Start » Labirinteek (’68) » Een dubbelesseej bij Achterbergs Dwingelo

Een dubbelesseej bij Achterbergs Dwingelo

 

Bron: R.A. Cornets de Groot, Labirinteek, Bert Bakker/Daamen NV, Den Haag, 1968, p. 148-155.
Over: G. Achterberg, ‘Dwingelo’, in: G. Achterberg, Verzamelde gedichten, Amsterdam, 1984 (8e dr.), p. 879.

[p. 148]

Grafische rekonstruktie van de melkweg met de plaats van de zon (pijl)

[p. 149]

Gerrit Achterberg / Dwingelo

In het nooit, dat nog komt, zie ik u weer.
Blauwe absentie houdt het weten wakker
en doet october tot een lens verstrakken.
De dagen hebben haast geen wolken meer.

Cassiopeia en de grote beer
laten bij nacht hun witte tekens knakken,
om op het onbestaande in te hakken.
‘t Zevengesternte gaat zachtjes te keer.

Afwachten is ‘t consigne; luisteren.
In Dwingelo hoor je het fluisteren
der leegte in de radiotelescoop.

Daar lopen ook uw trillingen te hoop.
Verschijnen grafisch op een stuk papier.
Misschien niet ongelijk aan deze hier.

[p. 150]

Een dubbelesseej bij Achterbergs Dwingelo

Zoals ieder fatsoenlijk sonnet begint ook Dwingelo rechtlijnig ergens op af te lopen in de kwatrijnen, om zich in de terzinen naar een middelpunt toe te bewegen. Niet voor niets onderzocht Dwingelo de spiraalarmen van de melkweg: het bepaalde de plaats van de zon daarin. (2, 7)

In het dwingende ritme van een Dwingelose doordouwer vertellen de kwatrijnen iets, – in een gewone, mededelende stijl – dat, hoe eenvoudig ook gesteld, moeilijk na te vertellen is. En toch is er geen vuiltje aan de lucht: ‘De dagen hebben haast geen wolken meer’. Is het niet alsof er een raadsel is opgelost, of bijna opgelost, is het niet of niets meer onze blik verduistert? Zelfs oktober is ons tot een lens geworden: wij kunnen alle sterren zien!

Maar wat doen ze dan, Cassiopeia en de grote beer, wat moet dit zinloos op het onbestaande inhakken, waar Achterberg het over heeft? Het is duidelijk dat ons in de kwatrijnen twee moeilijkheden worden geboden: de woorden nooit en het onbestaande. Misschien moeten we daar ook nog blauwe absentie aan toevoegen, ik weet het niet helemaal, er is voor mijn gevoel


Een van Achterbergs gedichten heet Dwingelo. Wat is Dwingelo? ‘Dwingelo’ is een radioteleskoop, die bundels van 21 cm golven uit de ruimte ontvangt. Voor het eerst gebeurde dat in 1951, maar in 1944 voorspelde de astronoom, toen nog de student, H.C. van de Hulst, dat interstellair gas van waterstof straling zou uitzenden op een golflengte van 21 cm. Uiteraard was men op de hoogte van de aanwezigheid van deze waterstofwolken: men kon ze zien, omdat ze zich in de buurt van hete sterren bevonden. Weliswaar gebruiken de waterstofatomen slechts de violette en ultraviolette uitstraling der hete sterren, om hun elektronen af te

[p. 151]

toch enig verschil tussen nooit en het onbestaande enerzijds en absentie anderzijds. Het absente is minstens ‘ooit’ ‘bestaand’ geweest, of het mogelijke bestaan ervan is ons eens aangezegd, geopenbaard. We kunnen voorlopig die absensie in verband brengen met de u uit dit gedicht. Ook die is immers absent. Maar als deze vereenzelviging geoorloofd is, dan mag men stellen, dat die u het is, die het weten wakker houdt, ons oog wapent, en het kosmies gordijn opzij schuift, zodat we kunnen zien, wat er daar, aan het zwerk, gebeurt.

