Start » Met schrijvers » Correspondentie Hans Dütting (1981-1990)

Correspondentie Hans Dütting (1981-1990)

 

64 brieven, 1 kaart.
Bron: Letterkundig Museum, Archief Cornets de Groot.
Cornets de Groot, Hans Dütting en diens zoontje bij Dütting thuis, Gagny, Frankrijk, ± 1985.Cornets de Groot, Hans Dütting en diens zoontje bij Dütting thuis, Gagny, Frankrijk, ± 1985.

 

1.

[Brief in typoscript, 1 blz., ongedateerd, 1981]

R.A. Cornets de Groot
Herenstraat 116
2313 AN Leiden

Beste Hans, 1

Leuk es iets van je te horen, na jaren! En dank je wel voor je brief, je groet en je compliment. Wat voer je eigenlijk uit in Parijs? En waarom lees ik nooit meer iets van je? Of publiceer je toch wel, maar gaat dat aan mij voorbij? Want dat zou heel goed kunnen: ik ben slecht geöriënteerd op het moment, heb jarenlang niets nieuws meer gekocht en loop achter, zelfs met Mulisch en Hermans, hetgeen werkelijk een schande is, maar wel verklaarbaar.
In al de tijd die inmiddels verstreek – we worden oud – vind je niet? overleden mijn ouders, kort na elkaar, liep ik weg bij Willy, ben toen ook vier keer verhuisd, hertrouwd, opnieuw vader geworden (een dochter, 2) huiseigenaar geworden in Leiden, improductief geweest (71-78), en schijn nu eindelijk wat rust te vinden, althans voldoende om weer aan het werk te gaan. 2 Eén van de eerste dingen die ik deed, was De kunst van het falen, 3 dat in enkele maanden tijd uit de pen vloeide. Naar mijn mening is dat ook wel te zien: de hoofdstukken-indeling is later aangebracht (op verzoek van de uitgever), en doet nogal onbeholpen aan. Overigens hou ik niet zo van dit plotselinge eruptieve gedoe, maar deze keer heb ik de creativiteit laten werken en ieder besef van vormgevoel onderdrukt; ik denk dat jij dat wel waardeert – maar je bent éen van de weinigen.
Van de hedendaagse literatuur ben ik – zie boven – niet op de hoogte. Ik denk dat ik dat later (niet binnenkort) wel weer in zal lopen. Ik hoor veel goeds van Tentije, Oek de Jong en nog een enkeling. Voor het ogenblik hou ik me bezig met Lucebert, aan wiens werk ik trouwens een heel boek wijdde (Met de gnostische lamp), 4 dat in de pers aanvankelijk werd toegejuicht, maar na een recensie van Boudewijn Büch 5 werd doodgezwegen. Enfin, we zien wel. Een tweede boek (te weten twee essays) over Lucebert is in de maak, en als de uitgever zijn woord houdt, komt het in april uit. Ik denk dat daarna de Lucebert-studie wel weer ter hand zal worden genomen, want daar biedt dit boek (Een ladder in de leegte) 6 een opening toe. Het komt níet uit bij Bzztôh, maar bij Nijgh – dit om Bzztôh een weinig fatsoen bij te brengen – als ze er tenminste gevoelig voor zijn, hetgeen niet te vrezen is, m.i.). 7 Je ziet, verbeelding heb ik nog steeds, en tegenslagen kan ik nog wel aan, zolang ik maar denken kan, dat eens de zaken een keer zullen nemen.

Wel, Hans dat was het voor deze keer, laat nog es iets van je horen, t. à t.,

Rudy


2.

[Brief in handschrift, 1 blz.]

Cornets de Groot
Herenstraat 116
2313 AN LEIDEN.
071-143 164 (geheim!)

28 sept 81

Beste Hans,

Hierdoor stuur ik je ‘t art. over Harry Mulisch’ filosofische boek, 8 dat ik je toezei.
Het wordt in dec. 81 in Nieuw Vlaams Tijdschrift opgenomen. Ik moest ‘t terugvragen. Daarom duurde ‘t even.

De copie is niet al te helder, maar ‘t meeste heb ik met deze stift nog verduidelijkt. Hoor ik gauw van je welke plannen je met dit opstel hebt?

Hoe gaat ‘t met jullie? We moeten elkaar es ontmoeten. Misschien met Kerstvakantie, in Parijs.

Veel hartelijks v. huis tot huis

je Rudy


3.

[Brief in handschrift, 1 blz.]

16 okt 81

Beste Hans,

Om allerlei redenen, waarover hieronder meer, heb ik ‘t besluit genomen mijn baan als leraar er aan te geven. Ik bevind me nl. in een bizarre situatie: eigenlijk verdien ik niet zoveel dat ik er een huis als ik nu bezit tot in lengte van jaren kan financieren, anderzijds word ik door mijn ex-vrouw dermate achternagezet, dat ik ‘t liefst zo ver mogelijk van haar verwijderd wil zijn. Doe ik ‘t huis weg, en kan Leo (mijn vrouw is dat) iets meer dan ‘t minimumloon verdienen, dan kunnen wij ons – naar de eisen van de tijd – de broekriem aantrekkend, best bedruipen.
Zij zoekt een baan, ‘t liefst in Parijs. Het gaat erom dat we ver van Den Haag terecht komen, en de aard van ‘t werk, dat ze om te beginnen nodig heeft, interesseert haar in eerste instantie niet.
Je voelt natuurlijk wel, waarom ik je schrijf.
Weet jij iets, dat zij kunnen zou? Ze spreekt voortreffelijk Frans, heeft administratief werk gedaan (telefoon, typen, documentatie), maar ook als verkoopster-cassière gewerkt.
Mocht je soms iets weten waarvan je denkt, “nou dat zou een mogelijkheid zijn”, informeer ons dan a.u.b.
Het verbranden van schepen achter ons opent voor mij de kans een ‘full-time’ schrijver te worden. Dat betekent natuurlijk ook wel iets in onze (vooral mijn plannenmakerij).
Krijg ik gauw van je te horen?
Hartelijks,
van huis tot huis

Rudy


4.

[Brief in typoscript, 1 blz.]

[Ongedateerd]

Beste Hans,

Je aardige brief, zo uitnodigend, heeft ons weer aan het denken gezet, en nu hebben we besloten, er graag op in te gaan.
We komen dus de vijftiende aan, in de avond, en dan bellen we wel. Is je telefoonnummer nog ongewijzigd? We hebben talloze malen geprobeerd je op die manier te pakken te krijgen, en toen dat niet lukte, besloten, je in vredesnaam maar te schrijven. Vandaar dus dit epistel.
Ik verheug me er zeer op, je weer eens te zien.
Hopelijk dat ik de brief dus eindigen mag met
tot gauw.

Rudy


5.

[Brief in handschrift, 1 blz.]

R.A. Cornets de Groot
Herenstraat 116
2313 AN Leiden

25 mei ’84

Beste Hans!

Hartelijk dank voor je brief en je complimenten: ik ben er heel blij mee. Hierdoor stuur ik je fotocopieën van:
Murk Salverda, uit Het Parool
C.M. Reeser, uit een soort IDIL
Aldert Walrecht, een typoscript. Moet t.z.t. in Ons Erfdeel komen.
T.B. (= Ton Bogaart, of iets dergelijks) uit Eindhovens Dagblad.
Ans Corts, van Ned. Lectuur en Bibliotheek Centrum
Anoniem uit Club, een tijdschrift voor meisjes
Wam de Moor, uit de Haagse Post
Dominique Vochteloo, uit Cosmopolitan.

Er is nog een goeie van Jan Verstappen, Het Binnenhof, maar die ben ik kwijt en hoewel mij een copie is toegezegd, heb ik die tot op heden niet. 9
Bert Schierbeek, die ik erover sprak, vergeleek mijn boek met Stendhal, Le rouge et le noir (ken ik niet) en schreef over de kritiek:

‘en dan de schande van het zwijgen!

die nostalgie
die elke poging
in de ruimte
beperkt tot eigen
achtertuin!’

Het merendeel is afwijzend van toon, zoals je ziet. Maar ‘t doet me plezier dat echte mensen (ook Heere 10 vindt ‘t een mooi boek) het waarderen.

Ik vraag me af, of Dietsche Warande wel het juiste tijdschrift is. Als er niks anders zou zijn, moet het natuurlijk. Maar kun je niet ook aan het Nieuwe Wereld Tijdschrift denken? Maak het niet te lang, zou ik zeggen, dan maak je daar misschien een kans. Een langer stuk kan wèl naar D.W.& B.
Ook Tirade zou te proberen zijn.
Ik ben met de 2e roman al een beetje onderweg. Jeugd, Indonesië, oorlog.
Als we in de buurt zijn bij jullie komen we graag aan.
Hartelijks, van huis tot huis

Rudy


6.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

R.A. Cornets de Groot
Herenstraat 116
2313 AN Leiden

Leiden, 25 juni 84

Beste Hans,

Hartelijk dank voor je brief, die nu al een paar dagen in de lade ligt, en me steeds verwijtend aankijkt, als ik haar open trek. Je idee mij Le rouge et le noir toe te sturen, vind ik buitengewoon aardig. Maar je weet natuurlijk niet dat ik de Franse taal allerberoerdst ken. Ik lees wel eens iets kleins in het Frans (en vroeger, toen ik geschiedenis studeerde, moest ik wel groter werk ook onder handen nemen) maar ik kan me volstrekt niet in deze taal uitdrukken. Mijn vrouw, Leonarda, is daarin gelukkig juist een kei, zodat ik Frankrijk als vakantie-oord niet om communicatieproblemen hoef te mijden. Van Stendhal las ik wel dat grote essay Over de liefde, hier in vertaling verschenen. Dat was boeiend genoeg, vind ik, maar stijlovereenkomsten met iets van mij zie ik er niet in. Dat hoeft natuurlijk ook niet: dat boek is tenslotte geen verhalend boek.
Om even op vakanties terug te komen: we gaan ruim drie weken naar Narbonne, in de stad, in een huis. De reis er heen – met de trein – lijkt me moordend. Misschien zouden we een stop in Parijs kunnen maken, op de terugreis. Dat breekt even, en dan kom ik je met alle genoegen een bezoek brengen. Ik hoor dan graag of je wel thuis bent: meestal zijn alle Parijzenaars juist weg, om ruimte te maken voor touristen als wij. Ook hoorde ik graag welk hotel je ons voor een dag kunt adviseren, dat niet al te ver bij jullie uit de buurt ligt.

Ja, Alderts analyse 11 is het meest geslaagd van wat ik je toezond. Zijn allusie (of de mijne, moet ik eigenlijk zeggen) aan Du Perron is toch een trouvaille, vind ik. Maar hij bindt er teveel aan vast en anderzijds te weinig. Als je toch op het spoor van Du Perron zit, ligt een vergelijking van de behandeling van de actualiteit meer voor de hand: Stawisky / John Lennon vormen in dat opzicht een aardige parallel.
Ik vind je opvatting om een boek niet altijd met een ander te vergelijken heel gezond; anderzijds moet je toch vaststellen, dat je bij de formulering: ‘dit is mooi, en dat is mooier’ toch ook aan het vergelijken gaat, en als je daar eenmaal mee bezig bent, kun je op heel natuurlijke, ongezochte wijze ook aan het vergelijken gaan met Du Perron, Bep Vuyk en Indrakamajojo!
Ja Reurslag 12 vind ik ook op een bepaalde manier teleurstellend. Ik lees een boek zelden zo, vraag me af wie hij een plezier doet met zo te schrijven over lectuur. Ik lees en schrijf altijd maar voor de lol. Wetenschap schijnt zich tegenwoordig bezig te houden met de vraag hoe je zo vervelend mogelijk kunt zijn, met iets dat grappig is bedoeld.
Ja, Verstappen is n.m.m. de beste recensie 13 tot nu toe. Ik zal ook es moeite doen, het ding te achterhalen. Lukt dat dan merk je dat wel vanzelf.
Dat pseudoniem. 14 Ik wilde iets buitenlands, en stuitte in de telefoongids op de naam Lucardi, een Italiaan, hoogleraar hier. Toen vond ik de naam te veel naar schoorstenen en ijs ruiken en liet de laatste letter weg. Dat was een naam met allure en cachet,

[p. 2]

vond ik: het Frans heeft dat nu eenmaal. Het viel mij ook al op dat de naam bij omkering verwees naar de maagdebloedzuiger. In sommige godsdiensten wordt de duivel beschouwd als een omgekeerde god, een deus inversus. Lucard zou zo beschouwd een omgekeerde duivel zijn, een diabolus inversus, en dus een God, een schepper. Ik ben met de verklaring van dit pseudoniem natuurlijk erg ingenomen, vertel het dus maar niet verder…

Van Sjoerd 15 hoorde ik tot nu toe niets. Naar je werkstuk in Tirade kijk ik uit, maar als je het me al eerder wilt laten zien, – heel graag!

Mijn tweede roman. Daar schiet ik snel mee op. Het speelt in feite in Istamboel, de Indo onder de steden en de vakantieplaats van Narda en De Brauw. Van dit punt af, in 1980, kijkt De Brauw terug op alles wat hij heeft bezeten en weer is kwijt geraakt. Het is dus een geschiedenis bij terugblik verteld, die zich afspeelt in Batavia, Istamboel en ‘Holland’. De sfeer is Oosters, Indisch en Europees, dus decadent in zekere zin, erotisch en zindelijk. Ik hoop er ook wat actueels in kwijt te raken, de Turken bv., de nieuwe Indonesiërs voor een land met bewoners die van een zeker soort kolonialisme niet af schijnen te willen. Maar of dat lukt, moeten we nog even zien.
Bedankt voor je gedichtje en voor de bemoedigende woorden daarin.

Ik ben voor mijn dagelijks werk afgekeurd. Een jaar lang kan ik even doen wat ik wil, en dan volgt de definitieve keuring. Moge de regen die nu met bakken uit de hemel straalt, ook dan de artsen tot een depressie brengen en tot het enig juiste besluit: levenslang vrij voor

[In handschrift:] Rudy

Hartelijke groeten van huis tot huis!


7.

[Brief in typoscript, 1 blz.]

R.A. Cornets de Groot
Herenstraat 116
2313 AN Leiden

[Ongedateerd]

Beste Hans,

Zojuist ontving ik het boekje dat je me per kaart al aankondigde. Het ziet er fraai uit, en ik denk dat je er een aantal mooie stukjes in bijeen hebt gebracht. 16 Wat onze Parijse plannen betreft, nu blijkt het opeens, dat er een trein onmiddellijk naar Narbonne gaat, en vandaar gaat er ook weer een zonder overstap in Parijs terug.
Het lijkt ons nu het aardigst om eens zo maar bij jullie aan te komen, en wij stellen dan voor jullie daarover nog te berichten, deze zomer. Bellen, of schrijven. Je hoort daarover nog van me. Ik moet je wel opzoeken, want Heere heeft een map voor je die hij mij aan jou wil laten overhandigen. Doen we dan wel.
Van jullie logeeraanbod maken we dan graag gebruik – dat is waarschijnlijk wel zo gezellig.

Groetjes en tot gauw.

Rudy


8.

[Brief in handschrift, 1 blz.]

Leiden 23 sept ’84

Beste Hans,

Ten slotte heb ik de recensie van Jan Verstappen gekregen. 17 Het is de beste van ‘t stel, vind ik, en misschien heb je er nog wat aan. Voorzover ik kan nagaan, heb je nu alles, wat er verschenen is over dat boek.
Met het tweede ben ik nu ruim op de helft. De détails zijn hier meer aanwezig, maar ik schrijf ook meer over die De Brauw 18, die in zeker opzicht iets van mij weg heeft, en aanzienlijk minder over Narda. Er wordt voor haar geschreven zou je kunnen zeggen. Een soort bekentenis-literatuur. Een soort van ‘contemporain-historische roman’.
Wij hebben nu besloten om in de herfst-vakantie naar Parijs te gaan. Machteld kan dan jammer genoeg niet mee, omdat de ouders van Léo (mijn vrouw) beslag op ‘t kind hebben gelegd. Mochten jullie in die dagen thuis zijn, dan komen we graag éen van die dagen (we blijven 5 dagen in totaal) bij jullie overnachten. Ik zal je ‘t hele plan even ontvouwen, zodat je met ‘ja’ of ‘nee’ kunt volstaan in je antwoord. Als ik nu dus een voorstel doe, dan ga ik ervan uit, dat jullie in die tijd inderdaad thuis bent, en in staat ons te ontvangen. Dus: niet om jullie in [een] of andere richting te manoeuvreren, maar om eindeloos heen en weer geschrijf te voorkomen:
We komen 13 okt. in Parijs aan, en zoeken daar een hotel op, om de nacht door te brengen en de volgende dag.
Op Maandag, 15 okt., zouden we dan een trefpunt hebben afgesproken, vanwaar af we met jou/jullie naar je huis kunnen vertrekken.
Afhankelijk van jullie welwillendheid zouden we dan òf 1 nacht òf 2 nachten kunnen blijven. Woensdag moeten we dan echt weg omdat Leo op Donderdag moet werken.
Wat vind je ervan? Wil je me dat laten weten?
Ik hoop tot gauw, want natuurlijk ben ik nieuwsgierig – naar jullie, je huis èn naar wat je inmiddels hebt klaargestoofd met die Simon Lucard!
Hartelijks van huis tot huis,

Rudy


9.

[Brief in typoscript, 1 blz.]

Leiden, 1 okt. 84

Beste Hans,

Het ziet er naar uit, dat we niet naar Parijs mógen.
Lucebert viert de veertiende okt. zijn verjaardag in theater De Balie, en hij stelt er prijs op, dat ik aan het programma medewerking verleen, door me in een debat te wagen met Van de Watering (over de sociale kant in zijn poëzie). Mijn aandeel heeft in tijd de omvang van een kwartier. Maar het programma begint om half negen, en op welk tijdstip ik op moet draven, is nu nog niet bekend. 19

Leo moet donderdag al weer aan het werk. Als we dan op maandag uit Nederland vertrekken, hebben we maar – vermoeidheid van de reis en het nadruisen van de verjaardag, zie boven, overwonnen – de dinsdag en de woensdag tot onze beschikking: de woensdag ten halve dan.

Dit is zeer oneconomisch. Vandaar dat we ons bezoek voor de derde keer uit moeten stellen.

Maar zou het niet leuk zijn, als jij ook naar De Balie komen zou? Dan zien we elkaar toch! Denk daar maar es over na, s.v.p.

Dag, hartelijks,

je Rudy


10.

[Brief in typoscript, 1 blz.]

Leiden, 22 okt. 84

Beste Hans,

Hier de beloofde hoeken. Ik heb er niet meer van andere titels.
Aanvankelijk wilde ik je Striptease 20 niet sturen, omdat ik het niet goed meer vind. Maar er staat toch éen ding in, Girl picture album foldout, 21 dat wel mooi is, en om die reden stuur ik het toch. Er is nog een reden, waarover straks. Want er staat nog iets in, over Hermans’ bundel Een wonderkind. 22 Dat is niet goed, laat het hem dan ook niet lezen, ik vraag je dat met klem. 23 Het is formeel niet goed, en inhoudelijk oppervlakkig. Nu die andere reden. Dit is het eerste boek, waarin een Narda speelt. Het heeft naar de vorm iets dagboekachtigs, niet in de zin van Buddingh’, waar we het over hadden, maar in de zin van op een dag opschrijven, wat je heeft bezig gehouden. Hier is dat in hoofdzaak lectuur. Maar ook familie, verhoudingen. Het is een poging, om van een essaybundel iets episch’ te maken. Mislukt. Maar toch: voorwerk voor Liefde, witheet. 24

Ladders etc. is in het titelessay een antwoord op het boek van Van de Watering (Met de ogen dicht). En dan het Lucebert-boek: mijn laatste ‘weggeef-ex.’ Het ligt nu in de ramsch- waar en voor welke prijs weet ik niet. Ik ben nooit nieuwsgierig naar zulke dingen als het boeken van mij betreft.

We hebben in Gagny een verrukkelijke tijd gehad. Jullie gastvrijheid kent geen grens. Bedankt daarvoor, en kom het met zijn drieën eens terughalen.

Mijn jongen, Rutger, was verrukt van je Flaubert-boekje. Hij zal je erover berichten, beloofde hij.

Ik ben mijn Filips sonatine kwijt, of ik heb het nooit bezeten. Gelezen heb ik het wel. Moet het me nu aanschaffen, met Homme’s hoest en dat laatste. 25 Maar ik moet nog zoveel doen: mijn roman, een Lucebert-essay, groot vermoed ik, en dan dit over Hermans. 26 Enfin, voorlopig heb ik even de tijd, al vloeit die immer voort in gepeins over hoe nu verder met de roman.

Ik laat nu wat ruimte aan Leo. Schrijf je terug? Ik wil graag je oordeel over Striptease,- het mag best ongenadig zijn.

Grote groeten, en omhels de jouwen namens mij.


11.

[Brief in typoscript, 1 blz.]

Leiden, 13 nov. ’84

Beste Hans,

Even een bedankje voor je laatste brief, en de mededeling dat de zending van de Prom sinds gisteren binnen is. Ook daarvoor mijn grote dank. Ze zien er mooi uit, die boeken, ik ga er snel mee aan de slag.
Rutger heb ik aangemoedigd jullie met een bezoek te vereren; hij is in ieder geval nog jong genoeg om de Franse taal eens van binnen af mee te maken. Hij is als gast heel handelbaar en zal jullie gastvrijheid zeker waarderen. Als persoonlijkheid is hij leergierig, maar eigenzinnig, wat niet zo’n beroerde combinatie is, geloof ik.
Ik ontmoette in Amsterdam als lid van de P.C. Hooftprijsjury 27 Cornelis Verhoeven, de voorzitter, en K. Schippers, Kees Verheul en Cyril Offermans. Verhoeven is uiteraard een beschaafde heer, zachtmoedig, voorzichtig en vriendelijk, maar met Offermans heb ik teruglopend naar het c.s. veel gepraat. Een nog jonge man, van jouw leeftijd schat ik, en bepaald iemand die weet wat hij wil en waar hij voor staat. Hij had, zei hij, vrijwel alles van mij gelezen. Gek, maar dat is altijd een verrassing voor me. Ik denk wel eens, voor wie schrijf ik nou eigenlijk? Nu, ja, als altijd in hoofdzaak voor mezelf. Dan valt het mee dat er nog mensen zijn, die ook op de hoogte zijn. In wezen schrijf ik natuurlijk voor bibliotheken. Die kopen altijd het meest, is me verteld. Verder hebben we gepraat over Lucebert, die hij had horen voordragen – dat had ik al vaker meegemaakt: ik heb hem zelfs dat schitterende ‘ik kleine slaaf’ van Gerard den Brabander horen lezen, maar je moet zeggen voordragen, nee, voordragen niet, maar zingen, het is iets muzikaals bij Lucebert – en waarvan hij kapot was. Om het gesprek te voltooien, riskeerde hij het missen van de trein, hetgeen niet gering is, want hij moest naar Roermond, waar hij de jeugd onderwijst en kennelijk met plezier.
Peter Struycken, die we allebei verschrikkelijk vinden, mocht ik toch even in bescherming nemen. Ik kende hem uit mijn jeugd: zijn uiterst gevoelige, nerveuze ‘impressionistische’ dingetjes uit die tijd deden me vermoeden dat het nog eens beroerd met hem af zou lopen. De computer heeft hem gered – daar vond hij het tegenwicht, de compensatie voor zijn labiele ziel. Hier is werkelijk het cognitieve element de reddende engel, wat niet vaak gezegd kan worden – al zeggen de meesten het wel.

Jean Antoine Watteau, Embarquement pour Cythère (fragment).Jean Antoine Watteau, Embarquement pour Cythère (fragment).

Er is hier een Watteau-tentoonstelling, waar jullie minister Lang iets mee te maken heeft gehad. Ik wil er heen, omdat er een doek hangt, Embarquement pour Cythère, waarvan Breton zegt, dat de erop afgebeelde personen (nogal veel) steeds twee mensen zijn- (dezelfde bedoel ik – een man en een vrouw – ), in steeds andere houdingen en kleding. Het is een doek dat hij maken moest, om lid te worden van de Parijse Academie hij deed er 5 jaar over en copieerde het daarna. Het eerste is heel academisch, het tweede gedurfder en losser (De Volkskrant). De man is 37 geworden, van oorsprong Vlaming, [in handschrift in kantlijn: ‘althans, Valenciennes, geboorteplaats, was kortelings, door de vrede v. Nijmegen, Frans geworden!’] gestorven aan tbc. Een sloddervos, die geen eigen woning had, veel van vrouwen hield, en die door te veel olie zijn verf verpestte. Signeren en dateren deed hij niet of te hooi en te gras. Waarom voel ik me toch zo verwant met [in handschrift ingevoegd: ‘/aan?’] deze schilder?

Groet je vrouw en kind en hou je haaks,
je Rudy

[In handschrift: ‘O, die recepten! Doe daar svp dat ene van jouw brioche met worst bij!’]


12.

[Brief in typoscript, 1 blz.]

27 nov 84

Beste Hans,

bedankt voor beide brieven!
Je zult inmiddels gezien hebben dat die Watteau-tentoonstelling helemaal niet hier is, maar in Parijs. Er is al iemand heen, om de catalogus voor mij te bemachtigen, anders had ik het jou graag gevraagd. Ik weet ook niet hoe ik op het idee Mauritshuis gekomen ben, i.v.m. Watteau. Wsch. haalde ik een paar berichten dooreen.

Rutger heeft een huis in Amsterdam, d.w.z. een zolder, heel groot en heel luxe, maar in ruil ervoor moet hij op een stel kleine kindertjes passen, 9 u/week. Vandaar dus, dat je niets van hem hoorde. Hij is net verhuisd.

Bedankt voor je complimenten over Rilke (3x) 28 en je vriendelijke woorden over Striptease.
Mulisch,- ik voel wel wat voor het idee en je bent ook de enige niet die het zegt. Ik zie op tegen het werk: er moet toch veel herschreven worden, er zit nog veel aan vast, een redactie van het werk, een verantwoording. Ik ben er te slordig voor, te ongeïnteresseerd in het archivarische. En bovendien: waarom niet iets dergelijks voor Lucebert, voor Vestdijk? Dat zou ik met meer liefde doen, moet ik zeggen.

Mooi dat je weer werk hebt voor hele dagen. Gaat dat nou wel met de kleine? Heb je er zin in?
Mij – maar ik heb natuurlijk al een leven achter de rug in dat opzicht – krijgen ze met geen stok meer naar school. Niet dat ik er geen prettige ervaringen opdeed, maar het plezier in het doelloze, het slenterend genieten, het gevoel dat er weinig is dat werkelijk neerslachtig maakt – want dat vind je in het werk dat ik deed toch wel – maar ook strijdbaar, vind je uitsluitend in de tijd, die van de eerste tot de laatste minuut van jou is, en van niemand anders. Bij en strenger dagindeling zou ik misschien meer profijt kunnen trekken van die tijd. Voorlopig leef ik maar even op mijn improviserend talent, al denk ik er wel over om hier van een soort kunstkring lid te worden à f 75,- /jaar, hetgeen weinig is. De onzekerheden m.b.t. de verkoop van het huis dwingen je helaas tot inactiviteit. Kwam het er maar es van, dan kon je bedenken wat je te doen staat. Alles blijft daarop hangen.

Ik heb een paar weken lang geworsteld met een ‘essay’ voor de Vestdijkkroniek, waarvan ik als redacteur afscheid neem. Het is tenslotte nog best dragelijk geworden, en er komt, als ik mijn zin krijg, een tekening van me bij (van een paar personen uit een van V.’s romans). Ik zal je er een ex. van toesturen, dan zie je dat ook es – in maart ’85. 29

Leo heeft intussen ook een baan op de Kon. Bibl. Teksten in het Latijn uittikken. Lijkt me heel leuk, vooral omdat ze daar een paar mensen kent, die ze kwaad gezind is, maar met wie ze niets te maken heeft, omdat het werk van een uitzendbureau uitgaat. Dat wordt wel weer lachen dan.

Beste Hans, ik ben weer uitverteld. Succes met je nieuwe baan. Groet je vrouw en kind en voor allen, jij inbegrepen, het allerbeste!

Rudy


13.

[Brief in handschrift, 4 blz.]

Leiden, 16 juni ’85.

Beste Hans & Bernadette en Arthur,

Schandelijk lang heb ik jullie verwaarloosd. Als ik mijn agenda doorblader, zie ik bij herhaling de aanmoediging staan: “Hans schrijven!” – en al die tijd kwam ‘t er niet van: ik was zo druk met het schrijven van mijn 2e roman.
Die is nu af. Van de week stuurde ik ‘t typoscript naar de uitgever (De Prom = Wim Hazeu), en die wil het uitgeven, nadat ik nog een paar dingen wat uitgebreider behandeld heb. De rust is dus weergekeerd, d.w.z. het gevoel dat de tijd je achter de broek zit, is eindelijk voorbij. Toch wil ik je vragen je niet teleurgesteld te voelen door deze gang van zaken: al schreef ik jullie in lange tijd niet – ik was jullie toch ook nooit vergeten.
Ik denk dat je mijn boek weer mooi zult vinden, Hans. Het handelt over mijn jeugd in Indonesië – een puberteit die vrijwel met de oorlogsjaren samenviel, een tijd, waar je niet groots op kunt zijn, vanwege de nederlaag, gevolgd door beledigingen en vernederingen die je laten zien, dat je een speelbal, een volslagen nul bent in het oog van de toevallige machthebbers, of dat nu Hollanders, Jappen of Indonesiërs zijn.
Ik was heel verrast door het boekje dat je me toezond (Jan Cr.) Toch een ras-artist, die jongen – al schijnt zijn Hunnen-boek meer te beloven dan te geven, als je de critici geloven moet. De schilder spreekt mij overigens meer aan dan de schrijver in hem. De fantasie gaat bij ‘t schilderen niet zo met hem aan de haal. Rutger spoort me aan jullie de Vrij Nederland-bijlage op te sturen. Ik zal dat nu binnenkort eens gaan doen – na de 28e (salaris-dag).
Hoewel ik nu bijna een heel jaar lang over veel vrije tijd beschik, heb ik toch nog ‘t ware ritme niet gevonden, om daar volledig profijt van te trekken. Ik ga vrij laat naar bed (een oude gewoonte), maar omdat er weinig is, dat me dwingt tot vroeg opstaan, laat ik de ochtend in slaap voorbij gaan.

[p. 2]

Dan ben ik onfris en sikkeneurig, maak mijn toilet en ontbijt, en dan luister ik naar H’sum IV, lees de krant en zo wordt ‘t tijd om de kleine meid van school te halen. Boodschappen doen, voor ‘t eten zorgen. Om 6 u à half zeven komt Leo van haar werk. Ze heeft tegenwoordig een fantastische baan in A’dam bij een antiquariaat (atlassen, prenten, botanische werken), waar ze de administratie en correspondentie doet – beslist geen zenuwslopend werk, dat bovendien heel goed betaalt.
Door die baan – ze werkt er nu een week – moet ik wel vroeg op, want nu is ‘t aan mij om Machteld naar school te brengen. ‘t Is zo’n aardig meisje geworden, vol belangstelling voor alles en iedereen om zich heen. Wordt ‘t geen tijd haar aan Arthur voor te stellen? Ze heeft sinds kort een Marokkaans vriendinnetje van hier uit de buurt – dan krijgt ze wel in de gaten dat menselijke kwaliteiten niet in de kleur van de huid zitten, zoals men hier te lande wel eens wil geloven. In dat opzicht laat mijn boek zich ook wel lezen, al is ‘t geen pamflet. Ze weet nu ook, dat zij van gemengd bloed is – en dat dat er niets toe doet.
Overigens – je hebt iets over Liefde, wat heet! geschreven, en eerlijk gezegd ben ik daar vreselijk nieuwsgierig naar. Zou je me die kritiek eens willen sturen? Er is met dat boek, wat de uitwerking die ‘t op bepaalde lezers heeft, iets eigenaardigs aan de hand. Ik heb nl. een paar kennissen, die er heel kwaadaardig op reageren. Zo zegt er één:
‘Ik vind ‘t geen goed boek, omdat ik jullie ken. Ik zou bepaalde dingen anders hebben gezegd’.
Een ander:
‘Ja, Narda! Dat is nu iemand, die in de omgang de gemakkelijkste niet is. Moet ik, die dat uit de werkelijkheid weet, dat dan ook nog eens lezen?’
En de laatste heeft om zulke rare argumenten zelfs de relatie maar verbroken – niet zonder eerst pogingen te hebben ondernomen, om die Narda – niet meer dan een geil wijf in zijn ogen – te versieren! Vind je dat niet sterk? Ik ken de man in kwestie zo’n twintig jaar – en dan dit! Is dat niet om te janken? Ik lach er maar om, en verzeker mezelf, dat mijn boek toch zo beroerd niet is. Vandaar dat ik jouw visie toch graag verneem.
Heere laat zich te hooi en te gras nog wel eens zien. Zijn moeder is onlangs toch overleden, na jarenlange ziekte. Je weet, dat ze zo’n 5 jaar geleden door de artsen werd opgegeven? ‘Wat, opgeven!’ riep Heere. Hij haalt haar uit het ziekenhuis, en

[p. 3]

zijn gezin verzorgde haar. Ik denk dat het de liefde is, die er van hun uitging, waardoor zij haar dood zo lang heeft weten uit te stellen.
Liefde is een universeel geneesmiddel, echt waar.
Hij hoorde van mij, dat mijn 2e boek uit is, en stelde zich meteen met Hazeu in verbinding, om over de promotie ervan te praten. Aardig hè?
Wij zullen ons in deze zomer – wat is dat trouwens een tegenvaller, wat het weer en de zon betreft – naar Portugal begeven. De noordelijke kant ervan, in een soort kasteel, nabij rivier- en zeewater, gedurende 3 weken. De dranken (koffie, port) zijn er goedkoop, evenals het eten (altijd in restaurants, want in vakanties zijn we het). Ik vind ‘t wel even een probleem, zo’n vakantie. Het is toch bepaald een instelling waar ik ‘t ideologisch moeilijk mee heb. Te weten, dat de mensen ginds voor zware arbeid betaald krijgen met geld, dat wij door geringe inspanning in overvloed hebben (die ‘overvloed’ dan gezien vanuit hun ogen). Zo was ‘t in Turkije ook (Istanboel) en later in Athene. Je wilt wel anders, maar zo is de wereld waar je in draait, en dan kun je alleen maar anders, door thuis te blijven – en wie is daar dan mee gediend? Wij zijn per slot van rekening ook kleine lieden, waar niemand rekening mee hoeft te houden. Zo praat ik mezelf dan om tot een lotgenoot van die Portugezen, waar ik van zal profiteren. Maar inderdaad: je stelt niets voor. Dat is mij bij die P.C. Hooftprijs weer gebleken. De arrogantie van de macht! 30
Op ‘t moment zelf dat die toeslaat, ben ik sprakeloos. Wat overkomt me? – denk ik dan. En dan kan ik daar over zitten te peinzen, dagenlang tot ik me eindelijk bewust ben, van wat er aan de gang is. Esprit d’escalier. Maar heb ik tenslotte de uitkomst van al die bedenkingen duidelijk voor ‘t oog, dan weet ik wèl, hoe ik moet handelen. Je kunt dan wel zeggen: ‘Je hinkt achter de gebeurtenissen aan’, maar ook hinkend verslaat de waarheid de leugenachtigheid van zo’n Brinkman, zo’n kabinet, hun raadgevers (Klompé, Gajus).
En na de zomer, als ‘t weer tijd is voor de herfstvakantie, zoeken we jullie weer eens op in Parijs, dit keer met Machteld, om haar te laten zien, wat een grote stad is, en hoe leuk ‘t er kan zijn.
Ze is heel leergierig, ze tekent ook zo leuk – volgens mij is ze heel begaafd. Van de week tekende ze een plattegrond van ons huis naar een speelplaats in de buurt, om me duidelijk te maken, hoe je dan lopen moest. Knap hè, voor een wurm van 7?

[p. 4]

Toch is ‘t ook een verwend kreng, hoor. Ze vindt alleen dure dingen lekker of leuk. Dat ordinaire, dat ik wel heb (ik vind niet alles meteen maar stront), heeft ze niet. Een welvaartskind van een oorlogsslachtoffertje!
Enfin, de zon schijnt vandaag, voor ‘t eerst na weken van wolken en regen, en ik schrijf deze brief in de tuin, terwijl Leo de was ophangt en Machteld met vriendin binnen naar de tv zit te kijken! Dat die zon ons nog lang mag verblijden, deze dagen!
Tot schrijfs, tot gauw – en stuur me je bericht over Liefde, witheet,

je Rudy


14.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

8 juli [1985]

Beste Hans,

de stapel VN‘s is nu de deur uit. Ik heb er ook het kleurkatern over Gerrit Komrij bij gedaan, die nu in Portugal woont, waar wij over een week ook heen gaan voor de vakantie. Ergens in het Noorden, in de buurt van Oporto, de vinho verde-streek. Leo kocht een boekje om straks uit de voeten te kunnen met de taal van het land.
Jammer dat geldgebrek je ervan weerhoudt een paar dagen vakantie in Nederland door te brengen, maar het is waar dat je in Frankrijk toch ook niet van de wereld af bent: het gevoel dat Holland niet ver weg is, zou ook mij bevredigen.
Dank voor je gedichten, waar ik, als dat van jou mag, iets over wil zeggen. Dat van Riekus Waskovsky 31 vind ik veruit het mooist. Dat is met warmte en vriendschap geschreven en geeft een mooi beeld van die man. Doe je nog iets met de nalatenschap? Dat moet, hoor.
Tegen de derde strofe heb ik taalkundige bezwaren, of ik begrijp er niets van. Maar als ik het geschreven zou hebben (mooie wens!) schrapte ik het woordje tot (1e woord van r. 10). De hele strofe wordt er opeens heel bewegelijk door, is voor meer dan een opvatting open dan.
Het komt misschien door je jarenlange verblijf buiten het land, maar woorden als ‘doch’ en ‘thans’ (in Lodeizen) hoor en zie je hier niet meer. Ze zijn echt gedateerd, dood Nederlands. Maar en nu, dat is al veel beter. Ook dit gedicht heb ik met groot plezier gelezen. En als ik het geschreven zou hebben – dat zou ik wel willen – dan koos ik voor ‘thans’ het woord ‘eindelijk’, kun jij je dat voorstellen?
Maanhond, dat is een wonderlijk gedicht, waarvan ik het gevoel heb, dat het veel expressiever kan zijn. Ik hou wel van dit soort ‘persoonlijke’ mythes, die fascineren, beklemmen, doen lachen of grijnzen. Buddingh’ heeft er een paar van gemaakt, destijds, en hij heeft het genre onlangs opnieuw gevonden, al blijft hij er toch vooral humorist bij – door klank- en taalgrappen. Leo Vroman maakte er in zijn begintijd een paar, dat deed me meer toch dan die gedichten van Buddingh’, hoe aardig die ook zijn. Maar Buddingh’ blijft toch in de buurt van het nonsens-vers. Engelsen hebben dat, maar ook Trijntje Fop en Kees Stip. Met Machteld had ik er altijd plezier in een gedicht uit mijn jeugd voor te dragen, waar mijn moeder mij schrik mee aanjoeg. Het is geloof ik van Pol de Mont en er is een wijsje bij:

kleine, kleine stouterik,
mag jij moeder tergen?
Wacht ik zal hem roepen, ik,
– uit de Zwarte Bergen:
Grijp Grap Grimmeland
zonder lip en zonder tand
Grijp Grap Grauw!
De Bietebouw!

Met gebaren hij Grijp. Met een dreigende stem. Ze griezelt dan, de kleine meid, net zoals haar vader griezelde, op die leeftijd. Bang en toch vertrouwd. Soms vraagt ze of ik haar met dit liedje de stuipen op het lijf wil jagen, want echt gevaarlijk is het toch niet.
In r. 8 ben je wsch. het onderwerp (‘ik’) vergeten te tikken (want het is toch geen gebiedende wijs? Dan zou het woordje ‘en’ (r. 8) er immers niet staan?).
En moet ik‘ is een pertinente stijlfout, die heel veel gemaakt wordt. Het is een hoofdzin, en dan gaat het onderwerp altijd aan het gezegde vooraf: en ik moet is dan de juiste woordorde.

[p. 2]

Waarom ik vind dat dit gedicht ‘het’ nog niet is?
Je eigen zoontje speelt er geen rol in – geen andere dan die van ‘aanjager’. Ik bedoel: het gaat in dit gedicht eigenlijk alleen om en over jou. Je laat de continuïteit niet zien van ‘zo is dit kind en precies zo was ik toen’. Daar zou je m.i. op moeten werken, en ik denk dat Arthur voldoende in zich heeft, om die stemming in je op te roepen.
Landknecht. Dit gedicht is niet met vuur of warmte geschreven, maar uitsluitend met goede bedoelingen, – met inkt.. De grammatica steekt hier zijn botten door het vel. De dichter zwoegt en je ziet dat het niet lukt. Te veel intellect, te veel betoog, te weinig van de zintuigen. Datzelfde geldt voor vroeg u om een minstreel? Speelt de octaviteits-theorie van Mulisch hier een rol? Vertel me eens hierover, want ik snap het ‘verhaaltje’ niet. Vriendin van weleer is weer helemaal in orde. Leo vindt dit het mooiste van je gedichten.

Mijn nieuwe boek handelt over mijn jeugd in de oorlog in Batavia, buiten het kamp. Ik kom daarover te spreken, of liever: de ‘ik’ komt erover te spreken, als hij in Istanboel is, ‘een aziatische stad voor zijn vrouw, een europese voor hem: Istanboel is een Indo onder de steden’.
Het hele boek door bevindt de ik zich daar, en waant hij zich in Batavia. Het bijzondere van het boek is, dat de ik allerlei dingen vertelt, waarvan je dus veronderstellen zou, dat hij de enige is die ze weet, terwijl toch blijkt dat ook anderen zich die kennis hebben eigen gemaakt, en daarover met de ik kunnen communiceren. Ik geloof dat ik dit procédé van vertellen nog niet eerder heb gezien, een monologue intérieur, waarop anderen kunnen inhaken. Hazeu was zeer wel te spreken over dit boek, maar hij wilde er meer geweld in, meer over het leven in de sloppen van Istanboel en Batavia. Ik zie de noodzaak niet zo, en heb er vier bladzijden bij geschreven. Tot meer was mijn fantasie niet in staat. Als alles goed gaat, moet het in maart, en ik hoop voor de boekenweek, uitkomen.

Ik denk dat je met gemak – en daarom schreef ik ook over je poëzie zo kritisch – een goede essayist zou kunnen zijn. Waar je poëzie n.m.m. te cerebraal is, daar liggen je essayistische kwaliteiten. Het zou goed voor je zijn, als je die niet al te zeer verwaarloost. Zoals je je laatste brief aan me schreef ,- dat directe typeren van ‘vrienden-lezers’, je reactie op de P.C. Hooft-prijs, je interesse voor literaire geschiedenis (de 5-tigers, Mulisch, Claus, Brouwers en Elburg) – zo zou je een essay over mijn boek kunnen maken. Schrijf erover zoals je aan mij zou schrijven, en je bent al op weg met een geslaagd essay.

Naar Moviola III 32 ben ik benieuwd. Heere heeft kijk op die dingen, geloof ik, meer dan Hazeu, die wel oog heeft voor mensen (op die zestiger-jaren-manier van ‘wil je erover praten?’) maar minder voor wat ze doen (schrijven. Essays, ‘onbegrijpelijke’ verhalen, poëzie, etc.). Misschien moet hij de markt in de gaten houden, en heeft hij oog voor wat commercieel kan en niet kan, en misschien moet dat ook bij een uitgever.
Rutger is behalve een dromer een drammer. Maar hij is bezig en het wordt wellicht ooit iets. Nu heeft hij even succes bij de KRO met zijn Oom Wanja-geschiedenis. 33 Dat heb je nodig als beginner.

