudy Cornets de Groot op www.cornetsdegroot.com zijn bloemlezingen toegevoegd uit het werk van A.C.W. Staring, Lucebert en Bert Schierbeek, en voorts de correspondentie met uitgever Bert Bakker.

Op 25 juli 1967, vijf jaar na zijn debuut en met drie essaybundels achter zijn naam, schreef Cornets de Groot aan laatstgenoemde:

""De 14e juli deed ik dan eindelijk dat examen M.O. Ned. en slaagde. Veel heb ik natuurlijk niet aan dat papier, want na m'n haatdragend stukje in Maatstaf [een artikel waarin hij verslag deed van zijn onderwijsperikelen] voelt geen enkel dorpsonderwijsman er iets meer voor 't paard van Troje binnen te halen. Ik heb daarom gedacht aan de mogelijkheid m'n didactische gaven aan 't papier toe te vertrouwen en ik zend je een proeve daarvan toe. 't Wordt een 'anti-schoolboek', met inleiding tot de leerling, deze bloemlezing uit Starings lyrische poëzie. Bruikbaar voor school is 't natuurlijk wel. Voel je er iets voor zo'n 'schoolboek' te maken? Ik heb nog andere ideeën in dat geval - een 'story' van de 'hoofse lyriek', van de ME af, naar Vestdijks Madonna met de valken, voor 'jeugdig' publiek. Een 16e eeuws spel van sinne, waar ik iets aparts over te vertellen heb, enz."


A.C.W. Staring (1767-1840)

De keuze voor A.C.W. Staring als eerste in een reeks waarvan niet veel later ook contemporaine schrijvers als Lucebert en Bert Schierbeek deel zouden uitmaken, was niet toevallig. Een jaar eerder, in 1966, had Cornets de Groot in het tijdschrift Raam het essay Een opregt gemoed gepubliceerd, waaraan hij dat jaar op vakantie in Vorden, nabij Starings landgoed De Wildenborch, had geschreven. Anthonie Christiaan Wijnandt Staring (1767-1840), dichter van eens beroemde verzen als 'Sikkels klinken/ Sikkels blinken/ Ruischend valt het graan' en 'Wij schuilden onder dropplend loover/ Gedoken aan den plas' - trof hem doordat hij de tegenstellingen waaruit zijn persoonlijkheid was opgebouwd niet door het rationalisme van zijn tijd het zwijgen op had laten leggen, - of zoals Cornets de Groot het later in een korte autobiografische schets zei: "Ik heb wel es een huilerige bui - maar dat is ook de bron waar mijn aandacht voor Feith en voor de lyricus Staring uit voortkomt."

Een 'anti-schoolboek' werd de bloemlezing niet; het verscheen als aflevering van het door Bert Bakker opgerichte en geredigeerde tijdschrift Maatstaf. Voor het nummer togen Bakker en Cornets de Groot in 1967 samen naar De Wildenborch en interviewden er de achterkleinzoon van de dichter en toenmalige bewoner, mr. A. Staring. Het interview werd niet in het nummer opgenomen, maar verwerkt in een van Cornets de Groots eigen twee bijdragen, Een tussenhistoriese figuur. Zijn andere bijdrage, Starings liriese poëzie - beide zoals gebruikelijk gesteld in de door Bert Bakker gewenste, moderne spelling - is de eigenlijke inleiding, waarin leraar en leerling apart worden toegesproken. Op uitnodiging van Cornets de Groot droegen verder P.J.H. Vermeeren en H.A. Wage - beiden docent aan de Haagse School voor Taal- en Letterkunde, waar hij juist zijn MO-akte had behaald - een artikel aan het nummer bij.

Aan Bert Bakker schreef hij over zijn Een tussenhistoriese figuur: "Het is een wat springerig artikel, maar zo ben ik zelf ook. Overigens ben ik er zeer mee ingenomen, omdat het het conservatisme van Staring doorbreekt. 't Is nodig dat er nieuw licht valt op Staring. Het monopolie van schoolmeesters moet nu maar eens kapot, en ik lever daartoe graag m'n bijdrage."

De bloemlezing uit Starings werk bevat 19 van zijn mooiste gedichten, die ondanks de afstand in de tijd ook vandaag nog indruk maken door hun muziek en hun eenvoud, die niet naïef is, maar het resultaat van de harmonie die deze "eerste moderne dichter" in zijn eigen en de hem omringende natuur tot stand bracht:

Toeft niet langer! Adeline komt!
Zwevend naakt zij, en mijn zang verstomt.


- woorden die in Van Bastelaere's Voorbode van iets groots niet zouden hebben misstaan...


Lucebert (1924-1994)

Hoewel geen van de andere, hierboven geciteerde plannen zijn gerealiseerd, vonden Bert Bakker en Cornets de Groot in het Staringnummer voldoende aanleiding om met een echte bloemlezing voor scholieren voor de dag te komen. In 1968 verscheen Poëzie is kinderspel, een bloemlezing uit het werk van Lucebert, als dubbele Ooievaar in een oplage van liefst 10.000 exemplaren uitgebracht. Ook hierin worden leraar en leerling in aparte inleidingen "tegen elkaar uitgespeeld, zonder dat ik van een van beide de sympathie verspeel", zoals Cornets de Groot aan Bakker schreef. Uit het voorwoord:

"Kinderen worden niet meer ingewijd in de raadselen van dit 'vak', zoals vroeger, toen ze opstonden en gingen slapen met poëzie. Kinderen worden niet meer ingewijd, zodra het de opvoeders te moeilijk (lees: te modern) wordt met die malle poëzie. Straks worden ze groot, die kinderen; ze worden bij voorbeeld burgemeester of onderwijsspecialist en zien zich gedwongen zich tot oordelen onbevoegd te verklaren. Om iets aan deze betreurenswaardige toestand te doen - en om de zogenaamde leek een handje te helpen - koos R. A. Cornets de Groot, die zijn afkomst uit het onderwijs helaas niet loochent, een groot aantal van de meest toegankelijke gedichten uit het oeuvre van Lucebert. Zijn inleiding tracht de moeilijkheden, voor zover ze er zijn, en zonder ze te vereenvoudigen, te verhelderen. Want poëzie is natuurlijk niet voor de specialisten. Poëzie is kinderspel."

Poëzie is kinderspel biedt in het hoofdstuk Spelregels een eerste stilistiek van Luceberts dichtkunst, met aandacht voor hem kenmerkende formele verschijnselen als 'lettermagie', 'verstrengelingstechniek', 'woordopeenhopingen', 'beeldversmelting', enz. - een uitermate behulpzaam overzicht dat Cornets de Groot in 1979 in zijn klassieke Lucebert-boek Met de gnostische lamp nog verder zou uitbreiden - en waarvan Ton den Boom onlangs in zijn boekje Wie wil stralen die moet branden (BnM Uitgevers, 2007) nog een eigen reprise heeft gegeven.

In de slotbeschouwing Licht waartegen het lied concludeert Cornets de Groot:

"Schrijvers als Lucebert zijn niet de naïeve, op goede voet met de natuur verkerende, uit instinkt levende, met alle lagen van het volk verbroederde kinderen die wij even in ze zagen. Ze staan alleen, hebben altijd alleen gestaan, en zullen altijd alleen blijven staan. Maar ze doen zich voor alsof ze naïef en met de natuur nauw verbonden zijn, instinktief te werk gaan, etcetera. Niemand is zo gekompliseerd als wie zich eenvoudig voor moeten doen, terwille van de verstaanbaarheid. Daarom vinden we altijd wel een Reynaert in hun werk, of zijn tragiese parallel: Prometheus. Beide mitologiese helden namen het hogere bij de neus om het lagere aanzien te verschaffen. Reynaert en Prometheus waren iets meer dan eenvoudige dieven, ze waren bevrijders van hun volk. Ze werden betrapt, en in ballingschap gestuurd, maar hun uitwijzing verzoende de mensen met het hogere.

Poëzie is kinderspel? Ik geloof dat je dat gedicht van die naam nog niet gelezen hebt..."

Ondanks deze oproep is in goed overleg met de Erven Lucebert besloten om de negentig gedichten van Lucebert niet op te nemen; zij verdienen hun eigen plek, en die is in eerste instantie nog steeds de boekenkast. Gelukkig maar.


