Start » Labirinteek (’68) » Een nieuwe Ikaros (Cornelis Crul)

Een nieuwe Ikaros (Cornelis Crul)

 

Bron: R.A. Cornets de Groot, Labirinteek, Bert Bakker/Daamen NV, Den Haag, 1968, p. 124-135.
Over: Cornelis Crul, ‘Cluchte van eenen dronckaert’, in: Cornelis Crul, Heynken de Luyere en andere gedichten, uitg. door C. Kruyskamp, Amsterdam (enz.), 1950.

[p. 124]

Antwerpse Meester, 'Stilleven met uilenspiegel', Museum Boymans-Van Beuningen, Rotterdam

[p. 125]

Cornelis Crul / Cluchte van eenen dronckaert

100 Hou, ziet ghinder achter ghenen bosch
Daer komt volc met wapenen, wien willen sy erch?
En ziet doch ghinder achter ghenen berch
Daer komter noch op ten ander sije.
Byder doot, dat is haer wederpartije,
105 Helpen darmen, hoe zalmen nu schermutsen,
Ie wedde sy en zullen my hier niet blutsen,
Want ic ben wter peerden voeten ghezeten.
Wie zal desen strijt winnen, ic wouds wel weten,
Daer moeter doot blijven van beyden zijden.
110 Byder doot, sy laten malkander lijden,
Zalmen hier niet vechten? dat doet my failgeren.
Gans lijf, sy gaen de dorpen pilleren
En forceren de vrouwen, ist quact behoet,
En d’ander hebben daer eenen armen bloet,
115 Eenen arbeyder vanden dorpe ghevanghen,
Die zullen sy inde palen gaen hanghen
Ende breken hem armen ende beenen;
Aylacen, de onnoosele ontgheldent alleenen,
Sy verrayen die sy schuldich waren by te staen.
120 Ou, ziet ghinder loopt eenen Vos met een haen
En de vrouwe komt hem naer gheloopen.
Loopt, necker, loopt! goy, hy ist ontloopen,
Hy zalder gaen mee verheughen syn kinderen.
Onbeyt, wat konnen gene twee klercken verminderen?
125 Sy zijn zeer beswaert met haer condicien;
Gans doot, sy verkoopen malkanderen haer beneficien!
Daer Simon, daer, helpt sacrelegie den stier af bijten
Ou ziet ghene vrou haren man staen smijten!
Ic wou ghyer by waert dat ghyt saecht,
130 Hy staet en ziet al waer hy ghekraecht.
Ke, weert u! God gheve u blame en lastere!
Ay goey, hy en derf, goey Jan hinnen tastere!

[p. 126]

Ghy zout u tot haren tuyten rassen.
Wacharmen, sy doet hem de schotelen wassen,
135 Oft anders sacchdy noch vremde kluyten.
Hou, ziet my ghenen kasse boeve staen stuyten,
God gheve hem ramp in synen quinckele!
Hy heeft daer twee tanden van een schimminckele
En beenen van peerden met grooter sommen,
140 Hy zeydt tzijn al goede Heylichdommen,
Want sy en kennent daer niet, hy spreect al Wals.
Siet dien hondt loopen met den pot aenden hals!
Die heeft in Vrou vuylens keucken ghekeken
En daer heeft hy syn hooft inden pot ghesteken,
145 Zeker dats een zeer vremde kluyte,
En syn hooft en kander niet weder uyte;
Dits een colacie aerdich en puer,
En daer loopt hy met den hoofde teghen den muur
En hy gaet loopen al waer hy sot.
150 Daer leghet smout met den hutspot,
Hem dunct hem is dlijf nu verschenen.
Onbeyt, waer loopt gheen volc al henen?
Dat moet ic weten, by gans paert!
Ou, men leydter twee ter ghalghenwaert.
155 Den eenen ken ic, t’is een ransoeneerder,
Een boeve, een straet-roover, de meeste pilleerder
Die hier int lant mach wesen onverholen,
En den anderen en heeft maer een kese ghestoleen,
Dats een arme diefte voor allen lien.
160 Onbeyt, wat zal ghinder gheschien?
Daer komter twee harde zeer ghereden.
By der doot, sy hebben den boeve verbeden,
Dats groote schaye, by gans rooc!
Ke, Heere, bidt voor den anderen ooc,
165 Dat dien armen bloet mach wt verstranghen / / zijn.