Jan Cremer. Ik heb een zwak voor die man, vooral voor zijn beeldend werk. Wat een eenvoud en wat een mogelijkheden bij zo weinig gebruik van de middelen. En wat schept dat toch een afstand tot zijn imago van de ‘opschepper’, die men zo graag en ten onrechte in hem ziet.
De Hunnen. Het aantal blz. schrikt me af. Maar eens begin ik eraan, en wie weet, weet ik dan niet van ophouden.
Met Jeroen Br. wens ik je veel succes. Ik vind hem een fijne vriend, met zijn werk kan ik niks, maar dat ligt aan mij. ‘t Papier is op. Groet vrouw en kind van ons en laat je niks wijs maken. Het allerbeste,

je Rudy


15.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

Leiden, 16 augustus 85

Beste Hans,

Er komt nu gauw weer een stapel V.N.‘s naar je toe, maar opnieuw zit ik even krap: zo’n drieweekse vakantie (naar Portugal, zoals je weet) kost een hoop geld. Bovendien heb ik zelf nog veel ervan niet gelezen.
We zijn nu een week terug uit Viana do Castelo,± 75 km van Porto, een leuk plaatsje, nog niet helemaal door touristen ontdekt,met een enorm breed strand en een ijskoude zee. Ik meest even wennen, maar ben nu weer achter de tikmachine gekropen en hoop zo het ritme weer te vinden om het werk zo goed mogelijk te doen.
Intussen is hier met heel veel geharrewar de musical Ik Jan Cremer van start gegaan. Financieel geharrewar, want het project zelf belooft veel goeds, en Jan C. is dan ook opgetogen over het succes dat hem nu opnieuw gaat overspoelen. Mooi.
Van Hermans las ik met groot plezier zijn boekje, De liefde tussen mens en kat. Er is hier een Bzzletin aan hem gewijd, waar veel leerzaams in staat, o.a. een stijlanalyse van Fr. Balk-Smit Duyzentkunst, heel enthousiast, al valt het raadsel dat ze aanpakt toch niet tot op de bodem uit te pluizen. De man is onnavolgbaar, dat is de boodschap, maar waarom dat zo is blijft Geheim. Hij dringt ons leven binnen alsof hij een geheime opdracht te vervullen heeft, net als die kat van hem, die op een dag zijn woning binnenstapt en er niet meer uit verdwijnt. Sommige beelden die hij vindt, zijn op hemzelf of op zijn personages van toepassing. Van ogen schrijft hij in dat kattenboekje: ‘uit het heelal gevallen, of opgegraven uit diepe mijnen’. Dat kun je toch ook zeggen van zijn denkbare god, 34 en wat mij betreft: van hemzelf.
Mijn plan om over die vier dunne boekjes te schrijven (Homme’s hoest etc.) gaf ik op: ik kan de passages die ik nodig heb niet meer terug vinden, en trouwens in dat Bzzletin doet een ander het werk al (Henriette Roos). De interessantste bijdrage is die van Freddy de Vree, – een hele kluif.

Cornets de Groot in karatepak van Hans Dütting.Cornets de Groot in karatepak van Hans Dütting.

Mijn boek heet Verborgen stad, 35 en die stad is dan Batavia, waar ik een deel van mijn jeugd doorbracht, gedurende de oorlogsjaren. De titel suggereert veel symboliek, maar die heb ik toch zoveel mogelijk vermeden. Het is een knieval voor het kind dat ik was – niet autobiografie, maar de ritualisering ervan (wat volgens mij elke autobiografie, die zich als zodanig presenteert, óok is – alleen niet zo bewust). De meeste mensen zijn teveel met zichzelf ingenomen, om echt een autobiografie te schrijven. Ik moet er niet aan denken alles op te schrijven, waar ik me aan bezondigd heb, en waar ik me nu diep voor schaam, terwijl je toch erkennen moet, dat je zo hebt moeten wezen, om te zijn als je nu bent. En wat je bent, daar kom je toch ook nooit helemaal achter: geen grotere fictie dan autobiografie. Intussen is veel van wat ik vertel in mijn boek wel degelijk ook zo gegaan: mijn afkeer van vechten om het vechten (dat is dus iets anders dan karate voor de sport); 36 de wens je persoonlijkheid tot de norm te verheffen, daar heb ik een gruwelijke hekel aan. Maar dat zijn ‘ideale’ bewegingen en hoe je die vorm geeft, in toestanden, feiten, personages en onderlinge relaties dat is werk voor de vrije fantasie, al vrees ik, dat sommige critici juist daarin het ‘autobiografische’ herkennen zullen.
We zijn van plan in de kerstvakantie naar Parijs te komen, met Machteld. Wat vind je ervan als we dan weer bij jullie kwamen? Het is de vorige keer heel leuk geweest, en in je brief nodig je ons daartoe ook uit. Hebben jullie bepaalde dagen, waarvan je zegt: dan en dan kan het? Laat daarover eens iets horen, dan kunnen we concrete plannen en afspraken maken.
De uitzending van Rutger is in September, naar wanneer, weet ik nog niet. Ik ben er wel benieuwd naar. Hij werkt hard, heeft een nieuw verhaal geschreven, dat ik straks moet copiëren. Gelezen heb ik het nog niet, door gebrek aan tijd.

[p. 2]

Johnny van Doorn zie ik wel eens op de tv met Armando en Cherry [doorgestreept: ‘van Duin (ik weet de goede spelling niet van die naam)’] Duyns. Hun programma heet Herenleed, een soort poppenkast voor grote mensen, die zich als kinderen (jongens op avontuur) aanstellen, of die voor kinderen spelen. Of die, als volwassene, het kind in zich tot spreken brengen. Dit laatste is wel de beste typering, vind ik. Soms is het heel amusant. Atje Lagor Waard 37 heb ik altijd een patjepeeër gevonden. Je hoort ook niets meer van hem.
Het weer is hier onbegrijpelijk beroerd geweest. Wij hebben met die drie weken geluk gehad, tenminste als je, zoals Leo,van veel zon en hitte houdt. Mij spreekt dat niet aan. Ik ben een schaduw-mens 38 en ik ben niet dol op ‘buiten’ zijn, maar Portugal was toch heel leuk. Waar we waren, draait het leven nog zoals het vroeger was. Veel zigeunerachtige vrouwen met hun kroost, bedelend. Soms kwam je een figuur bij herhaling tegen, en bij herhaling gaf ik hem of haar ook wat – niet uit medelijden hoor, want die kindertjes zijn ijskoud aan het bedelen, terwijl ze in de andere hand ongegeneerd het snoepje of ijsje tonen, dat ze daareven hadden gekocht.
Het is een vissersplaatsje met een fortificatie aan de kust, die bij ons onmiddellijk toeristisch zou zijn uitgebuit: café’s, terrasjes. Dat doen ze daar niet, heel oncommercieel. Het terrein erbuiten zou dan trouwens gezuiverd moeten worden: ze hangen er tussen de kleren ook de stokvis aan de lijn. Vis. Overal vis. En visvrouwen, die met een heel schelle stem vertellen dat hun vis zo vers is, dat ze nog aan het springen is in de kar.
Op het moment dat we weg gingen, bereidde men een festival voor, met veel folkloristische kledij en muziek. Kleuriger dan hier – maar ja dat is het ene grote verschil tussen calvinist en katholiek. Reactionair zijn ze wsch. allebei. Er is daar ook een stierenvechtersvereniging, Viana Tauro Clube of iets dergelijks. Het schijnt dat stierenvechters er ook een fanclub op na houden of een supportersclub, zoals hier de voetbalverenigingen. Drank is er goedkoop: vinho verde branco en vinho verde tinto (rood). Verbazend zoveel geld als je terugkrijgt wanneer je een fles betaalt. En dan stoken ze een soort cognac, geloof ik, uit die onrijpe druiven, Bagaceira genaamd. Het heeft iets jeneverachtigs, met een druivensmaak. Dan is het misschien ook geen cognac. Vraag daar je buren eens over.
Vinho douro is wijn van rijpe druiven en is in die streek niet geliefd bij de bevolking, ik weet niet waarom. De grond is er graniet-achtig, maar met zand vermengd is ze heel vruchtbaar en levert dus die speciale druif op, waarvan de verde-wijn gemaakt wordt. Hygiëne kent men niet in dat oord. De plee is er onbeschrijfelijk smerig. Wij woonden bij een dame, die de democratische ontwikkelingen diep betreurt. Haar huis is enorm groot en ze heeft er ook een grote tuin bij. Het geheel is antiek ingericht, met veel smaak. We bewoonden een apartement met twee kamers, bad en w.c. en ontbeten er met haar van half tien tot twaalf. Zeer uitgebreid. Het vee staat krom van de tbc en mij werd verteld dat in Portugal veertig procent van de bevolking aan tbc lijdt. Dat kun je je toch niet voorstellen! Er lopen hier nog echte (goedaardige) heksen rond. Ze leven uiterst primitief, ruiken naar hun vee (varkens, geiten) en de mieren lopen vrijelijk over kleding en lichaam heen. Dat is ook niet te begrijpen. De klassenindeling van Nietzsche – heren en slaven – is hier nog volop actueel en persoonlijk vind ik dat de democratische beweging daar maar eens aandacht aan moet besteden. De opheffing van het volk moet nog beginnen. Al begon men maar met bordjes op straat met de vermaning ‘Verboden te spuwen’, zoals je bij ons, kort na de oorlog – en wsch. al lang daarvoor – in de tram nog lezen kon. Ze rochelen waar ze gaan, en plaatsen dan hun fluim. Dat kan toch niet gezond zijn.
Groet allen van mij. De tekening die je ons van Arthur toezei, is niet met je brief meegekomen!
Hartelijks,

je Rudy


16.

[Brief in handschrift, 1 blz.] 39

Leiden, 10 sept [1985]

Hans, je zult nog heel even moeten wachten op de VN‘s. Ik moet heel erg woekeren met de centen sinds Portugal, maar ze komen echt. Na salarisdag van deze maand, en van dan af krijg je ze regelmatig.
Ik schrijf je binnenkort uitvoeriger, maar ik heb me voorgenomen eerst die roman ‘t huis uit te krijgen, en dat is moeilijk, want ik kan geen woord, geen zin zien staan, of ik moet er weer aan peuteren en terwijl ik daarmee bezig ben, rolt het echte leven voort en voorbij. Is dat niet om te janken?
Hou je haaks, en hartelijks voor allen van

Rudy


17.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

Leiden, 20 sept [1985]

Beste Hans,

Vandaag ontving ik je enthousiaste brief, waarin je me vraagt iets uit Indonesië te willen koken. Ik zal m’n best doen iets mee te nemen zodat ik daar [in de marge: ‘in Gagny’] uit de voeten kan.
De najaarsaanbieding van de Prom heb ik niet ontvangen of gezien, maar natuurlijk ben ik blij dat je boek over Brouwers 40 zo mooi geworden is, ik ben er ook heel benieuwd naar.
De titel van mijn boek heb ik veranderd: Tropische jaren. Dat klinkt romantisch en realistisch tegelijkertijd. Alleen de man van ervaring heeft dat achter de rug en nu tellen die jaren dubbel. Het boek is eindelijk af, en gisteren verstuurde ik het naar Hazeu. Zelf ben ik er zeer mee ingenomen, en ik vind zo langzamerhand, dat dat ook de enige maatstaf moet zijn. In een wereld met duizend opvattingen heeft de duizendeneerste zijn eigen recht en misschien scharen anderen zich daar dan achter. Je kritiek op de oude titel 41 deel ik wel: zij heeft bovendien iets mystiekerigs, dat in het boek totaal ontbreekt.
‘Echt autobiografisch’ is werk, dat niets verbloemt. Iedereen haalt wel eens een heldendaad uit, en is er trots op dat te vertellen. Die dingen ontbreken dan ook niet in autobiografie. Iets anders is het, dat men ook streken uithaalt, die zo schandelijk zijn, dat men er maar over zwijgt. Zij behoren ook in een autobiografie, en zij ontbreken. Men is voor het genre te ijdel.
Dat je schrijvend over jezelf toch een personage blijft, is n.m.m. geen argument tegen het genre. Iets anders is immers niet mogelijk, – welnu, dan noemen we een beschrijving van het eigen leven een autobiografie.
Het boek van Frans C. de Rover 42 ken ik niet, ik heb in feite geen letter van hem gelezen, geloof ik. Is hij geen Vlaming? Promoveren op Mulisch lijkt me geen kleinigheid. In Mulisch raakte ik geïnteresseerd doordat ik in de gaten kreeg, dat hij via Roggenveen’s boek Bram Vingerling in de alchemie verzeild raakte. Bram (Joods, half een half-Jood) die verdwijnt door een alchimistisch brouwsel: dat is voor mij het fascinerende. En dat hij dan steun zoekt in Middeleeuwse en klassieke filosofen, bij Goethe’s Faust en bij Nietzsche. Ik ben van mening dat hij het anti-Darwinisne van Nietzsche als idee hanteert in zijn filosofische boek, waar Hermans zo lelijk over doet. Ik heb in mijn De kunst van het falen, maar dan intuïtief (ik ben geen filosoof), eenzelfde gedachtengang ontwikkeld, maar ik heb er misschien meer belang bij, omdat ik natuurlijk een Indo ben (een half-Jood is nog altijd een hele Europeaan). In Tropische jaren schrijf ik van de Indo, dat die misschien, ‘volgens een filosofie die Nietzsche en Hegel nog moeten uitvinden’ de stamvader van de Uebermensch kan worden. Er zijn meer mestische mensen op de wereld, schat ik dan ‘raszuivere’. Met Mulisch zou ik dus kunnen beweren dat de kunst van het falen berust op de ontaarding van de genetische code, die de ribosomen in staat stelt tot het maken van onvrijwillige fouten, die niet fataal zijn.*) (ik zou dan zeggen: die niet ‘fout’ zijn – maar een obstakel die juist een uitzicht op ‘beter’ in zich houdt). Het princ. adversiones (PA) kan herleid worden tot de ‘fouten’ die de evolutie mogelijk maken. (zie Mulisch, Comp. p. 152). Ook minder filosofisch en integendeel reëel beschouwd, lijkt het me toe, dat men door ‘trial and error’ wijs wordt. Het is het enige experiment, waardoor een leven slaagt of mislukt of blijft steken. Op een dag wordt Arthur onvrijwillig gehoorzaam, tot jouw verdriet misschien, naar misschien tot zijn heil. Dat wachten we gewoon af: is het een fatale of niet-fatale fout?
Jan Cremers musical wordt in Vr. Ned. afgekraakt. Hij komt binnenkort in Amsterdam, ik weet niet of ik er heen wil.

Een interview. Ik wil je natuurlijk met alle plezier alles wat je weten wilt, vertellen. Maar of dat dan ook gepubliceerd moet worden? Eerlijk gezegd, zie ik er enorm tegen op om die aandacht voor mij te vragen aan lezers die er beslist niet op zitten te wachten.

[p. 2]

Als er meer belangstelling voor mij zou bestaan, zou dit natuurlijk een zekere maatschappelijke verplichting zijn, maar onder de huidige omstandigheden – ik verkoop gemiddeld 600 à 700 ex. per titel – lijkt die verplichting niet te bestaan, en is het meer ijdelheid die me tot instemming met publicatie van het interview zou verleiden. Hou er maar rekening mee, dat ik zo ijdel niet ben, en dat ik op betere tijden (= meer aandacht) wacht.

Heb je die De Rover nog gewezen op mijn art. over De compositie? Ik vind hier iets buitengewoon raadselachtigs in.
Stel je voor:
ik schrijf dat artikel en het wordt in Nieuw Vlaams Tijdschrift gepubliceerd, onder veel bezwaar van de redactie tegen de lengte van het stuk. De Wispelaere drukt het dan door. Direct na uitkomst ervan, belt Mulisch naar mijn adres: ik heb n.b. een geheim nummer, dus hij heeft zich verdomd veel moeite moeten getroosten om dat te achterhalen. Ik was niet thuis, dus Leo nam op.
– Hallo
– Met Mulisch.
– O ja, dat zal wel.
en denkend dat het een practical Joker is, gooit ze de hoorn op de haak. Opnieuw, de telefoon. Ja dat was dan toch ernst. Of ik thuis was? Nee, ik was niet thuis. Naar Amsterdamse gewoonte begon hij haar te tutoyeren. Of ik lang wegbleef (ja), waar ik was (op school: vergadering), etc. Was het nodig, dat ik hem terug belde?
Nee! 43
Ik vraag me af, waarom dan al die moeite. Mijn nummer achterhalen, kennelijk vanwege dat artikel. Had hij er bezwaar tegen? Vond hij het aardig? Ik ben daar nooit achter gekomen. En toen jij dan dat boek 44 aan het maken was, en mij om dat artikel vroeg en ik je dat gegeven had, en het tenslotte nièt in dat boek kwam, toen ik er Hazeu naar vroeg (dat is een beslissing van Dütting en Mulisch) 45 en er jou naar vroeg (Hazeu vond dat het boek al veel te dik was), ontstond voor mij iets buitengewoon raadselachtigs. Kun jij me er toch iets meer van vertellen? Zelf vond ik mijn stukje heel aardig, ik dacht ook dat ik – wat Kousbroek niet gezien heeft en zelfs ontkent – lijnen van Mulisch’ werk volgen kon, met behulp van diens filosofie. Heeft M. zich tegenover jou in enige zin over dit stuk uitgelaten?
Weet je iets van de opinie van De Rover? Die kent Harry natuurlijk goed. Het hele gedoe frustreert me enorm. Ik heb gewoon geen zin meer om over Mulisch te schrijven, zolang ik niet weet, wat de betekenis van dat telefoontje en van dat wegzuiveren van mijn art. uit jouw boek is. De vraag voor mij is: kan ik doorgaan en zit ik op het rechte spoor? Of moet ik mijn opinie verdedigen, evt. herzien, herroepen? Me onbevoegd verklaren? Dat laatste deed ik al in het art. zelf: ik ben op het strikt filosofische onbevoegd. Maar op het stuk van de lectuur van Mulisch’ werk en het verband daarvan met dit boek als niet-filosofie ben ik dat niet. Je voelt de tweespalt. Ik lig op de grens, waar noch de gemeente, noch de provincie me weg kan slepen. Ik ben zelf de paradox geworden!

Dat lijkt me een mooie slotzin.
Laat snel weer iets horen, hoor. En hartelijks van huis tot huis, je

Rudy

* Citaat uit Tropische jaren: ‘God schiep de rassen. Maar tussen die rassen, is mensenwerk. Laat ons de mens vereren.’ M.a.w. God maakte een fout. Maar misschien maken wij, mestiezen, die ‘fout’ weer ‘goed’.

P.S. Hermans vertelt in zijn Liefde tussen kat en mens niets over het blazen van katten, het zetten over een hoge rug, die dikke staart. Toch kun je als (on-)mens zulke reacties wel veroorzaken – zelfs uit liefde voor zo’n dier.

 


18.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

Leiden, 9 okt. 85

Beste Hans,

Vandaag gaan de V.N. boekenbijlagen weer in zee, tegelijk met deze brief. Leo heeft een beetje een minderwaardigheidscomplex m.b.t. haar Frans, heel lief, maar ten onrechte vind ook ik. Ik zou op zulke gevoelens meer aanspraak mogen maken, het gemankeerde Mulisch-stuk in aanmerking genomen. Je moet het toch niet gek vinden, dat ik er naar vraag. Natuurlijk kun jij van zo’n telefoontje van hem niks weten. De bedoeling van mijn mededelingen hierover is nu juist, dat je dit nu wel weet, waarom vertel ik het anders? Ik plaats mijn probleem in een bepaalde contekst daardoor, zodat je je daarin zou kunnen verdiepen, want ik neem maar aan dat je dat gedrag toch ook niet als ‘normaal’ zult bestempelen. Daarbij dan de tegenstrijdigheden die ik opmerk in de mededelingen van Hazeu en jou, en jou geloof ik onvoorwaardelijk, twijfel daar geen moment aan. Jij bent geen handelaar. Maar ik vind het vreemd en misschien wel pijnlijk, dit probleem in het raam van Mexico 46 geplaatst te zien. Wat ik graag wilde horen was dit:
“Alleen vond hij het jammer dat je een lijn doortrekt naar zijn andere boeken, die volgens hem los gezien moeten worden van zijn Magnum Opus”.
Dat hoor ik nu voor het eerst van jou, en dat heb ik al die tijd willen weten. Daar is niets vreemds aan. Het is nogal gewoon dat een auteur graag hoort van direct betrokkenen bij een aanvankelijk aangenomen en vervolgens geweigerd stuk, wat hun oordeel daarover is. Daar staat Mexico eenvoudig buiten. Ik ben niet door een ramp getroffen, ik ben onheus behandeld. Er wordt buiten mij om met mij en mijn werk gedaan, dingen die ik niet weet, en die ik weten wil – altijd, overal, en niet uit gekwetste ijdelheid, zoals jij schijnt te denken, maar omdat ik toevallig betrokken ben bij wat ik doe en denk en lees en schrijf. Ik ben tenslotte Normen Corinth 47 niet, die er geen idee van heeft in wat voor wereld hij nou weer terecht gekomen is, die dat ook geen bal kan schelen, tot hij tenslotte toch óok nieuwsgierig wordt, en navraag doet, en met een kluitje in het riet wordt gestuurd, en niemand vindt die hem te hulp kan komen en dan ten onder gaat, zonder te weten waarom. Het is heel eenvoudig allemaal. Als men mij wil fusilleren, moet men mij ook vertellen, waarom. Dat gevoel. Daar is NIETS vreemds aan. We sluiten dit hoofdstuk af. Mijn art. hoeft helemaal niet persé in een boek te staan, dat moet je wel goed begrijpen. Ik ben daar niet op uit, ik bundel het allemaal liever zelf, zoals ik tot nog toe altijd heb gedaan. En als ik het niet doe, dan heb ik daar geldige redenen voor. En als ik er in toestem dat een ander het doet, dan heb ik daar ook mijn redenen voor en daar is nooit deze ene reden bij, dat ik het leuk zou vinden, wanneer men mij in raadsels achter liet. Dan ga ik dus te rade, bij hem die ik het meest vertrouw. Jou. O.K.?
Tropische jaren vindt Wim Hazeu een goeie titel, en ik ook. Die naam houdt het idee ‘tellen dubbel’ in zich besloten. Zoals de Heilige Maria in zich besloten houdt dat ze maagd èn moeder is. Dat hoef je er dan niet nog eens expliciet aan toe te voegen, het is vanzelfsprekend.
De open ruimte 48 houdt, behalve de ruimtevaart, de vliegende schotels e.d. ook in: gepraat voor de vuist weg, gefantaseer (die vliegende schotels), maar niet zonder houvast aan de realiteit (ruimtevaart). Ladders in de leegte: letterlijk: gelul in de ruimte, maar dat is niet zonder zin. Alle literatuur is gelul in de ruimte: je kunt er geen boten mee bouwen, heeft geen zin, geen andere, dan dat het je troost, of verheugt of amuseert. Maar daarom kun je je nog wel opwinden als je werk wordt gebagatelliseerd.

[p. 2]

Tropische jaren tellen dubbel is dus te veel.
Mijn boeken komen onder de mensen, maar via de bibliotheek. Dat komt, omdat ik over een aantal auteurs schrijf, en in sommige van hen is een lezer niet geïnteresseerd. Dan koopt men zo’n boek niet, men leent het. Men wil een parkiet, een ander wil een papegaai, de derde een blinde vink enzovoort. Maar bijna niemand wil de hele volière die ik gevuld heb. Behalve de bibliotheek. En daar gaan de meeste van mijn boeken ook heen, en daar worden ze geleend en gelezen. Vaak, heel vaak, zo te zien. Maar geen reklamecampagne kan de verkoop aan particulieren stimuleren. Men is er niet geïnteresseerd in. Het zou al heel anders worden, wanneer ik bv. alles wat ik over Vestdijk schreef in een of meer bundels bij elkaar bracht. Alles van mij over Lucebert, of Mulisch. Maar daar ben ik werkelijk te lui voor. Als ik er ooit toe kwam, dan zou ik toch ook weer enorm aan de inhoud knoeien gaan, omdat ik natuurlijk niet stil ben blijven staan, en allicht een paar dingen als verouderd zou verwerpen. Sommige dingen zullen aanleiding worden tot een polemiek, andere komen weer voor uitbreiding in aanmerking, ik moet er niet aan denken. Het essay heeft grotendeels mijn belangstelling niet meer. Het is tijdrovend werk en vermoeiing des vlezes door het lezen. Dat interview? Misschien, als Tropische jaren een succes wordt. Ik loop op die dingen liever niet vooruit. We praten er wel over in Gagny.

Mijn kookkunst. Ik kan best aardig koken, maar ik vrees dat je je zulke voorstellingen daarvan gevormd hebt, dat je wel met een teleurgesteld gevoel van tafel zult gaan. Ik raad je aan, je in je fantasieën hierover sterk te beperken.

Het leek me zo’n Vlaamse naam, Frans de Rover. Jan de Lichte. 0, hij kent het stukje dus?

Feliciteer je huisgenoten van ons met Bernadette’s verjaardag. Ook jij, van harte gefeliciteerd daarmee. Was het feestje bij de vrienden leuk?

Die slaapzak zal wel lukken denk ik. Het is al mooi dat het allemaal maar kan, daar bij jullie. Daar zijn we echt hartstikke blij mee.

Sartre’s boek heb ik. Rutger zal het leuk vinden het van je te krijgen.

Groet je iedereen daar van iedereen hier?
Tot gauw.

je Rudy


19.

[Brief in typoscript, 1 blz.]

Leiden, 19-11/85

Beste Hans,

Eindelijk laat ik weer iets van me horen. Ik kondig je de komst aan van een aantal V.N.-s. Ze gaan met deze brief op de post. Je zult in deze brief ook vernemen, wanneer de trein die we nemen, in Parijs aan komt. 49 Mat 50 stelt zich vreselijk veel voor van de reis en van haar ontmoeting met jullie. Een terugreis hebben we nog niet gepland, omdat er op de trein die we wilden nemen geen gereserveerde plaatsen meer verkrijgbaar waren. Hoe dat dan moet, verzinnen we wel als we eenmaal in Frankrijk zijn.

Je voorstel om met mij naar dat Picassomuseum te gaan lijkt me heel aantrekkelijk. Leo en Mat willen dat ook graag zien: je weet dat Mat een verwoed tekenaresje is, en ze is er echt benieuwd naar. Ook Leo, hoewel je hebt meegemaakt, hoe ze langs al die grafiek spurtte, is in de schilderkunst van Picasso erg geïnteresseerd. We moeten er maar met zijn allen heen, vind ik.

Verder heb ik weinig te melden.
Bij die V.N.’s staat in het meest recente nummer een stukje van Komrij over ‘burgerlijkheid’: heel goed van idee. Ik wil het graag terug hebben, niet dat nummer, maar het artikel. Als je het blad niet wilt vernielen, copieer je het dan even voor me? Ik had dat zelf natuurlijk ook kunnen doen, maar vergat het, en nu het in zo’n pakje zit, voel ik er weinig voor het weer uit elkaar te halen en zo. Dan krijg ik het wel, als we elkaar zien.

Vertelde ik je al dat Hazeu mijn boek wil hebben? Wat is dat een enorme krent, zeg. Ik vroeg om een voorschot van tweeduizend, maar hij wil me niet meer dan duizend geven. Ik geef mijn volgende boek – als het ooit zo ver komt – niet meer bij hem uit. Ik hou nu eenmaal niet van dat gemarchandeer om een paar centen voor een werk waar ik drie jaar aan gewerkt heb. Zoiets moet je belonen, vind ik. 51
In plaats daarvan lopen de onderhandelingen zeer stroef.

Ik moet eind van deze maand een lezing over Achterberg geven en doe dat onder de titel Paniek van het intellect. 52
Ik onderscheid drie fasen in dat dichterschap, waarvan de eerste twee veel op elkaar lijken. De derde geeft dan een doorbraak te zien naar een meer naar de wereld gewende houding. De eerste twee laten zien dat er een drievoudig verbond is tussen de u, de dood en de ik. In de derde fase komt de actualiteit binnen met een politieke, progressieve inslag. En dat is dan Achterberg op zijn best, volgens mij. Dan is ook die paniek voorbij: dat rusteloze zoeken naar het scheppingsgeheim.

Herinner jij je de beeldhouwer Jef van Leeuwen? 53 Hij werkt tegenwoordig met marmer (in Groningen) en had een groepstentoonstelling in een kerk daar. Wij zijn er heen geweest, een afmattende reis met overstappen en al. Maar het was de moeite wel waard. We kochten een zuil uit roodachtig paars Portugees marmer, met een keep erin over de lengte van het ding (ik schat een dertig centimeter hoog beeldje), waardoor een witte vlam in het hart van de steen zichtbaar wordt. Heel mooi. We hebben het nog niet in huis, en weten ook niet waar het moet komen te staan: ons huis is niet groot, we hebben weinig ruimte, en zijn van plan een serre te bouwen, als het geld ervoor aanwezig is.
Hé, groetjes en tot gauw.

Rudy


20.

[Brief in typoscript, 1 blz.]

Leiden, 30 [doorgestreept: ‘jan’] dec (bedoel ik) [1985]

Beste Hans,

Beste Hans, De reis terug bracht ik in éen verdoving door. We zaten gescheiden van elkaar, wel bij elkaar in de buurt: Leo achter Mat en ik terzijde van Mat, maar door een gangpad van haar gescheiden. Ze had veel aanspraak aan een meisje uit Amsterdam, heel vrolijk en als van nature op omgang met een klein kind ingesteld. Op veertienjarige leeftijd weggelopen van huis, alleen met vakantie naar Parijs en nu terug. Ze is inmiddels zestien, zit in de vierde (HAVO) en blijkbaar in staat zich zelfstandig te handhaven. Ik bewonder zulke dingen en mensen die dat aankunnen.
Je zult wel lachen als ik je beken dat ik, geheel tegen mijn eigen verwachting in, het boek van Margareta tussen de dingen vond, die ik van je meekreeg. Ik zal het je spoedig terugsturen. Ook ontdekte ik dat je het Cocteau-artikel niet had uitgeknipt. Ik zal je nu een copie ervan sturen, samen met de zending Vrij Nederland-bijlagen.

Het leven hier begint zijn normale loop te krijgen. Leo is uit solliciteren bij een op poten te zetten Frans bedrijf. De kans op een vaste baan daar is groot. Wie weet slagen we erin langs die weg ook werk in Fr. zelf te vinden. Dit lijkt haar leuk, – hoe Mat daartegenaan kijkt, moet nog worden uitgezocht. Zelf leg ik me overal bij neer, zolang de rechten die je hier hebt, ook daar worden gerespecteerd.

Nu veel meer te vertellen is er niet – behalve dan dat ik snip en snipverkouden ben geworden, Leo vol optimisme is en Mat zich bezig houdt met een spelletje dat ze alleen kan spelen.

Omhels Bernadette, knuffel Arthur en hou hem goed in het oog, en allemaal het beste toegewenst met het nieuwe jaar.

je Rudy


21.

[Brief in typoscript, 3 blz.]

Leiden, 6 jan 86

Beste Hans,

Dank je voor de notities m.b.t. Opus Gran. 54 Dat van Graftdijk kende ik nog niet.
Die architectonische dromen betrekt Mulisch in dit interview uitsluitend op de stad Gran; dat is natuurlijk niet altijd zo geweest. Aan het slot van Het zwarte licht heeft hij ook zo iets. Donner, die er over denkt, spreekt dan het vermoeden uit, dat het een ‘vaderschootdroom’ is, en vindt dat krankzinnig. Maar tot zijn verbazing stelt hij vast, dat Mulisch van dit karakter van de droom overtuigd is.
Het stenen bruidsbed is ook een stad, zelfs het huis waarin Normen C. woont is een koortsdroom van architectuur. Dresden ‘is’ Troje, ‘is’ het Rome van Nero, het Baltimore van 1904 (de brand in de geboortestad van Corinth). De stad Gran komt veel later.
Het karakter van Gran wordt bij Graftdijk genoemd: klassicistisch. Mulisch vult aan: classicistisch-barok. Maar Donner ziet op een fototentoonstelling in aanwezigheid van Mulisch opnamen van New York: vervreemdende opnamen, maar die m.i. niets classicistisch-baroks kunnen hebben. Toch noemt Mulisch op dat moment de naam van de stad.
De stad wordt pas in ’56 herkend als een complex dat verband houdt met een herinnering aan Berlijn, toen hij daar was als klein ventje. En krijgt dan wsch. ook zijn naam, die verzwegen wordt tot nader order. Het loont denk ik de moeite, om in ander werk van Mulisch naar steden te zoeken. In Stad onder de zon herkende ik Wagner en Nietzsche,- ooit schreef ik erover. 55 [In de kantlijn: ‘sinds De compositie is ‘mijn’ Wagner (de maestro uit het verhaal) ook de 19-jarige Mulisch die ‘t octaviteitsprincipe vindt.’] Er is natuurlijk veel meer te vinden. Lijkt me leuk voor jouw ‘documentatiedrift’. Voor resultaten van je speurwerk hou ik me aanbevolen.
Wat je tekst betreft (die eerste twee pagina’s): een paar dingen zijn me niet duidelijk. Wat moet ik me voorstellen bij ‘een hetero-kosmos waarin de geijkte ruimte en tijd binnenste buiten getrokken zijn’? Is dat een citaat, dat je ergens vandaan hebt?
‘De tijd stokt’ als ‘een zonnewijzer bij nacht’: in Opus Gran (1e druk) zocht ik vergeefs naar die woorden. Waar komen ze vandaan? En wat betekent het basalt en graniet stralen een totale vergetelheid uit? Is dat ook een citaat?
Ik heb de bundel Egyptisch niet, veel van wat je meedeelt, ontgaat me daardoor. Maar waarom is het bestaan van een mens ‘onmogelijk’ en ‘paradoxaal’? Zegt Mulisch dat ergens? Of is het een interpretatie van jou? Als dat zo is, moet je je zorgvuldiger uitdrukken. De kunst van het schrijven bestaat eruit, dat je precies zegt wat je bedoelt, en dat je precies bedoelt wat je zegt. En je bedoelt toch niet onbegrijpelijk te willen zijn?

De videoband zou je misschien wel op weg helpen, of misschien? – ik weet het wel zeker.
In de eerste plaats: het is een reis. Naar Berlijn, naar Griekenland, Egypte, Israël. Het is een volstrekt humorloos interview daarbij, door Cherry Bruins [in de kantlijn: ‘Duyns (ik weet de precieze achternaam niet)’. 56, die blijkbaar alleen dat fotoboek 57 van Mulisch als bron hanteert.
Dat classicisme brengt M. in verband met zijn vader. Hij komt in dat Berlijnse museum voor het altaar van Pergamum te staan, die in De Openbaring van Johannes van Patmos genoemd wordt: “de troon van Satan.” Het is een hellenistisch altaar. Speer bouwde het ding na, natuurlijk niet precies, maar als idee, in Neurenberg. Als Mulisch daar staat, ziet hij twee vliegtuigen, die elkaar gekruist hebben: in de hemel hangt het spoor van uitlaatgassen: ‘Het teken van de Zoon des mensen’, zegt hij dan. Het kruis is voor hem het symbool van de techniek (volgens mij

[p. 2]

omdat het het coördinatenstelsel van Descartes is, die x- en y-as, die het begin van de technologie mogelijk maakte. Donner merkte al vroeg op, dat Harry, bv. in namen, met zulke algebraïsche letters als x, y, q etc. werkte). Speers werk is nu een ruïne. Dat ruïneuze brengt M. met Egypte in verband, het rijk van de dood. Het hele klassicisme ‘is’ dat Rijk, tenminste zo interpreteer ik dat. Want eigenlijk is alleen Griekenland, dwz. Athene, de Acropolis het echt levende. Het is het noodlot van Duitsers, Oostenrijkers, dat ze altijd denken Grieken te zijn. Hölderlin is er gek van geworden, Nietzsche niet minder, als je het mij vraagt. Mulisch is in ieder geval ook een Griek: Oidipous. Slachtoffer van een uit elkaar geslagen gezin. Nazi-vader, bij wie hij bleef; Joodse moeder, die hem verliet. Een huishoudster die hem verzorgde, en die dus de moeder verving. Cherry toont de voorplaat van het fotoboek: Harry, 6, 7 jaar en zijn moeder. Commentaar bij de foto: “Oidipous en de Sfinx.” Dat is eigenlijk fout. Het moet Oidipous en Jocaste zijn. Maar ik denk dan dat die huishoudster Jocaste ‘is’, terwijl de ‘echte’ moeder, Alice Schwartz, de sfinx is. De sfinx is volgens Hegel, deelt Mulisch mee, ‘het symbool van het symbolische’. Mulisch is verbaasd, dat de sfinx bij Freud uit het gezicht verdwijnt: Freud zegt er niks van. En inderdaad: wat betekent die sfinx? Waarom zo nauw met het dodenrijk verbonden, althans met het graf? Hij laat Freud verder buiten beschouwing en trekt de vraag naar zich toe: die moeder, dat is het raadsel. Dat moet worden vergroot. Dat staat niet op de film, hoor, dat zeg ik ervan.
Zij is het ‘Joodse’. Om haar gaat hij naar Israël. Dit stuk uit de film maakt op mij een onuitgewerkte indruk. Ik volg het niet helemaal. Maar laten we proberen de symbolen bijeen te zetten: de vader, de pyramide, het dodenrijk – de moeder, de sfinx, het raadsel. En Mulisch aan hun voet. Dat is het gezin, en dát is het Joodse. Joden kennen geen uit elkaar geslagen gezin. Het eerste christelijke gezin onder de Joden was dat, dat ons nog wel eens ontroeren wil: Jezus, Maria, Jozef. De liefde voor het gezin: dat is het bij uitstek Joodse.
Ik denk dat Harry onnoemelijk onder de scheiding geleden heeft. Ik denk ook dat hij dat naar buiten toe niet heeft willen laten merken. Vandaar dat hij zo’n ontzettende waardering heeft voor de ‘Kaltstellungstheorie’ van Thomas Mann. Geen emotie laten blijken. Voer staat er vol van, en een van de hoofdstukken in Het stenen bruidsbed heet ‘(Maar zonder emotie)’. Hij heeft zijn persoonlijk drama tot iets wereldwijds gemaakt, zich met de oorlog vereenzelvigd: een Nazi, een Jood. Wij kunnen niet over deze oorlog denken, zonder aan hem te denken. Door hem ziet de oorlog er pas uit (zie Voer, [doorgestreept: ‘de manifesten. Nee, daar staat het niet in, geloof ik:’] je moet zoeken in dat art. in Voer, dat een tekst is bij de opening van een tentoonstelling van Karel Appel).
In Norman Corinth zie je hetzelfde: ook hij is zelf die oorlog. Maar hij gaat aan het eind kapot. In Gran zou hij een van de soldaten die begraven wordt, kunnen zijn.
Toch maakt Mulisch zich aldus tot een gevangene van samenhangen, die hij niet in de hand heeft, wel doorziet, maar niet kan ontgaan. Je bent geneigd te denken, dat niet hij Gran maakte: Gran maakte hem.
De artifex is zelf de steen (Voer).
Gran is het symbool van een denksysteem, een waan, een pathologische logika, een systeem ‘alchemico modo’ – heel, heel indrukwekkend. Maar zijn uitgangspunt ‘zonder emotie’ beroofde hem van zijn humor en ironie: alles werd bittere ernst, verstandelijkheid in hoge mate, uit – paradoxaal! – medeleven met het jongetje dat hij was, en nu niet meer is. Dat staat natuurlijk ook niet in de film, dat zeg ik ervan.
Op het bovenstaande hou ik natuurlijk het copyright – dit voor het geval je mijn bedenkingen aan derden voor zou leggen.
[In handschrift: ‘Jij mag natuurlijk naar hartelust citeren: noem vooral mijn naam!’]

[p. 3]

In ieder geval, ik denk altijd, wanneer mensen het steeds over hetzelfde hebben, – bv. ‘zonder emotie’ – dat ze dan een antikarakteristiek van zich zelf geven. Omdat ze emotioneel zijn, dáárom willen ze het doen voorkomen, dit niet te zijn. Achter elke antipsychologie schuilt een heel kwetsbare psychologie. 58

Heel gek: de dag na de tv-uitzending van Opus Gran, kreeg ik je kaart: de pyramide met de sfinx. Betekent dat ook iets?

Ik wens jullie allemaal een gelukkig nieuwjaar en alle hartelijks.
Kreeg je mijn vorige brief al?
Deze gaat morgen op de post, omdat Leo zich voorgenomen heeft, er ook nog iets in te schrijven.

Rudy


22.

[Brief in handschrift, 1 blz.]

Leiden, 12/1/’86

Beste Hans,

Mijn tiklint is op, dus: schrijvers doen het met de hand.
Je verzoek is aangekomen. Natuurlijk krijg je het gevraagde. Maar je zult nog even geduldig moeten zijn, want ik ben blut en leef tot nader order van de ene dag op de andere. Gekkenhuis!
Als de Zilvervloot binnenvaart (Prom/Hazeu, de krentenweger), komt ‘t boek naar Gagny.
Hoe is ‘t leven daar? Een tweede kind, in september. Is Arthur al aan ‘t afkicken? Ik denk dat je nà de milt-operatie wat natuurlijker met je sentiment om kan gaan, dan nu ;t geval is, en ernst kunt maken van je plannen m.b.t. de tv.
Van ‘t gevraagde boek zagen we hier een gelijknamige film, meer curieus dan interessant. Verslaafden! Instant-mysticism! En even heb je daar toch zelf in geloofd, ook nog.
Sinds we jullie zagen, heeft Rutger nog niets van zich laten horen. Zodra hij belt, zal ik hem de oren wassen.
Groet Arthur, wens Bernadette sterkte en hou je haaks.
Zodra ik 5 V.N.’s bij elkaar heb, stuur ik je die.
Groetjes,

je Rudy


23.

[Brief in handschrift, 1 blz.]

28 jan ’86
Verstuurd: 3/2/86 59

[In kantlijn: ‘Ik barst van het werk: correctie van drukproef Tropische jaren. Je hoort van me!’]

Beste Hans,

Zojuist viel je brief in de bus, met foto’s en collage, waarvoor graag onze dank, terwijl ik je vorige nog niet eens beantwoord heb. De collage wil ik natuurlijk graag hebben. De foto’s zijn heel leuk, Leo heeft ze nu nog niet gezien. Ze werkt. Ik schreef je nog niet eerder: mijn tiklint is op, en sinds ik die schrijfmachine heb, vind ik ‘t met de hand schrijven eigenlijk een gecompliceerd en langzaam gedoe. Mijn antwoord bleef verder uit, omdat ik je niet goed antwoorden kan: ik ken ‘t toneelstuk van Mulisch niet (ik heb, om een of andere reden, de pest aan ‘t genre) en moet ‘t dus eerst eens lezen, voor ik die brief (die je mooi en helder geschreven hebt) goed beantwoorden kan. Ik hoop dan dat ik de centen heb om
1) tiklint te kopen
2) dat boek voor jou
3) de achterstallige boekenbijlagen te posten.

Ja, kerel, we zitten behoorlijk aan de grond op dit moment, dat is vervelend, maar anderzijds toch ook boeiend. “Hoe redden we ons eruit?” Dat is een vraag die telkens weer belicht wordt van alle kant, en als de uitslag van de loterij op de t.v. komt, kijken we gespannen toe, en na de uitslag weer verslagen.