Bert Schierbeek (1918-1996)

Na Staring en Lucebert en een nooit gerealiseerde bloemlezing 'Nederlandse poëzie in 200 gedichten' was het ten slotte de beurt aan Bert Schierbeek. Jammer genoeg is dit project om onduidelijke redenen niet ten uitvoer gebracht. Op 10 oktober 1968 stuurde Cornets de Groot alle hoofdstukken, met uitzondering van de bloemlezing zelf, naar Bert Schierbeek, en vermeldde in zijn begeleidende brief dat het met Bert Bakker - de beoogde uitgever - nu 'in kannen en kruiken schijnt'. In december '68 vraagt Cornets de Groot nog om een voorschot voor de bloemlezing, maar na die datum houdt de correspondentie met Bakker op, waardoor verdere gegevens ontbreken. Wel verschenen twee inleidende essays die in de bloemlezing zouden worden opgenomen apart in tijdschriften: Het proza van Bert Schierbeek in Het Nieuw Vlaams Tijdschrift (21e jrg., nr. 9, nov 1968), en Biografie van een wereld in Bakkers eigen Maatstaf (17e jrg., nr. 1, mei 1969); kennelijk was het project toen al definitief van de baan. Bert Bakker zelf overleed in september 1969.

In het Letterkundig Museum werd in de nalatenschap van Bert Schierbeek een typoscript van 59 bladzijden aangetroffen, waarin de bloemlezing nagenoeg volledig is overgeleverd, met inbegrip van te bloemlezen fragmenten uit het werk van Schierbeek. Uit de inleiding:

"De taal van Schierbeek is niet moeilijk - niet moeilijker dan die van iemand die een verhaal logisch opbouwt en die zich aan de afspraken houdt, die een taal voor ons allen toegankelijk maken. Een van de moeilijkheden bij Schierbeek is, dat hij geen verhaal heeft om logisch op te bouwen. Er zijn duizend en één verhalen, als in een krant, en die komen in zijn verbeelding in een zekere configuratie weer bijeen. Niet het logisch denken heeft in de eerste plaats zijn aandacht, maar het leggen van verbanden tussen de meest uiteenlopende zaken - vooral tussen oog en oor. Daarom is ook niet de grammaticaal juiste woordvolgorde van belang bij hem: hij behoudt zich het recht voor die ondersteboven te gooien. Zo schrijft hij: "zo de hond van de straat de weg afloopt met de bomen zijn neus" - en hij verwerpt dus bewust "logische" volgorde: "zo loopt de straathond met zijn neus de bomen van de weg af": een zin zonder raadsels, en dus geen zin voor Schierbeek. Zo wordt ook de anakoloet een stijlmiddel in zijn handen. Want ofschoon zijn zin ontspoort, toch weet die buiten de gebaande wegen dichter bij het doel te komen dan mogelijk was geweest, indien de anakoloet vermeden werd, men oordele zelf:

de horige rust en het rustig gehoorzaam met rust ons met rust ons ze hebben het NIETS gezaaid in het weten der strijd. (Het boek Ik, p. 75)

Zo'n protest tegen het Establishment zet uiteraard meer zoden aan de dijk dan grammaticaal je fatsoen houden ooit bereiken kan."

Het typoscript wordt hier aangeboden zoals het in Schierbeeks nalatenschap is aangetroffen, met uitzondering van de twee gepubliceerde essays, waarvan de weergave is gebaseerd op de tijdschriftpublicaties. Karin Evers, sitebeheerder van www.bertschierbeek.nl, voorzag de teksten van bronvermeldingen. De samensteller dankt haar voor haar vriendelijke medewerking, en de Erven Schierbeek voor het verlenen van toestemming voor overname van de fragmenten.


Bert Bakker, 1962. Foto: J.B. Charles.

Als laatste in de rij: zestig brieven van en aan de hierboven meermalen genoemde Bert Bakker, directeur van de gelijknamige uitgeverij en oprichter van het tijdschrift Maatstaf. Tussen 1964 en 1969 werden Cornets de Groots eerste drie essaybundels en Poëzie is kinderspel door hem uitgegeven, en verschenen een twintigtal essays in het door hem en Wim Gijsen geredigeerde tijdschrift. Doordat al dit werk inmiddels op de site beschikbaar is, kan aan de hand van de correspondentie nu zowel de genese als de verdere ontwikkeling van Cornets de Groots schrijverschap op de voet worden gevolgd. De bezorger heeft dan ook gemeend de brieven zeer uitvoerig te moeten annoteren. Met liefst 107 noten op 60 brieven kan allicht gesproken worden van het 'voetnotenfetisjisme' waarin Cornets de Groot juist in deze jaren het waarmerk zag van filologen, literatuurwetenschappers, 'methodisten', 'vakidioten' en meer, maar de digitale omgeving waarin het werk nu is ondergebracht biedt de mogelijkheid om het oeuvre ook vanuit deze biografische achtergrond te ontsluiten: elk ter sprake gebracht artikel kan nu immers met een enkele klik tevoorschijn worden geroepen.

De voornaamste indruk die men uit de correspondentie overhoudt, is die van een jonge schrijver die overloopt van de wildste plannen, en een uitgever die, kennelijk nog niet gehinderd door targets, hem daartoe ruimhartig alle gelegenheid biedt. In een condoleancebrief van 23 september '69 aan Bakkers neef, Bert Bakker jr., herinnerde Cornets de Groot zich een toevallige ontmoeting op 't Posthoornterras in een late zomeravond:

"Schreeuwerig, vuilbekkend, maar als een kind stond hij me toen voor 't kleine publiek dat er nog was, op te hemelen, als de essayist nà Paul Rodenko. Ik was geheel verbijsterd, maar niet weinig ingenomen met deze verbale kritiek, die ik wel niet voor juist, maar zeker voor stimulerend hoû. Tegenstellingen die er natuurlijk waren, zoals altijd als 2 mannen met elkaar van doen hebben, zinken bij zulke herinneringen ten slotte in 't niet."

Een van deze tegenstellingen betreft het optierecht op nieuw werk, waarvan Bakker pas na herhaald aandringen van Cornets de Groot bereid was af te zien. Geconstateerd moet worden dat daarna, en na de uitgave van vier boeken in een tijdsbestek van krap anderhalf jaar, de bloemlezing van Schierbeek en een nieuwe bundel essays niet meer door Bakker zijn uitgegeven. Bovendien stokt hier, ongeveer een jaar voor Bakkers overlijden, de publicatiestroom in Maatstaf en in het algemeen de correspondentie met de uitgeverij. Zo lijkt Cornets de Groot zijn moeizaam bevochten onafhankelijkheid van Bakker te hebben moeten bekopen met een marginalisering van zijn schrijverschap: "Ik heb," zo schrijft hij in een brief, "'t idee steeds verder geïsoleerd te raken: Bert Bakker gaf eindelijk z'n fiat aan 't plan m'n boek bij de Bij uit te geven en die stuurde de hele zaak binnen een week terug." Het zou nog tot 1971, twee jaar na Bakkers dood, duren voordat dit boek, Contraterrein, na omzwervingen bij De Bezige Bij en Bruna eindelijk bij Nijgh & Van Ditmar kon worden ondergebracht. Na de periode Bert Bakker, die nu op de site volledig is verzameld, zouden de kwaliteit en de literaire reikwijdte van zijn werk zich nog verder uitbreiden, maar zijn positie in het literaire veld, zijn waardering in de kritiek en de frequentie en het bereik van zijn publicaties zouden nooit meer hetzelfde peil halen als in deze eerste jaren. Ongetwijfeld heeft Cornets de Groot de ontplooiing van zijn schrijverschap en de ongekende productiviteit waarmee die gepaard ging voor een groot deel aan deze bevlogen uitgever te danken.

Met dank aan Bert Bakker jr. voor overname van de brieven van zijn oom.

De bloemlezingen en de correspondentie met Bakker vindt men in het Verzameld Werk op www.cornetsdegroot.com onder respectievelijk 'Bloemlezingen Staring, Lucebert, Schierbeek' en 'Brieven'. Of klik hier:

Bloemlezing Staring: Maatstaf
Bloemlezing Lucebert: Poëzie is kinderspel
Bloemlezing Schierbeek: Beginnerswerk
Correspondentie Bert Bakker



Nieuwsbrief 5 (21 mei 2007)

Geachte lezer,

Aan het verzameld werk van Rudy Cornets de Groot op www.cornetsdegroot.com is de geheel aan poëzie gewijde bundel Labirinteek (1968) toegevoegd.

Labirinteek, Rudy Cornets de Groots vierde essaybundel, verscheen in de zomer van 1968, in de meest productieve periode uit zijn schrijverschap. Een jaar eerder schreef Cornets de Groot aan zijn uitgever Bert Bakker: 'Inmiddels zit ik nog steeds met mijn Labirinteek. 't Is mijn mooiste boek tot nu toe, wanneer praten we er es over? (...) Nu, tot gauw - eerst even die rotvakantie - dan schrijven we weer tegen de klippen op!'
In de twee jaar van 1967 tot 1968, waarin hij van zijn pen moet leven, verschijnen achtereenvolgens De zevensprong en Labirinteek, de Lucebert-bloemlezing Poëzie is kinderspel en het bibliofiel uitgegeven Een wijze van lev/zen. Daarnaast werkt hij aan bloemlezingen uit het werk van Staring, Bert Schierbeek en aan een overzicht van 'hoofse lyriek van de Middeleeuwen tot Vestdijk'; voorts levert hij als recensent bijdragen aan Elseviers Weekblad en De Gids en werkt hij mee aan het literaire radioprogramma Literama; en ten slotte publiceert hij met grote regelmaat essays in de literaire tijdschriften Maatstaf, Raam en Kentering. Aan deze periode komt pas een eind wanneer hij in 1969 met een ook al in deze periode behaald M.O.-diploma een baan aanvaardt als leraar Nederlands.