[p. 127]

Neen, neen, hy moet ghehanghen / / zijn
Om eenen salighen kese die hy heeft ghestolen.
Ke, loopt alle den necker bevolen!
Ghy sterct den boeve in sijn malicie,
170 T’was eens Heeren knecht – daer bleec justicie! –
Dus gaaet hy quijte zonder hindere.
Hou, ziet my ghenen molder ghindere
Inden sac staen scheppen al waer hy zot!
Dats een, dats twee, dats dry, hout hoersesone hot!
175 Daer zal uwen coniam int pec om blaken.
Ontbeyt, wat mach ghenen man daer maken?
Tis een Testamenteur van kleynen bederve,
Hy verkoopt der weesen goet en erve
En Testament sleypt hy onder syn loeye
180 En de kinderen gaen achter strate om goeye,
Sy en hebben niemandt diese bevrijen.
Ou, ziet my ghinder Huyben staen vrijen
Voor Labsoetens venster met synder quenen.
Goy, sy hevet ghehoort, daer gaet sy henen
185 En komt ter venster en gheeft hem de hant
En hy stact daer buyten en klippertant,
Van kouwen meynt hem den sin beswijcken.
Ou, ziet my ghenen Munnic gaen strijcken
Met dier Vrouwen by avont spaeye!
190 Goy, hy gaetse daer achter bichten, waeye,
Hy zalse gaen klopsolveren schier.
Ziet ghenen hoersoen tapper met gheen bier,
Godt gheve datmen op syn beenen moet fluyten!
Hy ghiet twee ghelten waters in een vat kuyten,
195 Godt gheve hem schande en onghevoech!
Hout necker, hout, ist noch niet ghenoech?

[p. 128]

Cornelis Crul / Een nieuwe Ikaros

Een labyrint, wat is een labyrint? Het is een symbool dat tal van uitleggingen verdraagt, uitleggingen die elkaar niet zelden tegenspreken en elkaar desondanks blijven verdragen. Het probleem is natuurlijk niet, hoe raak je erin, maar hoe kom je eruit. Het labyrint is volgens éen van de verklaringen die dr. Brede Kristensen geeft, een afbeelding van het dodenrijk: je komt er niet uit. Tenzij een Theseus de Minotaurus, een Christus de satan overwint.
In Chartres’ kathedraal ligt op de vloer in een diameter van twaalf meter een cirkelvormig labyrint in tegels uitgebeeld. De gelovigen volgden de dwaalweg tot in het middelpunt, kruipend op hun knieën, zegt men, en omdat men op die manier wel een uur lang nodig had om in het middelpunt het nieuw Jeruzalem te komen, noemde men dit labyrint ook wel la lieu. De bouwers van de kerk kenden natuurlijk het verhaal van Daidalos en zij hebben deze vader der bouwmeesters met dit teken willen huldigen: het metselen was nog altijd een kunst waar niet lichtzinnig over werd gepraat. Daidalos beheerste zijn vak zo goed en zijn bouwwerk werd zo’n ingenieus samenstel van gangen en muren, dat hij er ten slotte zelf de weg niet meer uit wist. Maar ook toen stond de techniek voor niets. Men weet dat hij zich en zijn zoon een paar vleugels aanmat, waarmee zij het labyrint konden ontvluchten. Ikaros verloor door zijn hoogmoed het leven, zoals we ons herinneren, maar Daidalos verdween na een laatste signalement in Sicilië voorgoed uit het gezicht. Geen sterveling weet waar hij gebleven is sindsdien, zelfs Hocke niet: er valt alleen maar naar te raden (G.R. Hocke, Manierismus II, Rohwolt’s deutsche Enzyklopädie 82/83, p. 207, 254).

Inmiddels is een labyrint ook een stuk amusement waar je dol van kunt worden. Het is botsen, zoeken, vallen, lachen, schreien, ontmoeten, keren, vinden, en daarom zijn er nogal wat schrijvers die hun mensen in een labyrint van woorden werpen. Die mensen zijn vaak lieden die onder ongewone omstandigheden moeten leven,