Cornets de Groot tijdens het afscheid van zijn school, met 'Ik predik de nadorst' in zijn hand.Cornets de Groot tijdens het afscheid van zijn school, met ‘Ik predik de nadorst’ in zijn hand.

Inmiddels heeft men op mijn school op feestelijke wijze afscheid van mij genomen. Ik werd vereerd met een boekje Ik predik de nadorst 60 (een regel van Lucebert, zoals je ongetwijfeld weet), waarin collega’s in foto’s, tekeningen, muziek en tekst hun visie op mij tot uitdrukking brengen. Heel leuk, ik zal ‘t je bij gelegenheid (5 dec. ’86) wel eens tonen. Verder: een stapeltje boeken, wat drank, bloemen, vriendschap – dan moet je toch wel iets hebben uit- en aangericht op zo’n school.
En nu ben ik er dus definitief vandaan.
Sinds een paar dagen heb ik nu de drukproef van Tropische jaren in huis. Ik heb er niet in durven lezen, maar vanmorgen ben ik dan toch met de correctie begonnen. Ik lees ‘t met de ogen van een vijand (van mij), en dan valt ‘t beslist niet mee. Had zo’n Hazeu me niet tegen mezelf in bescherming moeten nemen? Had ik niet een betrouwbare criticus moeten vragen er eens naar te kijken, voor ik ‘t naar de uitgever zond? Vreselijk, dat zelfverwijt. En als je bedenkt, dat je daar nu bijna 3 jaar aan gewerkt hebt, begin je toch wel aan jezelf te twijfelen: “Ik heb geen enkel talent!”
Enfin, ik word er mismoedig van, en hou er maar mee op, anders word jij er ook maar beroerd van. Wens Bernadette ‘t beste en sterkte, omhels Arthur en voor de rest: grote groeten! Je

Rudy


24.

[Brief in typoscript, 1 blz.]

[In handschrift: ‘Volgende week verstuur ik je VN-bijlagen + het boek over de Sien. De beurs krijgt al een beetje een bult…’]

Leiden, 11 febr. 86

Beste Hans,

zojuist viste ik je brief uit de post op, met iets van een schuldgevoel: ik heb het te lang een beetje af laten weten, die correspondentie tussen ons. Ik weet eigenlijk niet eens meer, wat ik je wel en niet vertelde van het wel en wee hier.
Op school heb ik afscheid genomen, misschien weet je dat al. En ook wel dat ik gehuldigd werd met een liber amicorum? Ik ben toen aan de slag gegaan, door al die collega’s die iets aardigs schreven in dat boekje (in een oplaag van 150 stuks) persoonlijk te antwoorden, – een klus die veel tijd vergt en waar ik nog niet klaar mee ben. 61 Ik heb nog wel een anderhalve week nodig daarvoor. Maar nu wilde ik eerst jou maar eens schrijven.

Tropische jaren is anders van opzet en van stijl dan Liefde, wat heet. Het werkt daardoor anders. Het is eigenlijk wat de Duitsers noemen een ‘Bildungsroman’, zonder dat er van een Bildung sprake kan zijn, gezien de omstandigheden (oorlog, bezetting e . d.). Ik heb me erin uitgesloofd, naar niet met de bedoeling mensen te behagen, ook niet om ze te beledigen, stel je voor. Daarom ben ik wel nieuwsgierig naar je eerste indrukken, en daar weer om, schrijf ik er verder even niet over in deze brief.

Nadja ken ik. Er staan aardige dingen in: typeringen, denkbeelden, observaties, maar verder vind ik het toch een beetje een vlak boek. Ik las het in vertaling; Meulenhoff gaf het destijds uit. 62
Robbe-Grillet zal hier ook wel in vertaling te krijgen zijn, ik las nog geen letter van hem. Mijn vader, een francofiel, had veel van zijn romans in huis; na zijn dood kreeg ik ze in handen en ze staan nu nu in mijn boekenkast, wellicht kom ik er in de toekomst nog wel eens toe ze te lezen. Ik lees te weinig, ik ben zo druk met andere dingen. Hoe meer tijd je hebt hoe minder je ergens toe schijnt te kunnen komen. Al die dingen staan elkaar in de weg. Ik trek bv. uit pure luiheid veel te veel tijd uit voor de krant. Je zit dan zo lekker, en dan is het vervelend om op te staan, een boek te pakken, een ‘studie’ (ik doe weer veel aan geschiedenis, kolonialisme, schilder-en tekenwerk) of iets anders, bv. schrijven: aan die mensen, zie boven, aan jou. Aan Le jeu avec le feu 63 zal ik wel niet toekomen: als die in Gagny al niet langer dan een week draait, kun je het in Leiden wel vergeten. Misschien dat hij op video te zien is? Dat is dan mijn enige hoop, want ik geloof dat het een interessante film is, gezien de foto’s die ik er ooit van zag: Hoe oud is die film eigenlijk?

Mijn smaak voor toneel is onderontwikkeld: de schuld van de spelers, die stuk voor stuk kwasterig en idioot zijn. Er is natuurlijk schitterend toneel. Büchner, Brecht, Shakespeare – maar als ik toch naar een theater moet, is een ballet of opera me liever dan dit gedoe met Lutz en hoe ze maar heten mogen. Brusse, ja die.

Onze felicitaties met de komst van de kleine Maagd in september. Houdt Bernadette zich goed? Wens haar maar sterkte toe, ze zal blij zijn dat ze (het) leven heeft.

Schreef ik je al dat we de foto’s ontvingen? Leuke kiekjes, waar we heel blij mee zijn. Alleen hebben we geen foto van Bernadette: daar moeten jullie snel eens in voorzien!

Allemaal hartelijks van hier, en tot schrijfs,

je Rudy


25.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

Leiden, 25 febr. 86

Beste Hans,

gisteren deed ik de VN’s en een proef van Tr. J. op de post en vanmorgen al viel je brief bij ons op de mat. Wildeman 64 heeft geen extra-proeven voor me gemaakt, hoewel ik daar een paar keer om vroeg. Het schijnt niet meer in de mode te zijn auteursverzoeken te honoreren, ik weet niet wat dat is. In ieder geval denk ik er hard over na, me tot een andere uitgever te wenden. Het ligt voor de hand te geloven, dat H.H. 65 de zaak leeg haalt, voor wij er aan te pas komen. Dat hele financiële beleid, die uiterste krenterigheid stemt tot wantrouwen, wanneer je leest dat H. de hele oplage al betaald krijgt, voor er éen boek van is verkocht. Het kan natuurlijk stemmingmakerij zijn tegen Heere, maar tenslotte heeft hij zijn reputatie in dit opzicht mee. In ieder geval heb je nu een proef, en kun je me vertellen, wat jij er nou van vindt. Het boek zelf komt voor de boekenweek uit. Dat moet je ook maar aan Suzanne vragen – daar zijn er een aantal van gedrukt, en het lijkt me dan moeilijk voor haar om je vraag te negeren. [In handschrift in de kantlijn: ‘Krijgt je ‘t van haar niet los, dan krijg je ‘t wel van me’]

Ja, Hans Vlek! 66 Ik ken die man niet, en hij mij vermoedelijk uit lectuur. Ik kreeg kort na elkaar drie briefjes van hem, een paar regels lang, in een krankjorum grote enveloppe gestoken. Orakelspreuken, niet zonder dreigende ondertoon. Ik heb er niet op gereageerd, en kreeg ten slotte ook geen brieven meer. Ik heb ze wel bewaard, als een soort curiosa. Jammer dat jij je min of meer gedwongen ziet, hem links te moeten laten liggen. Misschien had hij jou tekst en uitleg kunnen geven, van zijn eigenaardige pogingen om met mij in contact te treden. Nu kom ik daar natuurlijk nooit meer achter. Enfin, ik kan je moeilijk vragen je om mij in een wespennest te steken.

Het werk van Maarten ‘t Hart ken ik niet. Ik was er nooit nieuwsgierig naar, sinds ik in een trein naast iemand zat met een boek op zijn schoot. Ik las een halve bladzijde mee, tersluiks zoals dat gaat, en dacht: Godallemachtig, een boek van Vestdijk, dat ik niet ken? Die stijl, begrijp je. Die ken ik uit duizend. Toen hij het boek dicht sloeg heette het De droomkoningin. Mijn vooroordeel werd bevestigd. Ik hou niet van ‘t Hart. Maar van Wolkers zou ik toch nooit zeggen, dat hij zijn heel eigen wereld niet heeft. Je kent Terug naar Oegstgeest? Dat is iets heel aparts, vind ik, dat vind je in de aardrijkskunde, geschiedenis en theologie niet hoor. Dat is verbeelding. Evenals bij Heeresma, – ik zou hem nooit een realist noemen: daar is hij te gelovig voor.

Bedankt voor het kiekje. Nu hebben we het hele stel bij elkaar. Jammer, dat ze nou zo’n last heeft van die zwangerschap. Je moet haar maar wat verwennen, vind ik.
Leo en ik kunnen Allemaal rebellen! 67 niet vinden. Zij is ervoor naar A’dam getogen, nou daar is de sien, dus dat moet lukken. Nee hoor. Wat is het ISBN van dat boek? Dat maakt het zoeken wel gemakkelijker, althans voor de verkoper.

Ik doe wel íets hoor in mijn vrije tijd. Ik lees vrij veel (gaat niet zo goed: mijn ogen gaan sterk achteruit denk ik, in ieder geval zijn ze moe door dat lezen en datzelfde euvel heb ik uiteraard bij het schrijven ook. Ik tik tegenwoordig maar direct mijn opwellingen op de machine. De afstand tussen oog en papier is dan weldadig en de grootte der letters ook. Het heeft het nadeel, dat je niet kunt gaan zitten schrappen. Je moet de formulering min of meer voor ogen hebben, voor je die uittikt.): geschiedenis, filosofie.

[p. 2]

Ik heb nu een vertaling van Denis de Rougemont onder handen: Denken met de handen, waarmee hij in ’36 in éen klap wereldberoemd werd. Het is een analyse van de tendenzen die er in Europa waren, die hier de geesten beheersten: het nationaalsocialisme, het communisme. Hij zoekt een andere norm dan daar voorhanden zijn (het Plan bij de Sovjets, Hitler zelf bij de nazi’s) en het ziet er naar uit dat dat in het Chr. geloof moet worden gevonden. Niettemin is het een bewonderenswaardig boek: de man zag scherp in die tijd – al zag hij helaas niet scherp genoeg. De vertaling is van ’46 – raar, dat het toen blijkbaar actueel genoeg was, om het nog uit te brengen. Je zou er op zijn minst een voor- of nawoord, liefst van de auteur zelf bij verwachten, maar nee hoor. Er waren wel miljoenen mensen dood, maar aan de oorlog – waartoe die tendenzen leidden – wordt geen woord gewijd. Of vuil gemaakt. Je moet in Denken met de handen niet aan Nietzsche denken: het is geen ‘filosoferen met de hamer’. Rougemont ziet de ‘ontwrichting der cultuur’ – dat betekent volgens hem, en ik geef hem daarin gelijk, dat de cultuur niet meer werkt, niet langer produceert. Cultuur is een genotmiddel geworden – consumptie-artikel, en dat vindt hij een nadeel. Het ‘arbeids-ethos’ leefde nog, zeker in die tijd van werkloosheid voor de oorlog. Als je hem met de ogen van de hedendaagse mens leest, is hij ‘verouderd’. Maar dat hij zijn eigen tijdgenoten iets te vertellen had, wordt toch ook ons, nakomelingen, wel duidelijk. Ik voor mij heb niets tegen ‘cultuur als consumptie’: verkeer, tv, weersatellieten, pretparken, computers – als je die dingen wegdenkt, zit je voor je het weet, weer naar die halve gare Hitler te luisteren…
Twee mooie uitspraken van de Rougemont wil ik je niet onthouden:
“de profeet is de enig helderziende historicus” en
“De geschiedenis is slechts een profetie in spiegelbeeld”. 68
Daar kan ik eindeloos lang op zitten staren. Ik heb het boek nog niet uit, maar als de uitkomst van zijn visie overeenstemt met de loop der gebeurtenissen tussen 36 en 46 (of later, wie weet), dan is hij ook een profeet. Maar volgens mij kondigt zich in die zg. ontwrichting der cultuur de tv-mens al aan, die een ander is dan de boekenmens. Rougemont is als zo ‘n middeleeuwse monnik, die de hele boekdrukkunst maar niks vond. Zo iemand heeft maar ten dele gelijk.
Daarom is het goed, dat je Arthur belet zo’n complete tv-mens te worden. Er zijn zoveel andere dingen te doen. Wijs hem daarop. En geef hem niet meteen een computer, zodra je de kleurenbak uit huis gooit. [In handschrift: ‘Wij gaven Machteld een timmerkist. Kan ik je aanraden!’]

Je zult me nu wel snel schrijven, denk ik. N.a.v. Tropische jaren en van Allemaal rebellen. Tot dan dan.
Hartelijks voor jullie allen van ons allen, je

Rudy

[In handschrift: ‘Zou Jeu avec le feu op video zijn, denk je?’]


26.

[Brief in typoscript, 1 blz.]

Leiden, 4 maart 86

Beste Hans,

je brief heb ik natuurlijk met het grootste plezier gelezen. En met instemming, want ik vind dat je eerste indrukken heel zuiver zijn. Je weet dat ik na de correctie van de proeven nogal terneer geslagen was, en zelfs gisteren zei ik nog dat ik de schrijverij – althans het publiceren – er aan zou geven, wanneer dit boek in de kritiek genegeerd zou worden. ‘t Gevoel dat dat gebeuren kan, heb je nu bij me weg gehaald, al weet je natuurlijk nooit. Niets is zo beroerd als die vertwijfeling die toch vooral een twijfel aan jezelf is. Het zijn ook lichamelijke spanningen en bij mij uiten die zich in allerlei misdragingen van het maagdarmkanaal. Ellendige pijn, vaak met buien van heftige transpiratie. Het is dan een verrukking van iemand te horen, dat dat niet nodig is, die vrees voor geknakte eigenliefde, want dat is het, als je het mij vraagt.

Voor je boek van Van Gasteren ga ik er in het week-end op uit: ik heb het inmiddels bij De Kler 69 besteld.
Er is een voorstel van een soort Raad voor de kunst, om Brandt Corstius nu toch die prijs 70 maar te geven, zodat allerlei instellingen, die hun werk hebben neergelegd weer aan de slag kunnen gaan. Het betekent dat Brinkman dan toegeeft om andere redenen dan hij gedaan zou hebben, wanneer de prijs meteen was toegekend. Al het werk in de diverse officiële lichamen stagneert op het moment. Uitreiking gebeurt dan op grond van opportunisme of pragmatisme. Ik denk dat B.C. motieven te over heeft, om de prijs nu maar te weigeren, maar voorlopig is het woord aan Brinkman. Eerlijk gezegd, de hele zaak heeft voor mij zijn belang verloren.

Ik herinner me wel, dat je het ooit eens had over een stukje van jou in Moviola. In een gesprek of een brief, dat weet ik niet meer. 71 Ik ben er wel benieuwd naar, misschien krijg ik die aflevering van Moviola ook toegestuurd. In ieder geval doet het me plezier te horen dat je in het creatieve actief blijft.
Op Machtelds school is men bezig met een zgn. ‘sprookjesproject’. In dat kader hebben ze een boekje gestencild met sprookjes erin, door kinderen geschreven. Ik hoef je natuurlijk niet te vertellen, dat dat van haar er met kop en schouders boven uit steekt, want dat heb je allang geraden.

Mooi, die contacten met de VPRO. Hoe kom je daaraan? Wat doe je precies met Dorian(ne)? 72 Ze besteden op dit moment wel veel aandacht aan Oscar W. bij de VPRO – een biografie, geloof ik, gedramatiseerd, en in 3 delen gebracht. Ik zag er niet éen van: we hebben de pech dat er op twee zondagen (zendtijd van die club) bezoek kwam.
De NCRV heeft de serie Het wassende water beëindigd. Daar keken Leo en ik altijd wel naar. Wat een gedoe, soms huilen we van de pret. TV is een onuitputtelijke bron van plezier, maar zeg dat maar niet te hard in jouw huis.

Hoe is het met die kleine Arthur? Volgende maand moet het gebeuren, hè? Ik hoop dat alles vlot verloopt en dat hij dan van alle ellende verlost is. Met Bernadette alles weer in orde? Misselijkheid is een van de vervelendste gevoelens die je hebben kunt. Ik was het vaak in het verleden, maar leerde dat te beheersen. Op een of andere manier slaag ik erin die antiperistaltische bewegingen te bedwingen, en dan gaat het gewoon niet door. Maar eigenlijk ben ik vrijwel elke dag een beetje misselijk. Dan beperk ik het gebruik van koffie en alcohol, en bepaal ik me tot thee. Suiker is beroerd voor misselijkheid. Er ontwikkelt zich dan iets gistends in de maag en dan ben je er beroerd aan toe. Verbied haar het gebruik van suiker. Ik had je dat al eerder willen schrijven. Wens haar sterkte evenals Arthur straks. Jou wens ik alle succes en voor jullie drieën de hartelijkste, grote groeten, je

Rudy


27.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

Leiden, 9 maart 86

Beste Hans,

op de vijfde maart haalde ik het in mijn hoofd, terwille van een tournedos amandeltjes te roosteren – niet gewoon in een pannetje boven de vlam, maar onder de grill. Nu bevatten amandeltjes een grote hoeveelheid olie. De zaak vloog dus in de fik. Roet alom, een kapotte grill en enige paniek. Ik vertel je dit romantische verhaal om je te vragen nog twee weekjes geduld te hebben met Rebellen: ik moet eerst een nieuwe grill/oven hebben, en dan komt eindelijk het felbegeerde boek. Zodra mijn roman er is, zal ik je een ex. sturen, met opdracht. Ik hoop dat je gelijk hebt met je waardering voor het boek.
Gezellig type die Vlek. Je vergelijking met Fieret 73 zegt me genoeg: gekkenhuis! Ik kom terug op mijn uitspraak, dat je Rougemont los moet zien van Nietzsche. Nu ik het boek gelezen heb, denk ik dat hij Nietzsche ‘verwerkt’ heeft in zijn manier van denken. Hij is, evenals Vestdijk, eerder een apollinisch temperament dan een dionysisch, vandaar de verzachting die je hoort in ‘denken met de handen’ als je die uitdrukking legt naast ‘filosoferen met de hamer’. Het is minder gewelddadig allemaal. 74
Zijn boek over het avondland en de liefde behandelt een cultuurhistorisch probleem. Het is zijn opvatting – maar latere auteurs toonden aan dat hij ongelijk had – dat de troubadourslyriek nauw verweven was met een dualistische, ketterse opvatting van het christendom, die in Zuid-Frankrijk grote aanhang kreeg. De Katharen waren dat (katharsis=zuiverheid). Etymologisch komt ons woord ‘ketter’ van ‘Kathaar’. Allerlei symbolen uit hun godsdienst – licht, duisternis, de strijd tussen beide, de verheffing van de donna e.d. – vind je in de troubadourslyriek terug. De troubadour is een ridder-minnaar; dit in het platonische, want die katharen waren fanatiek in hun ascetisme, en praktiseerden de onthouding, ook in het seksuele (=voortplanting. Wanneer je daar geen eind aan maakte, zou het Rijk van het Licht zich nooit kunnen vestigen op aarde). Ze werden uiteraard door de Roomse kerk bestreden: hun godsdienst werd finaal uitgeroeid. Het boek kwam in ’39 uit, als ik me niet vergis, kort voor de oorlog. Het moet dichters hier hebben geïnspireerd: Gerard den Brabander, en Jan Elburg. Je weet dat Elburg zich beschouwt als een schildknaap van Den Brabander en beiden voelden zich troubadour. Strijders (tegen de moffen) en minnaars. Veel poëzie van Elburg toont die verbinding. Ik ben er nogal mee ingenomen, dat ik dat als eerste aantoonde aan de hand van Elburgs ‘Heks heks’ (in Labirinteek). 75 Hij complimenteerde me er mee. Blok 76 dacht dat hij het door het slijk kon halen: mis poes. Zo zie je hoe dichters, afgaande op een aantrekkelijke, maar historisch onjuiste hypothese toch zulke bundels konden schrijven als De stenen minnaar 77 of Serenade voor Lena. 78
De liefde beschrijven in termen van de oorlog – ik denk dat dat een echt europese trek is, al sinds Troje, zoals Mulisch ook laat zien in dat bruidsbed. Al baseert hij zich niet op Rougemont (maar op Goethe). ‘Een wijf als een dragonder, een oorlogsschip’ – de ‘dikke Bertha’ etc. Het heeft daar allemaal mee te maken.
Ter Braak was in zijn denken aan Rougemont verwant: het waren tijdgenoten, hè? Zelf schrijft hij in ’38 dat hij Rougemont tot op dat moment niet kende uit lectuur. Maar onmiddellijk herkende hij de golflengte: dat was dezelfde als de zijne. Maar zelfs al zou hij jokken – al zou hij dus Rougemont al kennen van ’36 af, dan nog kun je aannemen dat hij ook vóor die tijd al in dezelfde richting dacht als Rougemont. Je hoeft zijn werk van vóor 36 maar te lezen. Hermans moet niks van Ter Braak hebben. Ter Braak schreef natuurlijk al veel eerder over ‘t nationaalsocialisme: de nieuwe

[p. 2]

elite is ongeveer zijn laatste boek!

Ik heb intussen dat boek Denken met de handen gelezen, en zal je mijn leeservaring uit de doeken doen. Rougemont ziet in zijn tijd (33-36) iets dramatisch gebeuren, dat hij noemt ‘de ontwrichting van de cultuur’. De cultuur is niet meer scheppend, niet meer produktief, maar zij is een consumptie-artikel geworden. Ze werkt niet meer ‘met de handen’ . Hij betreurt dat. Cultuur zou toch iets anders moeten zijn dan een genotmiddel of een verstrooiingskunst. Hij gaat tegen de geproletariseerde geleerde te keer, maakt onderscheid tussen scheppers uit een oorspronkelijke impuls, en denkers die van die oorspronkelijke ideeën een ongevaarlijk gebruik maken. Uit de hoogte, uit de verte – en nooit ‘met de handen’. Altijd met alleen maar hun hersens…
Jij hebt dat wsch. niet meegemaakt, dat geweeklaag over ‘cultuur’ en de ‘ondergang, de ontwrichting van de cultuur’, maar het was een vooroorlogse ziekte, waaraan Aldous Huxley een gezicht gaf (Brave new world). Na de oorlog was het vrij snel weg – hoewel. Ik denk dat het onder lezers nog actueel genoeg was. Rougemonts boek werd hier in ’46 vertaald, en zonder inleiding verspreid onder het publiek. Dat moest dus nog weet hebben van die pessimistische visies. Dat klopt ook, want een naklank ervan hoor je in Orwell’s 1984 (geschreven in 1948).
Tegenwoordig hoor je zulke klachten niet meer. Ik denk dat het iets verhelderends is, wanneer je bv. onze tijd vergelijkt met die waarin de boekdrukkunst triomfeerde. Monniken verlieten de copieerkamers, legden ganzeveer, inkt en perkament weg – schaften zich een gedrukte en vertaalde bijbel aan, verlieten het klooster en trokken ten strijde tegen de corrupte kerk. De monniken die bleven, zijn reactionnair, conservatief, blijven vasthouden aan oude normen en klagen over het verval der cultuur, of ze kijken bezorgd om zich heen, roepend om tolerantie (Erasmus) – om een nieuwe norm. Als deze laatste, vind ik, is Rougemont. Onze tijd is de tv-tijd. Daar had Rougemont natuurlijk nog niet van gehoord. Maar de mens – de tv-mens – was er al: cultuur als consumptie. Onze opdracht is het, kritisch te blijven, onderscheid te maken, tussen hen die tv brengen uit eigen kracht en hen die zulke krachten ondergeschikt maken aan de commercie.
Ik vind tv, foto’s vaak meer zeggen, dan een boek tot uitdrukking kan brengen. Ze appelleren, zoals MacLuhan ook zegt, aan de tastzin – nu dat kan literatuur niet. Ze verrijken dus onze cultuur, ze kunnen haar ook verarmen, maar dat hangt van ons af, vind ik.
Rougemont is een tijdverschijnsel. Zijn tijd is voorbij, en zijn kijk op de gang van zaken is eveneens voorbij. Maar daarom is hij niet zonder belang geweest: hij heeft mee vorm gegeven aan zijn tijd en hij heeft niet zijn tijd achterop geholpen, zoals Hitler en Mussolini deden. En [in handschrift: ‘stalin.

Hier begeeft mijn tiklint het. Jammer. Maar ‘t is zo ook mooi genoeg, hè?
Groet Bernadette en Arthur en geniet van ze!
Hartelijks, je Rudy’]


28.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

Leiden, 17 maart 86

Beste Hans,

zojuist ontving ik een brief uit Amsterdam van jou: je had je brief van 14 maart aan Heeresma verzonden. Heere jr stuurde hem aan mij door met een wat ironisch commentaar, en de vraag of ik nu een brief van jou aan hèm ontving. Haastig las ik je brief door, met de brandende vraag, of je misschien ook iets over Atilla de Hun erin had staan. Dat was gelukkig niet zo. Er stond integendeel een compliment aan Heere sr in, en terecht heb ik dat in mijn antwoordbrief aan jr benadrukt.

Tropische jaren is al een paar dagen uit, maar ik heb het nog niet in huis. Hazeu wilde het me in Baarn overhandigen, een beetje informeel, maar met enige egards. Ik had hem gevraagd de rest van mijn voorschot op een rekening van Leo te storten, maar dat deed hij natuurlijk niet, – ik kreeg het op een rekening die totaal rood staat. Ik had dus geen geld voor de reis en heb hem dat per brief verweten, een tamelijk vervelende brief. Misschien vind je dat wat kinderachtig van mij, maar eerlijk gezegd, ik kan er niet zo goed tegen als ik niet serieus genomen word. Iemand aan wie je je boek toevertrouwt, kan toch ook wel eens naar je luisteren? 79

Rougemont, ik geloof dat je daar geen fluit aan vindt. Hij lijkt te veel op Ter Braak, echt waar. Laat hem links liggen. Zoek liever schrijvers die je iets te zeggen hebben, daar heb je meer aan. Maar dan moet je afzien van dat idee, dat 1947 je van allerlei verplichtingen ontheft. Dat kan immers nooit een reden zijn, om schrijvers, wie dan ook, maar niet te lezen. Duizenden lijnen hebben zich de eeuwen door verknoopt om op 9 maart 1947 jou het levenslicht te brengen, en dan zou je al die tijd weg doen op grond van het feit dat op dat moment de wereldgeschiedenis begint? Als Arthur over een paar jaar ook zo denkt, besta je voor hem niet meer. Denk daar aan. Als je het aan iemand te danken hebt, dat je Ter Braak en de zijnen niet meer hoeft te lezen, dan is dat Hermans. Maar hij heeft ze wél moeten lezen, voor dat jij zeggen kon, dat jij het niet hoeft. Ze zijn beslissend geweest voor de hedendaagse literatuur. Als zij er niet waren, tegen wie had Hermans dan moeten knokken? Tegen Herman de Man, tegen Jan de Hartog? Nou, dat zou onze literatuur echt geholpen hebben, zeg.
Goddank is het duidelijk, dat jij dat jaar ’47 ook niet al te serieus neemt: Je noemt Multatuli, Erasmus, Cocteau (tijdgenoot van Du Perron en Marsman). Je moet die boeken lezen, die je bevestigen. Maar 1947 is geen bevestiging, het is een ontkenning van jezelf. Je mag anderen ontkennen en dat kost strijd, zie Hermans. Maar zo’n ontkenning is tenslotte een bevestiging van jezelf. Oidipous verslaat Laertes. Zeg dat maar niet tegen Hermans, maar zo is het wel.

O ja, moeten amandelen altijd in de oven worden geroosterd? Ik dacht dat ik iets nieuws had bedacht, en veilig is het in ieder geval niet, zoals ik ondervonden heb. Ik doe het voortaan toch maar in een pannetje boven het vuur. Dan is dat iets nieuws, hoop ik.

Over je vorige brief:
Ik ben zeer benieuwd naar Salomé. Het stuk van Strauss heb ik ooit eens gezien en gehoord. Niet dat ik zo weg ben van zijn muziek (ik heb van muziek eigenlijk de ballen verstand, wat dat betreft laat ik me maar drijven en het over me heen komen, – deze Strauss moet je misschien wat vaker horen, voor het iets in je aanraakt), 80 maar ik was wel benieuwd naar Salomé zelf. Ook zie ik graag je script Dorianne tegemoet. En natuurlijk die Kaap de Goede Hoop. 81

[p. 2]

Ik hoop trouwens dat je succes hebt met je pogingen bij de tv. Dat zou echt leuk zijn. Wanneer hoor je daarvan?

Leo heeft nu een echte baan (directiesecretaresse bij Nutricia) en aan het eind van de maand begint er een regelmatige periode van inkomsten binnen krijgen. Dan kan ik je dat boek van Radiguet toesturen, waar je om vraagt. De vertaling lijkt me superieur. Je weet dat Jacoba van de Velde jarenlang de secretaresse van Samuel Beckett is geweest? Haar Frans is als die van een Française en haar Nederlands is vlekkeloos. Zij is de zuster van twee beroemde schilders, die in Parijs woonden. 82 Ik geloof dat ze nu alle drie dood zijn. Ze zijn in Nederland nooit echt bekend geworden. Maar daar weegt hun roem in het buitenland ruimschoots tegen op.

Leuk dat jullie naar het zuiden gaan. Wij hebben voor de zomer ook plannen in die richting. Gaan die niet door, dan wordt het wsch. weer Portugal, vanwege het geld.

Ik had met Walrecht 83 een bloeiende correspondentie tot voor kort. Maar hij heeft die opeens afgebroken, ik weet niet waarom, heb zelfs geen vermoeden. Enfin, ik wacht het maar af.

Kijk je een beetje uit, hoe je je post aan mij adresseert?
Hartelijke groeten aan allen van ons en hou me op de hoogte, je

Rudy


29.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

Leiden, 2 april 86

Beste Hans,

Wat een achterstand in correspondentie met jou heb ik nog in te halen! Dank voor de toezending van Kaap de Goede Hoop. Dat ziet er echt interessant uit, ik ben er mee bezig. Wat een inspiratie, wat een taal. Je ziet gemakkelijk dat Van Ostaijen sterk door hem werd beïnvloed – al behield hij toch zijn eigen expressie. Ik kan me in ieder geval voorstellen, waarom jij je zo geporteerd voelt voor deze poëet.
Ik zal je in de naaste toekomst eens wat regeltjes geven voor het zuiver taalkundige omgaan met het werkwoord. Je beheerst het niet of niet meer, en dat is echt jammer. Je declasseert er je zelf mee, en het is niet heel moeilijk om het wel goed te doen. Weet je wat, ik doe het meteen maar.
Je moet je voor ogen houden dat er grammaticaal gesproken drie personen zijn: de eerste: dat is degeen of de groep die spreekt: ik, wij
de tweede: degeen tot wie gesproken wordt: jij, jullie, u, gij etc.
de derde: degeen of de groep over wie gesproken wordt: hij, zij, zij (meerv.).
Voor de 1e pers. enk. (ik) geldt: de stam van het werkwoord: ik doe, ik lees, ik ga. (de stam wordt gevonden, door van het hele werkwoord de uitgang -en of -n weg te laten. Doen, doe; lezen, lees, gaan, ga.)
De tweede persoon vraagt om stam plus t, en nooit (en daar zondig jij nogal eens tegen) stam plus d. [In de kantlijn: ‘dit moet je leren’]
De moeilijkheid hier wordt veroorzaakt door het voorkomen van werkwoorden, waarvan de stam op d eindigt. bv. Doden, dood, – worden, word – behoeden, behoed.
De eerste pers. enkelvoud wordt dan: ik dood, ik word, ik behoed.
De tweede persoon: jij doodt, jij wordt, jij behoedt.
De derde persoon gaat precies als de tweede, dus: hij doet, leest, gaat, doodt, wordt, behoedt.
Dit is heel eenvoudig allemaal. Maar dan heb je nog de verleden tijd. Er zijn onregelmatige werkwoorden: lezen, las, gelezen. Die zijn niet moeilijk: jij las, hij las, wij lazen
En regelmatige: praten, praatte, gepraat. Juichen, juichte gejuicht.
halen haalde gehaald. Je stelt met het oor vast, of er t of d moet staan (praatte, haalde) en dus ook: ik heb gehaald (en niet ik heb gehaalt).
Werkwoorden, waarvan de stam eindigt op f, s, ch, k p hebben altijd een t in de verleden tijd. Je onthoudt die letters gemakkelijk door het woord fokschaap.
bv. ik blafte, siste, juichte, hakte, klopte.
en dus ook ik heb geblaft, gesist, gejuicht, gehakt, geklopt.
Voor alle andere eindletters volgt er een d: ik huilde, luierde, heb gehuild, geluierd. Veel mensen – en jij hebt dat soms ook – denken dan dat je in de tegenwoordige tijd die d terug moet zien. Jij luierd, schrijven ze dan, en dat is fout. In de tegenwoordige tijd komt er na de stam nooit of te nimmer een d. Onthou die regel, en er is een hoop leed te voorkomen. [In de kantlijn: ‘dit moet je afleren’]
Ja Heere is heel beleefd. Opvoeding, hè? Daar gaat het om: smaak, welwillendheid, gedrag, zelfbeheersing, ze moeten tot instinkten worden.
Dat je mijn boek een hoopvol boek noemt, doet me werkelijk groot plezier. Ik heb de afbrokkeling gezien, op een nulpunt gestaan, zeker in materieel opzicht, om toch weer mee te maken, dat iets anders groeien ging, tegen de verdrukking in. Als er ‘moraal’ zit in dat boek is het deze. Het leven is een verschrikking. Daarbij is het het enige dat we bezitten. En willen behouden.
Ik vind het heel leuk van jou en Bernadette, dat jullie aan ons denken m.b.t. onze vakantie in ‘het zuiden’. Wij kennen in Narbonne een familie, die uit Holland stamt, uit Leiden, en met wie we af en toe eens van woning verwisselen.

[p. 2]

Zij zitten dan drie weken in ons huis, en wij in die tijd in het hunne. Dat is ook makkelijk omdat we allebei over een aantal katten beschikken, en die worden dan door de nieuwe bewoners verzorgd. Ook deze vakantie gaan we dus naar Narbonne. Intussen toch veel dank voor het aanbod!

Ik kan me voorstellen, dat je je zorgen maakt over die operatie. Het is natuurlijk geen lolletje, maar werkelijk: je moet vertrouwen hebben in de goede afloop en je voor ogen houden, dat zonder die ingreep de werkelijkheid er veel beroerder voor staat. Arthur is trouwens een levenslustig knaapje. Wil betekent dan veel en is a.h.w. een garantie voor een gunstige uitslag. Ik leef erg met je mee, dat begrijp je wel, maar ik weet ook zeker dat je na afloop blij zult zijn, dit te hebben gedaan.
Kop op, en laat Arthur NIETS merken van je zorgen. dan maakt hij zich weer bezorgd over jou en zit je zo in een cirkel waar je niet meer uit komt. Het is mijn ervaring, dat ‘t bij het afscheid uit het ziekenhuis na het bezoekuur, beter is, om niet om de drie of vier stappen om te kijken en te zwaaien tot je uit het gezicht bent. Dat rekt de pijn van het afscheid. Wees hard voor jezelf, dan ben je zacht voor hem.
0, over dat alfabet: het is voor kinderen heel moeilijk om de letters als apart ding te leren. Als je hem woorden leert – papa, maman, arthur – in kleine letters, zul je zien, dat hij meer om concrete betekenissen geeft, dan om abstracties. Die woorden leert hij in een vloek en een zucht. Het is maar een tip van de pedagoog die ik ben. Probeer het eens.
Bernadette is over de problemen heen: dat doet me goed. Hier gaat alles weer op rolletjes, al ben ik een week lang beroerd geweest, evenals Leo en al ben ik nu aan huis gebonden, vanwege de vakantie van Mat. Volgende week stuur ik je een hoop rommel op, V.N. en wsch. die Rebellen.
Werk hard aan Dorian Grey, ik ga me verdiepen in Cocteau. Succes met de arbeid, sterkte met Arthur, knuffel hem maar van ons. En omhels Bernadette!

je Rudy


30.

[Brief in typoscript, 1 blz.]

L. 21 4 86

Beste Hans,

Het is de 21e vandaag, en we hebben nog geen nieuws uit Gagny: dat betekent dus, dat alles goed is. Geen nieuws, goed nieuws. Ik feliciteer je vast met de geslaagde operatie. Nu moet alles even heel goed gaan met jullie.
Mijn eerste recensies heb ik binnen. Eén geschreven door een goede vriend van me (Jan Verstappen) en een waar ik nogal trots op ben, door Aad Nuis. 84 Ik stuur je ze ter inzage met deze post mee. Je vindt ze wel ergens tussen de VN’s die nu de deur uit gaan. Stuur me de recensies t.z.t. terug, s.v.p.
Eindelijk is dan Rebellen gearriveerd, ook die gaan met deze post. Eveneens met deze post, ook tussen de VN’s, mijn correctievoorstel van het dichtwerk (Cocteau). Ik vrees dat er nog wel meer dingen in zitten, die voor verbetering vatbaar zijn, maar eerlijk gezegd kan ik daar als niet kenner van de Franse taal, geen zinnig woord over zeggen. Raadpleeg eens iemand die meer van die taal weet dan ik en die liefst ook weet heeft van poëzie.

Een treurig verhaal, de geschiedenis van je plaatsvervangende ouders. Beschouw het als de afsluiting van een episode, die door een mooiere opgevolgd zal worden, met een gezonde Arthur en een nieuw kindje. Sommige gebeurtenissen in ons leven zijn als een symbool ergens van, een teken ergens voor. Behandel ze zo, dan gebeuren ze niet voor niets. De dood is een vreselijke zaak,- toch worden mensen pas ‘werkelijk’ als ze dood zijn. Ze komen dan eerst in een echt poëtisch licht te staan. 85 Helden, genieën, heiligen, waren tijdens hun leven geen genie, geen held, geen heilige… Al hadden ze natuurlijk trouwe vrienden, zonder wie ze geen held of heilige konden worden. Zojuist las ik het verslag van de begrafenis van Simone de Beauvoir. Dat heb jij natuurlijk van veel nabijer meegemaakt, ook op tv, denk ik. Wat daar gebeurd is – schandelijk dat de regering geen vertegenwoordiging stuurde – dat bedoel ik.

Ik heb gisteren de verjaardag van mijn oudste dochter gevierd, met nogal wat drank. Daarom voel ik me nog een beetje doezelig in het hoofd, een hoofd vol watten. Het denken gaat anders dan ik zou willen. Ik hou deze brief dan maar aan de korte kant, deze keer. Ik schrijf snel weer. Is alles O.K. bij jullie? Bernadette? Arthur? Van hier heb ik weinig nieuws te vertellen. Leo heeft het uitstekend naar de zin op haar werk, Mat amuseert zich kostelijk, en ik heb weer een hoop werk te doen, al hou ik me eigenlijk nergens echt mee bezig. Het luieren kost ook tijd, moet je maar denken.

Al het beste voor jullie allemaal, van ons drieën, je

Rudy


31.

[Brief in typoscript, 1 blz.]

Leiden, 14/5/86

Beste Hans,

Schandelijk, zolang als we jullie verwaarloosd hebben! Met je laatste brief zijn we heel opgetogen: dat het zo goed gaat met Arthur vooral, en met Bernadette. Mooie foto! Hartelijk dank ervoor.

Ik ben een tijd lang niet helemaal in vorm geweest, last van de kwaal, met nogal wat pijn en andere verontrustende verschijnselen. Het was wel mijn schuld hoor. De medicijnen waren op, en ik was te laks om ze aan te vullen. Dan moet je naar de dokter, en dan naar de apotheek, en dan hebben ze het daar niet meteen en moet je terug komen. Allemaal heel leuk voor sportieve lopers, maar zo een ben ik niet, helaas. Dan blijf ik dus zitten en slaat de kwaal weer toe. Dat is nu voorbij, al ben ik toch op een of andere manier wel lusteloos en passief. Dat komt misschien door dat boek: ik heb niets meer om naar uit te kijken, me over op te winden, en ook geen zin om voorlopig aan iets anders te beginnen. Ik benijd je dus om je entoesiasme, al was het maar n.a.v. een boek als rebellen. Dat andere boek (‘t Is vol van schatten hier…) 86 bezit ik niet: het is me even te duur. De tentoonstelling die erbij hoort, heb ik wel gezien, samen met Leo. Het vergt een hoop inspanning: het zijn maar kleine dingen, handschriften en foto’s. Toch is het een meer dan aardige tentoonstelling, niet alleen vanwege het ‘historische’, en anekdotische. Je ziet hier pas hoe zo’n man als Willem Witsen een groot fotograaf is: hij wacht op het juiste moment: zijn modellen poseren nooit: Kloos, Hein Boeken en nog zo’n paar, zijn altijd ‘in actie’. De meeste andere modellen zie je echt poseren: ook de nog levende (Lucebert, – hier raakt het tiklint op 87 – Kouwenaar). Zo’n tentoonstelling maakt die mensen even dood als Kloos ook is, vind ik. Men had ze dit niet aan moeten doen. Het is alsof men verborgen wil houden, dat ze nog in leven zijn.

Machteld is sinds enige tijd in de leer bij een timmerman: iemand die kinderen die kunst bij brengt voor een geringe bijdrage aan de kosten. Leuk hè? Ze is er heel entoesiast over. Is nu bezig een bijouteriekistje voor haar oma te maken. We hopen dat ze in de toekomst zulke klussen ook in huis kan ondernemen: op het ogenblik is de loodgieter aan het werk om onze badkamer tot iets moois te herscheppen. We hopen de kosten laag te kunnen houden, maar zijn aan zijn arbeidstijd al zo’n drieduizend lichter. Daar komt het materiaal dus nog bij.
In de Brabant-pers staat een uiterst suspect artikel 88 over mijn boek. De man doet of ik de meest onzedelijke figuur ben in Nederland, hoe vind je die?
Ik heb in al mijn naslagboeken gezocht naar Cicamber, kan het nergens vinden. Ik weet dat een geestelijke tot iemand (maar wie?) zei: ‘Buig het hoofd, fiere Cicamber’ Voor God, dus. Maar werd de man bekeerd? Of tot een ambt geroepen? Ik weet dat niet meer, alleen de uitdrukking zweeft me voor. Kun jij daarachter heen gaan? Cocteau zinspeelt er natuurlijk op, maar de oorspronkelijke betekenis is uit zijn woorden ook niet op te maken. 89

Ik moet nu even naar de drogist om iets voor Machtelds wrat (op haar linkerhand) te halen: ze heeft er last van, en pijn.