Achttien jaar later schreef hij over deze periode: 'In '62 begon ik aan de studie Nederlands (M.O.). In '66 sloot ik dat af. Ik nam ontslag - min of meer gedwongen: mijn betrekkingen tot de Provo-beweging vielen niet in goede aarde bij de afd. Onderwijs van Den Haag. Het waren luidruchtige jaren van werkloosheid, ik had een gezin dat voltooid was. Ik trok een weinig steun, werkte me gek voor kranten en tijdschriften en schreef met grote haast het ene boek na het andere. Geldzorgen, (...) behoefte aan drank om op de been te blijven.'



Labirinteek, Cornets de Groots vierde bundel, is de enige die geheel aan poëzie is gewijd. De opstellen handelen over achtereenvolgens Guido Gezelle, A.C.W. Staring, Jan G. Elburg, Lucebert, Willem Elsschot, Antonie Donker, Herman Gorter, M. Nijhoff, Remco Campert, Cornelis Crul, en Gerrit Achterberg, aan wie vier opstellen zijn gewijd. In het voorwoord tot de bundel, dat misschien beter als anti-voorwoord kan worden betiteld, schrijft hij in de door Bert Bakker voorgeschreven, destijds moderne spelling:

De in dit boek bij elkaar gebrachte opstellen handelen over gedichten van zeer van elkaar verschillende dichters. Een vluchtige blik op de inhoud doet vermoeden dat niet ik, maar de meest willekeurige willekeur deze dichters bijeen plaatste. Een historiese lijn zit er dan ook niet in, zelfs geen astrologiese, kosmiesmetaforiese, magiese of alchimistiese. Er zit - en dat is m.i. het aardige van dit boek - helemaal geen lijn in. Het is een labirint uit plattegronden van labirinten samengesteld, labirinten waarvan het de kennelijke bedoeling is dat men er pas uitkomt, wanneer men er zich steeds verder in werkt. Ik weet niet of het mij gelukt is uit die labirinten te komen, maar ik heb ook geen behoefte aan bevrijding op dit punt. Ik ben blij dat ik mijn eigen dwaaltuin uit kan, ik ben blij dat ik leef. Ik wacht de kritieken maar weer af. Sommige hoogst ervaren schrijvers daarvan, die ik gaarne 2 Korintiërs 5 : 12 1 als mantra mee wil geven, komen altijd uit ieder labirint, hoe moeilijk men ze het ook maakt. Maar dat is voor mij natuurlijk ook de grootste troost, overal, altijd, en dus ook hier en nu.

Een meer substantiële verantwoording van Labirinteek ontbreekt weliswaar niet: in het niet in de bundel opgenomen essay Een drievoudig manifest verklaart hij het in Labirinteek centraal gestelde begrip 'fantastikon', dat als een uitbouw van de in eerdere bundels gebruikte 'kosmische metafoor' kan worden beschouwd, en als alternatief voor de in deze periode door iedereen bedreven 'close reading'. Dit fantastikon is, kort gezegd, een wereld die 'aan de polen aan de werkelijkheid is opgehangen':

Er is [] tussen de stoffelijke wereld en een mens een zekere correspondentie, en er is dan ook een bepaalde relatie tussen beide. Een mens - een dichter, een lezer - heeft aan de fysische wereld deel. Maar tussen hem en de wereld bevindt zich een ruimte van niet-stoffelijke aard, die niet van deze wereld is, maar die hij vult: met gebed, magie, dagdroom, muziek - en ook met schrijven, lezen, als hij daar tijd voor overhoudt. Zo'n ruimte, eenmaal gevuld, doet zich aan de beschouwer ervan 'als wereld' voor. Maar ze vertoont van die wereld alleen die kanten die niet van deze wereld zijn: die van de tegenaarde, die contraterrein zijn. Het is een wereld waarvan de invloed op de realiteit niet onderschat kan worden, en die dan ook om die reden niet van de realiteit valt los te maken, al was het alleen maar omdat de psychische energie van een mens zich in belangrijke mate op die ruimte richt. Ik zeg dus: niet hier in de wereld, noch hier op het papier vallen woord en ding samen, maar ginds in die open ruimte, waarheen de tekst verwijst als naar een realiteit - al is die realiteit van déze ruimte en déze tijd bevrijd.

Dat hier het fantastikon zelf niet met name wordt genoemd, maar successievelijk vervangen wordt door de titels van twee van zijn bundels - De open ruimte en Contraterrein - lijkt voldoende reden om in het fenomeen het object te mogen zien van heel zijn essayistisch oeuvre.

Cornets de Groot heeft de kritieken op zijn werk niet tevergeefs afgewacht. In navolging van prof. dr. A.L. Sötemann meende ook de hooggeleerde W. Blok in De Nieuwe Taalgids de neerlandistiek tegen het gebodene in Labirinteek te moeten waarschuwen. In het artikel Reading Blo(c)k diende Cornets de Groot hem op even felle als amusante wijze van repliek: 'Ik prijs me ook nu niet bij de heren kritici aan, ik vraag ze niet eens te oordelen met het hart, want de ellende die daaruit voortspruit, is niet te overzien. (...) Mijn haat tegen deze lui wordt direkt akuut als ik maar één letter van ze in mijn buurt vermoed. Ik vind geen labirint in ze, geen open ruimte, geen perspektief, geen hoogte, geen diepte, laat staan een afgrond.'

  1. 'Want wij prijzen onszelve u niet wederom aan, maar wij geven u oorzaak van roem over ons, opdat gij stof zoudt hebben tegen degenen die u in het aangezicht roemen en niet in het hart.'  


Nieuwsbrief 4 (26 april 2007)

"Beste Simon,
Het zal je misschien interesseren, dat ik over je gedichten de ingesloten recensie (de eerste van mijn leven, ik weet helemaal niet hoe je zoiets aanpakt) geschreven heb. Ik stuurde het tegelijk met deze brief aan Het Parool en hoop dat ze het daar willen hebben. De NRC heeft Budding' voor een recensie gespannen, hier in Den Haag wil Het Vaderland het mijne niet hebben, wat ze natuurlijk gelijk hebben."

Met deze brief uit 1965 aan Simon Vinkenoog kondigt Rudy Cornets de Groot de eerste van in totaal 73 recensies aan, die nu zijn opgenomen in het verzameld werk op www.cornetsdegroot.com.
Op formele gronden is het niet erg moeilijk om deze artikelen te onderscheiden van het andere werk. Alle kritieken hebben betrekking op recent verschenen werk, zijn in opdracht van een tijdschrift of krant geschreven, met als formeel doel om literair werk te signaleren en de lezer over de aanschaf ervan te adviseren. De artikelen maken daardoor telkens deel uit van een daartoe ingerichte rubriek waarin zij met een bepaalde regelmaat verschenen.

Met betrekking tot Cornets de Groots kritische praktijk kan in het algemeen niet gesproken worden van innerlijke noodzaak of creatieve drift. Zijn tweede recensie zou nog twee jaar op zich laten wachten, en verscheen tegen wil en dank in een blad waar hij tot dan toe weinig affiniteit mee had: Elseviers Weekblad. In een brief van 2 februari 1967 aan zijn uitgever Bert Bakker, waarin hij over zijn financiën zijn nood klaagt, schrijft hij: 'M'n zwager [Heere Heeresma] bood aan me iets te laten doen in E. Weekblad - maar ik drink nog liever inkt en vreet liever papier dan dat'. Niettemin verschijnt in november van dat jaar zijn eerste bijdrage aan Elsevier, een samenwerking die - met een overloop naar het apart uitgegeven, door Wim Zaal bestierde Elseviers literair supplement - vijf jaar zal standhouden. In 1972, wanneer het hem financieel weer wat beter gaat, maakt hij een einde aan het recenseren, maar in 1975, opnieuw door financiële nood gedwongen, schrijft hij een sollicitatiebrief aan Max van Rooy van Hollands Diep, waarin hij meldt eerder kritieken te hebben geschreven voor "Het Parool, De Gids, Maatstaf, Book Review, Nouvel Observateur, etc." De bewering berust voor twee vijfde op bluf: voor de laatstgenoemde twee periodieken heeft hij nooit geschreven. Van Rooy reageert positief, maar van samenwerking komt het niet: Cornets de Groot kan terecht bij Bzzlletin van de jonge, destijds idealistische uitgeverij Bzztôh, die ook twee bundels van hem uitgeeft. Na 1978 houdt hij het recenseren definitief voor gezien.