Men vraagt zich af, waarom de dichter aan de hemel juist Cassiopeia ziet en de grote beer. Is het zo maar een waarneming, of heeft de aanblik van die konstellasie een onwetenschappelijke bekoring voor de dichter, heeft hij er een bijzondere voorkeur voor? Een blik omhoog leert, dat Cassiopeia en de grote beer nagenoeg recht tegenover elkaar liggen, met ongeveer midden tussen hen in de Poolster: het zijn circumpolaire sterren. In 24 uur beschrijven zij een sirkel om dit middelpunt, ze hakken op het onbestaande in, dát is het, wat de dichter ziet. Het knakken der witte tekens spreekt hem aan, hij geeft het een zekere zin. Speelt het kosmies


stoten, maar herenigde zich zo’n geïrriteerd atoom met een vrije elektron, dan ontstond er straling van zichtbaar licht. Dat maakte de nevels zichtbaar zodat men ze bij voorbeeld in het sterrenbeeld Orion kan waarnemen. Natuurlijk is er geen reden om aan te nemen, dat die nevels zich slechts uitstrekken tot waar zij voor het menselijk oog zichtbaar zijn: de ultraviolette straling wordt door maar een gering deel van de waterstofatomen benut: de niet-getroffen deeltjes onttrekken zich aan ons oog. Maar ook zij absorberen straling en zenden straling uit, die met de radioteleskoop kan worden opgevangen. Uit de waarnemingen

[p. 152]

drama zich trouwens wel af aan het zwerk? Is niet vooral het hart van de dichter de eigenlijke plaats van handeling? Die sterren zijn als hij: hij is als zij: de eerste drie regels van het tweede kwatrijn zijn een vergelijking waarin het partikel ‘als’ ontbreekt, evenals het tweede lid van de vergelijking. Maar het is de lens die de dichter aan die sterren gelijk maakt, en die de funksie van het partikel op zich genomen heeft.

Ook hij is immers achter het onbestaande aan, als aardebewoners zijn we dat allemaal. Er is iets (4), vóor ons, in het verschiet, dat onze fantasie prikkelt: A. Roland Holst spreekt in zijn De twee planeten van de geheime planeet. Harry Mulisch spreekt ergens van een zwartgranieten muur waar onze wereld tegen te pletter zal slaan. Wat het onbestaande is voor Cassiopeia en de grote beer, dat is voor ons het nooit dat nog komt, en gezien de richting waarin ons zonnestelsel zich beweegt, ligt dit nooit in het sterrenbeeld Hercules, nabij de ster Vega (4). Maar van niet minder groot belang voor het begrip van dit gedicht is de richting vanwaar we komen: wij vluchten voor Orion uit, en Orion is de jager: hij speelt met ons het spel van de wilde jacht, en daarom


in Dwingelo gedaan (en voor het zuidelijk gebied: in Australië) is men erin geslaagd de spirale struktuur van ons melkwegstelsel aan te tonen en er een plattegrond van te maken en daarin de plaats van zon en aarde aan te wijzen.

1 Gas, dat niet nabij een hete ster gesitueerd is, onttrekt zich wel aan optiese waarneming, maar niet aan die van de radioteleskoop.
2 Dwingelo schonk ons niet alleen een inzicht in de struktuur van ons Melkwegstelsel, maar wees ook onze plaats daarin aan.
Wie Vestdijks Bericht uit het hiernamaals gelezen heeft, weet dat

[p. 153]

ook protesteert het zevengesternte: Was Orion vroeger niet de minnaar van deze zeven schonen (5)? Ook zij doen mee, en zitten als tegensputterende medeminnaressen van ons, achter Orion aan (6). En er lijkt geen einde te komen aan dit bovenaards krijgertje spelen: ook wij beantwoorden de liefde van Orion schijnbaar niet: wijzelf werden jager, het nooit achterna dat nog komt. Er gaat een eindeloze stroom van liefde door het heelal, die eenmaal weer zal keren in het punt van aanvang. Het zal een allesomvattende liefde blijken te zijn, een liefde die zich met het heelal vereenzelvigen wil. Misschien had Marsilio Ficino, die een dergelijk denkbeeld koesterde in zijn Commentaar op Plato’s Symposion, niet geheel en al ongelijk…