Tot schrijfs dus, groet vrouw en kind,

je Rudy


32.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

L. 28 5 86

Beste Hans,

Dank voor je brief vol goede berichten van de 23e.
Je hoofdstuk heb ik met veel belangstelling en veel kritische zin gelezen, want kritiek is nu eenmaal mijn vak – als leraar en als auteur.
Ik geloof dat je WAT te vertellen hebt, maar het is duidelijk dat je niet weet HOE je dat meet doen. HOE vertel ik WAT ik vertel? Dat is het probleem van het schrijven, het HOE je WAT je beginsel.
Je hebt veel gelezen, je hebt een uitstekende smaak. Cocteau, Dylan Thomas, Hermans. Je bent geïnspireerd. Je wilt zelf schrijven. Je hebt er de stof voor. Nu gaat het erom die stof te bewerken. Het is dan goed om je eenmaal in je leven los te maken van ideeën, voorstellingen en meningen, teneinde alles – ideeën, voorstellingen en meningen – aan het kritische verstand te onderwerpen en alles wat die kritiek niet kan doorstaan te verwerpen. Je hebt te maken met ritme, zinsbouw, zinsloop, klank, grammatika, spelling. Het belangrijkste voorop. Lees hardop wat je geschreven hebt. Lopen de zinnen soepel als ze dat moeten doen, of stroef, als dat vereist is? Moet het wel zo vlot gaan? Zijn er geen remmingen in te bouwen, klinkt dat dan niet ‘echter’? Praten de mensen zo, als ik het voorstel in dit stukje? Moet er een gedachte zijn, of alleen maar een suggestie? Vertel ik niet te veel? Kan er niks weg uit deze zin? Gaat de zin erop vooruit als ik iets weg laat, iets toevoeg? Wat wil ik eigenlijk precies vertellen, heb ik me daar al een idee over gevormd?
Schrijven is toch: precies vertellen, wat je bedoelt, en precies dat bedoelen, wat je vertelt, ook al is de zin voor drie of meer uitleggingen vatbaar. Want als dat mijn doel is, dan moet ik dat zo vertellen. 90

In Parijs kocht ik kleren voor Fanny: een witte hoed en lingerie. Ze leek op Silvana Mangano met die hoed. Het maakte mij gelukkig – met een ongelofelijke kalmte. Alsof ik opnieuw geboren was, weg van mijn echtgenote en haar getiranniseer. Weg van huis. Ik kon weer alle kanten op.

Ik geloof dat het niet nodig is, melding te maken van je erotische verlangens. Alles wat je noemt, beperkt je in je vrijheid om méer te suggereren. De dingen noemen, betekent vaak de toegang naar andere dingen afsluiten. Elk woord moet op een weegschaal, voor ieder woord moet je een hele reeks synoniemen hebben, en de beste daarvan houden. Silvana Mangano: dekt dat de sfeer, het karakter van Fanny? Wie in de wereld weet nog wie S.M. is? ‘Een landelijke Venus’ – dat is boers en Italiaans genoeg en bovendien universeel. Pijn – dat moet gesuggereerd worden, dat moet op kruipen uit de woorden zonder dat je dat met zoveel woorden zegt. Een goed verstaander… In de beperking toont zich de meester, zegt Goethe, maar je moet je beperken in die woorden, die je beperken in je vrijheid.

Ik beleefde Parijs zoals ik er kwam als jongen om toneelstukken te zien.

Beter is dan: Ik beleefde Parijs weer als een zorgeloze jongen.

Zo zorg je ervoor dat er nog van alles in te vullen is. Er moet een grote lijn zijn, détails en verfijningen kun je altijd nog aanbrengen. Hetzelfde tekort als bij Silvana M. voel ik ook bij Sartre, Beauvoir, Boulevard Haussmann. Belemmerende namen. Ze betekenen veel te veel, en voor iedereen ook nog iets anders. Geef jóuw beeld van Sartre, zonder hem te noemen. Het alleen maar noemen van zo’n naam betekent zoveel, dat het niets meer betekent. Zeggen wat je bedoelt, bedoelen wat je zegt.

[p. 2]

Is het tegengestelde van stromen de emotie? Een emotie (émouvoir= in beweging brengen!) is niet een handeling van de ziel, maar juist iets passiefs, dat je ondergaat, dat je overkomt, iets verontrustends, de ziel kan er niet onbewogen bij blijven. De Seine kan uitstekend dienst doen als beeld van iemands psychische drijfkracht, kalm of onstuimig. Je moet goed nadenken bij wat je schrijft, en áls je al van mening bent dat jouw beeld in orde is, dan moet je dat bewijzen, zodat de lezer zich laat overtuigen van de juistheid van je visie. Je kunt dan niet volstaan met zomaar iets te poneren.

Er zijn een paar passages waar ik je aandacht voor vraag:
. Als ik niet geheel helder ben tegenover mijzelf…
.. Maar wat doen woorden ertoe?
… wat het betekent ik weet het niet

Het zijn juist deze uitingen, die je erop verdacht moeten maken, dat ze het grote probleem voor je vormen.
Je bent niet helder, woorden doen er alles toe en je komt geen steek verder, als je je geen moeite geeft te weten te komen, wat ‘het’ betekent.

Het is niet voor niets dat deze zuiver literaire problemen tot drie maal toe in je verhaal opduiken. Zij vormen jouw probleem. Zoals het bij bv. Mulisch duidelijk is, dat de emotionaliteit zijn probleem is: hoe vaker hij zegt, geen emoties te kennen, hoe duidelijker het wordt, dat hij in hoofdzaak uit emoties bestaat. Kan ‘t anders bij een Joodse Germaan?

Schrijven is niet moeilijk: het is de eenvoudigste van alle kunsten. Maar je moet wat je vertelt, in de hand zien te houden, ervoor zorgen dat de beelden niet op de loop gaan net jou. Dan keer je de zaken om: wie het woord niet beheerst, gaat in woorden ten onder, zei Greshoff. Ik vind dat een wijs woord.

Begin opnieuw, kerel, wees eenvoudig, denk eenvoudig, haal niet alles door elkaar. Maar geef een orde die natuurlijk is, die natuurlijk groeit dank zij de tuinman, die niet alles toelaat, maar evenmin alles uitroeit.
Hé, succes en span je in. ‘T komt niemand zomaar aanwaaien, hoor!

Hartelijks van huis tot huis, je

Rudy


33.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

L. 30 5 86

Beste Hans,

Op de dag dat ik je mijn antwoord op je brief met romanfragment stuurde, kwam hier je gedicht aan, met opdracht. Met de opdracht ben ik vereerd, en het gedicht beschouw ik als een reactie vol associaties op mijn tweede boek, en dat was een heel verrassende ervaring voor mij. Je hebt het goed gelezen, moet ik zeggen, hoewel sommige associaties voor mij ondoorzichtig zijn, of niet na te voelen en te volgen. Maar dat vind ik geen echt bezwaar, zolang er maar geen verbindingen worden gelegd, die de grondgedachte ontkennen. Détail-kritiek is natuurlijk altijd mogelijk, maar over het algemeen tref je bijna overal de juiste toon, geef je een goede karakteristiek van dat boek (ik neem tenminste aan, dat dat je bedoeling was): een soort van lyrische kritiek, een schijnbaar ongeordende reeks van beelden en gedachten, die vooral ook alleen maar zijdelings met het boek van doen hebben, en veel met jouw eigen ‘persoonlijkheid’. Dat geeft het boek een eigenaardige ruimte, die ik best ‘kubistisch’ zou willen noemen. Je beweegt je om het ding heen, ziet het van alle kanten, maakt het doorzichtig. Het is ongetwijfeld een methode. Je ziet, ik ben hier veel meer over te spreken dan over het fragment uit je pas begonnen roman. Ook daar stapel je de beelden op elkaar: maar omdat het dan ook nog een verhaal moet worden, breng je er verbanden in aan die het geheel tot een warboel maken, waarin je tenslotte zelf verstrikt raakt. De methode voor het dichten is een andere dan die voor een verhaal, roman.
Toch vind ik ook hier, dat je je van de overgeleverde vorm (Cocteau) moet ontdoen en geheel opnieuw beginnen om tenslotte iets geheel eigens, iets Dütting-achtigs, te produceren. De stof heb je nu, nu moet je een vorm, die eigendommelijk van jou is, ervoor vinden. Ik weet natuurlijk veel minder dan jij, waar je die moet zoeken, maar ik heb toch wel het idee, dat je daarvoor de spanningsboog moet versterken. Het is niet helemaal duidelijk dat het begin noodzakelijk naar dit einde lopen moet. Ik weet natuurlijk wel, dat ook in mijn boek het einde nogal ‘gezocht’ is, en dus zwak (ik doel nu op die lesbische scène), naar ik had ook geen kritisch ingestelde vriend, die me dat bijtijds kwam vertellen…
Ik vind dus jouw slotwoord – hoe krachtig op zich het ook is – een te eenvoudig besluit, geen echte trouvaille. Formeel een zwakheid, inhoudelijk een wegvagen van wat niet weggevaagd moet worden. Theater is lijden, dat moet je van Cocteau hebben geleerd, die kant moet het op.
Waar zakt de spanningsboog in? Waar moet je dus ingrijpen om de moed bij de lezer erin te houden? Dat zijn de vragen die je jezelf moet voorleggen. Er moet een begin zijn, een midden en een eind en aan het einde moet je door kunnen lopen (vind ik).
In ieder geval vind ik het de moeite waard, dat je jezelf eens goed bij je lurven pakt, en met jezelf aan de slag gaat (ik bedoel daarmee: níet met Cocteau). De methode-Cocteau moet te vervangen zijn door iets oorspronkelijks van jou.
Heel sterk in sommige vondsten vind ik het zgn. citeren. Je hebt dan een uitspraak die je tussen citaattekens plaatst: iemand fluistert een geheime boodschap door. Je krijgt daardoor een dialektisch element in het geheel, een soort van dialoog lijkt mogelijk, zonder dat je die mogelijkheid optimaal benut. Je kent in de beeldhouwkunst wel van die voorbeelden, een romp, een buste die suggereert dat er nog aan gewerkt moet worden. Maar het beeld is af, veel meer af, dan wanneer het echt af zou zijn. Prachtig.

[p. 2]

Op die manier, denk ik, zou je veel kunnen bereiken op eigen kracht. Je moet in een nauwgezet gewetensonderzoek nagaan, waar jouw kracht ligt, afzien van andermans trouvailles, al verdient het natuurlijk aanbeveling, dat je je eigen leven met dat van anderen vermenigvuldigt, 91 óok met dat van Cocteau. Maar dan moet het gaan om inhoudelijke zaken. Vormen nabootsen is epigonisme: niet doen.

Daar is Gaston
met zijne basson

schreef van Ostaijen en een van zijn (na-)ijverige epigonen schreef:

Daar is Gwendoline
met haar mandoline

Dat is nu even een krankzinnig voorbeeld, en ik wil daar natuurlijk niet mee zeggen, dat jij je ook aan zo’n zonde schuldig maakt. Ik zeg dit om je duidelijk te maken, hoe gevaarlijk de navolging is, – gevaarlijk voor de achting voor jezelf. Je kunt immers anders. Dan moet je dat ook doen – met de grootste strengheid voor jezelf.

Toch nog even wat détail-kritiek.
Ik denk dat de associaties die zinspelen op een verborgen ‘ik’, een zekere diepzinnigheid (Plato) afbreuk doen aan de lichtzinnige toon van het geheel. Mensen die van zichzelf vinden dat ze ‘diep’ zijn, zijn in het algemeen bijzonder vervelende mensen. Ik vind Plato uitzinnig vervelend, evenals Descartes, Kant, Freud (nu, die heeft nog wel iets interessants). Mensen zouden wat oppervlakkiger moeten zijn, vind ik, hun ziel aan de buitenkant moeten dragen. Het mooiste zou zijn, wanneer hun ziel de buitenwereld zou vormen. Dan is dat gewroet (Freud) voorgoed voorbij.

Hans, veel succes en groet iedereen van ons, je

Rudy


34.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

Leiden, 22 juni 86

Beste Hans,

dank voor je brief van de 18e. Ik was juist van plan je te schrijven, toen je brief in de bus viel. Ik ken hier in Leiden iemand, die bevriend is met de vriendin van Vinkenoog, en via die ketting was me al iets van zijn plannen bekend. Inmiddels belde hij me na Parijs op, en ben ik aan de slag gegaan met Heren Zeventien. Een paar dagen geleden stuurde ik hem een ‘concept’ toe van wat me voor ogen staat te zullen doen. Ik weet natuurlijk niet of het hem bevalt, maar ik hoop door een soort van dialoog met hem – via brieven of mondeling toch tot iets te komen, dat ons beiden bevalt. 92
Ik ben blij met je ingenomenheid met mijn reactie op je gedicht. Dat die op je eerste hoofdstuk je tegen zou vallen, verwachtte ik wel. Maar ik schrijf je deze dingen vanzelfsprekend niet om je te prikkelen in negatieve zin. Ik denk dat je geen gelijk hebt, wanneer je zegt, dat de bezwaren tegen het eerste hoofdstuk wel zullen vervallen, wanneer het geheel af is. Ze blijven natuurlijk recht overeind. Wat je schrijft, moet van begin af aan functies hebben – dat moet niet naderhand functioneel worden gemaakt. Je moet inzien, dat het vermelden van éen feit, vaak dwingt tot het vermelden van veel meer, om dat ene feit toe te lichten. De hele zin: ‘Ik beleefde Parijs zoals ik er kwam als jongen om toneelstukken te zien’ zit constructief verkeerd in elkaar. ‘Ik beleefde Parijs als een jongen die er voor het eerst komt (met als toevoeging evt. /om er toneelstukken te zien/). Die toevoeging heeft iets onlogisch. Dat vraagt dus om een toelichting. Niemand gaat naar Parijs om er toneelstukken te zien. Dat kan thuis even goed, misschien beter. Vaak gaat men naar Parijs om er de Folies bergères te zien, of de Moulin rouge. Dan kan je de toelichting achterwege laten. ‘Ik beleefde Parijs als de jongen die ik was, en die genoot van de drama’s die men hem voorschotelde’. Zo’n zin loopt, is goed van constructie en praat veel meer in het algemeen over dramatiek, dan wanneer er specifiek van ‘toneel’ wordt gesproken. Hier laat je iets zien, dat later verfijnd kan worden naar het toneelmatige toe. Toelichting hoeft dan niet. De lezer vraagt zich af wat de betekenis van het woord ‘drama’s’ is – en dat is goed. Hem kunnen nog tal van verrassingen te wachten staan,- een straatongeluk, een modeshow, een rel of demonstratie en per slot van rekening een toneelstuk. Dat is veel meer dubbele bodem en valluik dan je tekstzin. ik hoop dat je dat toch met me eens bent. Datzelfde geldt (nogmaals) voor Sartre en Beauvoir. ‘Ze zullen ergens functioneel opduiken’ zeg je. Maar natuurlijk moeten ze nu, meteen functioneel zijn. Je kunt toch niet zeggen dat de functie van het noemen van die namen is, dat ze eens, ergens anders functioneel gaan worden? Wanneer je een romanfiguur introduceert met bv. de naam Herman van der Weiden (= Germain des Prés) die bv. zegt: ‘Naar de hel met de anderen’ dan maak je Sartre meteen actueel zónder hem te noemen. Je ik-figuur leent zich voor zo’n uitspraak. Geef je hem de naam in het tweede of derde hoofdstuk, dan heeft de lezer iets te doen. Nog eens: ik schrijf je deze dingen niet om je te ergeren: ik wil je voor teleurstelling behoeden. Je hebt tenslotte kritische zin, dat blijkt uit je vergelijking tussen Flaubert en Couperus. Je zou die zin natuurlijk ook toe moeten passen op wat je zelf schrijft, en je weet dat ik daarbij graag helpen wil.

[p. 2]

Prima dat het zo goed gaat met je huisgenoten. Ben je al bezig een hokje te timmeren op zolder voor de baby? Wij hebben zelf een verbouwing aan de badkamer gehad, vijf weken lang stof en puin voor een lief bedrag, waardoor we dit jaar niet met vakantie gaan. Maar een paar dagen in de herfstvakantie lukt wel, dan komen we misschien op kraambezoek. Niet om te blijven logeren, hoor, dat wordt te druk voor Bernadette. Het wordt dit jaar een leesvakantie voor mij, – zal een aantal boeken die ik me heb aangeschaft doorwerken.

Van Vestdijks boeken heb ik deze die hij kort voor, in en kort na de oorlog schreef, altijd het interessantste gevonden, te beginnen met Aktaion onder de sterren tot en met ongeveer De dokter en het lichte meisje. Boeken, die ik ongeveer uit mijn hoofd ken. De rest zit er veel minder in, m.u.v. Het genadeschot en De filosoof en de sluipmoordenaar. Begin met die dokter. 93 Daar zit wat kritiek op de keuzefilosofie van Sartre in, misschien best bruikbaar. De filosoof is ook heel aardig om te lezen, beide boeken lezen als een trein, vind ik. Die filosoof is Voltaire, maar dan een minder bekende, nog geen veertig jaar oud. De meeste mensen zijn nogal gesteld op de Anton Wachters, maar die eigenaardigheid heb ik niet. Ik heb me altijd meer geïnteresseerd voor Vestdijk in zijn verhouding tot de oorlog. Hij is van de belangrijkste auteurs van voor de oorlog de enige die de oorlog overleefde: Marsman, Ter Braak, Du Perron niet. En hij is van het stel ten slotte de belangrijkste geworden. Geluk? Souplesse? Diplomatie?

En dan moet ik aan de slag met Vinkenoogs gedicht – als hij lezing van mijn concept tenminste nog op prijs stelt. Zoiets afwachten, het kan natuurlijk altijd zijn dat hij denkt: ik heb me toch een beetje vergist.

Ik moet opschieten, want over een uurtje moet ik Mat van school halen. Het is schitterend weer, en ik ga nu eens eventjes lekkertjes in het zonnetje zitten. 94 Groet je vrouw en kind van ons?

Al het beste, je

Rudy


35.

[Brief in handschrift, 1 blz.]

Leiden, 10 augustus 1986

Beste Hans,

Ik ben zo druk geweest met achterstallige lectuur, dat ik tot nu toe geen gelegenheid vond je laatste brief te beantwoorden. Kennelijk heb ik je niet geschreven dat Vrij Nederland me, wegens wanbetaling, niet meer wordt toegestuurd. Sorry, ik kan je dus geen ‘boekenbijlagen’ meer zenden. Weet je iemand anders die daar zorg voor dragen kan?
Ik kreeg van de Bezige Bij het verzoek om toestemming voor opname van mijn beschouwing over Mulisch’ Compositie. 95 Een groot aantal medewerkers wordt erin genoemd. Maar ik kon zien (aan het typen) dat mijn naam er pas op ‘t laatst aan toegevoegd was, en ik heb daarover een paar vragen gesteld, waarop ik tot nu geen antwoord kreeg. Zodat ‘t erop lijken gaat, dat mijn artikel niet zal worden opgenomen in die bundel. Ik heb er (net als Norman Corinth uit het Bruidsbed geen trek in, dat er ‘alchemie’ bedreven wordt met mijn naam/werk, 96 terwijl ik er in feite buiten gehouden wordt. Dan maar niet.
We zijn dit jaar eens niet met vakantie uit huis gegaan, wat – m.b.t. het weer – een goede gok was. Dat ik toch weinig tijd had voor correspondentie ligt natuurlijk niet alleen aan die hoeveelheid lectuur die ik verwerken moest, maar ook aan ‘t gezelschap van Machteld, die mijn aandacht opeist. Ik heb haar een foefje geleerd om “perspectivisch” te tekenen. Ze is er op dit moment nog mee bezig: een gezicht op onze tuin. Als ‘t klaar is stuur ik je een copie van ‘t fraais. Alles goed met Bernadette en Arthur? En met jou, natuurlijk? Eén van VN’s boekenbijlage bevatte een kritiek op Tropische jaren (n.b. van Tessel Pollman, – een soort autoriteit op ‘Indisch’ gebied), als zou dat boek een gemankeerde documentaire zijn. 97 Daar haal ik mijn schouders maar over op. Ik weet niet, waarom men altijd zo afwijzend doet, als ‘t om werk van mij gaat. Enfin, ik ben gelukkig (of ongelukkig genoeg) een eenling, en dat zal wel even zo blijven. Hé, hartelijks 3×3 en, naar we hopen, tot in oktober.

Rudy


36.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

25 sept. 86

Beste Hans,

Nu heb ik je wel heel lang verwaarloosd, lang genoeg om mijn geweten te voelen knagen, al kan ik het natuurlijk sussen met de smoes, dat je ook wel geen tijd gehad zult hebben voor een drukke correspondentie, in beslag als je werd genomen door de zwangerschap, de bevalling en al het gedoe erna. Ook ik had het trouwens druk in deze tijd: ik lees wat meer, ik begin weer aan schrijven te denken, iets van enige omvang, al weet ik nog niet wat dat worden moet of waarover. Ik ga zwanger, zullen we maar zeggen, en dat is een gevoel, eerder dan een plan, een idee; als idee is het maar iets vaags en schimmigs, – het gevoel is concreter: een soort zekerheid dat er iets op komst is en dat het nog even duren kan voor de pen op papier wordt gezet. Dat komt ongetwijfeld door het lezen. Ik blader wat in een paar boeken van Nietzsche (vrolijke wetenschap; menselijk, al te menselijk) en lees dan zijn aforismen kris kras door elkaar, wat natuurlijk niet moet, maar ik weet er anders ook geen weg mee; het is een manier van lezen, en dat wat ik doe wordt door deze vormgeving toch ook wel aangemoedigd. Misschien las men in zijn tijd de dingen die hij te vertellen heeft wèl achter elkaar, en mogelijk kom ik er t.z.t. ook aan toe. Verder heb ik Alberto Moravia weer ter hand genomen (Vrouw van Rome, Two women), buitengewoon aantrekkelijke literatuur. Van Vrouw van Rome maakte ik zelfs een soort uittreksel, 98 waarbij ik die dingen opneem, die ik verwant acht aan sommige opvattingen van Nietzsche. Het is verrassend om te zien, hoeveel overeenstemming er is tussen Nietzsche’s psychologie en de karaktertekening van Moravia. Ik heb van dat verband nooit eerder gehoord, jij? Men brengt hem meestal met Sartre en/of Camus in verband, een existentialist, zegt men van hem, en hij schijnt dit zelf ook wel te vinden, zoals ik onlangs meemaakte in een tv-interview net de oude baas. Bij Two women heb ik dat gevoel veel minder, en misschien wel helemaal niet (dat gevoel, daarmee bedoel ik de verwantschap van Moravia met Nietzsche), maar daar ben ik nog niet uit: men moet een boek nooit voor de eerste keer lezen, 99 en veel verder ben ik met die twee vrouwen niet gekomen tot nu toe.
Ik kreeg weer een alleraardigste recensie op Tr. jaren, dit keer van een Vlaming (Karel Osstyn, in De standaard. 100 Ik stuur hem je toe en hij hoeft niet terug).

Jan Elburg had in het Letterk. mus. een tentoonstelling van zijn beeldend werk, echt heel leuk en inventief van vorm en kleur. Er meest een spreker komen om het geheel wat cachet te geven, en men heeft daarvoor mij uitgekozen. Ik zette vrij snel (ik had er maar drie weken voor) een causerie 101 in elkaar, waarin ik in een uitgewerkte metafoor de dichter met (mijn beeld van) de ridder, de troubadour vergeleek. Dat beviel de mensen uitstekend, en Jan was er verguld mee, zoals hij toen zei en naderhand ook schreef. Ik zal het je opsturen wanneer het verschenen is (in een huisblad van het museum). Doe jij nog wat met Jan? Je had toen een kleine verzameling kritieken, herinner ik me, maar misschien is dat te weinig voor een heel boek?

Iets merkwaardigs. Niet heel lang geleden, kreeg ik van de Bij een brief, waarin ze me vroegen of ze dat art. over Mulisch’ filosofische boek mochten hebben, dat tenslotte niet in jouw boek over de man mocht. 102 Ik voelde onmiddellijk argwaan, zag aan de brief dat mijn naam er tenslotte was bij gezet, temidden van allerlei andere auteurs, en vroeg terug, waarom dat zo was, en welke aarzelingen er bestonden, om eerst me niet te vragen en dit te elfder ure dan toch weer wel te doen. Toen kreeg ik een brief van de samensteller (Meeuse) met maar heel weinig stroop, en dan heb ik gezegd, nou goed, doe maar. [In handschrift: ‘Z.O.Z.’]

[p. 2]

(Ik ga op de achterkant verder, anders wordt de brief te zwaar). Wat vind jij daar nou van? Ik word er een beetje ziek van, van het gevoel dat men alchemie bedrijft met míj. Als die rare voorgeschiedenis er niet was geweest, zou ik zonder aarzelen hebben gezegd: natuurlijk, graag. Zo zet je spontaniteit in wantrouwen om, en eigenlijk is dat ook veel beter (maar dat weten zij niet).

Rutger is in dienst, heel vervelend voor hem, maar misschien ook zeer opvoedend. Het ontbreekt hem totaal aan enige discipline, ik heb wel eens het gevoel dat hij zijn nagestreefde werkloosheid als een soort vakantie opvat. Dat zou ik in soortgelijke omstandigheden misschien ook wel doen, maar ik heb geloof ik, toch meer oog voor de manier waarop je je levensverrichtingen binnen de normen houdt, dan hij. Enfin, hij is natuurlijk niet met ‘lichamelijke poëzie’ groot geworden zoals wij en misschien is hij nog ‘jong’, hoewel? Leo was op die leeftijd rijper, rijker aan inzicht, scherpte zich aan vijanden en was allerminst ‘populair’. Hoe een kroeg er van binnen uitziet, weet ze ook nu nog nauwelijks, maar hoe kroeglopers er van binnen uitzien, weet ze beter dan welke kroegloper ook… Ik vind dat heel zegenrijk, en dat zeg ik niet als moralist.

Het is hier prachtig herfstweer, wel koud, maar zonnig: een strak blauwe lucht. Daar zal ik me aanstonds in te begeven hebben, want ik heb met Leo een afspraak voor de pui van de bank, waar we dan in moeten om er met geld beladen weer uit te gaan. Ik heb daar nl. schulden te maken teneinde weer andere af te lossen. Zo blijft dat leven maar doorgaan. Geld – bijna niemand praat er met anderen over. Alsof het iets is waar je je eigenlijk voor zou moeten schamen. Het verdwijnt als water maar het komt nooit als water weer binnen. Ik denk dat je je daarom schaamt. Schuldeisers geven je ook altijd het gevoel dat je je behoort te schamen: wie schulden heeft verdient onze minachting, zo zit dat.

Hoe is het met vrouw, kind en zuigeling? Hoe heb je je woning aan de nieuweling aangepast? We zouden heel graag komen, maar het schijnt dat ze bij jou in de buurt met bommen en granaten rondlopen, en dan weten we het eigenlijk niet zo goed. Bereid je er maar op voor, dat we voorlopig weg blijven van Parijs. We hebben zelfs het idee opgevat, dat het misschien mogelijk is – nu Bernadette immers nog zwangerschapsverlof heeft – dat jullie integendeel bij ons komen voor een paar dagen. Waarom zou dat zo’n bezwaar zijn? Overdenk dat eens even voor je zelf en stel het dan aan Bernadette voor, die vindt dat vast heel leuk.
Nu, beste Hans, ik schei er mee uit, de bank roept, Leo roept en deze brief moet weg. Groet iedereen van ons en toi-toi en tot gauw.

je Rudy


37.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

13 okt. 86

Beste Hans,

Leuke berichten uit Gagny. Ik denk dat ik Arthur niet meer herkennen zal, als we hem weer es zien. Hij groeit natuurlijk ook. Paradox: hoe meer we alleen bezig zijn (boetseren etc.) hoe beter we met anderen omgaan, en hoe meer we over alles en iedereen worden ingelicht (bv. tv) hoe meer alleen we zijn. 103 Moedig hem dus maar aan. Overigens, je reageert niet op de uitnodiging hier te komen: dat hoeft je alleen maar het reisgeld te kosten. Hier hoef je geen cent uit te geven. Leo is, met het oog op Machteld echt benauwd voor Parijs tot nader order. Misdadigers van het slag dat aanslagen pleegt, zijn brutaal omdat ze in feite wanhopig zijn en alleen (niet terug kunnen vallen op een breed steunvlak). Ze zijn onberekenbaar, maar rekenen alles zelf wèl uit, bv. de risico’s die ze willen lopen – en die zijn altijd groter dan wij we ons voor kunnen stellen. Vergeet niet dat het mohamedanisme (evenals de Joodse godsdienst) een politieke godsdienst is. Het offeren van het leven is als het winnen van een nieuw, en beter leven. Nou, dan tel je het leven op aarde iets minder zwaar… Israel is tegenwoordig ook een nucleaire macht, de vijfde, zegt men.
Over Goethe hoor ik veel goeds, maar ik ken dat werk niet of nauwelijks. Een handvol gedichten, een bloemlezing uit zijn brieven. Ook las ik ooit, voor mijn plezier, zijn Farbenlehre, tegen Newton gericht, en misschien ook tegen beter weten in, maar desondanks heel fascinerend en dichterlijk. Wat me bij gebleven is uit die lectuur, is een soort waardenschaal der kleuren, een soort ‘psychologie’ der kleuren, die m.i. door reclametekenaars te gebruiken zou zijn. Faust, ben ik wel eens aan begonnen, maar het ontbreekt me aan doorzettingsvermegen, – ik lees ook slecht Duits, begrijp er vaak geen bal van, nu ja, Faust is immers iets anders dan Drei Männer in Schnee. Het komt er nog wel eens van als ik tijd van leven heb. Het zou me eigenlijk in hoge mate moeten interesseren, vanwege de alchimie en de tovenarij.
Over Nietzsche moet je nog even nadenken, vind ik. Er wordt veel boosaardigs over hem gezegd, en je moet hem met grote behoedzaamheid lezen. Zonder dat laatste neem je immers maar al te makkelijk een onverzoenlijke houding tegen de zwakke medemens aan, niet zonder kilheid en grote verachting. Toch geloof ik dat hij je tegen die houding ook wapent: men dient zijn medemensen niet te verachten, wie dat doet veracht en belastert en vervloekt het leven. En dat is iets wat je nimmer doen moet. Nu, als dit “Duits” is, dan mag wat mij betreft het hele leven Duits zijn. Het verband tussen Moravia en Nietzsche is in de twee boeken die ik nader onderzocht op dit punt (Vrouw van Rome en Twee vrouwen) heel duidelijk, maar Moravia is natuurlijk ook heel geïnteresseerd in Duitsland, niet alleen vanwege de politiek, maar ook door de historische verbondenheid sinds de tijd dat de keizer van het Heilige Duitse Roomse Rijk vooral ook de koning van Rome was. Moffen waren altijd gefascineerd door Italië. Enfin, Nietzsche stond hier jarenlang in een kwade reuk, en dat had ongetwijfeld met die oorlog te maken. In Nederland is sindsdien in sommige kringen het e.e.a. taboe. Nu mag Hermans zijn foto’s weer niet tonen in A’dam, vanwege zijn reis naar Zuid-Afrika, lang geleden. De kleinheid is hier groot, en de grote Mulisch, die er als de kippen bij was, om het toonverbod alle kracht bij te zetten, toonde zich van zijn meest onverdraagzame kant. Ik zag hem op tv, bij gelegenheid van de opening van de Stopera (bij zulke gelegenheden ontbreekt hij nooit). Toen toonde hij zich verontwaardigd over de vernietiging van Newmans grote rode doek, over het omtrekken van ruimtelijke objecten in een park – terwijl die mensen die dat doen, toch eigenlijk alleen maar aantonen dat de kunst leeft (en daarom vernietigd moet worden: er gaat agressie van kunst uit, men voelt zich bedreigd door ‘red, yellow and blue’). Ik vind dan dat hij met dubbele tong spreekt, en dat ergert me meer van hem, dan van menig ander.

[p. 2]

Juist hij had beter moeten weten. Ik denk ook niet dat hij erg door ‘idealisme’ gedreven werd, maar eerder door de animositeit die er tussen hem en Hermans bestaat. Schijnheilig heet dat in gewoon Nederlands, en stom is het in ieder geval.

Een nieuwtje: ik ben met roken gestopt. Niet om eigen gezondheid, hoor, maar de tv zond hier iets uit tegen roken, en daarin werd verteld dat niet-rokers die veel in een ruimte zijn, waarin gerookt wordt, ook het risico van longkanker lopen. Nu, Leo en Machteld roken niet, en mijn vader overleed door longkanker. Ik rook nu overdag, als ze er niet zijn een paar cigaretten, en na 24.00 u rook ik nog wat, bij elkaar tien cigaretten p.d.
Dat wil ik terug brengen, tot ik tenslotte van het roken af ben. Dat lukt me wel denk ik, want de eerste cigaret van de dag bezorgt me duizeligheid, heel onaangenaam, en die afwijking stel je dan tot zo laat mogelijk uit. Vroeger had ik zodra ik opstond, een cigaret in mijn hoofd.

Ik ben er nu aan toe voor een nieuw boek een ‘documentatie’ in elkaar te zetten, materiaal over Indië in en kort na de oorlog. Wat het voor boek moet worden, weet ik nog niet. Misschien vraag ik wel een reisbeurs aan om me ook ter plaatse op de hoogte te stellen. Nu, meer nieuws heb ik niet. Omhels iedereen van ons, 3 x 4, en schrijf weer eens wat,

Rudy


38.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

21/10/86

Beste Hans,

Dank voor je brief en voor het boekje, en jammer dat jullie nu afzien van het bezoek aan Leiden. Maar ik kan me voorstellen, dat je een paar bezwaren ziet. Zelf ben ik ooit, toen Machteld nog maar zes weken oud was, en net van de borst, een week lang met haar op sjouw geweest (zonder Leo, die naar haar werk moest). Maar dat was geen (trein-)reis over een afstand van bijna 700 km.

Ik vind het echt leuk om met je van gedachten te wisselen over van alles en nog wat, en ik vind het uitstekend, dat je me tegen wil spreken op een paar punten, en zelfs dat je je zelf wel eens tegen spreekt. Nu nuanceer je tussen ‘Duitsland’ en het ‘andere’ Duitsland, en hoewel je nu zegt, dat Nietzsche ‘natuurlijk geen fascist’ is, reken je hem toch tot ‘Duitsland’ en niet tot het andere, waar bv. Th. Mann in thuis zou horen. Nu is Mann behalve een Goethe- ook een Nietzsche-adept, zoals je allicht weet. Je kunt dus Nietzsche’s werk lezen en (sommige van) zijn ideeën aanhangen, zonder dat je daardoor in een boef verandert. Mij zul je bv. nooit het ‘blonde beest’ horen aanprijzen. Goethe is veelzijdiger dan hij, daar heb je gelijk in. Maar hij is tegelijk ook veel minder gecompliceerd. Hij verrijkte de wereld, Nietzsche verdiepte die. Dat kan omdat Nietzsche het beeld van de ‘klassieken’, door Winckelmann op poten gezet en door Goethe gepropageerd, van zijn levenloosheid heeft ontdaan. Nog steeds lopen er gymnasiasten rond, gehersenspoeld door hun leraren, die het klassieke typeren met ‘maat, orde, redelijkheid, gulden middenweg, evenwicht’ e.d., dus het apollinische karakter ervan benadrukken. Nietzsche liet zien dat deze idylle, deze utopie niet bestond en nooit bestaan heeft. Het Griekse leven kende, zonder dat de mensen er een tragedie van maakten, vooral de tragiek. Dat is de dynamische, de verborgen, Dyonisische kant van hun leven. En dat Dyonisische blijft in heel de filosofie van Nietzsche een rol spelen.
Nietzsche is niet klassiek, en Goethe is niet modern, dat is eigenlijk het enige wat ik weet te verzinnen, als ik ze met elkaar vergelijk. Wie Goethe zegt, zegt Faust, wie Nietzsche zegt, zegt Zarathustra. Goethe: een krasse, krachtige zestigjarige; Nietzsche: veertig jaar, in de kracht van zijn leven: klassiek – modern. Goethe’s beeld van de klassieke Griek: een foto. Het beeld van Nietzsche is een hologram: dieper, hoger, breder. Daar kun je niet uit de voeten met de middelen die Goethe had, en dan kun je dus ook niet doorzichtig en evenwichtig zijn en klassiek. Nietzsche is nooit klassiek geworden, maar Goethe is ooit ‘modern’ begonnen (Sturm und Drang, zijn Dyonisische kant). Nietzsche’s geschriften waren makkelijk te misbruiken, schrijf je, en dan vraag je je af: ‘Waarom is dat dan?’ Een vraag die je bij het ‘moderne’ werk van Goethe nalaat (ik doel uiteraard op de zelfmoord-epidemie na zijn Werther). Waarom is dat dan? Dat is omdat je sommige (moderne) boeken niet in handen moet geven van wankele mensen. De een pleegt er zelfmoord door en de ander wordt een gangster. Bv. omdat hij de wil tot macht verstaat als de wil tot macht over anderen. Maar Nietzsche zegt dat je macht moet krijgen over je eigen hartstochten en instinkten, d.w.z. over jezelf (ik schreef dat, meen ik, al in mijn vorige). Dáar slaagde Goethe in, en daarom is de bewondering voor Goethe bij Nietzsche ook zo groot: dát konden de Grieken immers ook. En ‘de’ Duitsers niet, zoals de hele wereld weet. Ik denk dat je bij het woord Nietzsche een soort waas voor ogen krijgt. ‘Onderwereld’, roep je dan, fascisme: mystiek. Je maakt van een mooi klinkend woord een scheldwoord. Ik vind dat je dat niet moet doen. Het is een denkend mens onwaardig, zo’n begripsvervalsing. Er is weinig op tegen Nietzsche als mysticus te zien (ik doe dat niet, hoor), maar niet op deze manier. Dat is een methode die je juist dient te bestrijden als je oprecht wilt zijn en je niet mee wil laten slepen door je… instinkten, pro of contra. Ga bij jezelf maar na, hoe je oordelen zou over iemand, die op deze manier een karakteristiek gaf van bv. Hölderlin. ‘t Is niet fijngevoelig, het is bevooroordeeld. ‘Hij is me te duits, en onder het duitsdom heb ik in mijn jeugd al teveel geleden’, lees ik in je vorige, en daarom kan ik me ook wel voorstellen dat je denken ontspoort.

[p. 2]

Het zijn immers vooral de politieke gevoelens die de samenhang van je innerlijke (en soms uiterlijke: vader een nazi, moeder een Jodin, kind verraderlijk èn trouw naar beide kanten) huishouding in de war sturen, waardoor je bv. ertoe komt, literatuur te meten naar haar politieke betekenis. Mij zegt het geen lor, of iemands werk al dan niet voor de brandstapel in aanmerking komt bij een of ander regime. Dat maakt een schrijver niet groter of kleiner, – het zegt iets (veel) over het regime; in ons land zegt het iets over Brinkman en zijn kabinet (Brandt Corstius), over de Amsterdamse gemeenteraad (Hermans) over Van den Broek en het kabinet (de Erasmusprijs voor Havel). Protesteren tegen die lieden helpt dan ook veel meer, dan schelden tegen Nietzsche, die, evenals God, dood is. Daarom zegt het me ook niets, dat Moravia een communist is. Lieve hemel, de halve wereld is communist, maakt dat een boek groter of kleiner dan het is? Ik herken veel van Nietzsche in Moravia’s boeken, dat zegt iets én over Moravia, die kennelijk als communist niet bekrompen is, én over Nietzsche, die, evenals Marx de ‘bovenbouw’ van alle valse aanspraken ontdaan heeft, en die blijkbaar een communist inspireert. Geloof me, als men in de jaren voor en tijdens de oorlog het verband tussen Moravia en Nietzsche had gezien, dan was Nietzsche ook nog wel op de brandstapel beland: wordt hij pas daardoor aanvaardbaar voor jou?
Je ziet, ik spreek je ook tegen, terwille van de brief-, maar vooral terwille van de gedachtenwisseling.

Jan Elburg bestookt me, sinds mijn causerie, met brieven die ik maar half snap, over een soort troubadour in Tirol (Oswald von Wolkenstein). 104 Nooit van gehoord, moet ik bekennen. Bovendien – je kent zijn woordenspel wel – doorspekt met allerlei verwijzingen naar muziek (Wagner: jouw liefde!), waar ik naar luister als een soort Odysseus naar de sirenen, en naar historische feiten en literatuur, die ik niet ken. Hij wil een copie van mijn causerie, o.a. om jou er éen te sturen, maar ik stond mijn tekst aan het museum af, die hem zou publiceren. Hij moet dus even geduld oefenen, en jij ook, maar het komt er wel aan, hoop ik.

Ik zal proberen zijn brief te beantwoorden, en hou daarom met deze op. Hartelijks van ons allemaal voor jullie allen, en toch maar: tot gauw.

je Rudy


39.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

Leiden, 11 12 86

Beste Hans,

Met je laatste brief heb je me een beetje in verlegenheid gebracht, omdat ik eigenlijk niet wist wat ik je antwoorden moest. Ik vond het een heel interessante brief met allemaal gegevens die een zeker licht op Wagner werpen, dat me aanspreekt. Maar ik had niet Wagner als probleem opgeworpen en ik kreeg nu het gevoel dat we langs elkaar heen schreven – vandaar dat ik even een andere gelegenheid afwachtte om je te kunnen schrijven, want met je visie op Wagner ben ik het in grote lijnen wel eens. De aanleiding voor deze brief vind ik in de uitgave van Meeuse’s bundel Harmonie als tegenspraak, waarin hij mijn bijdrage 105 over Mulisch’ filosofische boek heeft opgenomen. Ik kreeg hem zojuist over de post van de Bij toegestuurd, en kan je er dus nog niets over vertellen, maar ik denk wel dat jij het interessant zult vinden, ook al, omdat zo’n uitgave veel lijkt op de bundels die ik van jou ken.
Wij volgen hier met spanning de gebeurtenissen in Parijs. Schrijf me eens wat jullie daarvan merken in het dagelijks leven. Wij zien hier alleen de tv-beelden met commentaar, maar er is natuurlijk de afstand: we zijn wel tijd- maar geen plaatsgenoot – en zelfs als tijdgenoot ben je hier toch ‘laat’. De dingen zijn al achter de rug, je zit er niet midden in. De indrukken die wij hier opdoen zijn, dat de studenten dit keer niet van plan zijn zich door een ideologie te laten inpakken, en evenmin van plan zijn zich in de aandacht van de arbeiders aan te bevelen – zoals in 68. Het is allemaal minder politiek en abstract – het eigenbelang speelt hier een veel groter rol, al heeft dat natuurlijk ‘politieke’ betekenis, deze massale weigering om op kunstmatige wijze elitaire universiteiten te creëren. Gelijkheid van alle studenten. Je weet toch dat in Japan de ongelijkheid der universiteiten de studenten opjaagt tot onderlinge moordende concurrentie? Maar wie van de beste universiteit komt, krijgt in de maatschappij ook de beste plaats, en de beste bescherming van collega’s die zonder uitzondering ook van die universiteit afkomstig zijn. In zo’n gezelschap kun je dan ook geen buitenbeentje zijn en heb je nauwkeurig aan de daar geldende normen te beantwoorden, wat me geen pretje lijkt. Japan is een kloteland, geloof dat maar.
Ik ben intussen aan een nieuw boek begonnen, alweer een roman en alweer in Indië, nu met een vrouw als hoofdpersoon. 106 Hoe het in elkaar gaat zitten, weet ik niet. Ik ben gewoon maar begonnen met een zin, en heb de rest daaruit laten volgen in de veronderstelling – geen nieuwe hoor – dat je op die manier toch ook materiaal verzamelt, waaruit je een verhaal tot stand kunt brengen (als je tenminste geen pech hebt). Tot nu toe lukt dat. Je bent alleen gedwongen het voorgaande steeds opnieuw weer te lezen, om er de ‘sporen naar voren’ in te vinden, om de suggesties uit het al gevonden materiaal op te volgen of juist te dwarsbomen of op te ruimen. De werkwijze leert mij, dat je in het begin een grote hoeveelheid anekdotische elementen nodig hebt, om de personages kleur te geven en om nieuwe personages te vinden. Dat zal, naarmate het verhaal zich ontwikkelt minder worden, verwacht ik, want er moet natuurlijk een handelingspatroon uit voortkomen, conflictstof. Ik stel dat voorlopig nog uit, en werk volgens het harmoniemodel. Als je de harmonie maar voldoende opjaagt, ploft het misschien vanzelf wel uit elkaar, wie weet…
Ik ben nu halverwege het tweede hoofdstuk, twaalf pagina’s als deze, en ben echt nieuwsgierig hoe het met het object van mijn aandacht verder gaat. Daar doe ik research voor: in mijn herinnering, uit boeken (L. De Jong!) toevallige krante-artikelen etc. Dat is nog een hoop werk. En een hele hoop gegevens ontleen ik natuurlijk aan het alledaagse leven met Leo en Mat, en met anderen die wel eens iets interessants willen zeggen of doen.