[p. 129]

of die door een innerlijke storing de normale omstandigheden als niet in overeenstemming met hún blauwdruk van de wereld ervaren. Een van de slachtoffers, gevangen in zo’n net van verzen door een Daidalos uit de zestiende eeuw ontworpen, is de dronkeman uit Cornelis Cruls Cluchte van eenen dronckaert. De heer C. Kruyskamp, die de cluchte opnam in zijn Cornelis Crul, Heynken de Luyere, en andere gedichten (Wereldbibliotheek, Amsterdam) zegt dat het stuk een monoloog is in 284 gepaard rijmende verzen, en dat het doet denken aan een genre dat men in de Franse literatuur aanduidt met de naam ‘monologue dramatique’. Het is, zegt de heer Kruyskamp, onze enige zuivere dramatische monoloog uit de Rederijkerstijd, en zegt hij, Crul heeft misschien niet naar een buitenlands model gewerkt, maar stellig kende hij het Franse genre. Het is waarschijnlijk dat de cluchte na 1531 geschreven is. Tot zover de heer Kruyskamp, die in Crul een calvinist ziet, in tegenstelling dus tot Anton van Duinkerken. Aan de cluchte is natuurlijk niets calvinistisch op te merken: de wending in het leven van Calvijn vindt pas in de volgende jaren plaats. Maar Antwerpen, waar Crul woonde, telde een aantal volgelingen van Luther. De meerderheid van de bevolking bleef echter katholiek, in die verhouding zou trouwens nooit verandering komen, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat juist onder deze gelovigen de Erasmiaanse geest volkomen ontbreken zou. Een aanwijzing voor dit humanisme in de cluchte is al te zien in het feit dat de cluchte is opgenomen in een bundel die een paar vertaalde colloquien van Erasmus bevat. De tijd was er een van heftige tegenstellingen. Maar er waren ook een paar mensen die begonnen te vermoeden, dat een geestelijke in de eerste plaats vooral een lichaam heeft en dat dat niet absurd is. Dat Anna Bijns in haar priesters mensen zag als ‘ander liên’ klinkt ons redelijk in de oren, maar Luther trok er conclusies uit, en Crul zou haar misschien willen vragen waarom die priesters dan een uitzonderingspositie innamen bij bij voorbeeld het betalen van

[p. 130]

belasting. Wat Crul ook was, RK of niet, hij was vooral een hekelaar, een ziener, – geen extremist. Niet iemand die ziende nog blind was ook.

Cruls dronkaard waggelt over straat, struikelt, valt, staat op, loopt voorbijgangers om, gaat voort. Hij heeft dorst, dus drinkt hij. Hij valt, dus vloekt hij. Hij is zat, dus spreekt hij de waarheid. Hij dwaalt, dus loopt hij de hemel in. Hij is een beeld van het leven: vallen, opstaan. Aan iedere behoefte komt hij onmiddellijk tegemoet, niet zuinig, maar in overmaat en meer dan dat. Hoe is zijn weg? Vol putten ende kuylen: een labyrint. Een muur houdt hem tegen, een boom verspert hem de weg en hij vraagt: waer reys ick? Zo’n vraag is voor iemand die stevig (en regelmatig stevig) dronken is, natuurlijk moeilijk te beantwoorden. Men weet hoe dat is. Men loopt zonder dat men meeloopt. Het mechaniek in de benen laat zich niet besturen, het doet maar wat buiten ons om. Bewustzijn en dronkenschap strijden om de macht. De dronkaard beantwoordt de vraag ook niet, want wat heeft dat voor zin? Hij stelt een àndere vraag: zou ic ook verdoolt zijn peys ick? – en het is dezelfde vraag: beide vragen drukken eenzelfde twijfel uit. Maar het is bovendien een andere vraag, het is de vraag van de dag: die van het schaap dat afdwaalt van de kudde. Daarom is het de uitdaging tot eigen onderzoek, en daarom past bij deze vraag ook maar éen antwoord, het enige, het juiste: dat moest ic weten bij gans paert!
Wint het bewustzijn het hier van de dronkenschap, het humanisme van de middeleeuwen, de rede van de onderwerping? Men zou zeggen: ja, hier spreekt de nieuwe tijd. Maar de nieuwe tijd zou niets nieuws brengen, wanneer die tijd niet haar eigen extases had, haar eigen dronkenschap, haar eigen onderwerping. Het is dan ook niet de redelijkheid van de rede maar de vervoering van een weten die de dronkeman ten slotte het antwoord vinden doet dat het redelijk beschouwd enige en juiste antwoord in kwaliteit en

[p. 131]

waarheid overtreft. Ik laat dat antwoord hier volgen, maar zet de reeds geciteerde plaatsen er in de juiste samenhang bij:

Waer reys ick?
Zou ic ook verdoolt zijn peys ick?
Dat moest ic weten bij gans part!
Ou, dats waer, twas naar Hemelrijc waert…