Doordat Cornets de Groot voornamelijk om het geld recensies schreef, is het aantal auteursnamen in zijn oeuvre met enkele tientallen uitgebreid, die er anders vermoedelijk geen plaats in hadden gekregen. Het buitenliteraire motief voor de artikelen brengt vanzelf een bepaalde mate van objectiviteit met zich mee, die weliswaar geen gevolgen hoeft te hebben voor het oordeel, maar wel voor dat aspect van zijn schrijverschap dat het meest in het oog springt: de behoefte zichzelf te leren kennen aan de hand van andermans uitspraken, anders gezegd, de persoonlijke inzet, - en in het verlengde daarvan: de mythologisering van zijn schrijverschap. Systemen als astrologie, alchemie, de kosmische metafoor, enz., waren middelen om literair werk op een voor hem zinvolle manier inzichtelijk te maken en zich toe te eigenen. Gaandeweg liet hij deze systemen varen, om alleen nog vanuit een eigen 'persoonlijk systeem', een 'intieme optiek' te schrijven, maar dat maakte voor sommige literaten weinig verschil: voor hen waren het allemaal 'buitenliteraire' motieven, die op grond daarvan werden afwezen, terwijl zij van zijn essays juist de vorm en daarmee ook de persoonlijke structuur bepaalden. In de recensies, die wèl door een buitenliterair, want journalistiek motief waren ingegeven, kon vadit persoonlijk systeem vrijwel geen gebruik worden gemaakt, om de eenvoudige reden dat het schrijven ervan niet werd ingegeven door Cornets de Groots persoonlijke belang. Het kritische werk toont daardoor een deel van zijn schrijverschap, dat door een 'bovenpersoonlijk' standpunt wordt beheerst. Het valt daardoor op sommige onderdelen dan ook buiten de 'toe-eigening van wat mij niet bekend is, die ik eens een wilde jacht noemde'. Sommige dingen laten zich immers niet toe-eigenen: literatuur die men verwerpt, bv. Toch zijn er maar weinig afwijzende kritieken: alleen het werk van Peter Andriesse (2x), Willem Brandt, Robert Creeley, Marc Insingel en Adriaan Venema kon Cornets de Groot ook in dat bovenpersoonlijke gebied niet onderbrengen.

Om de aard van zijn kritische praktijk, en de mildheid van zijn oordeel te verklaren, mag het volgende citaat dienen uit een recensie van een bundeling kritieken van Paul de Wispelaere:

"Onder de titel Facettenoog bundelde Weverbergh de beste kranteartikelen van de aan Het Vaderland verbonden recensent Paul de Wispelaere (...). Zulke bundelingen worden altijd ontvangen met de vraag naar de zin ervan, omdat een vooroordeel wil dat een dagbladartikel een ééndagsvlieg is, - principieel van een ander niveau dan de uitvoeriger, niet in haast geschreven, en dieper doordringende bijdrage van gelijke strekking in een literair tijdschrift. Maar bij De Wispelaere wordt deze vraag kwestieus: hij schrijft niet gehaast, hij is niet oppervlakkig, zijn dagbladkritieken zouden geen tijdschrift misstaan en integendeel voor vele daarvan een uitkomst betekenen. De recalcitrante Weverbergh is terecht de eerste die een lans breekt voor de bundeling van zulk krantepapier: ‘Laten we realistisch zijn: onze literaire opinie wordt uitsluitend in de krant gemaakt’, zegt hij in zijn Met de neus in de krant, de inleiding tot deze bloemlezing. Hij snijdt in hoofdzaak twee dingen aan: het gezag van de criticus en het niveau van de dagbladrecensie - twee heus niet zo eenvoudige zaken. Maar Weverbergh pakt ze aan van de huiselijke kant: ‘Tijdens mijn vormingsjaren,’ schrijft hij, ‘bleef ik tot mijn ongeluk van een goede lectuurgids verstoken.’ De klacht moet van toepassing zijn op een hele generatie: Rodenko zweeg toen Weverbergh nog aan het woord moest komen; Jan Walravens overleed voortijdig, en zijn visie op de moderne literatuur - met andere heeft hij zich, geloof ik, ook niet beziggehouden - werd door vriendschap voor mijns inziens duidelijk zwakke broeders vertroebeld. De enige mensen in wie Weverbergh tijdens zijn vormingsjaren vertrouwen stelde, waren allerhande recensenten, zegt hij, en: ‘hun gezag was onbetwist’. Dit laatste spreekt vanzelf: voor iemand die een lectuurgids behoeft, is de criticus (dat wil zeggen één van de critici) de énige man met gezag, omdat hij de énige man is, of schijnt te zijn, met zoiets abnormaals als een ‘norm’ - ongeacht of hij oog heeft voor het bovenpersoonlijke dat achter het persoonlijke schuilt, dit is oog voor die nuances die het algemene na enig denken en beleven helpen duiden (type Verwey), dan wel oog voor persoonlijke zwakheden, die, indien getroffen, van het bovenpersoonlijke en algemene niet veel meer blijken te tonen dan een ruïne of een karikatuur (type Hermans).
Ik stel deze twee typen voor het gemak als polen tegenover elkaar (tussen beide bevinden zich nog tal van mengtypen) omdat hun verhouding tot elkaar en tot de literatuur door zo’n eenvoudig schema duidelijk wordt. Het type Verwey is gevoelig genoeg om het ‘persoonlijke’ te sparen, en dus, onder aanvoering van allerlei rationele argumenten, het boek van tweede rang tot de ‘officiële’ literatuur toe te laten, dan wel die toelating van een overigens eersteklasboek te weigeren op grond van de overweging dat dat geen ‘literatuur’ is; men denkt hier aan auteurs als Focquenbroch, Speenhoff, Hennebo, Willem Walraven - miskende talenten die vooral door ventaanhangers in de aandacht zijn gebracht. Het type Hermans heeft, in weerwil van zijn de persoon hekelende harteloosheid, voornamelijk emotionele motieven om te voorkomen dat de ‘officiële’ literatuur met een beroerd boek wordt opgescheept. (...) Vatten we nu ons inzicht samen, dan doet zich de paradox voor, dat de voor de persoonlijkheid zo gevoelige criticus juist op formele kenmerken let, terwijl de voor het kunstwerk geporteerde criticus in de eerste plaats afvliegt op de hem al dan niet sympathieke persoonlijkheid van de auteur. Voor mij is dit een aanwijzing dat het gedrag van de critici de vorm-vent-tegenstelling heeft veroorzaakt, en dat de werkelijk aanvaardbare stelling een vent een vent een vorm een vorm geen of weinig verdedigers telt. Ik betwijfel of Weverbergh aan ‘t slot van de inleiding Paul de Wispelaere werkelijk op een inconsequentie betrapt: in feite ontgaat het hem dat een wijze van kritiseren als die van De Wispelaere altijd de persoon van de auteur ontziet."
Cornets de Groot heeft zijn kritieken nooit gebundeld, waardoor ze hier voor het eerst als één corpus verschijnen. Ook in Literom zijn niet alle recensies opgenomen; bovendien is de weergave in dat overigens zegenrijke systeem veelal corrupt. Voorts zijn een aantal recensies hier voorzien van correcties uit Cornets' eigen auteursexemplaren.

De artikelen staan in het menu onder Verzameld werk > Kritieken. In de bibliografie vindt men ze chronologisch en op tijdschrift; daarnaast kan op auteur worden gezocht via een aparte Auteursindex, die tevens een inleidende verantwoording (deze) biedt.


Nieuwsbrief 3 (27 februari 2007)

Geachte lezer,

Deze keer ontvangt u een aanzienlijk langere nieuwsbrief, en wel ter gelegenheid van de publicatie van uniek materiaal op www.cornetsdegroot.com. Het gaat om de 'vier letzte Lieder' uit het oeuvre van Rudy Cornets de Groot: twee dagboeken, een reisverslag en een onvoltooide 'Indische' roman, allevier uit de jaren 1985-1989, en allevier niet eerder gepubliceerd.

foto gezin Cornets de Groot
Zus Loes, vader Piet, moeder Anna en Rudy Cornets de Groot, 1951.