[p. 2]

Zo schrijven is een nieuwe ervaring voor mij. Het eerste boek (roman dus) daar zie je het schema nog als ribben uit het vlees steken, ook het tweede boek heeft alleen al in de datering iets schematisch. Als er in dit boek ook iets dergelijks te vinden zou zijn, dan is dat niet te danken aan een voorop gezet idee, maar aan de struktuur die het verhaal zelf gezocht en gevonden heeft. Dat lijkt me het boeiende ervan.

Hoe is het met vrouw en kroost? En met jouw literaire en culinaire activiteiten? Leo is tegenwoordig weer verslaafd aan Indisch eten, dus dat maak ik regelmatig. Eenvoudig hoor, ik heb geen zin in een daglang in de keuken staan. Maar ook eenvoudig Indisch eten is lekker. Het is bijna ook nooit vet of zwaar. Zij wordt er in ieder geval slanker door (ik niet, helaas: 72 kilo, en dat is een constante, wat ik er ook aan probeer te doen met eten. Niet met bewegen: daarin schiet ik toch jammerlijk tekort, en daar benijd ik je soms wel om).
We zijn met zijn drieën naar Nina Hagen geweest, in Utrecht, een formidabele avond. Machteld is er zo door onder de indruk (de hele dag loopt ze met bandjes in de walkman – ik ben tenslotte voor de aanschaf ervan, waartegen ik me tot voor kort verzet heb, bezweken – naar Nina te luisteren) dat ze op haar voorbeeld begonnen is gedichten te schrijven. Gelezen heb ik ze nog niet, maar de school is er content mee, en binnenkort verschijnt een proeve van haar poëtisch kunnen in de schoolkrant. Benieuwd!
Enfin, zo modderen we maar wat door. Ik heb het vage plan om naar Indonesië te gaan, liefst met een reisbeurs, maar als je dan hoort, dat ze van tijd tot tijd een al vijftien jaar geleden ter dood veroordeelde communist werkelijk executeren – intimidatie: zo hou je er bij de bevolking de moed in – en tot gruweldaden in Nw Guinea overgaan, ook al vanwege die moed en de aanstaande verkiezingen, dan twijfel je toch weer. Eigenlijk zijn het toch ook gewoon klootzakken. Ik zou zo’n reis voor mijn boek overigens heel goed kunnen gebruiken. Misschien komt het er ooit van.

Dit was het dan weer voor deze keer. Schrijf gauw. Ik ben benieuwd naar wat je me over Nietzsche te melden hebt.
Grote groeten en omhels de jouwen namens ons, je

Rudy


40.

[Brief in typoscript, 1 blz.]

10 maart 87

Beste Hans,

Lang geleden schreef ik je mijn laatste brief: sorry. Ik heb het de laatste tijd druk met schrijven. Niet dat ik er in werkelijkheid veel aan doe – maar het houdt je zo bezig, de hele dag, dat je tot iets anders nauwelijks meer komt. Uitputtend.
Voor je Brouwers-boek 107 ben ik je heel dankbaar. Er staat veel in, heb ik gezien, dat me zeer interesseert, ik zal het snel en op een studieuze manier gaan lezen. Maar intussen ben ik opa geworden van een kleindochter, via mijn oudste, Andrea, met wie ik levendig contact hou – wat ik niet zeggen kan van Saskia en Rutger. De laatste is weer de dienst uit, vanwege aanpassingsproblemen, geloof ik, het fijne weet ik er eigenlijk niet van. Hij bewerkte met veel moeite een verzoening tussen Saskia en mij (ons), en toen ik haar dan gezien had, schreef ik hem van mijn bevindingen – ik was niet al te enthousiast – met een nieuwe breuk als gevolg, maar nu ook met hem. Je mag wel boeken critiseren, maar geen mensen. Ook dat is natuurlijk een reden, waarom ik je zolang niet schreef. Enfin, je kent mijn manier van kritisch kijken, en ik vind daar weinig in, waar men echt boos om zou moeten zijn. Ik ben nogal menselijk, vind ik zelf en wijs de dingen in de regel niet resoluut af, zelfs niet, wanneer ‘men’ vindt dat ik dat wel zou moeten doen. Aanpassingsproblemen zijn een symptoom, een inzicht dat ik geleerd heb vóor me te houden, want zo heb je opnieuw de poppen aan het dansen.
Ik vond het jammer dat [je] de Nietzsche-discussie beëindigd hebt, maar in Juffr. Ida schreef ik, min of meer Nietzscheaans over Jan: de Herren- und Sklavenmoral in die van Germanen en Christenen etc. 108 Ik stuur je dit keer een boekje van Vinkenoog op, met nawoord 109 van mij, dat bij nader beschouwing nogal warrig en verwarrend is geworden, hoewel Simon er opgetogen over was. Soms begrijpt men elkaar door een schouderklop, een knipoog, een half woord. Dat is hier met hem het geval. Ik wou dat al mijn critici zoveel begrip voor me op konden brengen…
Het boek waar ik aan bezig ben, vordert langzaam, maar gestaag. Ik heb er nu 25 blz. van af, zo dicht betikt als deze brief en eveneens A4. Waar het over gaat, weet ik in grote trekken natuurlijk wel, maar hoe laat ik over aan het beginsel dat ik volg. Op de lagere school vertelde ik altijd met veel plezier van de St. Elisabethsvloed (1421, de Grote Waard). Hoe toen een wieg met kind te water raakte, dat op wonderlijke wijze (wonderlijk in de R.K. + middeleeuwse zin) werd gered, doordat zich ook een kat aan boord bevond, die het wiegje tegen omkieperen behoedde, door steeds van de ene rand op de andere te springen, zodat het in zijn wiegende bewegingen geen water scheppen kon. In dit boek springt de hoofdpersoon van de ene rand van het bestaan op de andere om het niet te hoeven verliezen. Het systeem biedt steeds nieuwe gezichtspunten en is voor mij al even verrassend als voor mijn hoofdfiguur, een vrouw, wier leven ik van haar zesde of vijfde jaar af volg. Je kunt natuurlijk zeggen: Hegel, Verwey, Vestdijk, en ongetwijfeld zit daar ook wel wat in, maar het is toch vooral ook een persoonlijke vondst, die je wat mij betreft ook met Elburg kunt verbinden – vorm, contravorm – of met Nietzsche: heren, slaven, terwijl ik dan ook nog het gevoel heb: het is eigenlijk wel helemaal van mij, – iemand die veel gelezen heeft, en nu ook es een duit in het zakje wil doen.
Hoe is het ginds? Politiek volg ik het wel: Abdallah, Action directe – veiliger dus dan het was, met als tegenwicht de Fransen en Gorbatsjov in het spel der machten. En met Bernadette en de koters? Van hier geen, dus goed nieuws. Hans, groetjes van ons voor jullie allen, en het beste,
je

Rudy


41.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

30 maart 1987

Beste Hans,

Hartelijk dank voor je brief van de 16e en voor je woorden aan het ‘nawoord’ gewijd. Als ik het opnieuw zou moeten doen, zou ik wsch. die constructie van de 58 miljoen en de opvatting van een collectieve schuld eruit laten. Het is toch teveel van het gezichtspunt van de huidige Nederlander geschreven, om echt recht te doen aan de 58 – 14 miljoen = 44 miljoen voorvaderen, die nu een keer anders dachten over recht, macht, onderdrukking en verzet,- en over schuld. Ik krijg de indruk dat ons geslacht met schuldgevoelens wordt geboren en dat is misschien veel beroerder dan die erfzonde, die je tenminste niet aan jezelf te danken hebt, en waar je door een eenvoudig ritueel als de doop van af kunt. ‘Schuld’, dat is toch iets onbestaanbaars: wat is de schuld van een slang, een jakhals, een mens? ‘t Is een kapitalistisch begrip: je hebt niet genoeg ruilmateriaal, zodat je afhankelijk wordt van wie daar voldoende van heeft. Ik denk dat alleen liefde ons van schuldgevoelens vrij kan maken, – solidariteit in de zonde. Ga er maar aan staan, als je denkt aan Hitler, Stalin, Hiroshima. Het is een onmogelijke eis.

Odiel, de kleindochter, is een nog kaal meisje, heel klein en nogal veeleisend. Ik heb het twee keer gezien, ga er a.s. woensdag weer een kijkje nemen. Andrea is met haar kind buitengewoon in haar schik, en ziet en voelt nu opeens allerlei dingen, die ze daarvoor niet kende, en die je maar het kortste samenvat in het begrip moederliefde. Ons karakter wordt ook bepaald, door het plotseling aanwezig zijn van gevoelens, die we daarvoor alleen maar kenden van horen zeggen – d.w.z. zonder ondervinding van persoonlijke aard. Dat is een bewustzijnsverruiming zonder drugs, en dus ook veel gezonder, meer bij het leven behorend. Het is eigenaardig dat je dat als vader minder ondervindt, dan als grootvader: je ziet dat je dochter dat zo ondergaat, en jij doet daarin mee, je ziet het gebeuren. Het is heel lief en heel egoïstisch: zo’n kleintje is natuurlijk nog een deel van jezelf. Het is heel moeilijk om dat los te laten. Heel veel kinderen worden dan ook door de moeder niet zelden verprutst – en komen later met het zgn. ‘moedercomplex’ in de knoop, iets wat bij echtscheidingen nogal speelt, wanneer de vader buiten gesloten wordt, zoals bij mij het geval was m.b.t. Saskia en Rutger. Enfin…

Wat Abélard en Heloïse betreft, ik heb me daar in mijn jeugd (nu ja, ik was ver over de twintig) ook mee bezig gehouden. Het is een heel gecompliceerde geschiedenis, die je eigenlijk niet alleen tot die twee beperken kunt. De hele toenmalige wereld is met hun levens verbonden, zoals gewoonlijk bij uitzonderlijke mensen, en je zult je dan ook in hun tijd moeten kunnen verplaatsen en in de gedachtengang van hun mee- en vooral van hun tegenstanders, en dat is moeilijk, moeilijk, alleen al hierom, dat wij geen middeleeuwers zijn, niet godsdienstig zijn, geen filosofie uit die tijd kennen etc. Mijn belangstelling ervoor is niet groot meer, en ik kan je eigenlijk ook geen hedendaagse studies aanbevelen: ik zit er niet meer in. Maar als je de hand kunt leggen op Helen Wadell, Vaganten in de middeleeuwen (een aula-boek) dan raad ik je dat zeer aan. Haar andere boek over deze twee heb je gelezen, merk ik. Ik weet niet of ik je zo’n essay-achtige novelle moet aanraden. Zolang je geen latinist bent, loop je de gekste risico’s. Gymnasiasten houden niet van ‘indringers’, dat is een heel besloten club. Maar als je ‘voor jezelf’ wat studeren wilt, is dit heel amusante literatuur. Persoonlijk zou ik zo’n project als jou voorzweeft, niet aandurven. Het is een wereld van grote geleerdheid.

[p. 2]

Wij denken in de Paasvakantie eens naar Parijs te komen, in de hoop dat je misschien een plekje voor ons hebt. Zo niet, geen nood, maak er geen toestand van. We willen nu dat joch van jullie wel eens zien, en Arthur, natuurlijk. Laat ons eens horen, wat je ervan vindt, welke data, etc. We blijven een paar dagen, drie, vier. Na je antwoord per brief, bellen we dan nog voor de concretere details.
De roman vordert gestaag maar langzaam. Een titel weet ik er nog niet voor, maar ik weet al evenmin, waar het over gaat, en hoe het zal aflopen. Alleen dat het ongeveer tweehonderd bladzijden groot moet zijn.
Ik heb een reisbeurs gekregen voor een reis naar Indonesië, waar ik de herinneringen aan mijn jeugd door hoop op te frissen: in Djakarta en in Padang (Sumatra). De reis eindigt dan in Bali en duurt bij elkaar drie vier weken. Wanneer we die reis gaan ondernemen, weten we nog niet. Er moet nl. wel geld bij die beurs, want Leo en Matti gaan natuurlijk mee.

Nu Hans, meer heb ik niet te melden, hier moet je het mee doen deze keer.

Hartelijke groeten van ons voor jullie allen en laat es wat van je horen.

Rudy


42.

[Brief in typoscript, 1 blz.]

Leiden, 8 april 1987

Beste Hans,

Dank voor je brief die ik vandaag ontving. Het doet me plezier te lezen, dat je je in Abélard & Heloïse verdiepen gaat. Een idee dat je voorzweeft moet je alle kansen gunnen, afgezien van elke vraag wat je er eventueel nog mee kunt doen in en voor de toekomst. Dat is het doel niet, het streven wèl.
Je vraag over de tien gedichten vind ik moeilijk, zo niet geheel onmogelijk te beantwoorden. Zo werkt dat bij mij niet. In het begin, toen ik nog een enthousiast lezer van poëzie was, werkte dat zo. Achterberg, Lucebert, dat was het en nog een enkeling erbij, Slauerhoff, Roland Holst etc. Ik herinner me een essay, wat oppervlakkig naar mijn smaak, van J.B. Charles, die er drie dichters op na hield, voor de zondag dan, hij was heel christelijk en de zondag moet een verschrikking zijn geweest zonder poëzie: Gezelle, Marsman en Achterberg. Maar daar kom je toch van terug. De waardering van poëzie is niet iets objectiefs. Je bent bedroefd, en alle vrolijke poëzie kan je gestolen worden. Je voelt op dit moment eigenlijk alleen maar iets voor een droefgeestig gedicht van bv. Jacqueline van der Waals – ooit van gehoord? Of je bent in een verheven stemming die je aan de dood van je geliefde doet denken. Ze leeft natuurlijk wel, maar stel je voor. Op dat moment heb je er vreselijk behoefte aan STERRE van Huygens te lezen. Zojuist keek ik een bundel van Jan Prins in, Tochten. Daar staat poëzie in, die je heel bijzonder vindt, als je er maar voor in de stemming bent. Het is veel en veel gemakkelijker te zeggen: dit vind ik geen poëzie, maar wat zijn bv. de tien slechtste gedichten? Dat is al even moeilijk en onbeantwoordbaar als de tien beste. Er is wel onderscheid tussen goed en slecht in poëzie, maar er is geen rangschikking in aan te brengen. Ik kan wel bloemlezen in het werk van een dichter, maar niet in dat van een aantal. Gedichten zijn voor mijn beleving heel springerig, als de atomen in een luchtballon. Bij de vraag naar de tien beste romans heb ik heel wat sneller een antwoord voor je. Je begrijpt dus dat ik het hierboven over lyrische poëzie heb. Echt epische hebben we trouwens niet zo heel veel. Vestdijk bv. Mnemosyne in de bergen. Een top bij gebrek aan concurrentie. Misschien kan ik je bekennen, dat ik Lucebert, Minnenbrief, dat grote gedicht over de gemartelde bruid Indonesia, ook een top vind, misschien om puur persoonlijke redenen, politieke redenen. 110 Daarna is er een machtsstrijd, niet van gedichten, maar van stemmingen, waar die gedichten op drijven en weer kopje onder gaan als drijfhout.
Vertel me eens, hoe anderen, die je in je enquête betrokken hebt, reageren op je vraag?
Ik heb in Nederland in Delft, Den Haag, Amsterdam, Rijswijk, Elburg gewoond, en in Leiden natuurlijk. Naar geen van deze plaatsen zou mijn hart uitgaan, als ik kiezen moest. Maar als ik in Parijs of Londen, of ergens aan de Middellandse zee zou kunnen wonen, waar het redelijk druk is, en niet te eenzaam, zou ik dat heel graag willen. In Nederland kan ik overal wonen, omdat het er overal goed uit te houden is, maar ik ben dan ook in dit land niet opgegroeid, ik ben er niet zo mee verbonden als jij met Helmond (de naam spreekt boekdelen, geloof ik), of Hansje Tuynman met Emmen. Wist jij dat er nog heel wat provoïde figuren uit zulke steden als Emmeloord komen? Ik schreef hierboven Emmen, maar het is Emmeloord, waar Hansje vandaan komt. Dat zegt toch wel iets. 111 Van de artist Van Eck, die fotograaf van nieuw ontgonnen land, begrijp ik niks. Hij gaat met een zeer recent verleden om, dat natuurlijk niet echt leeg is, naar ook niet echt bewogen – al was het scheppen ervan dramatisch genoeg. Piet Grijs is met Hermans in de clinch gegaan over Multatuli en Jan Cremer weer met Grijs. Een lawaai van jewelste. Enfin. Ik heb ontdekt dat de beste verdediger van Douwes Dekker Multatuli is en de beste van Multatuli Max Havelaar.
Hartelijks voor jullie van ons, je

Rudy


43.

[Brief in typoscript, 1 blz.]

Leiden, 12 mei 87

Beste Hans,

Bedankt voor je gedicht Oerzen. Helemaal begrijpen doe ik het niet, maar dat is van minder belang, wanneer immers de vriendschappelijke bedoeling duidelijk is.
Het zijn de eerste zes regels die me ontoegankelijk lijken. Wanneer wegen parallel lopen, snijden ze elkaar nooit, verwijderen ze zich niet van elkaar en naderen elkaar nooit. Alleen wanneer twee mensen op die wegen lopen, elk op de zijne, en éen heeft een voorsprong, maar wordt door de ander ingehaald, kan het zo zijn, dat ze ‘dichter bij’ elkaar komen. Dat lijkt me een satori. De zin ‘dat je tijdig meevoert’ heeft ‘je’ als onderwerp. Maar wat wordt er dan door die ‘je’ meegevoerd? Of bedoel je dat ‘de weg(en)’ je meevoert/resp. meevoeren? Maar dan: waarheen?
Ik vind dat je daar over denken moet: het beeld is aardig genoeg, maar wordt niet doorzichtig gemaakt, eerder verduisterd (door de ongrammatikale formulering). Helemaal satori zou het zijn, denk ik, als op éen of andere manier, die parallelle wegen, toch éen bleken te zijn (zoals je bv. onderscheid zou kunnen maken tussen een individu en zichzelf: Narcissus. Le Roi Soleil in de spiegelzaal. Etc.) Of een videocamera, die, op jou gericht, al je bewegingen registreert, terwijl je die volgt op het beeldscherm voor je neus. Big Brother van jezelf: het toppunt van narcisme. Als je in de camera kruipt, spat het scherm aan barrels… [In handschrift: ‘Wanneer ik loop, danst in mijn vlees/ De dode boom van mijn skelet… (Gerard den Brabander)’]
We hebben veel plezier beleefd aan ons bezoek aan jullie. Arthur is een lief baasje, daar kunnen jullie nog een hoop genoegen aan hebben. Hij heeft het duidelijk naar zijn zin in het ‘nieuwe leven!’ Nu moeten jullie maar eens naar Leiden komen, met Pasen, vlg. jaar.
Mijn eerste zet: 1. b2-b4 (aangenomen dat ik met wit begin!). Een flankspel, dus, destijds veel gespeeld door de meester English, en ook bekend onder de naam ‘gorilla-gambiet’. Wees dus gewaarschuwd. Hartelijks allemaal, je

Rudy


44.

[Brief in typoscript, 1 blz.]

Leiden, 1 juni [1987].

Beste Hans,

Vandaag zijn Leo en ik 11 jaar getrouwd en beginnen we met een streng regime van afslanking. Terecht in mijn geval: ik weeg 74 kg en vind veel te veel dingen lekker, ook de drank. Daar gaat nu de bijl in.
Over twee weken vertrekken we naar Indonesië, voor een maand. We zijn dan op 16 juli weer terug. Ik hoop dan dat we een hartelijke brief van je vinden bij de post,- een aardig welkomstwoordje, met je antwoord op

1. b2 – b4 d7- d5
2. c2 – c3

schaken

Misschien is een flankspel niet zo geschikt voor correspondentieschaak. Het geeft tal van verwikkelingen die je in een open partij niet hebt. Positiespel i.p.v. combinaties en dat wil volgens mij zeggen: een eindeloze correspondentie voor éen partij. Ik moet natuurlijk mijn pion tegen de aanval van je koningsloper verdedigen. Maar 1. b2 – b4 verplicht óok tot – te eniger tijd – (x.) Lc1 – b2, en dan moet de pion op c3 toch op een of andere manier verdwijnen, om die loper niet in de weg te staan.
Toekomstmuziek. Al is het misschien mogelijk, dat je nog vóor 13 juni antwoordt: op die dag gaan we weg.
Met je gezondheid is alles nu weer voor elkaar, hoop ik. Ellendige zaken, koorts, vreemde ideeën, overal pijn, – waar dient het voor. Naar de copieën kijk ik uit.
Machteld zwemt vandaag af voor haar A-diploma. Daar maakt ze zich nogal zenuwachtig over en zenuwen zijn dingen die je in ieder geval niet gebruiken kunt bij een examen. Een zekere mate van zelfvertrouwen is dan meer op zijn plaats. Ik kan alleen droogzwemmen, ben nooit in de gelegenheid geweest het eens te leren. Als kind ging ik natuurlijk vaak genoeg naar een zwembad met mijn ouders, maar die lieten me wat in het pierenbad spartelen en dat was dat tot de oorlog kwam. Soms kan ik over mijn jeugd wel janken. Vandaar dat ik terug wil naar mijn Oegstgeest – na 42 jaar, met een geleend fototoestel. Ook zo’n bezigheid die ik nooit geleerd heb. Heb jij wel eens tussen fotografen gezeten? Ze zeggen dan, terwijl ze een plaatje tonen: F 11, éen honderdste seconde met een Nikon C duizend. Ik ben aangewezen op gewoon maar knippen op goed geluk. Jammer is dat. Maar veel hangt af van je kijk op vlakverdeling en van de keuze van je gezichtspunt – dingen die ik toevallig wèl geleerd heb in de tijd dat ik mijn tekenkunst dacht te moeten vervolmaken. Mijn uitgangspunt bij de fotografie in de praktijk is: wie veel fotografeert, maakt allicht een paar dingen die in ieder geval aardig zijn.
In de tijd dat ik in Bali vertoef – de laatste dagen van de reis – zal ik je kort verslag doen van mijn omzwervingen in Het land van herkomst (een boek dat ik beslist aardig vind, al was het maar omdat er geen ander uit die tijd naast kan staan).
Hoe staat het met je bloemlezingplannen? Je zou me vertellen dat je dat anders ging aanpakken, op Elburgs advies, en je hebt me zijn brief ook wel laten lezen, maar het rare is, dat ik niet heb onthouden, wat je nu precies gaat doen. Ik word oud, of ik heb die dag te veel gedronken. Fris mijn herinnering eens op, als je wilt.

Beste Hans, blijf gezond, groet vrouw en kinderen van ons en schrijf weer eens wat vóor de dertiende.
Hartelijks, je

Rudy


45.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

Leiden, 3 aug. 87

Beste Hans,

We zijn nu ruim twee weken uit Indonesië terug, 112 met een grote verzameling foto’s, die je nog wel te zien krijgt, met commentaar. Machteld vond vrijwel alles even mooi en interessant, en ze voelt zich nu ook min of meer ‘Indisch’, zoals ik. Voor Leo was uiteraard alles ook even nieuw, maar beslist onaangenaam vond ze de verregaande vrijpostigheid, vooral in Jakarta, van de Indonesische mannen. Dat heeft voor haar wel het e.e.a. verpest. Nu moet ik erbij zeggen, dat het merendeel van haar ervaringen heel plezierig zijn geweest. En voor mij was alles natuurlijk een herontdekking, en geen onplezierige. Er is daar veel veranderd en veel ten goede: onderwijs, hygiëne – dit laatste in samenhang met het eenvoudige uitroeien van allerlei insecten en de nadelige invloed daar weer van. Er zijn nog wel veel bedelaars, maar minder dan onder het koloniale regime. Er is eigenlijk veel te vertellen, wat ik nu maar nalaat, omdat ik anders deze brief in geen weken de deur uitkrijg. Ik schrijf op het ogenblik mijn bevindingen neer, hoop die uit te kunnen geven, en dan lees je het daar wel uit. Dat komt natuurlijk, omdat Java niet echt een ‘vacantie’ is, meer een ‘ervaring’. Bali is pas vacantie. Verlaten stranden, ruimte van zand, zon en zee, al dan niet door luxe omspoeld van hapjes en drankjes; af en toe iets toeristisch doen: een tempel, museum of werkplaats van een houtsnijwerker of schilder. Het hoeft niet zo. Je kunt van Bali gemakkelijk ook een ervaring maken, we hebben ernstige pogingen in die richting ondernomen, maar ik heb de indruk dat je je thuis veel beter op zo’n onderneming moet voorbereiden – iets te weten zien te komen over de godsdienst daar, de geschiedenis van het eiland, de mythologie, die er een grote rol speelt, bv. in de dansen – en iets proberen te begrijpen van de muziek die daarbij (en niet alleen daarbij) hoort. We zijn in ieder geval van plan Bali nog eens, en beter, tot onze volgende vacantiebestemming te maken.
De thuiskomst was er éen van ‘uit de zon en in de regen’, – nu al wekenlang, ten gevolge van een onrechtvaardige verdeling van stralende luchten in het zuiden (met vele doden in bv. Griekenland) en een bewolkt bestaan in het noorden. Jullie boffen, daar in Frankrijk. Groeit Carl nog wel? En hoe gaat het met mijn kleine vriend Arthur? Machteld laat beiden van haar groeten. Weet jij wat ‘énarque’ betekent? Zo niet, wil je het Bernadette vragen? Leo leest een artikel, waar dat woord in voorkomt en vermoedt dat het een titel is voor een geleerde, – zoiets als hoogleraar, en wil nu persé de betekenis ervan kennen. Het arme kind heeft in Indonesië wel bijzonder geleden: vijf dagen ziek door diarrhee en de laatste twee door migraine. Ik zei nog: roep toch een dokter. Maar dat wilde ze niet horen, tot ze tenslotte toch toegaf, wondermedicijnen kreeg en in éen dag van de problemen af was. Machteld en ik hadden nergens last van, en Leo beschouwt ons sindsdien als ‘vreemden’: onblank, onhollands, oneuropees, ondoorgrondelijke Aziaten. Die toch enorm veel van haar houden, als ze dat maar niet vergeet.
Joh, ik ben plotsklaps tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde benoemd. Koortsachtig vroeg ik me af, wat ik nou weer verkeerd had gedaan – het zullen die Tropische jaren wel zijn (ten gevolge waarvan ik een uitnodiging kreeg – van de Jan Campertstichting – een forum van vier geleerde heren voor te zitten over de dekolonisatie van Indonesië; ik weet nog niet wat ik doe). Ik heb na lang nadenken de benoeming tenslotte aanvaard: ik ben – helaas – geen WFH2SO4. 113 Noblesse oblige.

Mijn oudste dochter, Andrea, vraagt mij jou te vragen, of je ruimte hebt (of evt. weet, bv. bij buren van je) om haar geliefde

[p. 2]

voor een tijd te herbergen. Hij is geluidstechnicus bij Jango Edwards, een Amerikaanse comedian, die gedurende drie maanden in Parijs moet optreden. Hij zoekt alleen onderdak, is vrijwel de hele dag op of aan het werk, waar hij ook eet. Veel last heb je dus niet aan hem, evt. en hij wil voor het onderdak ook graag een schappelijke prijs betalen. Bovendien heb ik een aantal ‘vrijkaartjes’ voor je bedongen, want ik weet dat je nogal gek bent op theater, en zeker wanneer dat een beetje de absurdistische kant opgaat. De jongen (Jan – opeens weet ik zijn achternaam niet) is erg aardig, maar wat verlegen en daardoor niet al te spraakzaam. Maar hij is kok geweest (daar zou ik, als ik jou was, ook graag misbruik van maken) en hij weet alles van wijn – kwaliteiten die ik persoonlijk hoger aansla dan de geluidstechnische, waar hij óok alles van weet. Overigens zal hij in de weekends in Nederland verblijven, zodat alleen op door de weekse dagen zijn aanwezigheid geduld moet worden. Zijn eerste werkdag in Parijs is op 23 augustus, dan moet hij dus onderdak zijn, hetzij bij jou, hetzij, via jou, bij een relatie van jou. Kun jij hier de helpende hand bieden? Zoniet: sans rancune, maar wil je dit dan bijtijds laten weten?
Dan kan ik Andrea je telefoonnummer geven, en kan zij de zaak verder direct met je afhandelen. (Jan is niet zo’n handige prater, zeker niet met onbekenden en over de telefoon – maar laat maar niet merken, dat ik je daarover ingelicht heb, s.v.p.) .
Ik moet je nog steeds bedanken, geloof ik, voor je zending Harry Mulisch – Donner. Donner: wat een tragiek voor een man die eens een aforisme van Wittgenstein omboog tot zijn tegendeel: ‘Waarover je niet spreken kunt, daarover moet je lachen’. Ik mis dit, als citaat in het stukje van Meysing. Maar als ze het wel had willen gebruiken, was het ook een heel ander stukje geworden. Beter, denk ik. Want Donner lacht in ieder geval, en is niet de stoïcijn die door zulke stukjes van hem worden gemaakt. Ontving je mijn kaart uit Indonesië met de laatste zet in ons correspondentieschaak?

Ik hoor graag spoedig van je.
Hartelijks van ons voor en aan jullie, je

Rudy


46.

[Brief in typoscript, 1 blz.]

2313 AN Leiden
14 okt. 87

Beste Hans,

Wat een zorgen nu weer: vet in het bloed; dieet, pijp en melk om dat er weer uit te krijgen… En twintig jaar lang roofbouw. Je léek hier in ieder geval twintig jaar: een bliksembezoek, een hoop gelach en nauwelijks een gesprek of enige gedachtenwisseling – dat vond ik wel heel jammer, dat het zo merkbaar was, dat je in zeven sloten tegelijk loopt, juist als je jezelf zou moeten zijn. ‘t Is iets van je dat ik niet ken of kende, maar ik kan het me voorstellen: voor jóu moet het een feest geweest zijn, een echte uitspatting, de remmen los – en dan de kater. Je medicus en ik zijn het erover eens, dat je maar even wat rustig aan moet doen, en wij hier in Leiden hebben je ‘t liefst zoals je bent. Natuurlijk geldt het logeeraanbod nog steeds: we verheugen ons op jullie komst.

Indonesië heeft mijn geschrijf onderbroken: ik heb de roman even aan kant gezet en ook het reisverslag 114 voorlopig, en ik heb me in een paar boeken verdiept, de geschiedenis en de Indische literatuur betreffende. Het tijdschrift Indische Letteren organiseerde in samenwerking met de Jan Campertstichting een lezingencyclus met een forum achteraf, dat ik moest voorzitten. 115 Iets waar ik enorm tegenop zag, maar Leo zei: ‘Dan moet je maar niet over dat land en die tijd schrijven’. Het viel mee. Professoren zijn natuurlijk gewend te discussiëren, en dat liep op rolletjes. Van echt ‘leiding geven’ aan het gesprek hoefde het dus niet te komen. In dat tijdschrift verschijnt nu binnenkort, hoop ik, een art. van mijn hand, dat persoonlijke ervaringen door de geschiedenis en de literatuurgeschiedenis heen weeft. 116 Ik zit opeens in een heel ander circuit, temidden van mensen die zich niet zo verdiept hebben in Vestdijk, Mulisch, Lucebert e.v.a. Voor de laatstgenoemde eis ik in dat artikel nog de aandacht op, omdat hij immers ter gelegenheid van de 1e politionele actie in ’48 zijn minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia schreef. Intussen neem ik een bepaalde positie in: altijd geïnteresseerd geweest in de Nederlandse letteren, en nu ook in de Indische: ben ik dan niet voorbestemd om een studie van de Indische tijd van Koos Speenhoff te maken? Hollandser dan Speenhoff is niemand. Wat vrat hij daar in Indië uit? Daar wil ik achter zien te komen, uit recensies die er in die tijd in Indië geschreven zijn. Uit zijn gedichten die hij toen schreef. Welke contacten onderhield hij, en is daarachter te komen?

Oja? Een boekje over Atila de Hun? Is dat onder invloed van Jan Cremer? Waarom vertel je daar niet iets meer over? Ik weet zo goed als niets over de man en ben er dus nieuwsgierig naar. Vertel ervan, vertel… Ik voor mij beschouw hem als iemand die de verbreiding van het Christendom zeer heeft bevorderd door zijn gedrag, en het verbaast me niet dat men jou uitnodigt deel te nemen aan een bijbelleeskrans. Hebben ze je soms te vaak in de buurt van Heeresma gezien?

Machteld is met de school ‘op kamp’. Twee dagen ravotten in het teken van het ‘stenen tijdperk’, om de zin voor geschiedenis bij de kleintjes op te wekken. Romantischer tijd is moeilijk te verzinnen: de mens in het grijs verleden. Als Leo zich voor geschiedenis interesseert, dan voor de prehistorische. Ik ben blij te horen dat het Arthur goed gaat op school. Leer hem toch vooral ook wat Nederlands, spelenderwijs. Dat breidt zijn wereld uit langs de hele kuststrook van Frankrijk, België en Holland. Kinderversjes, wiegeliedjes – daar moet het leuk mee te doen zijn: onze taal is nu eenmaal een poëtische en muzikale taal, en in die liedjes niet al te moeilijk.
Hans, het allerbeste: groet iedereen van ons en laat weer es iets horen.

Rudy


47.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

14 maart 88

Beste Hans,

Ik werk langzaam de laatste tijd. Vroeger schreef ik het ene stuk na het ander, ‘essayistisch snelvuurkanon’ zei Oversteegen. 117 Moet je me nu zien. Met Speenhoff ben ik al aan het pielen sinds de vorige zomer, en wat heb ik op papier staan? Tachtig bladzijden zijn er af, er komen er misschien nog veertig bij – en dat is ‘voorwerk’, een fundament of eigenlijk nog eerder de blauwdruk voor een fundament. Wat heb ik gelezen en eindeloos herlezen en grondig nagevorst? Een boek van Aad de Haas, een paar essays van Greshoff, bij elkaar nog geen dertig pagina’s, een kranteknipsel van Walraven. 118 En het beeld dat van Speenhoff oprijst, wijkt natuurlijk af van wat ik daaruit te weten kwam, maar niet op een andere manier dan tot stand gekomen zou zijn, wanneer ik aan de slag was gegaan zoals ik dat vroeger gewend was. Dan kreeg ik wat gegevens onder ogen, associeerde links en rechts en bereikte soms een aardig resultaat. Ik ga wat zorgvuldiger met het materiaal om, nu – een zeker teken dat ik wat rustiger geworden ben.
Ik schrijf je dit om een beetje begrijpelijk voor je te maken, dat ik het beantwoorden van je laatste brief tot nu toe heb uitgesteld. Hoe rustig ik zelf ook ben, die Speenhoff laat me niet met rust. Ik word naar dat werk gedreven, ik moet daar iets aan doen, en zo verwaarloos ik mijn vrienden, ofschoon ik toch dagelijks op sta met de gedachte, dat dit een mooie dag zou zijn, om iemand, desnoods een onbekende, voor éen keer eens een plezier te doen. Fraakskuus, zou Multatuli zeggen, en ik zeg het hem nu maar na.
Overigens is deze inleiding al een beetje een antwoord op jouw dilemma. Ben je een té ijverig huisman; ga je te weinig de deur uit om iets voor je zelf te ondernemen? Ik kan je daarin niet raden. Je wilt naar een bioscoop, een museum, een concert, omdat altijd thuis zitten niet goed zou zijn voor de geest. Maar als je iets te doen hebt, zou je met gemak thuis kunnen blijven, omdat je ‘er’ dan toch uit bent; in ieder geval vergeet je je omgeving, wanneer je intensief met iets anders bezig bent, dan met je zelf. Beluister ik de toon van je brief goed, als ik veronderstel dat je je eigenlijk heel diep verveelt? Veel mensen denken dat ze iets met plezier ondernemen, en dat het daarom ook leuk lukt. Het is andersom: als je aardigheid hebt in je zelf, dan lukt het werk dat je aanpakt goed – wat het ook is. Ik bedoel: men moet zich een dokter kunnen veroorloven. Ze nemen maar al te gemakkelijk de plaats van een biechtvader in, die artsen. Ze raden je dit aan en dat aan en het gevolg is dat je dood gaat of beter wordt. Maar dat gebeurt zonder dokter even goed, zoals Hermans immers zegt. Je moet van je eigen wel- of onbehagen uitgaan. Je weet toch, dat kinderen die in hun jeugd aan chocola verslaafd zijn, daarmee een latent alcoholisme verraden? Dat worden later de grote dronkaards. Zulke dingen door te hebben is veel belangrijker dan alle recepten en pillen die bevriende artsen maar geven kunnen. Met recepten en pillen wordt niemand uitgenodigd ook maar enige poging tot zelfdoorgronding te ondernemen. Wanneer het dus verveling is, waar je door geplaagd wordt, moet je dat bestrijden, en wel door het tegendeel na te streven, en dat is niet verstrooiing (bios, concert, museum) maar concentratie, zoals je als Japanees vechter ongetwijfeld weet. Je moet n.m.m. de gezondheid niet al te ernstig nemen, en je een zeker recht op het tegendeel niet zo maar laten ontzeggen. Een beetje ziekjes zijn, vindt ieder kind altijd erg plezierig – waarom zou dat met ons anders zijn?

[p. 2]

Mijn ‘arbeidsongeschiktheid’ bevalt me uitstekend.

Wij zouden eens een tijd van huis moeten wisselen. Jij en de jouwen in het onze, en wij in dat van jullie, bv in een zomermaand.
We hebben in de achtertuin een doorgang naar een brandgang afgesloten en kunnen dus eigenlijk alleen de voordeur maar uit, waarmee je practisch meteen al op straat staat. ‘t Is een directe verbinding met de buitenwereld. Het charmante van jullie huis is, dat je er langs een zijdeur binnenkomt, nadat je eenmaal een gemeenschappelijke doorgang gepasseerd bent. Er is een barrière tussen huis en buitenwereld: de tuinen achter je huis horen eigenlijk tot een afgescheiden wereldje dat ook – een beetje – van jou is. Je hoeft eigenlijk alleen maar even buiten die zijdeur te gaan, of je bent al niet meer ‘op je zelf’ en toch nog niet in de echte, grote wereld. De afbakening is bij jullie grondiger dan bij ons, ook al doordat jullie in de gevelmuur geen grote doorzichtige ramen hebben, die een zeker contact tussen binnen- en buitenwereld mogelijk maken. Het sociale verkeer met de naaste buren is daarom juist heel makkelijk, en het binnenlopend bezoek – bv de postbode of melkboer – leer je makkelijk kennen. Dat is bij ons niet zo. Wij kennen zelfs de naaste buren maar van ‘dag’ zeggen…
Wat vind je van het idee? Je weet toch, dat Nederland éen van de goedkoopste vacantielanden in Europa is? Het enige bezwaar dat je tegen een vacantie in Holland hebben kunt, is geloof ik, de onbestendigheid van het weer. Maar in de meeste huizen in Holland lekt het niet en met de trein zit je binnen tien minuten in het Letterkundig Museum in Den Haag. Dat is een voordeel van onze voordeur – waar ik met mate gebruik van maak, zonder me veel van het weer aan te trekken. Alleen je kinderen – die vinden hier zo gauw geen kameraadjes.
Ik vind het fijn te horen dat het met Arthur zo voortreffelijk gaat. Feliciteer hem maar van ons met zijn rapport. Matti heeft geen paasrapport. Ze krijgt er drie per jaar, maar niet met Pasen. Natuurlijk gaat het ook haar heel goed op school. Wat problemen met rekenen, niet uit gebrek aan intelligentie, maar uit gebrek aan belangstelling voor de geometrische kant van onze geest – wat ze toch nodig zal hebben, als ze in de toekomst ernst wil maken van een loopbaan in de beeldende kunsten (wat ik hoop, – maar ja…). Ze is, zoals je uit het bovenstaande af kon leiden, veel alleen. Maar met de bus zit je in een half uur op een brandschoon strand in Katwijk, heel intiem is dat strand: een ‘familie-strand’, anders dus dan Scheveningen met dagjesmensen uit de hele wereld plus radio, petat en mayo. [In handschrift: ‘Katwijk: leuk voor Arthur’]
Daisy is op zoek naar een onderkomen voor Aimé’s nalatenschap. Ik betwijfel of haar dat lukt, maar hoop het van harte. 119 Van Speenhoff, die zoveel naliet, ook aan schilderwerk, is bijna niets meer terug te vinden – speciaal van dat laatste niet, wat erg jammer is. Hij heeft zich in de oorlog zeer misdragen, en deze verwaarlozing is een zekere wraakneming op de man. Je weet toch, dat hij bij het Britse bombardement op het Bezuidenhout omgekomen is? Er werd van hem verteld dat een bomscherf de man onthoofd zou hebben. Wish-ful thinking. Men gunde hem dat graag en vertelde dus dat het zo was.
Beste Hans, ik laat het bij deze. Hartelijks drie maal vier, en laat niet zo lang op je wachten, als ik het doe [In handschrift: ‘met jou’].
je

Rudy


48.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

Herenstraat 116

20 maart [1988]

Beste Hans,

Jammer dat jullie niet komen. We hadden ons er een beetje op voorbereid dat dat nu juist wel gebeuren zou. Maar ik kan me de omstandigheden voorstellen: de Ardèche, de kosten, en dus ook het afzien van een korte vakantie. Voor jou trouwens ook nog een soort afzien van een gedragspatroon, dat je sierde, maar dat je misschien overdreef. In het algemeen vind ik, dat je je afwijkingen moet verzorgen. Ze maken je apart. Ieder mens is in wezen gezond, vooral als hij ziek is op zijn eigen manier. Depressies zijn er een teken van, dat aan die gezondheid een einde is gekomen. Nu je weer op peil bent, 68 kilo i.pv. 74, moet je je afvragen, of de dictatuur van het ‘normale’ – dieet, rantsoenering van drank en evt. snoep (je noemt dat in je brief: persoonlijk hou ik absoluut niet van snoep) – nog recht van bestaan hebben in jouw geval. Men moet met zijn ziektes om kunnen gaan. Ik ben al van mijn negende jaar af een buikpatiënt. Als ik steeds maar weer zou doen, wat de dokters me als een gezonde levenswandel voorhouden, zou ik stellig een depressieveling der eerste klasse zijn geworden. Laat je niks aanpraten, jongen, – gebruik je hersens. Je herstel is natuurlijk een welgemeende gelukwens waard, maar nu dat herstel er is, moet je je afvragen, of die depressies niet een beetje terug gedrongen kunnen worden door een beetje toe te geven aan de eisen van je lichaam, dat nu eenmaal niet het lichaam van de arts is, of van de diëtist. Het is niet zo – dat moet je toch in kunnen zien – dat je je door een glaasje meer weer gezond voelt, maar dat je, omdát je je gezond voelt, eenvoudig recht hebt op een glaasje meer. Veroorloof je het recht, om zelf te beslissen, wanneer je gezond bent, en laat je door niemand een oor aannaaien [In handschrift: ‘ – en weet maat te houden’].