Hij ziet af van een uitsluitend rationalistische weg tot weten, en wil dat wat buiten de rede ligt, niet buiten beschouwing laten. De beperking van de fantasie, hem in feite door de religie geboden, de uitsluiting ervan in naam van de rede: hij voelt er helemaal niets voor, – hij overschrijdt de grens, en komt dus in de hemel. Er is een domweg-weten dat het door de rede veroverde en het door de religie voorgeschreven weten overstraalt, een weten dat men al bezit, nog voor men de rede aan het werk heeft gezet, maar dat zich pas openbaart, nadat men de rede te hulp riep. Daarom staan tussen de eerste vraag en het laatste antwoord een vraag en een antwoord die het eerste en het laatste verbinden: een labyrint van taal! Waer reys ick? Een vraag. Een vraag met een antwoord. Een vraag met een vraag als antwoord: twee vragen. Twee vragen met een antwoord, twee vragen met twee antwoorden. Een vraag, drie antwoorden. Eén vraag, éen antwoord: hoe men het ook wendt of keert, het is allemaal in orde. Maar daarom lukt de tocht omhoog ook!

Hou, zal ic vallen, aenmerct mij doch ditte!
Ic en zie nau waer ic gae oft zitte,
Ic starre al keec door den nevele!
God gheve de straten t’vallend evele,
Sy zyn zo vol putten ende kuylen,
Twaer om te vallen twee oft dry buylen;
Die droncken ware, ic meyne ter meer bekoopt…

[p. 132]

Zo begint Cruls cluchte. De dronkeman kan niet lopen. Daarom moet hij zweven. De dronkelap kan niet zien: geen visioen blijft hem bespaard… Maar als aanwijzing voor de regisseur staat er ook een regeltje boven de tekst: ‘Een dronckaert bij hemzelven meynt dat hij wonder siet’.
Meynt?
Maar Crul had een zintuig voor ironie!

Hóe de weg omhoog loopt, wordt niet beschreven, is niet te beschrijven. Het is een dorstverwekkende weg, en het gaan kost enige moeite, niet veel, want die wech en mach niemant verswaren, maar toch! Is er eigenlijk nog wel een weg? Aymy, ic stiet mij daer aen een sterre! Is er al geen weg, er is in ieder geval gevaar, en al heeft hij ook de hoogte, de drinker, die botsing brengt hem weer tot zichzelf. Voor ons is er geen weg te zien, maar er is een wolk en daar zet hij zich op neer, en drinkt van het meegebrachte vocht, en kijkt. Het is een kritiek punt in de compositie van Crul, deze aanraking met de ster, want op die wolk zit – en van de zon die er bij al deze helderheid toch zijn moet, wordt niet eens gerept – op die wolk zit de nieuwe Ikaros! En daarom is dit punt in deze compositie van omkeringen zelf een keerpunt: aan zijn opzet om door het sleutelgat van Petrus’ hemelpoort naar binnen te gluren of er daar ook zo gedronken wordt, als hij het beneden gewend is, geeft de hemelvaarder geen gevolg. Sterker: niet naar boven richt hij zijn blik, hij kijkt in de diepte. Hij ziet het labyrint waar hij op wonderbaarlijke wijze aan ontsnapte…

Wie om zich heen kijkend, zich door de veelheid der verschijnselen geen oordeel vormen kan over eigen tijd en omgeving, moet die poging staken: men kan beter in de diepte zien. Een psycholoog uit die dagen kon zich nog met kunstmiddelen redden. Is Cruls monologue dramatique een compositie in vogelvlucht? Van buitenaf gezien, zoals de heer Kruyskamp doet, wèl. Maar er is

[p. 133]

natuurlijk meer op te merken. De wereld wordt op een afstand geplaatst: de sterren zijn bereikbaarder… Houden we aan het jaar 1531 vast, dan kan men zeggen dat twaalf jaar vóor de Copernicaanse omwenteling reeds, de zon onherstelbaar ver is weggedrongen.
Nog is het wereldbeeld geocentrisch: hij ziet de wereld in het rond, de dronkaard:

Ou,ziet waer ghinder Aken staat en Roome,
Keulen, Tricht, Ghent en Dendermonde,
Parijs, Orliens, heel de wereld in ‘t ronde…