Al in het begin van zijn schrijverschap, in het voorwoord van De open ruimte (1966), zegt Cornets de Groot 'literaire' taal te willen prijsgeven voor 'psychische' taal. Wanneer men die term 'psychisch' vervangt door 'persoonlijk', voldoet het hele oeuvre aan die karakteristiek; een titel als Intieme optiek (1973) is daarover duidelijk genoeg. Maar het is ook pas vanaf die bundel dat Cornets de Groot, door middel van een herinnering aan zijn vader, voor het eerst ruimte geeft aan zijn autobiografie, die daarmee de expliciete bron wordt van zijn kritische praktijk. Dat niet alleen autobiografische gegevens, maar ook het leven zoals zich dat voltrekt stof voor literair werk kan zijn, blijkt zeven jaar later, wanneer hij in het voorwoord van de bundel Striptease (1980) schrijft: 'Van jongsaf aan gaf ik me in een "werkschrift" rekenschap van de zaken die ik met een zekere bewustheid ondernam. Zo had ik als kind een werkschrift "schaken" en een voor de "verzorging van pluimvee". Een werkschrift bij het tekenen en schilderen en één bij mijn lectuur. Striptease is zgn. zo'n werkschrift bij het essayeren.'

Van het hier gegeven eerste werk, een dagboek uit de jaren 1985-1986, kan zonder meer hetzelfde worden gezegd. Het zijn notities voor een compositie, maar de compositie bestaat uit de notities zelf; het is een 'readymade', al is het ook onvoltooid. Onvolmaakt - volgens Cornets de Groot de tegenstelling van het schone - is het daarmee niet; en het onvoltooide heeft, zoals lezers van Leopold weten, zijn eigen schoonheid.
Hoe onvoltooid, in formeel maar ook in inhoudelijk opzicht het dagboek is, blijkt uit de laatste pagina, waarin op de voorgaande 99 wordt teruggeblikt:
Wat staat er in? Ontmoetingen, gebeurtenissen, neerslag van lectuur en citaten, overpeinzingen, brieven, plannen, kritiek, beschouwingen over mijn gezondheid en werk, reacties op tv-uitzendingen. Van alles. Maar niet: natuurbeschrijving, persoonsbeschrijving, directe weergave van een waarneming: ik zal me daar toch ook es op toeleggen... Er staat nog veel meer niet in. Soms schiet me een gedachte te binnen, voornamelijk m.b.t. mijn boek, waarvan ik denk: dat moet je noteren. Als ik er dan na een tijdje voor ga zitten, ontglipt me de bewoording en daarmee de gedachte. Dat is altijd jammer,- luiheid straft tenslotte zichzelf. Een gedachte als bv.: 'ik kijk niet terug in mijn boek, maar De Brauw [hoofdpersonage van zijn beide romans] kijkt, voor mij, vooruit'. Zoiets in verband brengen met 'welke wereld is bestand tegen de onvoorziene werkelijkheid?'. Ik werk het toch nog wel eens uit, hoop ik.
----o0o----

Wel compleet en in alle opzichten voltooid is het verslag dat Cornets de Groot in 1987 maakte van zijn vakantie naar Indonesië, een terugkeer na een afwezigheid van 41 jaar. Het is geen dagboek, want de aantekeningen zijn niet gedateerd; daarentegen ontbreekt het niet aan impressies, aan natuur- en persoonsbeschrijvingen - wat dat betreft schoot de gelegenheid het artistieke streven te hulp. Maar ook aan beschouwingen over het kolonialisme en de Indonesische geschiedenis, gesteund door de eigen herinnering, ontbreekt het niet. Om het werk te typeren kan misschien het beste de flaptekst van De kunst van het falen worden aangehaald: het is geen roman, geen autobiografie, essay of memoires, maar een egodocument, dat aan de hand van de opgedane ervaringen uitmondt in de vraag: 'Wie heeft er mijn leven uit zijn baan geslingerd?' Deze vraag wordt in het laatste hoofdstuk, dat dan toch de vorm aanneemt van een in drieën verdeeld essay, beantwoord.
Cornets de Groot in Bogor, 1932.
Rikin rijdt het centrum van Bogor in, naar de fotohandel. Binnen vijf minuten ben ik weer terug met zo'n rolletje. Aan de overkant zie ik een huis, ommuurd aan éen kant, aan de voorzij door een traliewerk van de straat gescheiden. Ik heb het eerder gezien. Maar ik ben hier niet eerder geweest. Een déjà-vu? Die overdekte galerij...

Voor ongeveer zo'n gebouw [...] sta ik als een jongetje van vier, of iets jonger misschien, in een zwart fluwelen pakje met een kraagje en manchetten van kant. Hoogblond, zeer blank, allerminst versteend. Integendeel: ik ben op dat pakje even trots, misschien trotser dan mijn moeder, die het zopas voor me maakte. Daarbij ben ik een blijmoedig kind. Aan mijn voet staat een speeltje.
'Je bent er heel mooi in met je gouden haartjes,' zei ze lang geleden. Mijn haar is nu, voor zover aanwezig, op het zwarte af. En ik wil graag veel van mezelf beweren, maar niet dat ik mooi ben gebleven. Zó mooi.
'Gelukt?' vraagt Narda als we wegrijden.
'Gelukt,' zeg ik.
Ik leg mijn arm op het open raam van de wagen, en zie dat de haartjes erop gebleekt zijn in de tropenzon, die schijnt. 'Gouden haartjes,' hoor ik weer zeggen, en ik moet even, o eventjes maar, heel even aan haar denken.
----o0o----

In 1988, het daaropvolgende jaar, werkte Cornets de Groot aan de opvolger van Tropische jaren, een derde roman onder de voorlopige titel We'll meet again some sunny day, naar het beroemde liedje uit de Tweede Wereldoorlog van Vera Lynn. Het is opnieuw een 'Indische' roman, maar ditmaal zonder zijn alter ego Leo de Brauw. In plaats daarvan vertelt een meisje - Inah voor haar Indische moeder, Ina voor haar tweede, Hollandse moeder - haar eigen verhaal vanaf haar jongste jaren na. Ongetwijfeld heeft Cornets de Groots jongste, toen negenjarige dochter Machteld deze figuur geïnspireerd, daarnaast mogelijk ook Alberto Moravia's Vrouw van Rome. Zijn zelfvertrouwen als romanschrijver is bij deze derde roman duidelijk gegroeid: de opbouw van het verhaal wordt niet langer bijeengehouden door een beeld (dat van Narda in Liefde, wat heet!) of door de compositie (de raamvertelling in Tropische jaren) maar lijkt voort te komen uit de gegevens van het verhaal zelf. Het is wat dat betreft opvallend dat Cornets de Groot er de brui aan geeft op het moment dat in het verhaal de 'politiek' het van de persoonlijke herinnering lijkt te gaan winnen.
Het typoscript is veertig pagina's groot en verdeeld over zeven, betrekkelijk lange hoofdstukken. Van het eerste hoofdstuk werd een ingrijpend herziene versie gepubliceerd in het tijdschrift De tweede ronde (Indonesiënummer, lente 1988). In die versie vallen ook een aantal fragmenten uit het reisverslag te herkennen, zodat beide werken elkaar in dat hoofdstuk ontmoeten.
Duisternis over de kampong en galmend brons. Schiet daar niet plotseling de stem van de dalang* uit bloed, gal en slijm omhoog in een gil, die uitdooft in het gedaver van de bedoeg?** Kijk, het witte scherm met de schaduwen daarop. En daarachter, kijk maar, onzichtbaar en alomtegenwoordig, de dalang in een feest van rouw en leven en dood, temidden van de bekkenslagen, het gerommel, gefluister, gezang en gejuich - terwijl hier het publiek ademloos toeziet en deel heeft aan de openbaring, - nee, niet openbaring, integendeel: een moment van inzicht in volle helderheid, het hoogste inzicht, een zelfwerkzaamheid, waar God en de goden van opkijken: gottogot, mensenlief... Reeds gaan ze op de hurken: zouden ze aanstonds ook nog sembah*** gaan maken voor de mens?
Wie dit ooit onderging, is nooit meer waar hij is. Of wel. Maar ook ergens anders, onzienlijk en alziend.

* Vertoner van en recitator bij wajang, Javaans schimmenspel.
** Grote trommel.
*** Eerbiedige groet waarbij de gevouwen handpalmen naar het voorhoofd worden gebracht.