Geld hebben wij ook niet, voorlopig. We hebben grote kosten gemaakt met een inwendige verhuizing: Mat heeft een groter kamer gekregen, en ik heb in een kleinere mijn boeken ondergebracht, die ik beneden niet meer bergen kon. Tegelijkertijd hebben we een paar dingen in huis vernieuwd, en dan staat ons ook nog het ‘groot onderhoud’ van het huis te wachten in de komende lente. Voor een zomervakantie ontbreekt ons waarschijnlijk het geld – dus misschien dat we in de zomer een paar dagen uittrekken voor Parijs. De pyramide, het nieuwe museum – waar staat het? – en nog zo’n paar dingen die we willen zien.
Met de nieuwe roman schiet ik niet op. Ik had er al een aantal hoofdstukken van af, toen ik er opeens de brui aan gaf, omdat ik me toch eigenlijk liever verdiepte in het leven van Speenhoff, waar ik met veel enthousiasme aan begon. Ik ben nu tot de na-oorlogse periode gevorderd (d.w.z. tot 1919 en de jaren ’20), en nu begint ook dat me weer op te breken. Peter Verstegen, van het tijdschrift De tweede ronde, had gehoord, dat ik bezig was met een roman, spelend in Indonesië, en vroeg me om een fragment ervan. Toen heb ik die roman weer opgepakt, die me tegenviel, en schreef een volkomen ander eerste hoofdstuk met behulp van de stof die ik al had. Dat leek me heel geschikt en dat stuurde ik op. 120 Hij belde erover, wilde het hebben, en hoorde me uit over de rest, waar ik natuurlijk ook geen fluit van wist, omdat er nog niets van op papier staat. Ik heb werkelijk geen idee, welke kant het op gaat met dat boek – terwijl hij gelooft, dat ik daar wèl iets over kan zeggen. Allerlei muizenissen nemen me op het moment in beslag: belastingpapieren.

[p. 2]

Afspraken met mensen die je nu eenmaal niet verwaarlozen kunt, maar die erg veel van je tijd opeisen. Verscheurd raken door Speenhoff en de roman. Wat je doet aan het ene, ontneem je aan het andere, en zo kom je tenslotte eigenlijk tot niets.
Weet jij, dat Jan Molitor (= Aimé van Santen, het zorgenkind van Daisy Wolthers) dood is? Ik zag hem verleden winter voor het laatst in R’dam, in zijn huisje, dat eigenlijk een bewoonde boekenkast was. Hij lag op bed, ontving me op bed, en schonk op bed enorme hoeveelheden thee voor ons in uit een thermosfles, waarbij hij voor zichzelf twee glazen nodig had om de thee wat af te koelen door die steeds van het ene in het andere glaasje leeg te gieten. ‘Ik leid een liggend leven,’ zei hij. Eens in de week kwam hij uit zijn hok om op de boekenmarkt zijn slag te slaan. Aan beeldende kunst deed hij helemaal niets meer. Hij heeft [in handschrift: ‘altijd’] wel veel werk verzet voor zijn ‘taaltheorie’, waar hij veel over vertelde op die onnavolgbare manier van hem, die steeds onduidelijker maakt, wat hij gelooft duidelijk te maken. Hij wees op een paar klappers van een geweldige omvang. Daar stond alles in. Toen ik na een paar uur zei, naar huis te zullen gaan, stond hij op, kleedde zich aan en kondigde aan me weg te zullen brengen naar de bushalte. Hij was toen waarschijnlijk al ernstig ziek. Buiten was het ongelofelijk guur: het sneeuwde met vlagen, er stond een strakke wind – maar in R’dam waait het altijd, overal. Om de tien stappen hield hij stil. ‘Wat is er?’ vroeg ik. ”Het is niets,’ zei hij. Maar tenslotte bekende hij mijn toch wat slome tempo niet bij te kunnen sloffen. Dat is toch een ongelofelijk teken van vriendschap, vind je niet? Hij wilde een nieuwe afspraak maken, toen we eenmaal bij die bushalte stonden; maar ik vroeg me af, wie hèm nu weer naar huis zou brengen. ‘Bel me daar maar over op,’ zei ik, maar daar is het niet meer van gekomen, en ik van mijn kant, heb ook het zwijgen bewaard. Op de begrafenis hoorde ik dat hij een long- èn hartziekte had. Daisy las een brief voor van een goede vriend van Aimé, die hem heel raak typeerde: die wenkbrauw die hij optrok bij ironie of ongeloof. Een ander vertelde, dat hij de vrijheid tegemoet gewandeld is, toen Zuid-Nederland al bevrijd was, en hij nog in het Noorden van die vrijheid afgesneden was. Hans Sleutelaar, met wie hij in diens Gard Sivik-tijd dagelijks omging, was er ook, en ook hij had [in handschrift: ‘, net als ik,’] het overlijdensbericht (‘je schrikt je toch dood’, zei hij) uit De Volkskrant gelezen. Vreemd dat er in de pers niets over Aimé geschreven is. Maar dan: wie zou dat kunnen? Het is vreemd, dat hij zo onbekend is gebleven. Hij wilde dat geloof ik, net zoals Kafka, die misschien een beetje zijn voorbeeld was. Dat hij belangrijker is, dan de zwijgzaamheid alom doet vermoeden, wordt door anderen dan zijn tijdgenoten nog wel ontdekt.
Nu, Hans, dit waren zo’n beetje de gedachten die me op deze eerste lentedag voor de echte lente (morgen) te binnen kwamen.
Hou je goed en groet allen van ons, en wat jou betreft, blijf gezond en verdrijf de depressies,
hartelijks,

Rudy


49.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

Herenstraat 116
2313 AN Leiden

25 mei [1988]

Beste Hans,

Dit is mijn antwoord op je brief van 20 april, schandelijk hè? Mijn excuses voor dit enorme uitstel.
Ik heb nu de grondslag gelegd voor een evt. Speenhoff-biografie, en kan je nu eindelijk antwoorden zonder tijdens het werken daaraan geplaagd te worden door afdwalingen naar Speenhoff toe. Ik zal dat boek van Dick Welsink eens bekijken. Ik heb het wel eens in handen gehad, maar het niet echt bekeken. 121 Wat is dat voor een bandopname die je van Wim Kan bezit? Kun je mij daar geen copie van leveren? Ik heb die band nl. niet en ben er eigenlijk heel nieuwsgierig naar. Van welk jaar is dat ding? Ja, Speenhoff beheerste drie of vier accoorden op de gitaar waar hij mee overweg kon. Wonderlijk dat hij nog heel fraaie melodieën heeft weten te componeren, die men hem ontstolen heeft in de tijd dat het auteursrecht nog niet bestond (voor 1912).
Ik zag Johnny van Doorn op de tv. Hij maakte een uiterst zielige indruk op mij: de tragiek van een toneleur op zijn retour, bang voor de ouderdom en verlies van de gunst van het publiek. Ik kan me vergissen, maar het leek hier in ieder geval heel veel op. 122 Claus heb ik in het begin wel gevolgd. Ik had een zekere bewondering voor zijn toneelwerk, en heb de première van Een bruid in de morgen gezien. Naar die Andrea is mijn eerste dochter genoemd. Al mijn andere kinderen hebben zuiver Nederlandse (Friese) namen. 123 Van zijn boeken – ik bezat er toch zeker een dozijn – bewaarde ik Tancredo Infrasonic. 124 De rest deed ik weg, allemaal boeken in eerste druk. Mijn eerste argwaan tegen hem, begon ik te koesteren, toen ik zijn boek over Karel Appel las, in een erbarmelijk Nederlands geschreven. Hermans vroeg hem eens om opheldering over een of meer regels in een van zijn gedichten (de Oostakkerse?) en die kon hij niet geven, zich beroepend op de dichterlijke vrijheden, vond hij dat hij maar moest schrijven wat hij schreef. Zoiets. In ieder geval heel zwak. Helemaal verwerpen doe ik hem niet (ik bedoel natuurlijk zijn werk), maar men moet als lezer ook eens op zijn gemak iets kunnen lezen, en niet altijd met een hart vol argwaan. Hermans is het met Elburg in het oordeel over Claus wsch. niet eens. Jij ziet zijn veelzijdigheid, nu dat is tenminste iets dat niet valt tegen te spreken.
Je verveling – ik was er al een beetje bang voor. En door de telefoon de verontrustende mededeling van een ‘mid-life’ crisis. Begin daar in vredesnaam niet aan, jongen. Je weet hoe zulke dingen opeens een eigen leven gaan leiden. De mens gaat op zoek naar de waarheid. De biechtvader (psychiater, arts, advocaat, etc) schieten hem te hulp.
‘Ik heb gezondigd tegen het zesde gebod vader’.
‘Hoe vaak, ellendige zondaar?’
‘Zeer vaak, vader, het getal ontschiet me’.
‘Met éen of meer partners? en van welk geslacht? en met zijn tweeën, of in groepen?’
‘Vader, u brengt me op ideeën…’
‘Op welke ideeën, mijn zoon?’
Ik zou wel eens buiten de pot willen piesen…’
‘Mijn zoon, mijn zoon, de gedachte alleen al is een doodzonde’. En voor je het weet, heeft hij de waarheid al ontdekt, nog voor je iets, wat dan ook, ondernomen hebt. Je biecht zonden op, die je niet hebt begaan, die je nooit zult begaan, maar waarvoor je in ieder geval gestraft zult worden. Een midlife-crisis is zo’n niet-bestaande

[p. 2]

zonde. Blijf daarvan uit de buurt. Je lijkt me voor suggestie nogal gevoelig en gelooft misschien dat je door ascese – niet drinken, niet eten – van je zonden zult worden verlost. Dwaasheid. Men moet zijn gezondheid niet al te serieus nemen, en zich een recht op een of meer afwijkingen van de norm niet laten ontfutselen, want in werkelijkheid is juist dat datgene, waardoor men je tot zondaar verklaart. De advocaat, de rechter, de dokter, de priester heeft gelijk. Zij maken zich druk om mijn heil en zieleheil. Ze maken zich meester van je, geloof me. Ze drukken je in een hoek. Met de dag neemt de wanhoop toe en de zekerheid dat je van een of andere crisis het slachtoffer geworden bent. Een modieuze crisis, een crisis die niet eens bestaat als jij dat niet wil. Je moet in deze jaren eigenwijs, merkwaardig en raar zijn, als je wilt overleven. Veel te veel mensen leven eenvormig, naar een model dat nergens op slaat, als je even nadenkt. Ieder mens is uniek. Hoe kan dan een door anderen verzonnen model van toepassing zijn op dat unieke? Het is allemaal godsdienst en ideologie en getob over de waarheid. Als je van je gezin houdt, laat dan niemand je vertellen, dat het ‘eigenlijk’ heel anders in elkaar zit met jou, maak zoiets niet eens je zelf wijs. Lukt dat, dan is opeens die hele crisis weg. De kruitdamp trekt op, er zijn weer blauwe plekken aan de lucht, en opeens kun je ook weer werken, zonder absolute stilte, desnoods in de drukte van een kroeg of een metro. Dat is gezondheid. Zo is die Arthur Miller natuurlijk ook 73 jaar geworden.
Ik bezit van Arrabal een prachtig boek, met werk en foto’s van de man. Heel interessant. Ik weet niet of ik dat interview van Vinkenoog bezit; het zou kunnen, ik heb een aantal afleveringen van Randstad 125 boven staan, nogal ontoegankelijk weggezet, uit misplaatste zuinigheid, blijkt nu. Als ik mijn boekenkast weer eens overhoop haal, zal ik eens kijken, of ik het heb.
Ja, woningruil – het hoeft natuurlijk niet op stel en sprong, maar als het eens een keer schikt, deze zomer of een van de volgende. Ik hou ook niet van het strandleven, vooral in Holland niet, waar men nogal slordig is met de ‘schillen en de dozen’, naar er is hier natuurlijk en vooral voor jou, nog wel iets anders te doen dan zand, zee en zon.
Le Pen is een lul. De Fransen hebben dat wel, die xenofobie. Ze zijn te lang onder invloed geweest van lieden die hen op de voorste plaats in de wereld hebben willen brengen, van Louis XIV af tot heden toe, is het La Gloire de France. Tot in Nw. Caledonië toe. Indo-China, Algiers, wat hebben ze al niet afgewerkt en de kous op de kop gekregen, en toch maar weer opnieuw laten zien dat ze niet voor de poes zijn. Ik ben blij dat je met die vriend gebroken hebt, en ik hoop dat hem die eer bij anderen ook te beurt valt. Men moet zulke lui isoleren. Men moet ze van meet af als vijand beschouwen. Men moet ze nooit onderschatten. Dit zijn mensen die altijd willen ‘zuiveren’ . Mensenrechten zeggen hen niets. Dit is een tweedeling die me bevalt: rechts zuivert, links bekommert zich om de rechten van de mens. Men moet niet willen ‘zuiveren’. Men moet gewoon geen klootzak zijn.
Gisteren was ik op de Kunst-RAI, op de opening door Brinkman 126 en daar ontmoette ik Lucebert, die niets verkocht had, waar anderen het ene succes na het andere in hun kasboek schreven. Hij was dik en oud geworden met spierwit, heel kort geknipt haar. Hij stond ook moeizaam op om me te begroeten, een beetje steunend en tikkeltje gebogen, maar nog altijd met die vriendelijke oogopslag. Ik vertelde hem dat geen sterveling meer essays van me wilde hebben (dat is echt zo) en dat verbaasde hem enorm. Mijn roman kende hij niet, maar ik vertelde hem over Indonesië, dat ik daar geweest was, en dat ik had gezien hoe de gelijkwaardigheid van de na-oorlogse Indonesiër met elke andere wereldburger een ander mens van zijn vooroorlogse broeder had gemaakt: dat juk was weg, en dat merk je aan die mensen. Nu Hans, tot schrijfs, en dit keer doe ik dat gauw. Hartelijks voor jullie allen van ons, je

Rudy


50.

[Brief in typoscript, 3 blz.]

2 juni 88

2313 AN Leiden

Beste Hans,

Zojuist ontving ik je brief, waarvoor hartelijk dank. Dit keer antwoord ik onmiddellijk,- dat zou ik eigenlijk altijd moeten doen: ik streef er voortaan naar.
Dat van Bernadette wist ik niet, wat is dat spijtig van die kwaal, of is het geen kwaal? Ik ken een jongen – nu ja, van twintig jaar terug, die tegen een teveel aan energie pillen slikt. Doet hij dit niet, dan slaat hij de boel kort en klein, niet uit vandalisme, maar omdat hij zich niet meer remmen kan, als hij eenmaal de geest heeft. Dit zijn uitzonderlijke toestanden. Wat ik jou schreef in mijn vorige, sloeg níet op het uitzonderlijke, maar op de algemene opvatting dat het beter is om niet te drinken en om niet te eten, zo’n beetje als een fakir te leven, niet om de kwaliteit van het leven te verhogen, maar om dit te rekken, desnoods bij verlies van plezier erin. Ik maak uit je brief op, dat je het daar wel mee eens bent, en ik knap er echt van op van je te horen, dat er weer zonneschijn is, na dat beetje regen. Uitstekend. Ik merk ook aan je brief dat je meer op je gemak bent in het schrijven, dan je vroeger was: er staat éen (kleine) fout in [in handschrift: ‘(Nee – drie kleine)’].
Hermans’ door mij bedoelde uitlating heb je precies weten op te sporen; ik dacht dat het om een Oostakkers gedicht ging. Daar staan ook dingen in, waarvan ik denk: wat wil deze tekst nou precies? Ik denk dat ik ook wel een beetje weet, hoe die afstand tussen Claus en mij uitgelegd moet worden. Ik sprak als kind ook een soort van Nederlands van eigen vinding. Geen vinding van mij, natuurlijk, maar van een hele volksgroep: Indo’s. In Nederland leerde ik Nederlands, zoals dat hier gesproken wordt, in het algemeen (A.B.N.). Dan komt er een Vlaamse schrijver met Vlaamse problemen, die hij je voorlegt in een taal, die niet bestaat. Dat is voor mij te veel. Als ik in Holland of in Vlaanderen geboren was, kon ik dat m.i. makkelijker volgen, maar dat is nu eenmaal niet het geval. Al die dingen die jij schrijft, die heb ik eens geweten, lang geleden, toen ik nog leraar was (en me dus ambtshalve wel met Claus moest inlaten). Dat van die ‘eigen taal’ was ik kwijt, maar ik ben je er dankbaar voor dat je me daar weer aan hebt herinnerd.
Voer is een gewoon Nederlands woord, en het heeft de betekenis van ‘eten’, ‘voedsel’ maar dan uitsluitend m.b.t. dieren. Hermans’ conclusie is juist – bij mensen spreekt men van ‘voedsel’, ‘kost’, ‘eten’. Maar de bedoeling van Mulisch is geweest, de psychologen níet als mensen te beschouwen, maar als beesten: ‘En nu – het voer staat opgediend, H.H. psychologen! Vandaag eten wij mensenvlees. Mahlzeit! Dat jullie er geen indigestie van mogen krijgen, kannibalen met je vegetariërziel’. 127 Een smakelijke maaltijd schotelt hij ze dus niet voor. Hij beschouwt de vaklieden als slobberaars, die het heerlijk vinden, wanneer hun slachtoffers hun kamerpotten vol ellende over hen uitstorten. Hoe meer geheimen ze aan hun patiënten kunnen ontlokken, hoe mooier ze dat vinden. Hun diepste gedachten, hun verborgenste fantasieën moeten ‘verklaren’ dat ze er zus of zo aan toe zijn. Aaseters. Maar voer is geen germanisme. [In handschrift in de marge: ‘Hermans zegt dat schoolmeestersbloed beter is dan wijwater. Nu, ik ben een nog veel groter schoolmeester dan hij.’] Het is de modernisering van het oude en verouderde ‘voeder’: ‘spijs, voor zover de mensen het aan dieren verschaffen’ zegt de Van Dale van 1924, in welk boek je het woord ook op moet zoeken onder ‘voeder’.
Naar je bandje en de copie ben ik heel benieuwd, – ik kijk er naar uit. Van mijn verhaal in De tweede ronde 128 kreeg ik éen bewijsnummer en geen overdrukken. Ik zal je het boekje toesturen, en krijg het

[p. 2]

dan t.z.t wel weer terug.
Ik merk dat ik, blind, op de achterkant van een tekening van Machteld zit te tikken. Het dorp fruitschaal in gevaar. Literair talent in het beeldende kun je haar toch niet ontzeggen…

Vanmorgen moest ik om half elf in Den Haag zijn, een rit van tien minuten met de trein. Zes minuten nadat hij vertrokken was, – ik zat in het voorste treinstel, omdat die het dichtst bij de uitgang stopt – voelden we een hobbel en hoorden we een korte, doffe klap. Een kilometer verder stopte de trein: de vaart maakt het onmogelijk de remweg korter te maken. Je schrikt je echt ongelukkig als je zo’n klap hoort. Gisteren dat ongeluk in Zeeland met twee doden en tientallen gewonden, en nu dit. ‘In verband met een aanrijding met vermoedelijk dodelijke afloop, zijn we gedwongen even stil te staan’, zei de machinist, die ook nog begrip vroeg voor dit besluit. ‘t Is heel raar, dat mengelmoesje van gevoelens dat er dan in je rond begint te spoken. Ik had geen overweg gezien, en trouwens, de trein stond midden in de polder met veel geboomte langs de beide sloten aan weerskanten van de trein. De mensen beginnen te praten en ook te zeiken over het openen van ramen door nieuwsgierigen, omdat het dan tocht. Tot het bekend wordt dat het oponthoud veroorzaakt werd door een zelfmoordenaar. Onmiddellijk is er dan een vrijwel theologisch debat: ‘zelfmoord is moord. Je hebt het recht niet om over je eigen leven te beschikken’. En tegenstanders van die opvatting. Het wagentje van de restauratie komt langs. De man heeft zelden zulke goede zaken gedaan. Ja, bij zo’n gebeurtenis willen de mensen wel iets drinken,’ zei hij. [In handschrift in de marge: ‘In Indië werd bij begrafenissen gezopen. Vrijwel bij, op ‘t graf: zó groot kan verdriet echt zijn.’] 129 Het oponthoud duurde ruim een uur: eer de politie in die wildernis ter plekke is, gaat er veel tijd voorbij. De nieuwsgierigen verbroederen zich, vertellen elkaar sterke verhalen over zelfmoorden uit hun kring: het is eigenlijk best gezellig elkaar zo te leren kennen, en voor ze het weten hebben ze hun ziel en zaligheid op tafel gelegd en gaan in Den Haag uit elkaar, alsof ze elkaar al jaren lang kennen. De machinist (je hoort altijd, dat ze kapot zijn van zulke ervaringen) bleef er laconiek onder. Over de intercom riep hij naar de conducteur: “Kan ie weer, Gerrit?” En Gerrit: “Wat mij betreft, kan ie”. Misschien is dat alleen maar bravour, en komt de kater veel later. In Den Haag moest iedereen eruit, omdat een ‘storingsmonteur’ de trein moest nazien: het ding is in zijn geheel over dat lichaam gegaan. Ik heb het nog niet helemaal doordacht, de gebeurtenis en mijn reacties daarop, vandaar de wat knullige manier van vertellen. Bij het uitstappen heb ik nog even naar de motorwagen gekeken, maar je zag eigenlijk alleen de modderspatten, die je altijd op die wagens ziet. Een bloedeloos geval, wat deze aanrijding betreft. Ik heb het vermoeden dat nieuws over spoorwegongelukken inspirerend werkt op gedeprimeerde mensen. Nietzsche raadt ons aan, als we dit soort problemen willen doorgronden, kinderen te observeren die huilen en schreeuwen opdat zij medelijden krijgen en daarom het ogenblik afwachten waarop hun toestand in het oog kan vallen. De gedeprimeerde weet dat hij de beschikking heeft over de macht om verdriet te doen: ‘Hij is nog altijd belangrijk genoeg om de wereld smart te berokkenen. Zo is de dorst naar medelijden een dorst naar eigengenot, en wel ten koste van de medemensen’. In spectaculaire zelfmoorden zit misschien dat streven naar macht om anderen – mensen die van deze zelfmoordenaar zelfs nog nooit hebben gehoord – verdriet te doen. Wat vind jij?
Vrolijk word je er in ieder geval niet van.
Martelaren hebben datzelfde, ook als hen vervolging, terechtstelling boven het hoofd hangt. ‘Dan verheugen zij zich in de gedachte dat

[p. 3]

de mensheid hun leer op deze manier ingesneden en ingebrand krijgt; ze accepteren dit als een pijnlijk maar krachtig, zij het ook traag werkend middel om toch nog macht te krijgen’. Maar het eigengenot lijkt hier meer altruïstisch te zijn [In handschrift: ‘(vgl. Jan Arends met bv. Mandela)’]. [In handschrift in de marge: ‘Ik kan hier nog heel lang met je over filosoferen: de motieven, hun rangorde, de rangorde Mandela/Arends etc. Ik zou ‘t ook graag doen, maar dan ‘t liefst mondeling: zoals dat was tussen jou en Victor. 130 Een brief is toch in wezen “surrogaat” – hoewel?’]
Leo solliciteert op het ogenblik naar een vet betaalde baan in Brussel, bij ‘Eurocontrol’. Belastingvrij salaris en meer dan ik binnen breng. Het werk vraagt rare vaardigheden, die ze zich in de loop van een paar jaar, door telkens maar weer van werkkring te veranderen, heeft eigen gemaakt – toevalligerwijs. Als je ziet, wat ze vragen en ziet wat ze kan, dan zou je zeggen, die baan stond voor haar in de advertentie. Maar het is een zware commissie die ze ‘nemen’ moet. De baan is open voor elke sollicitant uit de E.G. en de commissieleden – er zijn er vijftig – komen ook uit die landen.

Machteld is nu in het bezit van twee jonge poesjes, katers, beiden uit hetzelfde nest, dat ook niet groter was dan twee, zodat ze zijn groot gebracht met een overvloed aan kattenmoedermelk. Ze zijn dan ook groot voor hun leeftijd, en krachtig en toch even speels als hun soortgenoten van 6 à 7 weken. We hebben er nu dus vier, want één van de drie die we hadden, is (op Machtelds verjaardag) dood gegaan. Op weg naar de dierenarts gestikt, door een gebrek aan haar hartspier. Oud twaalf jaar. De andere twee zijn nu twaalf en dertien en hebben volstrekt geen zin in die jonkies. Mijn huis is dus een crèche en een bejaardentehuis voor katten. Het is dan ook een afspiegeling van de hedendaagse maatschappij; alleen de klasse der stoeiende yuppies ontbreekt. Machteld schreef voor onze huwelijksdag (gisteren: 12 jaar) een gedicht, dat ze dansend op de wijze van I’m bad (is dat Prince of Jackson?) voordroeg: een fantasie op de toekomst, wanneer ze borsten zou hebben. ‘Ik ben zo vet, zo vet’. Ze had de kwetsbare plaatsen onder haar trui daartoe opgevuld. Een paar regels wil ik je niet onthouden:

ik kom er nooit van af
Ze gaan mee in mijn graf…

Waar zo’n kleintje al niet aan denkt.
Beste Hans, ik kap halverwege de bladzijde. Ik moet een paar chèques uitschrijven teneinde te verhoeden dat de deurwaarder beslag komt leggen op de boedel. Je ziet, ik leef niet zonder zorgen.
O – ik heb mijn medeleven nog niet tot uiting gebracht met het teloor gaan van een deel van je archief. Wat eeuwig zonde is dat nu. Zul je er niettemin toch niets van wegdoen? Je krijgt er zeker éen keer spijt van als je dat doet of deed. Wanneer je aarzelt of je iets weg zult doen of niet, moet je ervan uitgaan, dat die aarzeling een vingerwijzing is om in vredesnaam alles maar te bewaren. Hoe rotter het eruit ziet, hoe mooier, vind ik. De dingen leven ook. Kijk maar naar al die kapotte zuilen en beelden in Griekenland, en naar schilderijen die het slachtoffer worden van de onverdraagzamen, zoals onlangs in de Pinakothek (München), waar schilderingen van Dürer met zoutzuur werden bewerkt. Een bewijs dat de dingen niet dood zijn. Hou dus je archief, of tracht de dingen opnieuw te achterhalen, als je ze hebt weggedaan.
Zo nu is de bladzijde tóch vol.
Je houdt je haaks, nietwaar? Omarm je vrouw en kinderen van mij, ik vind het leuk als je over je jongens schrijft. En zeg Bernadette, dat ik aan haar zal denken, elke keer als ik mijn kwalen met een pil bestrijd…
Groetjes van ons allen aan jullie.
Je

Rudy


51.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

Leiden, 12 juni 88

Beste Hans,

Helmond 131 – in 1906 verbood de burgemeester van die plaats een optreden van Speenhoff daar, wegens het onzedelijk taalgebruik waar hij de toeschouwers op vergastte. De rel was op gang gebracht door een R.K. vereniging ‘Voor Eer en Deugd’ die zich ten doel stelde de bevordering van de reinheid en de bestrijding van de onzedelijkheid. Er liepen destijds heel wat verknipte mensen rond, vooral in Brabant en vooral in Helmond. Speenhoff ging er tenslotte aan onderdoor, bekeerde zich in 1916 en werd vervolgens zelf een moralist van de bovenste plank. Hoe dat verklaard moet werden, is me voorlopig een raadsel. Misschien is er een soort mechaniek in hem werkzaam, waardoor alles wat in het begin boven stond aan het eind onder komt te liggen, en omgekeerd. Vaderlandslievender man dan Speenhoff is bijna niet denkbaar, en toch viel hij gedurende de bezetting om – om een term van Ter Braak te gebruiken.
Het is niet alleen de taal die ik moeilijk vind bij Claus. Het is ook de toestand in België gedurende de bezetting, die ik niet helemaal door heb. Anders dan in Nederland. België had twee oorlogen op te knappen, de koning bleef zitten waar hij zat. Er waren andere verenigingen dan de NSB. Er waren flaminganten uit de eerste w.o. aan de gang. De Joden zijn er anders behandeld dan bij ons. Allemaal dingen die je misschien moet weten als je aan (bepaalde) boeken van Claus begint. Ik heb er voor het moment geen zin in, om die kennis op te doen, misschien bewaar ik dat voor later.
Jan Arends was een lastige vent, die iedere keer weer kans zag om de ‘mandarijnen’ het leven zuur te maken, met vooral financiële problemen en problemen van ‘erkenning’. Hij voelde zich niet ten onrechte buitengesloten, en had daar wsch. oprecht verdriet over. Dan belde hij iemand op, liefst midden in de nacht of vroeg in de morgen en zocht ruzie te zoeken. Een venijnig mannetje kon hij dan zijn, en genadeloos. Mij heeft hij dit nooit geflikt, ook Heeresma niet, die trouwens een van zijn beste kameraden was. Hij kon met een minimum toe, heeft zichzelf nooit verwend, het drinken en tafelen der vijftigers was hem vreemd: hij heeft nooit, als zij, de achterstand in warmte en voedsel (een symbolische hongerwinter) ingehaald door buitensporig gedrag op dit gebied. De vrouw en de drank kende hij pas op het eind van zijn leven – toen hij al uit mijn gezichtskring was, maar Heeresma vertelde me dit: die zag hem regelmatig. Hij raakte in een nog groter isolement dan ooit door zijn ‘onaangepastheid’. Psychiatrische klinieken, de Keefmangeschiedenis, een vermageringskuur, ook in het zielkundige. Zijn ijle, dunne taal. ‘Ik heb nooit een woord geschreven/ of het deed pijn’ – zoiets. Ik citeer uit het hoofd. Vooraf kon je niet zeggen, dat zijn leven op zelfmoord zou uitlopen. Ik hou er niet van, wanneer mensen op spectaculaire wijze hun leven beëindigen. Zich voor een trein gooien. Zich van een toren werpen. Etc. Voor Jan maak ik toch een uitzondering. Op die dag had hij veel publiek: zijn boek zou ten doop worden gehouden, en iedereen die hem tot voor kort nog uit de weg was gegaan, was aanwezig om zijn succes met hem te delen. Nu had hij de kans om van zijn macht anderen verdriet te doen profijt te trekken, hun geweten aan het knagen te zetten, kwellingen in mensen af te roepen over een vraag, waar ze zich zolang buiten hadden gehouden. Dat is een duivelse wraakneming als je het mij vraagt, en iemand die weet dat hij zijn wraak niet overleeft, heeft er alleen maar de voorpret van. Dat is het tragische, vind ik.
Maar iemand die zich zo maar voor de trein gooit, daarmee tal van passagiers uit hun gewone doen haalt (of uit hun afspraken, solli-

[p. 2]

citaties e.d.) heeft niet zo goed nagedacht over wat hij veroorzaken kan, als Jan. Hij zou ook iets discreter uit het leven kunnen stappen, zonder al die ongenode getuigen.
Het boek van Jeroen Brouwers ken ik niet, ik las er wel een paar recensies van, en het leek me interessante stof, op een interessante manier behandeld. Ik kom er door gebrek aan geld niet toe me erg veel boeken aan te schaffen, en dat is toch het liefste wat ik doe, als een boek me interesseert. Ik wil het dan niet uit de bibliotheek halen. Dat doe ik alleen met boeken die ik wel nodig heb, maar niet in bezit wil hebben, zoals nu met Speenhoff het geval is. Boeken zijn duur, zelfs tweedehands. De tijd dat ik er honderden guldens aan uitgaf, schijnt voorbij te zijn voor mij. Het enige dat ik persé nog hebben wil, is een boek dat de schetsen van Picasso bevat, ik bedoel die uitgave, waarin een aantal van zijn schetsboeken is samengebracht. Daar komt het nog wel eens van, hoop ik. Maar het is duur, tenminste voor mij.
Het doet me plezier te lezen, dat je ondanks Carls activiteiten aan het werk blijft. Ik ben nooit alleen als er gewerkt moet worden. Vroeger tikte ik met een kind op schoot, als er getikt moest worden. Ik heb mijn werk altijd in de huiskamer gedaan, nu nog. Ik was altijd bij mijn omgeving betrokken en heb schrijven nooit beschouwd als monnikenwerk, iets eenzaams, iets geïsoleerds of a-sociaals. Wat ik schreef, deed me dan ook nimmer pijn, zoals bij Arends. Iedereen kon me altijd van mijn werk halen. Het belangrijkste is je te kunnen concentreren te midden van [wat] er om je heen gebeurt. Wat er ook aan de hand is, dat wat je schrijft, moet in orde zijn, omdat je immers schrijft voor, en over wat er aan de hand is. ‘Met een boekje in een hoekje’ betekent dat de wereld eigenlijk kan barsten, en ik hoop dat ik zo niet denk. Schrijvers die hun gezin tyranniseren onder het motto: ‘Pappa schept’, zouden in de eerste plaats niet getrouwd moeten zijn, en kinderloos moeten blijven. Als alles toch voor hun werk moet wijken, zouden ze zich deze belemmeringen niet in de weg moeten leggen.
Stoor je niet aan Carl, maar let op hoe je schrijft, wat je schrijft. Ik ben nu aan de tweede versie van “Speenhoff” toe. Ik geloof dat het een mooi boek wordt, goed in elkaar gezet, goed doordacht. Maar dat weet je eigenlijk pas, wanneer het ‘af’ is, en dat duurt nog wel een paar weken. De verschillen met de eerste versie zijn in ieder geval aanzienlijk, en dat stemt tot grote trots, tot nader order.

Nu, veel meer heb ik niet te vertellen: ik beleef niet zo heel veel. Ik denk dat ik even in de tuin ga zitten: de zon schijnt, de wind is afwezig, het is een prachtige zomerdag, en ik laat die niet voorbijgaan, tenminste niet helemaal.
Groet Bernadette en de kinders en laat gauw wat van je horen.
Hartelijks, je

Rudy


52.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

Leiden, 24 juni 88

Beste Hans,

dank voor je vlotte brief en vooral voor dat art. van Welsink (het tikken van die naam lukt me niet), 132 dat in kort bestek juiste en doeltreffende informatie bevat. Er staat bovendien iets in dat ik niet kende: dat gedicht over de geleerde heer en het portret van de dichter met zijn gitaar. 133
Ja, Adriaan 134 ken ik wel, en ik herinner me hem ook uit Knokke, 135 – een gezellige tijd. Ik maakte dan ook een keer mee, toen er in de Haagse Kunstkring een toneelstuk, ik meen een éen-akter, werd gespeeld, dat hij geschreven had. Ik vond dat beslist aardig toen, maar hij zelf leek er wat bezwaren tegen te hebben. Ik geloof niet dat hij op die weg is voort gegaan. Hij bemoeide zich toen met (toen = later) beeldende kunstenaars. Ik las wel eens wat van zijn hand over mij totaal onbekende artisten (uit Amerika) in de wachtkamers van tandartsen en ziekenhuizen, maar ik moest dat werk beoordelen als ‘journalistiek’. Belangstelling, maar zonder al te grote diepgang. Tegenwoordig heeft hij zich vastgebeten in de houding van auteurs die in de oorlog niet in verzet zijn gekomen tegen de moffen, en auteurs, die dit wèl deden, maar in een periode daarvoor toch ‘fout’ waren. Ik hou daar niet van. Het blijft ‘journalistiek’ als je niet tot de kern door kunt dringen en kunt verklaren hoe iemand zo ‘fout’ is kunnen zijn. Het belang van dat werk lijkt me gering, en ook schadelijk voor de slachtoffers. Maar het geeft misschien een aanzet tot grondiger onderzoek of tot verweer tegen de aantijging. Ik zou wel willen dat hij er een doel door diende dat verder reikt dan het in twijfel trekken van het karakter van die lui. Hij lijkt me gedreven door de romantische tegenstelling van zwarte schurkachtigheid en blanke zelfopoffering. Zo was het in de oorlog natuurlijk niet [in handschrift: ‘bij deze mensen’]. En zo moet je het nà de oorlog ook niet willen zien, tenzij dan in een roman of verhaal etc. Het gaat in wezen niet om de vraag wie er ‘goed’ of ‘fout’ was, maar om de vraag hoe je dat moet verklaren. Een onderzoek naar motieven, die wel ingewikkelder zullen zijn, dan de eenvoudige opvatting van moed of lafheid, verraderlijkheid of strijdlust. 136
Vertel dit nou maar niet aan Adriaan door. Als ik er behoefte aan heb, dat hij weet hoe ik erover denk, schrijf ik wel een artikel over de kwestie. Maar die behoefte heb ik niet, volstrekt niet. Ik zou er wèl met hem over willen praten.
Natuurlijk heb ik graag die brieven die hij opgeduikeld heeft. Heeft hij alles wat er was gecopieerd? Of maakte hij een selectie? en zo ja, naar welk criterium? Ik krijg wsch. de toestemming niet om uit zijn correspondentie te putten: hij is nog steeds geen vijftig jaar dood. Op het Letterk. Mus. ligt ook veel, maar je zult toestemming moeten hebben van de erven. Hoe heeft Adriaan dat klaar gespeeld?
Wees eens wat uitvoeriger over de beide Heeres: ik hoor niets meer van die mensen, zoals zo vaak. Opeens staan ze dan weer, en altijd op het onverwachtst, voor je neus. Ik heb je dat boekje van mij nog niet opgestuurd, omdat ik hoorde, dat Beb Vuyk 137 mij persé wilde spreken over mijn bemoeienissen met Indië, en dat betekent wsch. dat ze ook wil praten over de medewerkers aan De Tweede Ronde. Als dat allemaal achter de rug is, krijg je het toegestuurd. Ik ben benieuwd. Zij is de nestrix van de ‘Indische’ literatuur, een aardig mens; ik ontmoette haar ooit en ze leek me uiterst strijdbaar (was dat altijd al, ook in de zg. ‘bersiap’ (= oproer) tijd in Indonesië.
Le Pen is verslagen, dat is goed nieuws. En nu zijn de moffen ook verslagen, zij het dan alleen op het voetbalveld, dat soms toch ook

[p. 2]

een veld van eer kan zijn.
Arthur is zeker al weer beter als je deze brief ontvangt? Dan komen mijn beterschapswensen wat laat, en dat is maar goed ook. Ik zal eens nagaan hoe dat Picasso-boek precies heet etc. en als je het voor een prikje weet te verschalken, dan… Maar anders moet je het beslist laten: het is hier immers gewoon voor de normale prijs – en die is echt niet onoverkomelijk, hoor – te koop.
We gaan deze zomer wsch. niet met vakantie, misschien in oktober een dag of wat, en dan in Italië of Tunis,- wat Leo maar kiest. Ik heb er, net als jij, weinig behoefte aan. Ik ga maar mee, omdat het tenslotte, als je eenmaal daar bent, ook best leuk is. Vreemde mensen, een vreemde taal, een vreemde omgeving. Als je er open voor bent, valt alles wel mee. Toen ik jong was, vond ik vakanties leuk om het avontuurlijke dat in me zat. In Indonesië had ik dat gevoel weer even terug. Raar. Het avontuurlijke zit niet in de omgeving, niet in de reis (vroeger wel: per boot!). Die dingen ‘willen’ niets van jou. Maar je bent niet meer naar buiten toe afgegrendeld, je wilt uit jezelf weg en de vraag is, of dat lukt in een door tourisme bedorven wereld. De open ruimte vind ik tenslotte eerder in lezen en kijken (Picasso, bv.), dan in een door sight-seeing afgekloven natuur of stad.