De blauwe absensie hebben wij, aannemende dat daar de u uit het gedicht mee werd aangeduid, zolang blauwblauw gelaten. Misschien is dat toch niet helemaal juist: behalve van de afwezigheid van deze u wordt immers ook gesproken van de afwezigheid van wolken: ‘De dagen hebben haast geen wolken meer’. Het lijkt niet moeilijk, deze wolken met die blauwe absensie te laten samenvallen, Maar dan moeten het waterstofwolken zijn, interstellair gas, voor


uit waterstofwolken nieuwe sterren geboren worden. Er kan geen twijfel aan bestaan, of de waterstofatomen waartoe de zielen van Vestdijks figuren uit dat boek zijn gereduseerd, worden in het hoofdstuk De katastrofe verzameld om met zijn allen te worden vergoddelijkt tot een hete ster, die met zijn onvoorstelbare straling de nevels waar hij uit geboren is, opblaast.
3 Waar waterstofwolken zijn, is of wordt een ster geboren. De apeks van een trein ligt op de horizon, waar de rails in éen punt samenkomen. De apeks van de zon ligt in het sterrenbeeld Hercules.

[p. 154]

het oog verborgen tegen de afgrond van het heelal, maar door ‘Dwingelo’ onderzocht, tastbaar gemaakt, geregistreerd, in kaart gebracht, van hun geheimen beroofd: ‘De dagen hebben haast geen wolken meer…’ (1) Interstellair gas is de wieg van nieuwe sterren. De vorming daarvan, miljoenen jaren geleden begonnen, heeft nooit opgehouden voort te gaan. Waar gas in enorme wolken bijeen is, bestaat er een kans dat een of meer sterren hun licht ontsteken. (3) Een gebied waar dat gebeurde – fotografiese opnamen sluiten alle twijfel uit – is het zevengesternte. Tussen de sterren ziet men op de foto enorme slierten waterstofwolken. Maar er zullen niet-zichtbare wolken bij zijn, die aan de opmerkzaamheid van radioteleskopen heus niet hoeven te ontgaan: ‘Het zevengesternte gaat zachtjes te keer…’ Waarom? Het verkondigt de geboorte van nieuwe sterren, en dat wekt in de dichter verregaande verwachtingen: de wederkeer van iets dat ‘ooit’ ‘bestaan’ heeft, en waarvan het wederom-bestaan als ster in de dichter als verwachting leeft met de kracht van een voorzegging (3), nee, een natuurwet. Misschien was onze gelijkschakeling van ‘blauwe absentie’ en ‘u’ zo dwaas nog niet. Maar dan moeten we ‘u’ óók vereenzelvigen met de


4 De zon, en bijgevolg de aarde, bewegen zich dus in die richting. De antapeks, het punt waar de zon schijnbaar vandaan komt ligt in Orion. Men kan het zich ook zo voorstellen, dat Orion ons voor zich uitjaagt.
5 In Dwingelo krijgt het Spel van de wilde jacht astromitologiese trekken: in de Griekse mitologie is Orion de jager, wiens liefde voor de Pleiaden niet beantwoord werd.
6 Maar wij weten dat het vluchtpunt van het Zevengesternte in Orion ligt. Gaat dit sterrenbeeld zachtjes te keer omdat het jaloers is op ‘ons’, nu Orion ons voortjaagt en blijkbaar niet meer aan zijn

[p. 155]

waterstofwolken, die zo juist hun geheim aan ons prijs gegeven hebben. De afwezige ‘u’ kondigt haar eigen geboorte aan, en het ‘nooit dat nog komt’ wordt méer voor ons dan een voor ons uit vluchtende plaats: het wordt een punt in de tijd, waarin zich zekere aangekondigde gebeurtenissen voltrekken zullen. Misschien draagt het monnikenwerk van Cassiopeia en de grote beer bij tot de vorming van een ster uit het onbestaande. Iets zekers laat zich daarover niet zeggen: afwachten is het consigne, luisteren. Naar de leegte, die Dwingelo vult met tekens op een stuk papier: de positieve afdruk van het negatief in regel zes.


vroegere geliefdes denkt?
7 Achterbergs Dwingelo bepaalde astronomies-mitologies de plaats van deze dichter in zijn heelal.

Een hibridies geschrift (Guido Gezelle) »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>