----o0o----

Het vierde werk, een dagboek uit het jaar 1989, is Cornets de Groots allerlaatste werk. Het typoscript - dat wil zeggen drie met WordPerfect 4.2 opgemaakt computerbestanden, getiteld Guam, Guam1 en Guam2, kennelijk naar het Indonesische eiland - eindigt met aantekeningen voor nog te schrijven data; daarnaast is er een vierde bestand, Bahar, zo genoemd naar de djongos uit zijn ouderlijk huis, waarin aantekeningen staan die nog in het dagboek verwerkt moesten worden. Hoewel het dagboek dus een mate van onvoltooidheid kent die door Cornets de Groot niet was voorzien, is de compositorische eenheid ervan toch veel groter dan die van het dagboek uit de jaren '85-'86.
Dit blijkt ten eerste hierdoor, dat in dit dagboek maar een beperkt aantal onderwerpen aan de orde worden gesteld, die niet in één keer worden uitgeschreven, maar voortdurend worden hernomen. De schriftuur lijkt daardoor minder door de actualiteit te worden geregeerd, al vindt één ervan daarin duidelijk zijn oorsprong: de internationale ophef rond Salman Rushdie's Satanic Verses. Cornets de Groots ideeën over die opwinding en de houding van en tegenover moslims blijken nog onverminderd actueel:
Als men de mohamedaanse onverdraagzaamheid tegenover de beschaving van de christenen wil plaatsen, dan moet men dit zogenaamde "respect voor andermans geloof" bij mensen wier god al eeuwen halfdood of gestorven is, afwegen tegen de machteloze woede van de moslims, voor wie geloof en leven wèl éen zijn. Zij voelen zich geraakt in het diepste en waardevolste dat ze bezitten, in het hart van hun cultuur. Daar speculeerde Khomeini op en daar reageerde het verlichte westen weer op, door de vrijheid van meningsuiting op te blazen tot het fetisj van de mythe van het verlichte en superieure blanke ras. Maar wie zich afvraagt waar de geloofwaardigheid werkelijk woont, verwerpt die racistische mythe evenzeer als de geestdrijverij van de idioot van Teheran en brengt zich met enig verlangen Saladin en de "afvallige" Bassa Selim voor de geest.* Zou het vandaag de dag nou echt zo moeilijk zijn om in het oosten zulke mensen - échte mensen - te ontmoeten?

* "Afvallig", volgens Pedrillo uit Mozarts Die Entführung aus dem Serail, waarin Bassa Selim éen van de hoofdfiguren is.
Andere terugkerende onderwerpen zijn de lectuur van Moravia's Vrouw van Rome, Cornets de Groots biografisch essay over Speenhoff, Mozarts opera Don Giovanni en vooral een aantal jeugdherinneringen, die behoren tot het mooiste wat hij over Indië schreef. Doordat deze onderwerpen voortdurend worden hernomen, lijkt de structuur van dit dagboek op ongedwongen wijze die van essaybundels als Intieme optiek en Striptease te weerspiegelen. Maar een opmerkelijk verschil met de periode waarin die bundels verschenen, is een tendens naar ordening en systematisering. Alleen al het besluit om zich voor langere tijd op biografieën vast te leggen - eerst die van 'Narda' in Liefde, wat heet!, daarna die van J.H. Speenhoff - wijst op een toenemende behoefte de werkelijkheid - in het bijzonder het verleden - te ordenen, met onvermijdelijke gevolgen voor het vrolijke, onbezorgde, door sommigen voor slordig gehouden karakter van zijn schrijverschap. Nog in Striptease (1980) schreef hij: 'Maar met welke buitensporigheden hou ik me toch op? Struktuur, compositie - nooit eerder had ik van zulke problemen problemen gemaakt.' Maar tien jaar later, in een werkplan voor het Fonds voor de Letteren, zegt hij in verband met dit dagboek te worstelen met de 'ingewikkelde structuur' ervan. En vanaf 1989 komt die behoefte aan ordening expliciet tot uitdrukking in uitgebreide voetnotenapparaten, een stijlmiddel dat hij voordien als 'voetnotenfetisjisme' en 'nijverheid van academici' van de hand had gewezen. Dat zijn houding tegenover orde en structuur tot het laatst ambivalent is gebleven, blijkt niettemin uit een opmerking van 16 juli 1985, waarin hij zegt 'geen systematicus' te willen zijn; een maand later beweert hij in hetzelfde dagboek 'echt een systeembouwer' te zijn.

Meer dan de hierboven genoemde onderwerpen staat in dit laatste dagboek de hartaanval centraal die Cornets de Groot op 11 juni 1989 trof, vier dagen na de voltooiing van zijn Speenhoff-essay. Zijn verslag hiervan, De robot en het woord, een 'psychopathografie' aan de hand van Luceberts bundel Troost de hysterische robot, zou zijn laatste publicatie worden (Maatstaf nr. 3, maart 1990), en wordt in het tweede deel van dit dagboek omkaderd door een aantal 'niet gedateerde aantekeningen' die in dezelfde periode ontstonden:
Thuis. De confrontatie met het ware leven, de vrienden, kennissen, buurtgenoten, winkelpersoneel. Ik vertel en maak een grapje, waar ik om lach. Bij velen ben ik welkom, alsof ik nooit ben weg geweest, bij anderen merk ik een zekere schuwheid of verlegenheid. Ik ben "daar" geweest en terug gekomen. Ik ben in hun ogen de commendatore,- de robot, boordevol dood. Men wendt het hoofd af als ik nader, men doet alsof men mij niet ziet. Mensen die me niet ontlopen kunnen - ik kom bv. op ze af, of de beleefdheid gebiedt dat men mij tegemoet treedt - reageren verlegen op mijn verhaal, willen het eigenlijk liever niet horen; maar ik ben niet te stuiten, ik duw ze mijn ars moriendi met de duim van een boetseerder door de keel.
In het korte, derde deel wordt de lijn van het eerste deel weer voortgezet in de vorm van reacties op actuele gebeurtenissen en publicaties, maar in november '89 min of meer abrupt afgebroken. De laatste anderhalf jaar van zijn leven heeft Cornets de Groot nog wel geschreven, maar niet meer met het oog op publicatie.


----o0o----

Ten slotte de vraag: wat is nu de waarde van deze vier werken, en de plaats ervan binnen Cornets de Groots oeuvre? Men kan de werken op vele manieren beoordelen: als historische getuigenverslagen uit de tweede helft van de jaren tachtig, als kritische en belletristische bijdrage aan de Nederlands-Indische letterkunde, als verzameling literair-kritische beschouwingen, als journal intime of als literaire autobiografie. Maar de werkelijke waarde ervan ligt tenslotte in het belang die deze werken voor Cornets de Groot zelf hebben gehad, of zoals hij over zijn eigen werk in het voorwoord van Contraterrein zei: 'Het is hoogstens van belang voor mij: voor mijn vlucht uit ruimte, tijd en subject.' Wie de vier werken achter elkaar legt, ziet dat deze laatste poging om zich van literaire taal te ontdoen gepaard is gegaan met een steeds sterkere vormbeheersing en toenemende controle over het materiaal, zodat de conclusie moet luiden dat zijn streven naar psychische taal in deze vier autobiografische werken heeft geleid tot taal met bij uitstek literaire kwaliteit; in dat opzicht kan er van een hoogtepunt binnen zijn oeuvre worden gesproken.

De vier werken staan in het deel Onvoltooid werk 1985-1989 in de sectie Verzameld werk van www.cornetsdegroot.com.


Nieuwsbrief 2 (20 december 2006)

Geachte lezer,

Na de oplevering van Tropische jaren, Cornets de Groots tweede roman, zijn nu vijf interviews toegevoegd aan de afdeling Extra van www.cornetsdegroot.com. De interviewers zijn achtereenvolgens Margaretha Ferguson, Herwig Leus, Rico Bulthuis, Jan Verstappen en Marja Käss.

Uit het interview met Margaretha Ferguson:
Wat vind je van het leven?
Hij buigt het hoofd diep op de borst en trommelt op de tafel. "Ja... ja..." Hij grinnikt, en peinst verder: "Ja, ja..." En dan opgelucht: "Actualiteit, dat zegt me niks, het is zo verdwenen, actualiteit, dat is hélemaal niks!"
Inmiddels is een begin gemaakt met het publiceren van een derde, onvoltooid gebleven roman uit de jaren 1987-1988. De hoofdfiguur is ditmaal niet langer Cornets de Groots alter ego De Brauw, maar een jong meisje dat opgroeit in Nederlands-Indië. Deze niet eerder gepubliceerde tekst is de eerste uit het nagelaten werk.

Daarnaast is de site voorzien van enkele nieuwe toepassingen: een aparte pagina waarop alle tot nu beschikbare werken als PDF-bestand kunnen worden gedownload, een knop voor het rechtstreeks - zonder menu - afdrukken van elke afzonderlijke pagina (op dit moment meer dan 350), en een formulier voor het geven van feedback.


Nieuwsbrief 1 (24 november 2006)

Geachte lezer,

Op het online verzameld werk van Rudy Cornets de Groot zijn aan het eerste hoofdstuk van de roman Tropische jaren (1986) de hoofdstukken II-V (t/m p. 39) toegevoegd. Ga naar www.cornetsdegroot.com > Verzameld werk > Tropische jaren, of volg deze link.

'Batavia. Het woord bepaalt niet een andere plaats, een andere tijd dan je met Djakarta bedoelt. Het is een signaal uit een andere bewustzijnssfeer: ik ken Djakarta niet. Ik ken ook geen tempo doeloe, geen nostalgie. Ik ken alleen het onschuldige, het zuivere, weetgierige en ontembaar grote verlangen naar een naakte vrouw met zielsverrukkende bewegingen van heupen, billen en buik.'