De werkster is ziek en kan niet haar werk doen. Dus voel ik me daartoe verplicht. Straks komt Leo thuis, en dan moet dat gebeurd zijn. Het stofzuigen, de boodschappen, de afwas etc.
Vandaar dus, dat ik je vragen moet onze warme groeten te ontvangen voor jou en de jouwen. Zeg tegen Adriaan dat ik zijn brieven graag heb, – en doe ook hem mijn groeten.
Hartelijks, je

Rudy


53.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

leiden, 18 juli 88

Beste Hans,

Ik schreef je al eerder een antwoord op je laatste brief, hij ligt hier naast me, – 7 juli 88 staat er boven – maar ik verstuurde hem niet, omdat hij nogal warrig in elkaar is gedraaid. Ik stelde me voor je wat later terug te schrijven, maar zoals altijd: van uitstel kwam afstel, en als je me zojuist niet had gebeld, had ik ook nu die brief laten liggen, om alle tijd aan die vermaledijde Speenhoff te geven. Ik meende tot voor kort, dat ik niet meer dan een paar dagen nodig zou hebben, om eindelijk dat boek te besluiten. Maar er zijn altijd weer problemen, waar je geen rekening mee hield, en die je dwingen meer tijd uit te trekken dan je aanvankelijk had berekend. Daarom antwoordde ik Adriaan Venema ook niet terstond. Ik wilde hem een paar hoofdstukken toesturen, zodat hij inzicht kreeg in de dingen die me bezig houden (d.w.z. ik zou ze jou hebben toegestuurd met het verzoek e.e.a. aan hem door te sturen). Maar ik kon niet voorzien, dat ik er niet op tijd mee klaar zou komen.
Venema’s brief kwam een dag eerder aan dan de jouwe en bevatte stukken (geen brieven: die lagen in Amsterdam, schreef hij) m.b.t. het oorlogsverleden van Speenhoff. Dat interesseert me natuurlijk wel, maar het is voor een biografie toch iets bijkomstigs. Het zijn belastende stukken, maar ik hoef niet te weten dat Sp. ‘fout’ was, ik wil weten hoe het komt, dat hij ‘fout’ werd. Je weet ongetwijfeld, dat de communisten in Nederland een groot aandeel hadden in het verzet – maar pas nadat Hitler Rusland was binnen gevallen: hoe zij ‘goed’ werden, is bekend. Maar hoe werden anderen, die voor de oorlog ‘goed’ waren (Sp. was een jodenvriend: in ’39 gaf hij medewerking aan een actie ten gunste van de Joden) in de oorlog fout? De grens tussen lijdelijk verzet en medewerking (ik bedoel hier niet regelrechte collaboratie, maar een zekere welwillendheid om gevreesde risico’s te ontlopen) is heel vloeiend voor het overgrote van de bevolking, al had je hele groepen (studenten, arbeiders) die wèl van zich lieten horen (3 okt, te Leiden, de spoorwegstaking). Het is juist onder die groep van schipperende Nederlanders – lijdelijk verzet plus een wat onvrijwillige medewerking – dat de grootste klappen gevallen zijn (Putten). Het zijn naar het karakter ‘overgangsfiguren’, zij hebben een duwtje in de rug nodig om goed of fout te gaan. Welk duwtje kreeg Speenhoff, en van wie? Als je je inspant, kun je daar misschien achter komen.
Je afkeer van historici en je voorkeur voor Mulisch, Hermans als mensen die over de oorlog iets te zeggen hebben, maakt je wel toegankelijk voor boeken, maar niet voor mensen. Vergeet niet, dat Hermans en Mulisch bij historici hebben moeten kijken, om tot hun beeld van de oorlog te komen: zij moeten weten, wat de historicus weet, en als jij hun boeken leest om iets over mensen te weten te komen, moet je dat ook weten – anders weet je alleen maar iets over een boek, en zo beroerd is het met jou niet gesteld. Anders zou je me niet kunnen schrijven over Sartre en Cocteau, die voor jou immers iets meer zijn dan alleen maar schrijvers van een aantal boeken. Maar Frankrijk moest, evenals Duitsland, na de oorlog worden gedenazificeerd (Vichy) en Nederland niet, of nauwelijks. En nu is er een renazificatie aan de hand (Le Pen), ook in het kerkelijke (Lefebre).
Ken jij dat tijdschrift New Look?
Heere (de Jongere; laten we de Oudere Her noemen) is nu 26 geloof ik. Dat hij nog steeds bij zijn ouders woont – dat bevreemdt me. Je kunt uit zijn navolging van Her zien, dat diens invloed reusachtig moet zijn. Hoe kom je als kind onder zo’n vader uit? Zo’n Voorbeeld en zo’n vereenzelviging daarmee: wat is er nog ‘eigen’ aan de zoon, vraag je je af. Alles lijkt op conditionering te berusten: gedrag, de blik, de

[p. 2]

stijl, de lach, de humor, de accenten. Of hij overwint de vader op werkelijk grandioze wijze, of hij delft het onderspit zodra het voorbeeld hem ontvalt. Zo’n leven zonder iets van jezelf of voor je zelf, lijkt me een straf toe, maar hij schijnt er nog redelijk gelukkig mee te zijn zo voor zijn vader te mogen leven. Wat je zegt: vreemd. Volgens mij is Her een gemankeerde godsdienststichter. Als hij zijn ‘leer’ in een theologisch jasje had gestoken, had hij zó een aantal volgelingen. Maar dan zou zijn leer door het aantal verwateren. Hij zou in ieder geval déze volgeling niet hebben: die zou zich met anderen moeten delen. Geen van Bachs zonen werd een tweede Bach. De kans zou groter zijn geweest, als hij maar éen zoon had, die hij dan indoctrineren moest.
Zuiverheid in de leer, en éen discipel, die die leer van binnen en van buiten kent en de discipline om die leer nu juist níet te verbreiden, maar in plaats daarvan de grootste verwarring te stichten, daar waar hij komt. Denk aan Geef die mok eens door Jet! Is de titel alleen al niet een ‘program’? Een program van verwarring stichten: de mok komt altijd verkeerd terecht. Denk aan hip hip voor de antichrist. Als je zijn boeken leest, en je denkt aan dit uitgangspunt – de zuivere leer voor mij en mijn ingewijde en verwarring voor de rest van de mensheid – valt er veel onverklaarbaars bij de Heeren op zijn plaats.
Maar Heere is natuurlijk ook door Her opgeleid in het behartigen van zijn literaire belangen. Dat zal denk ik, ook wel zijn taak worden later: het erfgoed beheren in dienst van de erflater. Veel van wat ons ‘vreemd’ lijkt, valt dan weg. Het lijkt me een aantrekkelijke, maar onpubliceerbare theorie, en als er waarheid schuilt in mijn veronderstelling, moet ik toegeven, dat het een groots experiment is, dat Her heeft ondernomen, met onmogelijk grote risico’s voor de zoon, die alleen maar slagen kan voor 100% of falen voor 100%. En in het eerste geval overwint hij de vader…
Beste Hans, bedankt voor je brief, ik ga nu Adriaan schrijven. Groetjes van ons voor jullie allen, en tot schrijfs.
je

Rudy


54.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

Leiden, 7 aug. 88

Beste Hans,

Leuke brief kreeg ik van je, er zit veel dichterlijks in. Je zou alleen moeten proberen helderder te schrijven, de grammatika zoveel mogelijk in de gaten te houden en wat meer weerstand te bieden aan je gedachtenvlucht. Het is jammer wanneer iets moois opeens ontsierd wordt door een klein gebrek, dat zonder veel moeite ook weggewerkt kan worden. Zelf droom ik vooral de laatste tijd heel veel, maar ik zie geen kans ze te rubriceren, zoals jij doet: de verscheidenheid is te groot. Eén droom verbaasde me buitengewoon: ik droom nooit dat ik iemand anders ben dan de man, die ik me voorstel te zijn. Dat was kort geleden anders. Ik droomde dat ik Steven Rooks was, de tweede in de Tour en met die balletjetrui. In ‘mijn’ geboorteplaats zou ik dan ook gehuldigd worden. De uitnodiging daartoe bereikte mij en ik stapte in de bus om me naar de plaats van de huldiging te begeven. De stad was zeer uitgelaten, iedereen op de been en in de stemming; mijn naam was op aller lip. Maar niemand herkende mij. Ik liep door de straten tussen al het volk dat te hoop was gestroomd om mij – en men zag mij niet. Dat was een sensatie van wezenloosheid, het was alsof ik geen ziel had, innerlijk leeg was. Bij het stadhuis hoorde ik dat de burgemeester mijn ouders opriep uit de menigte, zich bij hem op het bordes te voegen. Er maakten zich een man en een vrouw uit de menigte los, die volstrekt mijn ouders niet waren, erop uit om met de eer te strijken, die hun niet toekwam. Toen voelde ik me boos worden, en ook ik begon te dringen om dit onrecht te voorkomen en bij de burgemeester mijn beklag te doen. Daar kwam het niet van, want op dat moment werd ik wakker. Ik kan de droom niet verklaren, maar een enkele aanwijzing heb ik misschien toch: ik droomde deze droom, kort nadat Dautzenberg een artikel gepubliceerd had in De Volkskrant, waarin hij mijn nawoord bij Vinkenoogs Heren zeventien 138 belachelijk had gemaakt. Het niet herkend worden van Steven Rooks zou wel eens een wensvervullingsdroom kunnen zijn: ‘ik hoop dat niemand ziet dat ik Steven Rooks ben’ – vertaald: ‘ik hoop dat het artikel door niemand gelezen wordt’. Een andere aanwijzing is, dat ik de rechteloosheid opnieuw beleef, die er in Indië voor Nederlanders gedurende de Japanse bezetting bestond: de bolletjestrui is een eindeloze herhaling van de Japanse vlag.
Ik hoef gelukkig niet te kiezen voor deze of gene uitleg. Ik denk dat je bij dromen niet zozeer op de ‘inhoud’ moet letten, als wel op de droomachtigheid van het gevoel, dat trouwens heel concreet kan zijn. In dit geval dus op het gevoel van vervreemding en innerlijke leegte, gevolgd door de woede over het bedrog mijner zg. ouders. In de regel onthou ik geen dromen, maar ik heb ooit eens, onder invloed van een van Vestdijks geschriften, een poging gedaan om mijn dromen op te schrijven. Ik ben daar éen keer in geslaagd. Ik moet dat schrift nog wel ergens hebben slingeren. Vestdijk zegt, dat je steeds beter gaat dromen, wanneer je je dromen opschrijft. Die droom ben ik nooit vergeten, maar of hij gelijk heeft, kan jij, die je dromen wèl noteert, beter controleren dan ik, die het maar éen keer deed, en nu dus in deze brief aan jou voor de tweede keer.
Met mijn Speenhoff-studie ben ik eindelijk klaar. Ik zal het laatste hoofdstuk fotocopiëren en aan Adr. Venema sturen, want daarin komt, wat hij mij stuurde toch nog aan de orde, en ik denk dat ik er een gebruik van maakte, waar V. niet ontevreden over hoeft te zijn.
Naar de Volkskrant stuurde ik een ingezonden stuk, om me te verweren tegen Dautzenberg. Zijn artikel verscheen 22 juli, mijn antwoord is gedateerd 27 juli, het is nu 7 augustus en ik heb van dat antwoord tot nu toe nog niets gemerkt. Misschien komt het helemaal niet in de krant, maar misschien ook zit die man te spinnen op een repliek om me nog dieper in de zeik te drukken. Dat maakt me zo bedrukt, dat wachten op iets wat misschien niet

[p. 2]

komt. De macht die men over je heeft, als er een krant achter je staat.

En inmiddels heeft de vakantie hier toegeslagen. Machteld is al uit logeren geweest bij haar oma, en Leo heeft ontslag genomen om twee weken vakantie te kunnen hebben. Inmiddels is de zon hier overdag niet van de lucht af, het is warm, op een aangename manier en Leo heeft dus een goede keus gedaan, want kort geleden was het hier werkelijk waardeloos weer – als je van zon houdt. Beide dames zijn nu naar het strand (Noordwijk), en ik vind eindelijk de rust je te schrijven. Dat wordt steeds moeilijker, omdat ik natuurlijk ook vaak deelneem aan het vakantie vieren. Zo zijn we van de week naar het Openluchtmuseum geweest (Arnhem), dat ik al vaker bezocht had, met schoolreisjes, toen ik nog onderwijzer was, en er zijn nog andere plannen voor de komende dagen. Na haar twee weken gaat Leo naar haar nieuwe baan, ook in Noordwijk en vlak aan het strand, goddank op een plaats, waar weinig dagjesmensen komen. De sfeer daar is er bij regenweer niet ongelijk aan de sfeer uit de film la parapluie de Cherbourg – ik hoop dat je die gezien hebt. Het is een leuke baan, bij een opleidingscentrum voor bedrijfsdirecteuren, een soort bijscholing van die lui, die in het algemeen alles weten van hun vak, naar niets van de wereld. In dat laatste worden ze daar bijgespijkerd. Het lijkt Leo allemaal heel leuk, het werk daar en de sfeer en ze verdient er weer wat meer dan in haar laatste vaste baan.
Ik ben nu weer een tijdje leeg, d.w.z. uitgeschreven, en breng de dagen door met niks doen. Soms lees ik wel eens wat – geen literatuur, kijk veel tv en bouw de prachtigste barbecue’s voor het avondeten. We zitten veel in de tuin (tuintje) en kletsen veel over alles en nog wat, en amuseren ons met onze sfinxachtigen. We hebben er twee jonge katjes bij, die zich beslist belachelijk gedragen. Ze kunnen ook niet mauwen, ze piepen maar zo’n beetje. Voor de oudere katten zijn ze een volslagen ramp, maar met een mep van éen van de klauwen zijn ze weer even rustig, dat is heel aardig om te zien. Het zijn beide katers, broertjes uit éen nest, dat ook alleen uit die twee bestond. Ze zijn dus met de moedermelk erg verwend en groot voor hun leeftijd. Misschien zijn ze te vroeg aan de moeder ontnomen, want ze zuigen doorlopend bij en aan elkaar. ‘Frustratiegedrag’, zei de dierenarts – en dat kan iets zijn dat levenslang blijft.
Hoe is het met jullie in Gagny? De planten die we er ooit kochten, doen het voor een deel nog steeds, al is de batavia-salade gesneuveld tot mijn spijt. Maar misschien is dat een plant die maar éen seizoen meegaat. Ik heb er weinig of geen verstand van. Maar ik ben in een enorm grote kruidentuin geweest (Openluchtmuseum), waar men de kruiden voor allerlei ziekten en aandoeningen bijeen heeft gezet. Oogaandoeningen, leverziekten, bloedziekten, etc. – een zg. ‘apothekerstuin’, heel interessant. De gekste kruiden die je uit je eigen tuin verwijderd hebt, blijken allerlei geneeskrachtige planten te zijn. Ik laat ze voortaan gewoon staan, zeg, en dan word ik een groot kruidkundige. Je kon er ook een boekje kopen: Geneeskrachtige kruiden, f 29.90 Maar op dat moment waren we blut. Ik zal het me later eens aanschaffen. Je reageert helaas niet op mijn schitterende theorie over de leer der Heeren. Of denk je dat dat ‘roddelen’ is? Roddel is volgens mij altijd vooroordeel. Maar ik geloof dat ik nogal ‘objectief’ ben en het ‘vreemde’ zo redelijk mogelijk heb geplaatst. Onze Lieve Heer heeft vreemde kostgangers… daar is niets aan te doen.
Beste kerel, ik hou er mee op. Zo komen de meisjes thuis en ik moet de afwas van vanmorgen nog doen. Ik heb opeens grote haast. Schrijf me gauw hoe jullie het maken, en waar je heen bent geweest in deze vakantie. Groeten van hier aan jullie allen, en tot gauw maar weer.


55.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

2313 AN Leiden,
15 augustus 88

Beste Hans,

ik kan verdomme je brief nergens vinden en dat maakt me een beetje kriegel. Ik weet natuurlijk wel waar je over schreef – Vinkenoog, Heere – en waar dat dan over ging, maar toch ergert het me, dat ik het niet precies meer weet. Vinkenoog: ik vind dat hij een leuker feesttoespraak verdiende, dan hij nu kreeg, al heb je gelijk dat hij een positieve recensie kreeg. Misschien ben ik, plaatsvervangend vooral, te fijngevoelig. Zand erover.
Ik herinner me dat je in een soort P.S. schreef dat je niet begrijpt dat Heere de schuld niet bij zichzelf zoekt, maar bij jou in dit geval. Ik weet natuurlijk niet wat er allemaal gepasseerd is, maar ik denk dat Heere nooit meer de schuld bij zichzelf zoekt, sinds zijn ‘bekering’, d.w.z. sinds het afzweren van de drank. Ik hou dat nog altijd voor een geweldige zelfoverwinning, maar ik vind de overwinning niet compleet: de drank is toch een vijand gebleven; hij heeft de drank niet overmeesterd, maar onderdrukt die door onderdrukking van de drankzucht. Vandaar zijn heerszucht. Die ontstaat niet uit zucht naar macht, maar uit de zucht zichzelf (en evt. anderen) ervan te overtuigen dat hij sterk is in moreel opzicht. Zijn wapens zijn daarbij vaak zachtmoedig: humor, spot, leedvermaak, maar kunnen wel eens ergernis wekken en het gebeurt wel eens, dat hij zijn aanspraken al te nadrukkelijk naar voren brengt ten koste van iemand anders. Wanneer die dat niet verdragen kan, is dat niet zijn ‘schuld’. Ik ben wel eens met hem in conflict geweest, maar ik moet zeggen, dat het tussen hem en mij altijd wel weer in orde kwam, misschien ook wel omdat we elkaar al zo lang kennen en omdat hij met mijn zus is getrouwd. Ik ben niet diep met hem bevriend, maar dat had anders kunnen zijn, wanneer hij minder dominerend zou zijn in zijn optreden. Hij houdt de mensen op een afstand, hij heeft een hiërarchie van mensen, met hem aan de top. Ik kan dat niet los zien van die ‘bekering’ en ik zie in die bekering ook de oorsprong van het beeld, dat ik al eerder voor je heb uiteengezet. Ik ben bang dat de man vreselijk eenzaam is, en dat hij daarin ook zijn ‘opdracht’ vindt: Heere, – alleen tegen de hele wereld. Dat kost verdomd veel energie, en hij brengt die energie ook op. Hij vindt ook altijd wel een ‘volgeling’, zoals bv. Reurslag: 139 een echte discipel, die nu natuurlijk nooit meer aan de bak komt, omdat hij zich zo volledig aan Heere heeft verkocht. Die plaats had ík in kunnen nemen als ik dat gewild had. Wie Heere’s vriend is, moet aan hem ondergeschikt zijn. Ik ben een van de weinigen, misschien de enige, die door vriendschap met hem verbonden is, en toch onafhankelijk is gebleven. Je zou hem duidelijk kunnen maken, dat, als hij prijs stelt op je vriendschap, hij je ook als gelijkwaardig aan hem dient te beschouwen, en niet als zijn voetveeg. Hij zal zich wat minder vaak vertonen, maar hij zal zich aan de andere kant ook niet van je vervreemden. Daarbij blijft hij even leuk en humoristisch, maar niet meer ten koste van jou. Hij heeft vrienden nodig, maar heeft helaas het talent niet om ze te behouden. Wie zijn vriendschap blijvend verwerft, heeft dat vooral aan zichzelf te danken. Ik hoop dat je wat hebt aan deze woorden.
Ik vind het leuk dat je je voor Speenhoff – althans voor wat ik erover schreef – interesseert. Het beloofde stuk voor Adriaan stuur ik daarom maar eerst naar jou, dan kun jij het hem toespelen, als je het gelezen hebt. Maar ik ben blut. Ik heb het beetje geld dat er voor nodig is, de copie, de post, even niet. Dat klinkt belachelijk, maar het is waar: ik moet elke cent omkeren voor ik hem besteed. Niet dat ik echt arm leef en ook niet dat dit al een tijd aan de gang is, maar soms is het echt vervelend dat je niet helemaal kunt doen, wat je zou willen. Nog even geduld dus, want het einde van de problemen is in zicht, en dan krijg je weer een brief zonder die malle gaten aan de kantlijnkant.

[p. 2]

Het ellendige van een toestand als deze is, dat je er de hele tijd aan denkt, dat je dat eigenlijk niet wilt, en dat je zodoende ook nog eens tot niets komt. Ik loop wat heen en weer, Mattie is voor een paar dagen uit logeren, Leo naar haar werk en ik weet met mezelf niks aan te vangen. ‘Het leven is voor niemand lang en de kwestie is maar er iets mee te doen,’ volgens Van Gogh. Ik heb een paar tekeningen gemaakt in houtkool. Eén van een boom die in de tuin staat en éen van een in haar badpak luierende Leo, ook in de tuin. Gefixeerd in een bak met halfvolle melk, zoals Van Gogh deed, met volle. Er ontstaat bij mij een wonderlijke vlekkerigheid in het wit van het papier, doordat de houtskoolstof die losgelaten heeft, wegdrijft in de melk op het papier. Lelijk is dat niet, vind ik. De natuur voegt iets toe, dat ik niet bedoeld heb, maar dat ook niet in tegenspraak is met de aard van het materiaal. Wat er ontstaat, is hoogstens in tegenspraak met wat je zag.
Vertel me eens hoe het met Bernadette gaat en met de koters. Zijn jullie nog weggeweest, een dagje, een paar dagen, met vakantie? We zijn met Mat naar het Openlucht-museum geweest, maar dat schreef ik je vorige keer al, geloof ik. En in Den Haag naar het Omniversum, een koepel waarop geprojecteerd wordt, zodat je omgeven bent door beelden. Er is eigenlijk geen kader en de beelden tonen door de bolle vorm van de koepel heel eigenaardige vertekeningen, iets lachspiegelachtigs, maar vooral iets mysterieus. Met de mooie dagen, en dat zijn er vele geweest de afgelopen twee weken, ging Leo steeds met Mat naar het strand, bij het minder mooie deden we dan zo’n uitstapje. Ik heb met Mat nog een ‘sentimental journey’ gemaakt door Den Haag: de adressen langs en de school, waar ik gewoond en geleerd heb. Helaas had ik geen fototoestel bij me. Met is trouwens gauw moe en we hebben die dag flink wat afgewandeld bij stralend weer. Ik verlang overigens heel sterk naar Parijs; zag in de H.P. dat er in Pompidou een tentoonstelling gaande is over de vijftiger jaren, waar ik heel nieuwsgierig naar ben. Hij is er tot 18 oktober, dus het moet al heel raar gaan, als we die missen. Heb jij Les annees 50 al gezien? Dat moet haast wel, gezien je interesse in de 5-tigers; is de catalogus duur? Het bezit ervan lijkt me min of meer noodzakelijk om iets te begrijpen van die tijd (en vooral van de tijd ervóor, toen dat allemaal nog niet bestond). Mat bestond nog niet, toen ik haar de ‘wereld’ liet zien, waarin ik wél bestond. Dat moet toch iets heel vreemds zijn voor zo’n kindje.
Hans, ik hou er mee op, ik moet over een kwartier een paar recepten ophalen bij de dokter en dan kan ik in de loop de brief even posten.
Groet Bernadette, de kinderen, en bij gelegenheid Adriaan van mij.
Hartelijks voor jullie allen van ons drietjes, en tot gauw, hoop ik. Je

Rudy


56.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

2313 AN Leiden,
18 sept. 88

Beste Hans,

Stom van me dat ik bij de Speenhoff-stukjes mijn brief vergat mee te sturen: sorry.
Je reactie op wat je wèl las, vind ik heel leuk. Iets van sympathie voor de man is er zeker bij mij. In de voorgaande tekst, maak ik – hoop ik – duidelijk, waarom dat zo is. Ik wil hem niet vereren of verguizen. Hij is geen held en geen demon, maar een doosnee-mens, zoals zijn figuren in de regel doorsnee-mensen zijn en zoals de Nederlanders gedurende de oorlog in de regel doorsnee-mensen waren: een beetje dapper, als dat niet veel risico kostte, een beetje laf, zonder meteen maar tot collaboratie over te gaan. Domweg menselijk. Niet teveel in de waagschaal gooien, maar al evenmin je elk voordeeltje laten ontnemen. Gestraft moest er eigenlijk wel worden: voor dat lidmaatschap van de Kulturkammer, voor de schandelijke brief over Boutens, voor de publikatie van zijn oorlogsboek (1943). Zijn dood voorkwam die straf. Ik zou er vóor zijn, zijn geval te leggen naast die van anderen: Buning, 140 Jo van Ammers-Küller, 141 Bruning, 142 e.a. Ik zou willen, dat men zijn vooroorlogse daden en woorden legde naast die van de hier genoemde, en ik zou willen, dat men eens keek naar de vooroorlogse jodenhaat van Den Doolaard 143 die gedurende de oorlog voor Radio Oranje opeens mooi weer kon spelen. Dan kon je zeggen: die en die is op die manier gestraft, dat is rechtvaardig, laten we over Speenhoff die en die straf uitspreken: hoe zwaar onze uitspraak ook zou zijn, hij zou afgeboet zijn op dit moment: 43 jaar na zijn dood. Ik treur niet over de vergetelheid waarin Van Ammers-K. in verzeild raakte, of Albert Kuyle, 144 Jan Eeckhout 145 e.a. Maar hoe je ook oordeelt over Buning, Bruning en Speenhoff – hun werk hóort bij onze literatuur, zoals Céline hoort bij de Franse. Men hoeft niet zo ver te gaan de literatuur te ‘zuiveren’. Het zou al mooi zijn als Den Doolaard eens gezuiverd werd.
Het is nu opeens helemaal niet zo zeker meer, dat we midden oktober naar Parijs komen. Ik heb zojuist een computer gekocht, een tekstverwerker, die volgende week wordt afgeleverd, en die me een lieve som duiten kost. Daarbij komt, dat ons huis op instorten staat, en ook aan die zaak moet veel geld geofferd worden. Al het geld van de belasting gaat daar nu in zitten. Als alles nog meevalt, laten we ons Parijs natuurlijk niet ontgaan, maar ik heb er een hard hoofd in. Mulisch is er natuurlijk nog wel, die krijg je in ieder geval te zien.
Naar je onderzoek inzake de gravin ben ik heel benieuwd. Ik geloof niet dat ik er ooit eerder van gehoord heb, maar dat Trocchi 146 zich ervoor heeft ingespannen, verbaast me niet. Ooit bezat ik een paar boekjes van hem; waar ze gebleven zijn, weet ik niet. Ik had vroeger vrij veel belangstelling voor wat hij schreef, maar ik denk dat die stof vrij snel veroudert tegenwoordig. Het taboe is verdwenen en van Trocchi hoor ik nooit meer iets, of vergis ik me?
Ik zag een foto van Jan Cremer en minister Brinkman in de krant. Hij heeft het wel gemaakt, geloof ik. Hij is iemand die hard wil en kan werken en die nog altijd open staat voor een heleboel dingen, schrijven en schilderen in elke richting die zich voordoet en die nieuw is. Dat lijkt me de grootste moeilijkheid: je geest open te houden, je niet vast te leggen op éen stijl of opvatting, in ieder geval je stijl en denken telkens te vernieuwen en te verfijnen en het oude achter je kunnen laten, zonder je er nog om te bekommeren. Dat is iets voor avontuurlijke geesten, en ik reken hem daar in ieder geval toe, nog niet eens vanwege zijn Hunnenbloed, maar door zijn manier van leven van begin af aan. Daar kan ik wel eens jaloers op zijn. Ik ontloop het avontuur niet, maar ik ben tenslotte geen waaghals en dat is hij wel.

[p. 2]

We hebben dit jaar geen vakantie gehad, maar halen dat het volgende jaar in. Een tweede reis naar Indonesië (Sumatra dit keer en een paar eilanden ten oosten van Bali) en in de winter een reisje naar Thailand. Ik ben nu bezig me de Bahasa Indonesia eigen te maken uit een leerboek van een van de universiteiten in Australië. Ik heb berekend dat ik dat boek in 18 weken door kan werken, dan spreek ik de taal op zeker niveau. Ik heb natuurlijk het gemak dat ik er al veel van in huis heb: uitspraak, gevoelswaarde, een zekere familiariteit er mee. Er moet voor die reizen wel gespaard worden, maar nu het huis gedaan zal worden en de kosten van de tekstverwerker zijn bestreden, moet dat lukken.
Het is heerlijk weer vandaag. Leo zit buiten en ik ga me nu maar bij haar voegen, want straks is de dag voorbij en heb ik niets van de zon gezien.
Feliciteer Bernadette van ons, en zeg haar dat het ons spijt, dat we er niet bij kunnen zijn. Of we nog komen, hoor je binnenkort van ons. Veel hangt af van hoeveel het huis ons gaat kosten en of we dus nog wat over houden. Misschien zal ik je nog vragen, binnenkort, of je toch zo’n catalogus van Pompidou voor ons kunt versieren.
Hans, al het beste voor jullie allemaal, en groetjes van ons drietjes.
je

Rudy


57.

[Brief in handschrift, 2 blz.]

2313 AN Leiden,
25/10/88

Beste Hans,

Na aankomst in L. heb ik je volgens afspraak gebeld, – 2 keer -, maar niemand nam op. De reis heeft in totaal 3 uur geduurd, van de ene huiskamer naar de andere. Ik heb de volgende dag – Leo naar ‘t werk en Mat naar school – de kranten bij elkaar geraapt en gelezen. Nauwelijks nieuws over de Parijse stakingen. Ik krijg de indruk dat de regering nogal klunzig te werk gaat in haar onderhandelingen. In ieder geval lijken de eisen van m.n. het ziekenhuispersoneel heel redelijk. Nieuws over onze Parijse vriend Adriaan ontbreekt totaal. Ik kan je dus niets schokkends vertellen. Zaterdag bezochten we, zoals je weet, Gibert Jeune. 147 In een daaraan grenzende bioscoop werd een paar uur later brand gesticht door een royalistisch-katholieke groepering, die een afkeer heeft van de wensdromen van Christus.
Gisteren herdacht de AVRO op tv. Jacques Brel met eigen opnamen en met een in Ned. niet eerder vertoond optreden van deze artist in ‘t Parijse Olympia. Dat staat nu op de video, die ik komende zeven jaar nog wel een paar keer zal draaien. Ik heb nu de tijd de boeken die ik van je kreeg eens rustig te bekijken. Kwalijk is ‘t dat je minimaal 3 bladzijden (zijn ‘t er meer?) uit Paris gescheurd hebt! Dat is een zeer informatief boek, waar ik heel veel aan heb. Ook mooi plaatwerk. Voorlopig heb ik dus wel wat te lezen.
De nieuwe Bzzletin is aan Buddingh’ gewijd, lees ik in de krant maar veel nieuws schijnt er niet in te staan. Wel de aankondiging van zijn vijfde en laatste dagboek. Ik stuur je ‘t knipsel op, met deze brief. De datum ervan is die van heden.
We hebben ‘t leuk gehad, deze vakantie. Mij benauwt de vraag wel, of ‘t jullie ook zo bevalt. Het is toch wel een invasie, drie mensen erbij in een betrekkelijk kleine ruimte. Het zou allicht makkelijker zijn geweest, als de jongens niet ziek waren. Nu was je immers gedwongen binnen te blijven. Dat is niet erg voor een dag; maar een week lang met al die mensen er nog bij – al waren die overdag meestal wel weg. Maar drukte kan ook gezellig zijn, zoals de zaterdagavond bewees.
Ik zie voorlopig even af van die 50-er jaren catalogus. Wie weet, krijg jij die in handen gespeeld voor niets, en – als jij er geen belang in stelt – stuur je die aan mij op. Wat Picasso

[p. 2]

betreft, reken ik op je.

Nu we terug zijn, overvalt ons ‘t ware leven weer. Zojuist heb ik de wasman met lege handen terug gezonden. We zijn nog niet helemaal in de sleur terug. En nu staan er twee jongens in de voortuin te graven om ons van een kabelaansluiting op de tv. te voorzien. Misschien zien we die Piccoli (spelling?) hier wel zonder de video-correspondentie die we afspraken. ‘t Zal niet meevallen hier iets voor je op te nemen: er is weinig aanbod op literair gebied, voor zover het de Nederlandse tv betreft. Doe me eens een paar suggesties aan de hand…
Wel Hans, ik ga voor de lunch zorgen en koffie zetten voor die 2 knapen die mijn tuin overhoop halen in de kou.
Groet Bernadette. Zeg haar dat ik haar bewonder om de blijmoedigheid waarmee ze onze invasie heeft weten te dragen. Knuffel de boys en schrijf me spoedig terug!
Hartelijks van ons allen, je

Rudy


58.

[Brief in typoscript, 2 blz.] 148

Leiden, 12 december 1988

Beste Hans,

Voor je brief van 25 nov. moet ik je nog danken, en voor de foto’s die er op volgden helemaal. Wat een grote verzameling is dat geworden, en wat staat Machteld er weer beeldschoon op. Dat is echt een mooie foto,- als foto bedoel ik.
Ik stuur je een paar terug van die wij maakten. Natuurlijk ben ik altijd bereid om werk van je te lezen en van notities te voorzien, als je maar niet aandringt op haast. Ik ben trouwens hoogst benieuwd naar die nogal reactionaire man en zijn geschriften. Ik meen tenminste dat ik dat uit wat je me zei, kon opmaken. Leuk dat je de film voor Leo hebt, ze zal je er wel dankbaar voor zijn. Hier is tot nu toe nog niet veel te beleven geweest, tenminste, dat vind ik. Ik vermoed dat je aan Koot en Bie, die elke week een soort commentaar leveren op binnenlands nieuws van klein formaat, waar het buitenland volstrekt niets van weet, weinig hebben zult. Je hebt geen aanknopingspunt, hè? – en dan is het niet leuk. Ik vergat helaas een interview met Reve op te nemen, n.a.v. zijn laatste boek en 65e verjaardag. Dat was gisteren. Ik keek naar iets anders, en besefte te laat dat dit net iets voor jou zou kunnen zijn. Ik zal voortaan beter uitkijken en echt vooral aan jou denken. Men zou eigenlijk een soort van video-agenda moeten hebben met een weekindeling. Ik heb er zo een wel eens gezien. Misschien zet ik er een in de computer als ik de kunst wat beter machtig ben. Dit is een computergestuurde brief. Ja, hoe vind je dat van Hermans? 149 Ik heb een knipsel uit de krant voor je. Daar doet hij er zelf heel laconiek over, maar intussen zit je toch met de ellende en de pijn. Schrijven kan dan toch heel gevaarlijk zijn, voor jezelf. Als je tegenstanders je maar zwart kunnen maken om wat je denkt en als ze maar aanhangers hebben, die níet kunnen denken. Ik heb het niet op dat volkje. Van kritieken op het boek van Van Vugt 150 heb ik nooit iets gemerkt, wat overigens meer over mij zegt dan over hem en zijn boek. Hij heeft zijn belangstelling op Indonesië gericht, ik las wel eens een artikel van hem in De Volkskrant, over opiumhandel en een bepaald type geweer, dat het KNIL zich aanschafte, voor of na de oorlog op Lombok, dat weet ik niet meer, al zal dat essentieel zijn geweest in zijn visie. In de Bali-oorlog, die werkelijk een schandalige moordpartij is geweest tegen vrijwel ongewapende krijgers, die zich ten dode hadden gewijd en dus in het wit gekleed waren, heeft mijn opa meegevochten (als je dat nog zo noemen kunt), een echte vuurvreter met de rang van sergeant, meen ik, die “meester” was op de sabel, de degen en het geweer. Ik heb ooit zijn diploma’s of bevorderingen op die wapens bezeten. Prachtig werk, met veel krullen in het handschrift en in de handgetekende versieringen. Een geschiedenisleraar, die ze zag, wilde ze hebben, en in mijn goeiïgheid, deed ik ze hem cadeau. Misschien worden ze nu – ik was toen een jaar of zeventien op zijn H.B.S. – in Delft bewaard in éen of ander archief. Hij troggelde al zijn leerlingen dergelijk historisch materiaal af en had op die school een soort van privé-museum,- heel leuk. Ook heel leuk om daar iets in te zien, dat ooit van jou was. Hoe de man heette ben ik vergeten – stom hoor.

Als kind was ik uiteraard heel trots op zo’n opa. Hij had een hele rits onderscheidingen, een grote belangstelling voor de bevolking en voor de oude verhalen, bratta joeda en die cyclus om de godin Sinta, om welke reden hij op zijn oude dag sanskriet is gaan studeren. Over de strijd op Bali schreef Jan Prins een naar mijn mening heel mooi gedicht met veel gevoel voor de waardigheid van de Baliërs, hun ondoorgrondelijkheid en hun mystiek. Ik heb van mijn grootvader dat militante niet overgenomen en hij zal op zijn beurt voor Jan Prins geen belangstelling hebben gehad. Eerlijk gezegd weet ik niet echt veel van hem. Toen ik vijf jaar oud was, verlieten we de stad waar mijn grootouders woonden en kwamen er pas terug een paar dagen na zijn dood. Ik was toen acht. Zijn vrouw overleefde hem twintig jaar, een lief, buitengewoon klein en zeer bruin vrouwtje dat de prachtige achternaam Ehrencron droeg (hij

[p. 2]

heette Haagsma, een raszuivere Fries, die zich tot het R.K. geloof had bekeerd en daarin nogal ijverig was, in tegenstelling tot zijn kleinkinderen). De enige vorm van muziek die zij waarderen kon, was helaas marsmuziek. Zij was weg van alles wat militair was. Wij, de Cornets de Grooten hadden dat niet. Mijn moeder was aan haar ouders verslingerd, evenals haar kinderen aan de hunne. Wie mijn grootvader beoordeelt naar de maatstaven die vandaag opgeld doen, en niet naar deze die tóen golden, heeft natuurlijk geen boodschap aan de man. Ik probeer dat te vermijden. 151 Je vroeg Jefs 152 adres, en ik geef het je hieronder. Schrijf hem maar eens een hartelijke brief, je weet dat zijn vrouw niet graag meer leeft, ofschoon ze kerngezond is. Ze voelt zich in deze wereld misplaatst om éen of andere reden, en hij heeft het er niet gemakkelijk mee, al begrijpt hij haar totaal. Hij heeft dan ook nog een drankprobleem, geloof ik, maar een brief van een oude kameraad zal hem altijd goed doen.

Hans, ik hou er mee op. Groet iedereen van ons en vertel me bij geval eens hoe de apothekersvrouw zich tijdens de apothekersstaking heeft gehouden. Het beste en tot gauw,

Rudy


59.

[Brief in typoscript, 1 blz.]

2313 AN Leiden, 9 januari 1989

Beste Hans,

Lang gewacht en lang gezwegen… Ik heb het wat druk gehad, – Leo had vakantie evenals Machteld en we hadden natuurlijk ook aanloop van kennissen in deze tijd – vandaar dat ik wat laat ben met een antwoord op je brief van 22/12. Wat Koot en Bie betreft, heb je pech: ze zijn er mee opgehouden, kennelijk beviel de vormgeving ze niet zo, of hadden ze er problemen mee om op staande voet te reageren op de actualiteit, dat weet ik niet. Tot nu toe heb ik een stukje Mulisch voor je, een paar minuten, over Bram Vingerling en, ik hoop dat je ervan houdt, wij doen het wel, een interview met Randy Newman. De mensen die je noemt, komen uiteraard niet elke dag op de buis. Dus soms doe ik er iets anders bij dat ík interessant vind. Er is wel eens een aardige Ned. speelfilm. Ik kijk voor je uit. Het gemiste interview met Reve is in de krant gekraakt, daar hoef je dus niet om te treuren.

Schrijf Jef maar in alle onbevangenheid een aardige brief. Uiteraard hoef je niet te weten, wat ik je vertelde. Delfzijl lijkt me anders geen oord om in te wonen, hij zal een brief van je zeker leuk vinden, denk ik. Iets vrolijks is tenslotte opbeurender dan een mooi verhaal over dood en ellende. Ik neem maar aan dat Hermans intussen hersteld is en van de schrik een beetje bekomen. Je vergelijking met Lennon is zo dwaas nog niet. Schrijvers (en Lennon was er éen) zijn in het algemeen geen grappenmakers, al hebben ze vaak wel humor om een tegenwicht te hebben op hun wanhoop en hun visie op leven en dood, die ze kennelijk zo duur kan komen te staan. Er lopen merkwaardige gasten van onze lieve heer op deze wereld. Had de Franse pers nog iets te melden van het voorval, of gaat zoiets nou gewoon voorbij in het Parijse gewoel? Heb je Hermans er nog over gehoord? 153 Hoe houdt hij zich? Dat je de voetsporen van Lorca gaat volgen, zal ik maar figuurlijk opvatten. Dat was er ook zo éen die god weet waarom uit de wereld geholpen moest worden. Duende.
Wij hebben het compliment van Bernadette erg aardig gevonden. Zeg maar dat we ook erg gesteld zijn op haar gezelschap.
Ik heb nog een hoop werk voor de boeg, dus ik laat het hier even bij. Groeten van huis tot huis en laat maar gauw iets van je horen! je


60.

[Brief in typoscript, 3 blz.]

Leiden, 27 februari 1989

Beste Hans,

Ik was net van plan je te schrijven, toen de telefoon ging en ik jou te spreken kreeg. Zowel Leo als ik hebben het op het ogenblik heel druk met het werk, zij op kantoor en ik met Speenhoff, over wie ik in mei een lezing houden moet voor Indische letteren. 154 Ik ben daar dan ook mee bezig en dat betekent dat ik nauwelijks iets anders doe. Op mijn 60ste verjaardag (3 febr.) ben ik met boeken overstelpt en ook daar heb ik de handen aan vol. Ik denk wel elke dag: nu moet ik Hans eens schrijven, maar dan kom ik er niet toe, hoewel ik me voor hou, dat een brief je toch even welkom moet zijn, als een brief van jou het mij is. Het zijn hectische dagen, ook al omdat Leo ongeveer in dezelfde tijd jarig is, maar ik geniet er wel van. Binnenkort mag ik dan ook nog een opdracht tegemoet zien van de Jan Campert-stichting: een essay over alweer Speenhoff. 155 Al die drukte duidt erop dat het goed gaat met ons. De zwijgzaamheid van Jef zou ik hem maar niet kwalijk nemen. Hij leeft nu eenmaal geen geregeld leven en er is niet veel nodig om dat leven uit zijn baan te slingeren. Schrijf er gewoon een brief overheen en laat merken dat je een antwoord op prijs stelt. Ik schreef Jef ook een nieuwjaarswens per brief en ontving tot op vandaag geen antwoord, maar op een onverwacht moment hoor ik wel weer van hem.

Intussen kreeg ik je laatste brief, eergisteren was dat, met je Cocteau-verhaal. Mijn indruk is, dat je buitengewoon ongeconcentreerd bezig bent en dat je veel te veel in veel te weinig tijd wil vertellen. Een allereerste vereiste is toch dat je vooraf een idee hebt van wat je wilt vertellen, hoeveel ruimte je daarvoor nodig hebt; dat je een idee hebt aan wie je dat allemaal vertellen wilt, en ook hoe je je verhaal wilt brengen.
Je moet daarom je publiek voor ogen hebben en dan is “Voor veel mensen” aan de veel te vage kant. Wie zijn die mensen? Spreken ze Frans? Zijn ze geïnteresseerd in Cocteau, of zijn het ontwikkelde leken? Hebben ze kennis van de Franse literatuur? Hebben ze weet van zijn invloed op de Nederlandse letteren (Van Ostaijen)? Zijn ze op de hoogte van de moderne schilderkunst, ballet, film? Wanneer je je doelgroep zo goed mogelijk voor jezelf hebt omschreven, ga je na hoe groot de omvang moet zijn van de informatie die voor die mensen noodzakelijk is. Je schrijft voor een Cocteau-kenner anders dan voor de volslagen leek. De een heeft weet van Proust, de ander niet. Weet de half of slecht geïnformeerde wie dat zijn: Edouard de Max, Edmond Rostand, Anna de Noailles? Wat is dat Théâtre Fémina? Elke naam, elk nieuw feit, moet toegelicht worden en het is daarom goed alleen de hoogst noodzakelijke namen, de uiterst belangrijke feiten te vermelden, omdat je anders in een chaos van namen en toelichtingen terecht komt, waar geen mens meer uit wijs kan. In de beperking toont zich de meester. Hoe meer je met weinig woorden kunt zeggen, des te beter wordt je werkstuk. Je moet met de ruimte (het aantal woorden) woekeren. Ik zou beginnen met al die namen te verwijderen. Ze vertellen immers niets over Cocteau en niets over zijn kunste-

[p. 2]

naarschap. Ze vertellen misschien alleen maar dat hij een enorme ijdeltuit was, erop uit om indruk op de wereld te maken door name-dropping. Informatieve waarde heeft dat allemaal niet, volstrekt niet. Wat zegt het van iemand dat hij een “ster” is? Van Gogh was het tegendeel van een ster evenals Kafka. Het is zinnig om van hen te vertellen dat de een een dweper was en de ander een schuwe hond, want dat heeft met karakter te maken. Het “stardom” heeft niets met karakter hoe dan ook uit te staan, omdat zoals je weet, iedereen een “ster” kan zijn als de mode dat wil. Dan wat wil je van hem vertellen? je hebt het over zijn conversatietalent, zijn stoutmoedigheid, maar voorbeelden waar die zaken uit blijken, geef je niet. Een man van tegenspraken, zeg je en je noemt een “vrijheid” door “voorbeschikking” – alweer zonder enige toelichting. Zulke informatie bestaat alleen uit slogans en leuzen, waar niemand iets aan heeft. “Vrij en verdacht” is zo’n leus. Waar komt die vandaan? Hoe heeft ze zich ontwikkeld, en uit welke gedachte, – want van een spontane geboorte van zo’n idee zal wel geen sprake zijn. Dan ga je over op wilskracht, geheugen, fantasie, schandalen (heerlijk! maar welke?) en de verdediging van een leugen, allemaal zonder voorbeeld of toelichting. Er is geen organische samenhang in je betoog. Het zijn allemaal kralen, die los naast elkaar liggen, omdat je bent vergeten er een draad doorheen te rijgen, zodat er een ketting kon ontstaan.

Zou het niet voor de hand liggen om eerst maar eens uit te zoeken, welke van zijn eigenschappen en bestrevingen de bron zou kunnen zijn van zijn werk? In dit verband valt het op, dat je zijn homosexualiteit niet noemt. Je moet een centrum hebben van waar je uit denkt. Dan kun je om dat centrum heen de concentrische cirkels trekken. Zou dit centrum, de homo-erotiek, niet die veinzerij – de eerste cirkel – en dat spelen van rollen, dat toneelmatige, – de tweede cirkel – dat verdedigen van leugens – de derde cirkel – hebben gevoed? Een goede compositie van het verhaal maakt allerlei retorische vragen als “De eerste successen van Cocteau waren die niet verbrijzelend?” overbodig. Wie een centrum heeft, kan geconcentreerd denken. Wie het niet heeft, doet maar wat op goed geluk en mist het doel. Overigens zou ik me bij alle vragen over het kunstenaarschap van Cocteau niet laten leiden door zoiets als “succes”. Het staat niet aan de wieg van een artistiek leven en is daarvan ook geen doel, maar een bijkomstigheid, die de gedachte afleidt van waar het je werkelijk om zou moeten gaan. Hoe ongeconcentreerd je bezig bent, blijkt vooral ook uit je taalgebruik, dat verward is. Terwijl je nog met het een bezig bent, ben je in gedachten al weer heel ergens anders, zodat je verward raakt in je ideeën en zinnen en woorden. Ik heb de eerste bladzijde voor je gecorrigeerd, maar weet soms ook niet wat je bedoelt en waar je nou heen wilt. De andere bladzijden zijn trouwens niet veel beter en bevatten tal van zinnen, die on-Nederlands aandoen (omdat ze uit het Frans vertaald zijn?). Ik denk, dat als je mijn raad opvolgt en je de vragen stelt omtrent dat wat je aan wie vertellen wilt en hoe je dat moet doen in een beperkte ruimte, dat je dan een veel betere start hebt en ook enig idee om je stof te thematiseren en uit te bouwen tot een strategie en tenslotte tot een conceptie, die zich organisch uit je gegevens en veronderstellingen en gedachten ontwikkelt en die daarom tot jouw geestelijk bezit is

[p. 3]

geworden, d.w.z. kenmerkend voor jouw heel eigen wijze van zien en denken en voelen. Ik wil maar zeggen, dat je eens aan het werk moet – aan jezelf. Dan komt het met Cocteau ook nog wel in orde, als ik aanneem dat je een paar kaartsystemen tot je beschikking hebt:

    met biografische gegevens, voorafgegaan door een stamboom of kwartierstaat
    een bibliografie van al zijn werk (ook film, ballet, toneel etc.)
    een bibliografie van wat over hem geschreven is
    een documentatie van illustratief materiaal, foto’s, portretten, schilderijen, tekeningen van en over hem.