De wereld is groot, de wereld is klein: het hangt van standpunten af. De zwerver distantieerde zich van de wereld, zijn labyrint: het eigene. Maar zijn oog herstelt het contact. De wereld bleef in zijn gezichtsveld: heeft hij er toch nog belangen?
Antropocentrisch is het wereldbeeld. Mensen verschijnen hem en voeren de strijd van onschuld tegen boosheid. Al wat strijdig is met zijn idee van een volmaakt heelal, trekt als een film aan zijn oog voorbij. Meer dan een verontwaardigd uitgesproken (uitgesproken verontwaardigd) protest ontlokt het visioen hem niet. Is dit de redder die de nieuwe wereld belooft, de hervormer, of iemand die alleen maar denkt en handelt zo gauw dat opportuun lijkt, een Erasmiaanse ‘revisionist’? De dwaas met wijsheid gezegend, de wijze die de lof der zotheid zingt in eigen taal? De verre van volmaakte mens die in de wereld ziet als in een spiegel en die zich daarin herkent?
Van het leuke van deze tijd weten we eigenlijk erg weinig af. Enig onderzoek op dit gebied heeft P.H. van Moerkerken verricht in zijn proefschrift De satire in de nederlandse kunst der Middeleeuwen, maar zijn onderzoek houdt eigenlijk al op, als de tijd voor ons interessant begint te worden: wel Erasmus, geen

[p. 134]

Crul, wel Anna Bijns, geen Uilenspiegel, wel Brueghel, geen Bosch. De verschillende boekjes die D. Th. Enklaar schreef, geven juist over de bij Van Moerkerken ontbrekende figuren meer informatie, maar al met al heeft men bij het lezen van deze ontspannende lectuur toch het gevoel, dat ons een complex van symbolen ontstolen is, dat we slechts met de grootste moeite kunnen herscheppen. De bedelaar, de geus, de blauwe schuit, Heynken de Luyere, wat betekent het allemaal, wat is nog katholiek, wat staat nog net op de grens, wat overschrijdt die? Is Cruls monologue dramatique een monologue intérieur, met andere woorden: bevat het alleen maar maatschappelijke kritiek of is het een visie op het menselijk, het eigen tekort, een sprong van de schrijver in zijn eigen: een uilenspiegel?
Nadat de dronkaard de meest absurde en afschuwelijke zaken heeft gezien (regel 100-192) verschijnt hem het beeld van een tapper, die bier met water verdunt:

Ziet ghenen hoersoen tapper met gheen bier
Godt gheve datmen op syn beenen moet fluyten!
Hy ghiet twee ghelten waters in een vat kuyten,
195 Godt gheve hem schande en onghenoegh!
Hout necker, hout, ist noch niet ghenoech?
Waer ic ons Heere, ic en liets niet gheschien.
Help, wat moet ic al wonders zien,
Tis wonder hoe ic my kan ghepaeyen.

Wij zijn geneigd om althans deze zonde van bierverdunning tegenover al die andere van valse rechtspraak, verkrachting, roof en woeker met de mantel der liefde te bedekken. Maar juist deze grap gaat zelfs de zatlap te ver. Bij alle andere door mensen begane fouten tegen Gods project, maakte hij zich nauwelijks zorgen, omdat hij wel wist dat de zondige coniams ten slotte int pec zouden blaken, maar bij dit bedrog gooit hij in vijf

[p. 135]

achtereenvolgende verzen twee schrijnende scheldwoorden en twee vurige verwensingen bij elkaar, – een record…
Het is duidelijk: hier valt niet te spotten met de eerlijkheid, en voor het eerst bij het zien van menselijke verdorvenheid roept hij het uit: waer ic ons Heere, ic en liets niet gheschien! Geen wonder dan dat na al deze emoties regel 198 volgt, deze directe terugwijzing naar de aantekening voor de regisseur boven het stuk. En daarom is hier het tweede kritieke punt in Cruls compositie: nu al staat vast dat de dronkaard niet voort zal gaan op zijn weg naar het hogere: hij heeft een object voor zijn revisionisme… Wel blijft hij nog zitten, de nieuwe Ikaros, maar de drank raakt op, en de weg naar Petrus is lang. Hij kende de mensen nu, en het was onredelijk zich van ze af te wenden: ze hadden hem nodig, een middelaar tussen hemel en aarde. Hij was trouwens geen haar beter dan zij. Terug dus naar dat land in de diepte, naar het labyrint, waar de weg niet moeilijk meer is, nu hij de plattegrond ervan kent. Naar de mensen, om ze het bedrog aan te wijzen en het leven te verbeteren, misschien.

Een opregt gemoed / fragment (A.C.W. Staring) »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>