Berichten op het weblog van Rutger H. Cornets de Groot


RSS en nieuwsbrief op www.cornetsdegroot.com (20 oktober 2006)

Oorspronkelijk bericht

Voor het gemak heb ik de site nu ook van RSS voorzien, zodat men de opeenvolgende hoofdstukken in dagelijkse doses tot zich kan nemen, en ook de verdere ontwikkelingen op de site op de voet kan volgen. Hoofdstuk 6 staat er inmiddels bij.

Wie niet weet wat RSS is, kan hier een kijkje nemen.
Wie geen RSS wil, kan een abonnement nemen op de nieuwsbrief.


Romans op www.cornetsdegroot.com (19 oktober 2006)

Oorspronkelijk bericht

De komende weken voeg ik op www.cornetsdegroot.com dagelijks enkele hoofdstukken uit de romans Liefde, wat heet! (1983), Tropische jaren (1986) en de onvoltooide roman We’ll meet again some sunny day (in het gedeelte Nalatenschap) aan het verzameld werk toe.
De eerste roman is geen Nabokov, de tweede geen Du Perron en de derde geen Mahieu; het is werk van een essayist die, in zijn streven ‘literaire taal’ op te geven voor ‘psychische taal’, op zoek ging naar nieuwe vormen, en die bij dat streven niet door morele of formele ('literaire') inhibities in de weg werd gezeten. Uit voor publicatie bestemde aantekeningen van 7 februari 1989:

Liefde, wat heet!

Liefde, wat heet! van Simon Lucard [het uit de namen Vestdijk, Lucebert en Narda samengestelde pseudoniem dat CdG voor deze debuutroman koos, R.] bevat bij de minimale afstand tussen heden en verleden een paar elementen van “mémoires”. Het verhaal dat daar verteld wordt, is de lang niet harteloze poging van De Brauw [naam van de verteller en ik-figuur uit het boek, R.] om erachter te komen, wat de veel jongere Narda voor hem betekent. De receptie van Lucards debuut is niet oninteressant, omdat de critici van Groot-Staphorst dit meisje aan de mallotigste vermaningen blootstelden en door wilden sturen naar alle ethici, psychiaters, juristen, pedagogen, hogepriesters, projuventuters en kinderbeschermers die er maar zijn. “Schrijf jij maar over Indië”, riepen ze naar Lucard. “Bemoei je niet met die meid. Dat zullen wij wel doen”. En werkelijk, J., een collega van Lucard, vertrouwde Narda toe: “Zoals hij over jou schrijft, zo schrijf je toch niet over je eigen vrouw...” En vervolgens deed J. alles om haar te versieren. Die uitwerking heeft dit boek vaker. Ik vind dat verbazingwekkend. Het roept niet alleen de morele verontwaardiging van derden op, maar ook de drang om haar te bezitten. Het wekt hun fantasie: “Zo’n meid hoort niet bij zo’n ouwe vent, maar bij mij en anders in een bordeel of in de kliniek,” denken ze. Voor hun is ze te geil om los te lopen, of Lucard nu wel of niet over haar zou hebben geschreven “zoals men schrijft over zijn eigen vrouw”. Hun is ze hem te jong; ook denken ze dat zij op verstandelijk gebied een kwart eeuw bij hem achterloopt. “Kun je wel met haar praten?” vragen ze, alsof het onmogelijk is voor hem om haar, voor haar om hem aantrekkelijk te vinden. En ze geloven - wanneer het verschil in leeftijd maar groot genoeg is - dat er iets schandelijks schuilt in het plezier dat men elkaar doet door middel van die lichamelijke bekwaamheden, waar niet alleen de ander het grootste genoegen aan beleeft.

Ik weet natuurlijk wel dat dit geen literaire kritiek is. Critici kleden hun bezwaren dan ook anders in: ze zeggen dat het bij deze boeken gaat om bekentenisliteratuur van de burgerlijkste soort: een man* in zijn midlifecrisis, die het met een jeugdig meisje aanlegt, o bah, wat foei!

“Als U mijn leven werkelijk wilt beschrijven, bekritiseer dan alstublieft de psychiaters,” schrijft Oscar Glauser aan een van zijn eerste biografen.** “En zegt U eens luid en duidelijk, dat de spelletjes die deze heren met het noodlot spelen bijzonder gevaarlijk zijn. Zij hebben mij vier jaar lang niet met rust gelaten en ik ben intussen net zo broos als een Linzer taart. Maar wat bij een taart nog een teken van kwaliteit zou kunnen zijn is bij een mens besodemieterij”.

Natuurlijk was en is Narda net zo min “normaal” als u en ik. Haar gekte dankt ze aan de goede bedoelingen van ouders, die er geen idee van hadden wie ze was. Maar zo broos als Glausers taart kon ze nooit worden,- zo gezond en verwerpelijk was ze nog wel, bij alle dweepzucht en schuldgevoel. Ze maakte zich in alle opzichten vrij en eigende zich een leuke kijk op mannen toe, die, zoals ze ooit eens buiten het boekje tegen me zei, “bezitterig doen, omdat dat voor mij het beste is”.

Tropische jaren

Nu ook Tropische jaren verschenen is, mogen Narda en De Brauw niet meer alleen op grond van Liefde, wat heet! beoordeeld worden. Tezamen verwijzen die boeken naar de heersende moraal en naar onderdrukking en tezamen roepen ze de tegenkrachten van kleinheid en nonchalance op. In zekere zin gaan die boeken over de vrijheid van de individu, die zelf uit wil maken waar de grens van het fatsoen ligt. De Brauw heeft heel goed in de gaten dat zijn vriendin haar medemensen als ‘wegwerpmateriaal’ ziet. De wereld is er om haar te amuseren, en als de wereld dat niet kan, dan kan de wereld barsten. De Brauw bedekt zulke trekjes in haar karakter voorzichtig met de mantel van zijn liefde, - een liefde die, wat heet, haar zou moeten veranderen. Maar wie nu helaas denkt dat dit boek daardoor onder de categorie pornografie valt, is niet lekker. Een criticus hoeft nooit naar de morele normen van een schrijver te vragen. Een schrijver die over sex schrijft, schrijft daarover omdat hij dat schitterend vindt voor het boek, - al zal ik niet gauw zeggen dat Liefde, wat heet! zo prachtig is: ik weet wel beter. Maar had dit boek soms geschreven kunnen worden zonder sex? Ik dacht van niet. De kritiek op dit boek is bekrompen. Het boek heeft zoveel formele gebreken, dat het volstrekt niet nodig is, het te kraken op zijn zogenaamd gebrek aan fatsoen. Geen enkel werk kan begrepen worden vanuit ideeën over wat maar voorgoed en bij voorbaat moet worden verboden. “We moeten het boek maar met de mantel der liefde bedekken,” zei Aad Nuis. Maar waarom? De Brauw bedekt al zoveel met die mantel. Meer dan ooit is het tijd om ieder boek voor waardeloos te houden, dat zijn schrijver intact laat en de lezer met rust.’

* De schrijver! - o nee, dat mag juist niet... nu ja.
** In De Volkskrant van 17-02-’89, in een kritiek over Friedrich Glauser door Oscar van Weerdenburg, De detective wordt een Freudiaan.

De eerste dertig pagina's (vijf hoofdstukken) uit Liefde, wat heet! staan inmiddels online. Zie www.cornetsdegroot.com > Verzameld werk > Liefde, wat heet!


Berichten op het weblog De Contrabas


Cornets de Groot-nieuws (3 september 2006)

Oorspronkelijk bericht

Aan de website van Rudy Cornets de Groot, www.cornetsdegroot.com, is het verspreide werk uit de hele periode 1962-1990 (plus één postuum artikel) toegevoegd. Met de oplevering van dit onderdeel is aan een van de belangrijkste doelstellingen van de site voldaan: het beschikbaar stellen van werk dat alleen nog via de catalogi van universiteitsbibliotheken kan worden geraadpleegd, en dat overigens in het collectieve onderbewustzijn van de neerlandistiek is weggezonken.

De artikelen, in lengte variërend van enkele regels tot 35 pagina's, vormen tezamen het omvangrijkste onderdeel van de site: bij elkaar een kleine 100 (honderd) publicaties over een bont gezelschap auteurs, onder wie natuurlijk Lucebert, Mulisch, Achterberg, Elburg en andere 20e-eeuwers, maar ook zulke dichters als Staring, Paaltjens, Potgieter, of nog oudere als Vondel, Huygens en Heiman Dullaert (1636-1684).

Door Cornets de Groots redacteurschap van de Vestdijkkroniek - overigens de enige redacteursfunctie die hij bekleedde - maken de artikelen die hij aan deze reus wijdde niettemin het leeuwedeel van de verzameling uit. In een van deze artikelen, een beschouwing van de roman Aktaion onder de sterren, tekent hij een aansprekend portret van zichzelf als pedagoog in de meest radicale zin van het woord: iemand die zijn pupil niet opleidt tot dienaar van de maatschappij, maar hem integendeel de middelen aan de hand doet om zich tegen die maatschappij te beschermen, en wiens deugdzaamheid dan ook werkt als maatschappelijk kwaad.