Met zulk slavenwerk zul je toch moeten beginnen vóor je ook maar éen letter op papier zet. En dan moet je bedenken wat je werkelijk wilt: een levensbeschrijving of een bespreking van het werk. Je moet dus kiezen tussen “Cocteau werd geboren op…” of “zijn eerste boek heette…” en dan eindig je met zijn dood of met het evt. posthuum uitgegeven werk. En tussendoor heb je jaren in allerlei archieven naar nieuw materiaal gezocht.

Na deze preek moet ik je een verzoek van Leo overbrengen: wil je haar een tube Embryo-lisse toesturen? We sluiten geld in deze brief in, want dat spul is hier bij de drogist niet te koop. Ze vond de film (zw-wit) prachtig. Intussen is ook onze band voor jou vol en die gaat morgen op de bus. Op mijn vraag naar Hermans gaf je in je laatste brief geen antwoord, maar actueel zal het nu wel niet meer zijn. Hans, ik kap. Ontvang ook voor vrouw en kinderen onze hartelijke groeten en doe iets met mijn suggesties! Succes er maar mee.

P.S. Veeg je Randy Newman en Roxy music niet uit als je iets voor ons opneemt op die band? Thanks.


61.

[Brief in typoscript, 1 blz.]

2313 AN Leiden, 30 maart 1989

Beste Hans,

Zojuist bracht de post je video-opname, waarvoor onze dank. Die film, – zal ook wel weer zwart-wit zijn – behoort tot de lievelingsfilms van Leo. Schrijf eens hoe je de band vond, die ik je zond?
Ik stuur je door deze brief een paar bladzijden uit de jaartallenlijst 156 en uit de periodisering die ik maakte als voorstudie. De lijst is ook een soort van kaartsysteem. De nummering berust (in het begin niet altijd) op jaartallen: nr. 15/x.y./ is bv. 1889. De periodisering volgt het levensritme van een mens (met de benamingen in het Latijn), toegepast op dit ene individuele leven. Daar zitten natuurlijk altijd individuele verschillen in; bij Speenhoff komt dat tot uiting in het uitsplitsen van juventus in juventus 1 en juventus 2: hij is een “laatbloeier”. Zoiets zou je eens van Cocteau moeten maken. Elk feit, belangrijk of niet, op een kaartje noteren en van een systematische nummering of codering voorzien. En meteen rangschikken op jaartal. Ook politieke gebeurtenissen noteren, bv. het volksfront, München, etc., want ongetwijfeld zijn ze van pos. of neg. invloed geweest op hem, of bleef hij juist neutraal. Een stamboom of kwartierstaten zijn welkom. Maar zoals ik je al schreef, je hebt meer systemen nodig: een bibliografie (die kun je meestal wel van een ander overnemen, wel controleren of die lijst volledig is). Ook een lijst van ongepubliceerd werk. Een lijst van schrijvers over Cocteau, handschriften uit diverse perioden, een lijst van portretten, foto’s, stadsgezichten uit de overeenstemmende tijd. Een lijst van kenmerkende citaten van Cocteau, en afzonderlijk zo’n lijst van citaten uit werk van zijn commentatoren. Videobanden, indien aanwezig, interviews etc.
Zo groeit er een idee in je aan de hand van echte feiten en meningen, van wat je nou eigenlijk wil gaan vertellen en aan wie en raak je niet van begin af aan al in de war of in paniek. Zo’n apparaat verschaft je een bepaalde zekerheid, dat je niet volkomen verdwalen kunt in al je gegevens. Het verzamelen is een tijdrovend werk, maar het is noodzakelijk. Trek er een jaar of twee voor uit, doe in die tijd speurwerk in archieven. Ga vooral bij de periodisering met grote zorg te werk: is die in orde, dan kan het werk dat je te wachten staat in de dan komende jaren – reken maar een jaar of zes, zeven – niet meer totaal mislukken.
De periodisering, mits gebaseerd op je apparaat, is het halve werk.

Leo was van plan Bernadette te schrijven om haar te bedanken voor de embryolyse, maar ze komt iedere avond doodmoe van haar werk en kan zich er niet toe zetten. Nu doe ik dat maar voor haar, voorlopig, ze laat wel van zich horen als de tijd wat rustiger is op dat kantoor.

O.K. dit was het dan wat mij betreft. Ga aan de slag en sla niet al mijn raad in de wind!

Hartelijks voor jullie allen van ons drieën,


62.

[Brief in typoscript, 2 blz.]

24 mei 1989

Beste Hans,

Ik heb een tijd niet van me kunnen laten horen, omdat ik werkelijk tot over mijn oren in het werk zat. Afgelopen vrijdag moest ik voor Indische letteren een verhaal over Speenhoff en Indië houden en ik me daar lang op voorbereid. Het was een druk bezochte middag, ondanks stralend weer: ± 50 aanwezigen, wat veel is. Ook de belangstelling was goed: een paar vragen, enkele suggesties. Het verhaal komt in Ind. Lett. 157 Ik ben nu bezig het een beetje aan te passen aan nieuwe kennis die ik intussen opdeed. Jouw verhaal lijkt me best sterk. Ik weet alleen niet – maar dat is ook jouw probleem – hoe je dat wat je vertelt, in hoorspelvorm gieten moet: sluipen, kruisstappen, schaduw. Die verteller lijkt me onmisbaar. Daar ben ik dan ook wel benieuwd naar. Het valt me op, dat je synopsis helder geschreven is. Ik zie wel eens iets van je dat schreef met meer “literaire” bedoelingen, en dan doet dat werk mij vaak onnatuurlijk aan. Je doet dan alsof je je verplicht voelt anders te schrijven dan je in de normale omgang doet. Dat lijkt me eigenlijk je vergissing, als ik erover nadenk. De moet gewoon schrijven alsof je jezelf iets vertelt, zoals hier. Dat leest heel fijn en vlot. Maar dat schrijven met een oog schuins op een getuige-deskundige gericht, die bereid is “mooi” te roepen, daar heb je geen fluit aan (en een ander ook niet). Ik wens je veel inspiratie toe en alle succes en als je me er iets van kunt laten zien, zou ik dat leuk vinden.
Intussen ga ik met Speenhoff onverdroten voort. Ik kreeg nu van de Jan Campertstichting een opdracht een essay over de man te schrijven van rond 40 blz. Ik ben veel verder nu en nog lang niet aan het eind van mijn latijn. Ik schat dat ik nog een maand of twee aan het werk zal zijn (en ik werk hard, ik schat zo’n zes à zeven uur per dag (van 9 tot 12, van 15.30 tot 16.30 en van

[p. 2]

21.30 tot rond middernacht. Daar zit af en toe wel wat leeswerk tussendoor, maar het meeste heb ik toch wel in een systeempje staan, zoiets als ik je verleden keer liet zien. Arthur met een beugel! Machteld moet er eigenlijk ook wel aan geloven, maar ik vrees dat ze er weinig voor voelt. Gaat alles verder goed met jullie? Ik sprak op een feestje met Adelbert Foppe, 158 die het goed schijnt te doen als kunstschilder. Zijn oudste dochter is nu zestien, pas naar Parijs geweest. Toen vertelde ik dat ik jou kende en dat ik gewoonlijk bij je logeerde als we in Parijs zijn. Ik heb hem beloofd jou eens te polsen over de vraag of zij bij gelegenheid haar tent bij jou mag opslaan, – bij deze dus. Of ze er echt gebruik van denken te maken, weet ik niet. Ik heb je adres niet gegeven, en het is maar de vraag of ik hem binnen afzienbare tijd weer eens zal zien. Ik verwacht dat alleen als hij werkelijk ernstig wil, dat het bij jou kan. Ik heb, nu dat werk voor Ind. lett. achter de rug is, weer even de handen vrij, maar ik ben zo bezeten bezig met dat essay, dat ik alle tijd toch weer vergeet. Het is hard werken, maar vermoeien doet het niet. Wel zou ik willen, dat ik een bibliotheek bij de hand had, liefst in huis, waar ik alles wat ik nodig heb kan vinden. Ik ga nu binnenkort ook wat archieven af en instituten waarvan ik weet dat ze e.e.a. van Speenhoff in huis hebben. Zo, dat is het dan weer voor deze keer. Wat het hoorspel betreft: maak er iets moois van en voor jou en de jouwen: het allerbeste en veel hartelijks, je

Rudy


63.

[Brief in typoscript, 4 blz.]

4 augustus 1989

Beste Hans.

Gisteren je brief en vandaag de videoband ontvangen, en voor beiden zeggen we je gaarne dank. Ik zal je binnenkort Orphée 159 opsturen. Ik kom weinig op straat, weinig aan het postkantoor en kan ook weer niet alles en alles aan Leo vragen: ik ben voor veel afhankelijk van anderen geworden, zelfs van jou! 160 Mijn gezondheid is opmerkelijk. Dwz. ik ben geen wrak, niet invalide, niet volkomen depressief. Om het anders te zeggen: ik ben mijn conditie voor een zeer belangrijk deel kwijt en nog niet helemaal in deze wereld terug, nog altijd een klein beetje daar. Ik slik veel medicijnen en voel me eerlijk gezegd een beetje een junk.
Ik had een infarct van 20%, dwz. dat een gebied van 20% werd uitgeschakeld; het schijnt dat je bij 40% niet meer te redden bent. Maar percentages zeggen niet alles: een infarct van 5% op een vitale plaats kan schadelijker zijn dan een infarct van 30%. Ik kreeg in het ziekenhuis een stof toegediend als medicijn (streptokinase) die gewoonlijk wonderen verricht bij een hartinfarct. Maar bij mij gebeurde dat niet: voor die stof was

[p. 2]

ik allergisch. Ik werd kortademig en kreeg er een longziekte bij, die zich zo ernstig ontwikkelde, dat ook langs die weg mijn leven werd bedreigd. Er is dus nogal wat afgesold met mij. Ik schreef over e.e.a. een essay, dat ik je na publicatie (als dat lukt) zal sturen. 161

vervolg op 12 juni 1990

Beste Hans,
dit, van hierboven, was de brief die ik van plan was je te sturen, nu zo’n 10 maanden terug. Vandaag, precies een jaar en een dag geleden kreeg ik dat infarct. Ik ben er nu weer heel anders aan toe, dan toen ik je bovenstaande schreef. Ik ben nl. van de prednison af, éen van de medicijnen om die allergie te bestrijden, en die het nadeel van veel bijverschijnselen heeft, waar je ook weer enorm beroerd van worden kan. Ik ben bv. heel dik geweest: een Michelinmannetje, kreeg huiduitslag: schilfers over mijn hele gelaat; pijnlijke gewrichten, zodat het lopen moeilijk ging (en gaat), enz. Ik heb me nu toevertrouwd aan een acupuncturist, en die bereikt opmerkelijke resultaten, in ieder geval op mentaal gebied. Mijn conditie is in zekere zin minder dan ik je in de brief hierboven vertelde, anderzijds ben ik optimistisch genoeg om steeds sterker in de terugkeer van mijn joie de

[p. 3]

vivre te geloven. In ieder geval schrijf ik weer: een brief, een notitie, een stukje. Dat essay in Maatstaf heb ik direct na ontslag uit het ziekenhuis in éen ruk (nu ja, van 15 dagen!) geschreven – en daarna niets meer. Ik deed wel wat correctiewerk (aan mijn Speenhoff-essay), maar de lust tot werken, de creatieve geest ontbrak toch volledig sindsdien, en daarom schreef ik ook jou en zo vele anderen niet. Men wil niet alleen zijn vrienden, maar vooral ook zichzelf niet teleur stellen met het leveren van wanprestaties. Maar nu gaat het allemaal weer zo, dat ik kan zeggen: we gaan vooruit, langzaam maar zeker. Er is zo nu en dan wel eens een terugval (ik kreeg van de week toevallig weer twee korte aanslagen van het hart op mijn gemoedsrust: 200 slagen per minuut – maar daar zijn goddank pillen voor), en al sloopt die mijn krachten,- tot nu toe heb ik tegenslag altijd weten te overwinnen.
Ik ben erg blij van je te horen dat je het zo naar je zin hebt als karategoeroe van de jeugd in Gagny. Ik zou je wel eens aan het werk willen zien in je sportschool. Als die net zo chic oogt als je briefpapier, kun je

[p. 4]

een groot vertrouwen in de toekomst hebben, geloof ik.
Machteld is intussen zo groot geworden; ze mag komend schooljaar naar de havo en kijkt daar nu al verlangend naar uit. We hebben een opleiding gekozen, die het vak tekenen als eindexamenvak biedt, want daar is ze volgens mij heel knap in en daar wil ze zich ook verder in bekwamen. Mijn vader wilde van mij geen artiest maken, daarom is dat tekenen bij mij ook nooit iets van belang geworden. Leo heeft weer een nieuwe baan, waarin ze zich “projectsecretaris” mag noemen. Ze heeft nu zelf een secretaresse en voelt zich heel wat mans. Het werk dat ze doet heeft te maken met de stadsvernieuwing van den Haag. Nou Hans, je bent weer een beetje op de hoogte. Hoe is het met Bernadette en de twee kerels? Ik hoop dat ik in de toekomst met grote regelmaat contact kan houden met jullie. Doe je de groeten aan iedereen?

Hartelijks, je


64.

[Brief in typoscript, 3 blz.]

zondag, 24 juni 1990

Beste Hans,

Eindelijk zon. Leo en Machteld zitten er in de tuin van te genieten. Ik heb dat niet: de zon drijft me naar binnen, naar het schaduwrijke. Ik luister naar Verdi’s Aïda; sinds ik zo ziek ben geweest, bezit ik een cd-speler en soms verwent Leo mij met een cd of ook wel met een aantal ervan, zoals in dit geval van een opera. Ik moet er ook niet aan denken ergens in een stadion te staan, op deze veel te warme dag, om naar een concert – als is het er dan een van de Stones – te luisteren. Het is natuurlijk een avontuur, maar ik zou me kunnen troosten met een cd. Heb je van hun muziek genoten? Jammer dat je alleen moest; Leo is behoorlijk jaloers op je geweest, – ik trouwens ook: hun werk is van onze tijd, zoals de toeloop van het publiek natuurlijk ook bewijst. Het doet me plezier te horen dat je in weerwil van je lessen nog tijd vindt om te koken. Ik maakte zojuist een kervel-sherrysoepje: iets fris vooraf vanwege de zomer en de hitte. Ken jij tussen twee haakjes Mozarts opera Don Giovanni? Ik heb die altijd – en doe dat nog – voor de opera onder de opera’s gehouden. Wat mij daarin het meeste bezig houdt, is de figuur van de door Don Giovanni in een duel om het leven gebrachte commendatore: de vader van een

[p. 2]

van de vele door deze vrouwenveelvraat belaagde dames. De man krijgt een standbeeld, herleeft daarin en komt als “stenen gast” bij Don Giovanni op een diner. Bij die gelegenheid nodigt hij zijn gastheer uit voor een tegenbezoek. De stenen gast loopt. In de muziek is dat aangegeven door een zeker gestamp: lichtvoetigheid bestaat hier natuurlijk niet.
Zoals je weet is er in Brussel kort geleden een tentoonstelling geweest van de beelden van het Paaseiland. Thor Heyerdahl die dat eiland bezocht, vroeg zich af, hoe die beelden van de hak- en houwplaats af naar het strand werden vervoerd. Hij was van mening dat ze over boomstammen naar de plaats van bestemming werden gerold. “Nee,” zei een stamhoofd: “ze wandelden”.
Ze wandelden? Hoe dan? Dat wist het stamhoofd niet. Heyerdahl keek eens naar het voetstuk van zo’n beeld. Dat was niet plat, zoals je zou verwachten, en zoals zeker het geval zou zijn, wanneer ze werkelijk over boomstammen naar het strand waren gerold, nee – het voetstuk was links en rechts enigszins rond afgesleten. Het beeld was naar het strand gewandeld. Het volk dat hem bij die wandeling begeleidde, had hem een paar stevige touwen om het hoofd gebonden, waarmee hij in beweging kon worden gezet, en zo, terwijl men beurtelings aan de touwen trok of die beurtelings liet vieren, kwam hij ten slotte op zijn standplaats

[p. 3]

terecht. Zo zou ik willen dat de stenen gast in de Don Giovanni zich bewoog: waggelend,- niet lopend: een echte zombi, een robot. Ik was al met robots bezig, voor ik me in Luceberts hysterische robot verdiepte. Ikzelf zou zo’n robot zijn…


65.

[Ansichtkaart, ongedateerd, Malta, augustus 1990]

Dag lieve mensen!

Rudy.





NOTEN
  1. Johannes Albertus Maria Jozef (Hans) Dütting, geb. 1947 in Helmond, was onder meer werkzaam bij het Letterkundig Museum in Den Haag en bij het Institut Néerlandais in Parijs. Publiceerde halverwege de jaren zestig enkele gedichten in Podium. Uit een e-mail van Dütting aan de bezorger, d.d. 10 mei 2010: ‘Je vader leerde ik kennen tijdens de opening van de boekhandel Ulysses op de Denneweg in 1967 of 1968. Ik herkende je vader van een foto die op de voorkant van Kentering had gestaan. En kwam toen in gesprek met hem, sindsdien werden we bevriend. We zijn enige tijd zonder contact geweest toen zijn leven een beetje chaotisch werd door zijn scheiding, nadat hij in Leiden was gaan wonen hebben we weer regelmatig contact gehad. Hij kwam iedere jaar bij ons met Kerst in Gagny, en verder ook wel eens tijdens schoolvakanties van Machteld. Altijd met Leo erbij.’ (Gagny, de woonplaats van Dütting, is een voorstadje van Parijs. Machteld is de naam van Cornets de Groots jongste dochter, geb. 1977; Leonarda de naam van zijn tweede echtgenote. Zie Düttings website. ↩
  2. Vergelijk het verslag van dezelfde periode in zijn laatste brief aan Wim Meeuws van augustus 1978. ↩
  3. De kunst van het falen, verschenen oktober 1978. ↩
  4. Met de gnostische lamp, verschenen februari 1979. ↩
  5. Zie Büchs recensie. ↩
  6. Ladders in de leegte, verschenen in 1981. ↩
  7. Niet duidelijk wat de oorzaak is van deze opmerking. ↩
  8. Dagboekbladen, over Mulisch’ De compositie van de wereld. ↩
  9. Zie voor alle kritieken de Recensies van Liefde, wat heet! ↩
  10. Heere Heeresma, zwager van Cornets de Groot en een van de initiatiefnemers van het schrijversprotest op 8 maart 1970 waar Dütting en Cornets de Groot aan deelnamen. ↩
  11. Aldert Walrecht (1931-2009), letterkundige en Lucebert-specialist. Zie zijn bespreking van Liefde wat heet! ↩
  12. Henk Reurslag, auteur van Han de Wit… ‘t binnenste buiten. Een structureel, stilistisch en literair-historisch onderzoek van Heere Heeresma’s roman Han de Wit gaat in Ontwikkelingshulp, Nijmegen, eigen beheer, 1984, en van De Wereld Van Heere Heeresma, Baarn, De Prom, 1990. ↩
  13. Zie Verstappens recensie van Liefde, wat heet! ↩
  14. Liefde, wat heet! werd geschreven onder het pseudoniem Simon Lucard. ↩
  15. Sjoerd van Faassen, destijds redacteur van uitgeverij Bzztôh. ↩
  16. Een van de verzamelingen secondaire literatuur van Hans Dütting. ↩
  17. Zie noot 13. ↩
  18. Hoofdpersonage van Tropische jaren. ↩
  19. Zie de foto van de avond met Van de Watering en R.L.K. Fokkema. ↩
  20. Cornets de Groots in 1980 gepubliceerde voorlaatste essaybundel. ↩
  21. Zie Girl picture album foldout. ↩
  22. Het ‘filmscenario’ Sybille. ↩
  23. Dütting was in Parijs bevriend geraakt met zijn stadgenoot W.F. Hermans. ↩
  24. Verbastering van de titel van Cornets de Groots eerste roman, Liefde, wat heet! ↩
  25. De zegelring, samen met Geyersteins dynamiek en de twee genoemde een viertal uniform uitgegeven novellen van W.F. Hermans uit deze jaren. ↩
  26. Een ‘Lucebert-essay’ heeft Cornets de Groot niet meer geschreven, afgezien van het ongeplande De robot en het woord, en ook een essay over de Hermans-novellen is niet van de grond gekomen. ↩
  27. Het laatste – en meest spraakmakende – jurylidmaatschap van Cornets de Groot; zie het overzicht van het Letterkundig Museum. ↩
  28. Rilke, Rilke, Rilke!, opgenomen in de bundel Ladders in de leegte. ↩
  29. Zie de tekening op p. 5 van Iets persoonlijks. Zie ook brief 33 aan Ria Albers van de Vestdijkkroniek. ↩
  30. Zie noot 27; de voordracht van H. Brandt Corstius werd door minister Brinkman van cultuur afgewezen. ↩
  31. Riekus Waskowsky (1932-1977), Rotterdams letterkundige met belangstelling voor zenboeddhisme, drugs en popmuziek. Volgens de website van Dütting ‘veel te vroeg aan de drugs en de drank ten onder gegaan, hij was ongetwijfeld één van mijn allerbeste vrienden.’ ↩
  32. Door Ger van Wulften in samenwerking met Gied Jaspars uitgegeven tijdschrift waarin onder anderen Heere Heeresma en Theo van Gogh publiceerden. In het tweede nummer werd van Cornets de Groot het eerste hoofdstuk van Tropische jaren voorgepubliceerd onder de titel ‘Snert met sambal’. ↩
  33. Op Tsjechovs toneelstuk gebaseerd kort verhaal in een door Theo Stokkink gepresenteerde KRO-radioserie over debuterende schrijvers. ↩
  34. Zie het in de bundel De zevensprong (1967) opgenomen essay Denkbare tautomerie van Cornets de Groot over Hermans’ roman De God Denkbaar Denkbaar de God. ↩
  35. De roman zou verschijnen onder de titel Tropische jaren. ↩
  36. Dütting was karateleraar; zie zijn novelle Zen en de kunst van het zwaard (herdrukt in Het Rijk der Dromen, Soesterberg 2009). ↩
  37. Ad Lagerwaard, in de jaren zestig in Den Haag onder de naam Lagor Waard organisator van jazz- en beatconcerten en van evenementen als de Miss Scheveningen-verkiezingen. ↩
  38. Vergelijk van Lucebert de regels ‘nachtenlang bemediteerde hij (een schemermens)/ het woord schampscheut’ uit simbad de luchtman. ↩
  39. Deze brief wordt voorafgegaan door een brief van Cornets de Groots vrouw. ↩
  40. Kritische motieven. Beschouwingen over het werk van Jeroen Brouwers, samengesteld door Hans Dütting, zou eerst in 1987 bij uitgeverij De Prom verschijnen. De Prom, geleid door Wim Hazeu, was ook de uitgeverij waar Cornets de Groots beide romans (in 1983 en 1986) verschenen. Zie eventueel de correspondentie met Wim Hazeu. ↩
  41. ‘Verborgen stad’, zie noot 35. ↩
  42. Ten tijde van deze brief verscheen van Frans C. de Rover in de Synthese-reeks Over De aanslag van Harry Mulisch. Twee jaar later, in 1987, ook De weg van het lachen. Over het oeuvre van Harry Mulisch. ↩
  43. Zie over Mulisch’ telefoontje ook brief 2 aan Jan Bijlsma. ↩
  44. Over Harry Mulisch: Kritisch nabeeld, samengesteld door Hans Dütting, De Prom, 1982. ↩
  45. Zie brief 37 aan Hazeu. ↩
  46. Op 19 september 1985 werd Mexico getroffen door een aardbeving die aan ongeveer tienduizend mensen het leven kostte. Uit een e-mail van Hans Dütting aan de bezorger, d.d. 31 juli 2010: ‘Ik schreef hem dat het minder erg was (dat zijn essay niet werd opgenomen) dan die aardbeving toen in Mexico. Een beetje lullige opmerking van mij, afijn.’ En in een daaropvolgende e-mail: ‘Ik begreep niet dat je vader, mijn dierbare vriend, zich druk maakte over het weigeren van een essay; er waren volgens mij erger dingen in de wereld zoals met die aardbeving in Mexico, achteraf voel ik me een lul voor zo’n antwoord’. ↩
  47. Hoofdfiguur uit Mulisch’ roman Het stenen bruidsbed. ↩
  48. Titel van Cornets de Groots essaybundel uit 1966. ↩
  49. Namelijk in een bericht van zijn vrouw op de achterkant van het vel. ↩
  50. Roepnaam van Cornets de Groots dochter Machteld. ↩
  51. Zie brief 58 aan Wim Hazeu. ↩
  52. Deze lezing is niet teruggevonden. ↩
  53. Jef van Leeuwen, beeldend kunstenaar en sinds de jaren zestig bevriend met Cornets de Groot. Zie Cornets de Groots brief aan Van Leeuwen. ↩
  54. Opus Gran, 12 gedichten en een tekst van Harry Mulisch, tekeningen van Jeroen Henneman, Amsterdam, 1982. ↩
  55. In Verduistering van bronnen uit Ladders in de leegte. ↩
  56. Vergelijk dezelfde verwarring over de naam van Cherry Duyns in brief 15. ↩
  57. Mijn getijdenboek. ↩
  58. Vergelijk: ‘Hoe meer een dichter in zijn werk een zekere antipsychologie onder woorden brengt, hoe meer een interpretator zich af zal vragen, welke psychologie de dichter hier verborgen wil houden…’ Met de gnostische lamp, p. 64. ↩
  59. Cornets de Groots 57e verjaardag. ↩
  60. Zie Ik predik de nadorst. ↩
  61. Zie de Reactie op Ik predik de nadorst, de Brief aan Jan Verstappen en de Brief aan Gert-Jan Vincent. ↩
  62. André Breton, Nadja, Meulenhoff, Amsterdam, 1973. ↩
  63. Film uit 1975 van Alain Robbe-Grillet met onder meer Sylvia Kristel. ↩
  64. Suzanne Wildeman, medewerkster Uitgeverij De Prom. Zie de correspondentie met Wim Hazeu. ↩
  65. Heere Heeresma. ↩
  66. Hans Vlek (1947), schilder en dichter, ontving voor Een warm hemd voor de winter (1968) zowel de Reina Prinsen Geerligs als de Jan Campert-prijs. Werd regelmatig opgenomen in psychiatrische instellingen. ↩
  67. Louis van Gasteren & Duco van Weerlee, Allemaal rebellen!, Amsterdam, 1984. Boek over ‘de Leidsepleiners’, opstandige jongeren van Amsterdam in de jaren 1955-1965. ↩
  68. Vergelijk: ‘Ik heb nauwelijks herinneringen, nauwelijks dromen over, in het geheel geen souvenirs aan mijn eigen verleden. Ik ken alleen maar sporen vooruit, en daartoe behoren de boeken die ik lees, en waar ik bewondering voor koester. Dat zijn geen herinneringen, maar de tegenstellingen ervan, hallucinaties in zekere zin.’ Uit een interview van 1968. ↩
  69. Boekwinkel aan de Breestraat in Leiden. ↩
  70. De P.C. Hooftprijs die Brandt Corstius in 1984 door minister Brinkman van cultuur was geweigerd. Zie noot 27. ↩
  71. Zie noot 32. ↩
  72. Op Oscar Wildes The Picture of Dorian Gray geïnspireerd toneelstuk van Hans Dütting, bibliofiel gepubliceerd. ↩
  73. Gerard Fieret (1924-2009), fotograaf, dichter, beeldend kunstenaar. Zie een brief van Cornets de Groot aan Fieret en een herinnering aan Fieret van de bezorger. ↩
  74. In De allegorische interpretatie van ‘Aktaion onder de sterren’ (Vestdijkkroniek, juni 1982) citeert Cornets de Groot van Vestdijks romanpersonage Cheiron: ‘In een hand ging veel meer om; en daarom kon men alleen goed nadenken, wanneer de handen nadachten op hun manier, dus werkten’ (p. 4). En hij voegt eraan toe: ‘Het criterium van de werkelijkheid ligt niet in de geest, schijnt deze aan de aarde gebonden filosoof met de hamer te willen zeggen, maar in het werktuig. Men dient zich een wereld te scheppen, men dient zich niet een wereld te bedenken’ (p. 16). ↩
  75. Zie Prinses onder de heksen (Jan G. Elburg) uit Labirinteek. ↩
  76. Zie de bespreking van Labirinteek door prof. dr. W. Blok in De Nieuwe Taalgids en Cornets de Groots reactie erop in Intieme optiek. ↩
  77. Bundel van Gerard den Brabander uit 1946. ↩
  78. Debuutbundel van Jan Elburg uit 1943. ↩
  79. De betreffende brief is tot heden niet teruggevonden in het omvangrijke brievenarchief van Hazeu. Zie overigens de Correspondentie. ↩
  80. Vergelijk: ‘”Muziek”, zei ik, “dat is toch een veel te oppervlakkige kunst?” “Hoezo?” vroeg Jozef [Eyckmans]. “Nou”, zei ik, “veel te veel mensen houden er van”.’ (Iets persoonlijks, p. 2) en: ‘”Men moet muziek nooit voor de eerste keer horen”, zei Willem Pijper.’ (Tropische jaren, p. 72). ↩
  81. Ongepubliceerde vertaling door Dütting van de bundel Le Cap de Bonne-Espérance van Jean Cocteau. ↩
  82. Bram en Geer van Velde. ↩
  83. Zie noot 11; zie de correspondentie met Walrecht. ↩
  84. Zie de recensie van Jan Verstappen en die van Aad Nuis op Tropische jaren. ↩
  85. Vergelijk uit Cornets de Groots Nawoord bij de in 1987 gepubliceerde derde druk van Simon Vinkenoogs Heren zeventien: ‘De dood is onmiddellijk poëtisch, want de dode is van een andere soort werkelijkheid dan de werkelijkheid der levenden. De dode is in zekere zin ‘werkelijker’ dan wij: een beeld, geen stroom. Een visie, geen voorwerp meer voor laster of roem, die voorbijgaan in Story of Privé. Hij is voorgoed zichzelf.’ ↩
  86. Geïllustreerde literatuurgeschiedenis van Murk Salverda en Anton Korteweg bij de permanente tentoonstelling van het Letterkundig Museum. ↩
  87. De naam ‘Lucebert’ is tweemaal getypt. ↩
  88. Recensie van Ton Bogaard in het Brabant Dagblad van 19 april 1986. ↩
  89. “‘Buig het fiere hoofd, Sicamber [sic]! Aanbid wat u verbrandde. En verbrand wat u aanbeden hebt.” Gezegd door de bisschop van Reims tegen Clovis, koning der Franken, bij diens bekering tot het christendom in of na 496. ↩
  90. Vergelijk: ‘De kunst van het schrijven bestaat eruit, dat je precies zegt wat je bedoelt, en dat je precies bedoelt wat je zegt. En je bedoelt toch niet onbegrijpelijk te willen zijn?’ uit brief 21 hierboven. Maar ook: ‘Van een bandrecorderinterview met Mulisch kan helaas niets komen, aangezien hij op mijn vragen, zijn “innerlijk” leven betreffende, alleen maar antwoordt: “Ik weet niet wat de dingen die ik zeg, betekenen. Maar ik ben onfeilbaar.”‘ (Brief 2 aan Bert Bakker). ↩
  91. Vergelijk van Vestdijk: ‘Een menselijk leven, dat zich op de duur niet met tien, twintig andere levens vermenigvuldigt, – levens die geen vorm hebben aangenomen, maar daarom nog geen doodgeboren levens, – verdient de naam van “leven” ternauwernood; het is een leven zonder diepte, zonder ruimtelijkheid, zonder licht en schaduw.’ Dit citaat uit Vestdijks essay Historische contingentie wordt door Cornets de Groot op verschillende plaatsen aangehaald. ↩
  92. Voor de derde druk (als ‘Bezige Bij Poëziepocket’) van Vinkenoogs bundel Heren zeventien uit 1953 schreef Cornets de Groot het Nawoord. ↩
  93. Cornets de Groots voor scholieren geschreven inleiding Vestdijk op de weegschaal bevat verschillende hoofdstukken uit De dokter en het lichte meisje. ↩
  94. Vergelijk: ‘Padang. Er waren huizen die op palen stonden, waartussen je spelen kon in koel en fijn zand, heerlijk uit de zon en in het donker.’ (Dagboekaantekening d.d. 10 mei 1989) En: ‘Mijn huid is melkblank en van jongsaf aan ging ik zoveel mogelijk de zon uit de weg om niet bruiner te lijken dan ik ben.’ (Onvoltooide Indische roman, p. 1). En: ‘Hij leerde ons veel over dat land, een klein land, ver weg […]. Wanneer je ‘s zomers in het gras lag te genieten van de zon – dat zei hij echt: “te genieten van de zon!” – kon je opeens wakker schrikken van de schaduw en het geklapper van de zeilen van een enorm schip.’ (De dichter-zanger J.H. Speenhoff of zelfportret met liedjes, p. 6). ↩
  95. Dagboekbladen. Zie ook de brieven 17 en 18 hierboven. ↩
  96. Vergelijk de eerste zin van Mulisch’ roman Het stenen bruidsbed: ‘Een mens werkt, vrijt, slaapt, eet – en overal op aarde wordt inmiddels alchemie bedreven met de dertien letters van zijn naam’. ↩
  97. Zie Pollmans recensie. ↩
  98. Zie Cornets de Groots aantekeningen over Moravia’s Vrouw van Rome. ↩
  99. Zie noot 80. ↩
  100. Karel Osstyn, Status quo. ↩
  101. Zie Een beetje echt, lekker kunstenaarsbloed. ↩
  102. Zie noot 95. ↩
  103. Herhaling van een vroeg inzicht uit Bikini (p. 165): “Een sociologische theorie [maakt] aannemelijk dat de eenzaamheid van de individu naar verhouding toeneemt, naarmate zich zijn contacten met de buitenwereld (reizen, talenkennis, expansie der communicatiemiddelen) vergroten.” ↩
  104. Zie brieven 16, 17 en 18 uit de correspondentie met Jan Elburg. ↩
  105. Zie noot 95. ↩
  106. Zie We’ll meet again, some sunny day. ↩
  107. Hans Dütting, Kritische motieven. Beschouwingen over het werk van Jeroen Brouwers, Baarn, 1987. ↩
  108. Zie noot 101. ↩
  109. Zie noot 92. ↩
  110. ‘Thuis las ik de minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia: beslissende lectuur.’ Uit Iets persoonlijks, p. 2. Zie noot 29. ↩
  111. Hans Tuynman (1942-1993) werd niet in Emmeloord, maar uitgerekend op Java geboren; woonde vanaf 1955 in Den Haag. ↩
  112. Zie het verslag van de reis. ↩
  113. Aanduiding van Freddy de Vree voor Willem Frederik Hermans. ↩
  114. Zie noot 106 resp. 112. ↩
  115. Op 9 oktober 1987 in Den Haag. ↩
  116. Zie Hier en nu en daar en toen. ↩
  117. Zie J.J. Oversteegen over Cornets de Groot in Literair Lustrum 2, Amsterdam, 1973. ↩
  118. Zie voor deze bronnen de Bibliografie op p. 77 van De dichter-zanger J.H. Speenhoff of zelfportret met liedjes. ↩
  119. Daisy Wolthers (1922-2008), conservatrice van het Letterkundig Museum, droeg in 1998 de nalatenschap van haar vriend Aimé van Santen (1917-1988) over aan het Instituut voor Sociale Geschiedenis; zie de beschrijving aldaar van het archief. Cornets de Groot schreef over de taaltheorie van Jan Molitor, het pseudoniem van Van Santen, in De kunst van het falen, p. 112-120. ↩
  120. Het huis, verschenen in De tweede ronde, Indonesië-nummer, (lente 1988), p. 25-32. ↩
  121. Vermoedelijk gaat het om Dick Welsink en Kees Stip, Het grote beestenfeest, Amsterdam, 1984. ↩
  122. In 1968 schreef Cornets de Groot één essay over Van Doorn, het voor Labirinteek bedoelde maar ongepubliceerde Poppoëzie. ↩
  123. Te weten: Saskia, Rutger, Machteld. ↩
  124. Cornets de Groot schreef één artikel over het werk van Hugo Claus, Geheimwaffe van de ziel, over het gedicht ‘April in Paris’ uit de hier door hem genoemde bundel Tancredo Infrasonic (1952). ↩
  125. Het tijdschrift waarvan Vinkenoog redacteur was geweest en waar in de lente van 1963 Cornets de Groots sleutelessay Bikini in was verschenen. ↩
  126. Destijds minister van cultuur. Zie ook noot 69. ↩
  127. Geciteerd uit het voorwoord tot Voer voor psychologen. ↩
  128. Zie noot 120. ↩
  129. Vergelijk: ‘Kijk es wat ‘n verdriet, hij eet voor twee!’ en ‘Hij vreet alsof ie zo gehangen wordt.’ Uit Aforismen. ↩
  130. ‘Die man heette Victor Bode, een vriend van mij, vorig jaar overleden aan maagkanker. Bewonderaar van Albert Camus. Camus schreef een boek over de zin van wel of niet zelfmoord plegen.’ Uit een e-mail van Hans Dütting aan de bezorger, d.d. 26 juli 2010. ↩
  131. Geboorteplaats van Hans Dütting. ↩
  132. Kennelijk haperde de typemachine bij de naam ‘Welsink’, die onregelmatig op het papier terecht is gekomen. ↩
  133. Artikel van Dick Welsink over J.H. Speenhoff in ‘t Is vol van schatten hier…, een uitgave van De Bezige Bij en het Letterkundig Museum, Amsterdam / ‘s-Gravenhage, 1986. Zie de tekst van het artikel op de site van de DBNL. ↩
  134. Adriaan Venema (1941-1993), vooral bekend van het vierdelige Schrijvers, uitgevers & hun collaboratie (1988-1992), waarin hij verschillende schrijvers, onder wie Vestdijk, van collaboratie tijdens de Tweede wereldoorlog beschuldigde. ↩
  135. Mogelijk een verwijzing naar de ‘Dagen van de Vlaamse Gids’ te Knokke op 25 en 26 september 1971, waar Cornets de Groot dit referaat hield. ↩
  136. Speenhoff, met wie Cornets de Groot zich in deze periode zo intensief bezighield, had eveneens gecollaboreerd. ↩
  137. Bep Vuyk (1905-1991), schrijfster van een in Nederlands-Indië gesitueerd oeuvre. ↩
  138. Zie Dautzenbergs bespreking. ↩
  139. Zie noot 12. ↩
  140. J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958), Nederlands dichter en schrijver, trad in 1942 toe tot de Kultuurkamer. ↩
  141. Jo van Ammers-Küller (1884-1966), Nederlandse prozaschrijfster, kreeg tot 1951 een publicatieverbod wegens haar Duitsgezinde houding tijdens de oorlog. ↩
  142. Henri Bruning (1900-1983), Nederlands dichter en essayist, vanaf 1942 eindredacteur van De Schouw, het orgaan van de Nederlandse Kultuurkamer. ↩
  143. A. den Doolaard (1901-1994), pseudoniem van Bob Spoelstra jr., dichter en romancier, en in de oorlog vanuit Londen actief voor Radio Oranje. Maar in brief 8 aan H.A. Wage schrijft Cornets de Groot: ‘Den Doolaard, niet katholiek maar roomser dan de paus, deze ijverige volgeling van Albert Kuyle – ook in het antisemitische (tot ’38) – deze man met het gezicht van een beurtschipper, stroopte de Balkan af in de hoop daar, zoal niet de “katholiek-volkse waarden” (Kuyle), dan toch de witte neger te vinden, als tegenhanger van de neger die Picasso vond en die aan de moderne kunst dat moderne heeft geschonken, dat Van Gogh en Cézanne er níet aan konden geven.’ ↩
  144. Albert Kuyle (1904-1958), Nederlands schrijver, oprichter van het fascistische tijdschrift De Nieuwe Gemeenschap; werd na de oorlog voor zijn pro-Duitse en antisemitische publicaties uit de oorlog veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf en een publicatieverbod. ↩
  145. Jan H. Eekhout (1900-1978), Nederlands dichter, romanschrijver en vertaler, werd wegens zijn publicaties in nazi-tijdschriften veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en een publicatieverbod van tien jaar. Intussen werd hij beschuldigd van plagiaat en raakte in een felle polemiek verwikkeld met G.H. ‘s-Gravesande, een kwestie die door Cornets de Groot wordt aangehaald in Plagiaat, een beroepsdeformatie? uit Ladders in de leegte. ↩
  146. Alexander Trocchi (1925-1984), Schots avant-garde auteur, woonde in de jaren vijftig in Parijs en raakte daar verslaafd aan heroïne. ↩
  147. Parijse boekwinkel. ↩
  148. De weergave van deze brief en de hiernavolgende berust op de bestandsindeling van het tekstverwerkingsprogramma Wordperfect (versie 4.2) dat was geïnstalleerd op de computer die vanaf najaar 1988 Cornets de Groots typemachine verving. Op brief 62 na ontbreken deze brieven in de aan het Letterkundig Museum geschonken correspondentie; om die reden is niet duidelijk hoe de brieven zijn ondertekend. ↩
  149. In december 1988 werd Düttings stadgenoot W.F. Hermans (zie noot 23) door de Nederlander Daniel B. (40), “een gekke zeeman of zoiets”, in zijn woning in Parijs aangevallen. “Hij belde bij me aan en viel me onmiddellijk aan met een mes. Maar mijn vrouw wist hem dat mes met een deegroller uit zijn handen te slaan. Zij was erg flink. We waren allebei door het dolle heen, natuurlijk. We hebben hem met alle mogelijke dingen op zijn kop geslagen en hij ons ook. Ik heb zoiets van dertig hechtingen in mijn kop en mijn vrouw iets minder. Hij wist tot de keuken door te dringen en sloeg me onder andere met een Keulse zoutpot. Die heeft hij helemaal kapotgeslagen, maar mijn kop was harder dan die pot.” (Geciteerd uit: Joost de Ruiter, ‘Mislukte aanslag op schrijver W.F. Hermans’, De Telegraaf, 7 december 1988). ↩
  150. Ewald Vanvugt, (1943), Nederlands auteur en bevriend met Hans Dütting. In 1985 verscheen zijn studie Wettig opium. 350 jaar Nederlandse opiumhandel in Azië, waarin een “vergeten hoofdstuk in de koloniale geschiedenis werd onthuld”. (Bron: Wikipedia). ↩
  151. Cornets de Groot beschrijft dezelfde herinneringen in zijn dagboekaantekening van 6 mei 1989. ↩
  152. Zie noot 53. ↩
  153. Zie noot 149. ↩
  154. Zie Speenhoff en Indië. ↩
  155. Dit werd De dichter-zanger J.H. Speenhoff of zelfportret met liedjes. ↩
  156. Zie de jaartallenlijst en het overzicht van Speenhoffs leven, beide ongepubliceerd. ↩
  157. Speenhoff en Indië, verschenen september 1989. ↩
  158. Haags kunstschilder en broer van Han Foppe, schrijver van Cornets de Groots Levensbericht. ↩
  159. Door Jean Cocteau geregisseerde film uit 1950. ↩
  160. Op 11 juni 1989 werd Cornets de Groot getroffen door een hartaanval. Zie zijn verslag hierover in De robot en het woord. ↩
  161. Zie noot 160. ‘De robot en het woord’ werd gepubliceerd in Maatstaf, maart 1990. ↩

Correspondentie Hans Sleutelaar (1963) »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>