Van de andere, om uiteenlopende redenen niet gebundelde hoogtepunten noem ik graag het fel-polemische Een onroman een bitterboek, het wondermooie Iets persoonlijks, de drie opeenvolgende analyses van het door Lucebert zo vlotjes voorgedragen horror, het schitterende Nawoord bij Simon Vinkenoogs Heren zeventien, zijn laatste bij leven gepubliceerde artikel De robot en het woord, een verslag van zijn hartaanval, en het vroege, in Randstad 5 gepubliceerde Rudy Cornets de Groot: Bikini, een essay 'dat ik verwerp, en dat ik de moeite waard vind' - de sleutel tot zijn hele oeuvre. De artikelen van het verspreide werk zijn in het menu in zes opeenvolgende perioden ondergebracht, maar kunnen, voor wie gericht wil zoeken, het gemakkelijkst worden benaderd via de Auteursindex, en eventueel via de zoekfunctie.


Nieuwe toevoeging verzameld werk Rudy Cornets de Groot (9 juni 2006)

Oorspronkelijk bericht

Rutger Cornets de Groot laat weten dat er nieuwigheid staat op de website van de Cornets de Grooten. En wel: Een weergave in facsimile van het bibliofiel uitgegeven Een wijze van lev/zen. Ondertitel: Een verhalend essay van een tijdgenoot van Feith, Poot en Gagarin. Voor wie het verleden definitief achter zich gelaten heeft: Feith en Poot waren 18e-eeuwse auteurs, Gagarin was de eerste ruimtevaarder. De schrijver van het essay daarentegen is een 'uit de gevestigde orde verdrevene', die met expliciete seks, een instructief vertoog over 'het gebruik van grove woorden' en een felle polemiek naar aanleiding van een stuk van prof. dr. A.L. Sötemann ('A.S. Lötermann') zowel in de republiek als in het koninkrijk stennis hoopte te schoppen.

Hoewel hij een bevriende uitgever bereid vond om de tekst exclusief, ja zelfs 'in half kalfsleer en met de zijden en schutbladen van Japans crème Natsume papier' enz. te brengen, werden Cornets de Groots hooggespannen verwachtingen niet bewaarheid. De correspondentie tussen uitgever en auteur die dit deel bovendien vergezelt, volgt min of meer het schema van Elsschots Kaas. Wat een hoogtepunt in Cornets de Groots schrijverschap had moeten worden, blijkt achteraf de inleiding te markeren tot zijn steeds verder geïsoleerde positie in voornoemde republiek, die onder invloed van de destijds nieuwe mode van de close reading geen gunstig klimaat bood voor de eenheid tussen leven en lezen die hij voorstond.

Doordat Een wijze van lev/zen in Engeland werd uitgegeven berust een exemplaar bij de British Library; de antiquarische waarde ervan is momenteel ongeveer 70 euro. De uitgave kan nu in facsimile zowel online als in PDF-formaat worden bekeken, gedownload en afgedrukt.

'Jan', zei ik, wijzend met de stok, 'wat heb je op die muur getekend?'
'O', zei Jan, 'dat is een hoefijzer, meneer'.
'Een hoefijzer! En al die haren, Jan?'
'Dat zijn toch geen haren, heer. Het zijn guirlandes, klimop, bloemen, lauweren, een vijgeblad...'.
'Je hebt er iets bijgeschreven, Jan, wat staat daar?'
'Kut', zei hij plomp.

Ga naar: www.cornetsdegroot.com, Verzameld werk > Een wijze van lev/zen.


Verzameld werk Rudy Cornets de Groot uitgebreid met De Zevensprong (2 mei 2006)

Oorspronkelijk bericht

De zevensprong (De Bezige Bij, 1967) is de derde bundel uit het oeuvre van de tegen die tijd goed op stoom gekomen Rudy Cornets de Groot. Zijn aandacht voor de relatie tussen mens en heelal, volgens de door hem gevonden formule van de kosmische metafoor (KM), brengt in deze bundel zeven onderling zeer uiteenlopende schrijvers bijeen onder het aspect van de alchemie - deze manhaftige poging de hemel op aarde te vestigen door de aarde te vormen naar het beeld van die hemel. Geen close reading of autonome literatuur dus in deze bundel (of in enige andere) maar de mythe in actie, onder het toeziend oog van de naamgever van het hermetisme, Hermes Mercurius Trismegistus (de driemaal grootste), met wie Harry Mulisch niet zonder reden zijn initialen deelt. Naast Mulisch wordt in deze bundel aandacht gegeven aan de 13e eeuwer Jacob van Maerlant, aan de renaissancist Jan van der Noot, aan Gorter en diens Mei, en aan Vestdijks Het genadeschot: bien étonné. Zelfs de neopositivist WF Hermans blijkt zich van de alchemistische vormentaal te hebben bediend om het ongelijk van alruinzoekers te kunnen bewijzen. Het aan zijn roman De God Denkbaar Denkbaar de God gewijde essay vond hij zelf een 'veel interessanter [essay] dan er ooit over andere boeken van mij geschreven zijn' (Scheppend nihilisme, p. 256). Onder de provocerende titel Een proeve van Hineininterpretierung zet Cornets de Groot zich in deze bundel ten slotte aan een lezing van Luceberts hu we wie, een van die schijnbaar ondoordringbare gedichten ('de braakstalen code der distantie/ tienticht de tientand andermaal de luchtprofetie'...) waar niemand zich aan waagde, en waar hij tot de huidige dag zijn reputatie als de meest vindingrijke Lucebert-interpreet aan dankt.

Deze bundel vinden jullie op de website waarop Rutger Cornets de Groot het hele werk van zijn vader Rudy Cornets de Groot aan het verzamelen is: www.cornetsdegroot.com >> Verzameld Werk >> De Zevensprong.


Verzameld werk Rudy Cornets de Groot uitgebreid met studie en parafernalia (3 april 2006)

Oorspronkelijk bericht

De chaos en de volheid uit 1966 is een vijfvoudige studie naar het astrologische aspect in Vestdijks werk, destijds door Rudy Cornets de Groot geschreven naar aanleiding van een regeringsopdracht. Behalve astrologie komt er ook veel alchemie en boeddhisme in ter sprake, wat in een tijd waarin het merlinistische adagium 'de tekst en niets dan de tekst' door iedereen werd gehuldigd niet zo vanzelfsprekend was; Cornets de Groot was daardoor van begin af aan controversieel, en is dat altijd gebleven.

Vestdijk zelf reageerde in een antikritiek op het boek minder benepen: 'Ondanks enkele op- en aanmerkingen, die ik niet verzwijgen wil, heeft [Cornets de Groot] zich [...] van zijn taak gekweten op een wijze die alle lof verdient, en die kennis van zaken paart aan een vlucht der speculatieve verbeelding, die mij weliswaar nu en dan noopte mij de ogen uit te wrijven, maar zelden of nooit omdat het gestelde mij totaal onverdedigbaar leek.' Deze reactie, getiteld Schema en ideologie, is ongebundeld gebleven en verschijnt hier, met dank aan de erven Vestdijk, opnieuw in het licht, tezamen met Cornets de Groots dupliek. Verder ook briefwisselingen tussen Vestdijk en Cornets de Groot, de regeringsopdracht van de staatssecretaris, een nabeschouwing en nog het een en ander. Allemaal te vinden op www.cornetsdegroot.com > Verzameld Werk > De chaos en de volheid.


Verzameld werk Rudy Cornets de Groot (3 maart 2006)

Oorspronkelijk bericht

Rutger Cornets de Groot heeft het van geen vreemde, dat geschrijf over literatuur. Sterker nog, hij heeft het van zijn vader, de essayist, criticus en romancier R.A. (Rudy) Cornets de Groot (1929-1991). Kort geleden begon Rutger Cornets de Groot op www.cornetsdegroot.com aan een groot project: het digitaliseren en online beschikbaar stellen van het verzamelde werk - veertien boeken, ongebundeld werk en kritieken - van zijn vader Rudy. Eerder was er al een uitgebreide bloemlezing beschikbaar, maar die wordt nu dus gevoelig uitgebreid. Ergens eind 2006 moet een en ander klaar zijn. In de rubriek bijlagen staat aanvullend materiaal: (auto)biografisch werk, audio- en videobestanden, commentaar, een zoekfunctie, een bibliografie, een auteursindex, en zo voorts. De komende tijd worden er voortdurend nieuwe teksten toegevoegd, een goede reden om nu en dan eens een kijkje te nemen. (Chrétien Breukers).