Start » Het Parool (’66-’72) » ‘Overgebleven gedichten’ van Sybren Polet

‘Overgebleven gedichten’ van Sybren Polet

 

Bron: Het Parool, 21 augustus 1971.
Over: Sybren Polet, Persoon onpersoon, De Bezige Bij, Amsterdam, 1971.

Persoon onpersoon is de naam van Sybren Polets keuze uit zijn eigen poëzie, zoals in een verantwoordend naschrift te lezen staat. Toch is dit boek minder een bloemlezing dan een verzameling van ‘overgebleven gedichten’ en als dat zo is dan is ‘t een verzamelbundel en wel een zo goed als definitieve. Het naschrift zegt dat overigens niet, maar wat voor zin zou een uitgave als deze hebben, wanneer ze niet die zin had?

Goed. De naam Persoon onpersoon dankt de verzameling aan de naam van Polets nieuwe bundel die meteen in dit boek mee is opgenomen, en die aan andere bundels – Konkrete poëzie (4), Geboorte-stad (2), lady Godiva (3) en Organon (1) voorafgaat. (De tussen haken geplaatste getallen geven de chronologische volgorde aan).

De gekozen volgorde wijst er niet op dat Polet veel belang hecht aan een ‘rechtlijnige’ rangschikking; misschien is er integendeel een breuk: de bundel Demiurgasmen ontbreekt in Persoon onpersoon. Maar rechtlijnig was Polet ook nooit: hij is typisch een dichter – en trouwens ook een prozaschrijver – van cycli. Zijn afzonderlijke boeken zijn betrekkelijk eenvoudig van structuur. Maar brengt men ze met elkaar in verband dan kan, door de valentie van ieder apart onderdeel, clustervorming ontstaan, die moeilijk is te doorzien en die daarom een heleboel interpretaties toelaat.

Het is of Polet van deze opvatting een parallel geeft in de regels uit de bundel Persoon onpersoon: ‘…zijn ik / verdeeld over tientallen / loszwevende identiteiten’//. Of in deze, die er het logisch gevolg van zijn: ‘Mr. Iks fluit zijn identiteiten bijeen. // Ze komen. Tezamen / worden ze één / ik inkluis/ één Mr. X’//.

Dat brengt ons meteen in de problemen waar het nu om te doen is. Wat er aan de hand is, valt uit de inhoud van bovenstaande woorden wel af te leiden: de dichter schiep een afsplitsing van zichzelf om tot Iks, verklaarde X tot de grote onbekende en belastte zichzelf als de Alweter met de opdracht X te achtervolgen om er op die manier achter te komen, hoe het ik in een egalitaire samenleving (x1, x2, x3… xN) zijn menselijkheid, zijn kritisch vermogen behouden kan.

Persoon onpersoon is – in schijn – de onpersoonlijke observatie van een persoon met onpersoonlijke naam. Observator hier is de ikzegger, de ‘X-oloog’ (=dichter, p. 39) die van Mr. X zegt:

Zijn gedachten soms (:nu) rijden
in een Maserati, de mijne meeliftend
zien in het achteruitkijkspiegeltje
hoe van de ene sekonde op de andere
Mr. Iks uit het zicht verdwijnt

Men zou kunnen spreken van een soort nieuwzakelijk unanisme – maar de werkelijkheid is dat Mr. X niet een ‘groep’ vertegenwoordigt. Hij is voor de X-oloog alleen maar het rationele aspect van die X-oloog, het ‘concrete’ van het eigen wezen – dat voor het eigen verstand, de eigen zintuigen toegankelijk is.

Natuurlijk is die verhouding tussen ‘model’ en waarnemer verre van normaal (al ontbreekt in deze bundel het voor Polet niet ongewone woord ‘mimicry’). Die verhouding is bovendien niet minder griezelig dan die tussen Awater en zijn discipel. De pathogene kern – maar meteen ook het verlossende element – in deze psychose à deux is Mr. X zonder wie de ikzegger zijn psychische autonomie nooit had kunnen bevestigen. Ook in dit geval werkte het systeem van bespieden en buiten schot zien te blijven zonder mankeren en dan is er – alle weerzien ten spijt – misschien toch wel iets voor te zeggen.

Het is heel merkwaardig, vind ik, dat redeneringen als deze blijkbaar nodig zijn bij de bespreking van Polets poëzie. Maar het typeert die. Het doet vermoeden dat het gevoelige in dit dichterschap beveiligd wordt achter een pantser van antipsychologie, terwijl de kille waarnemingswerktuigen op de buitenwereld, op X zijn gericht, op dat wat voor dit bewustzijn rationeel is. Wie van ‘intellectualisme’ spreekt, ziet over het hoofd dat het Polet in zijn gedichten om de bevrijding van de geest gaat – dat achter de objectieve observatie de kwetsbare kern schuil gaat, van waaruit de zintuigen worden bestuurd.

Persoon onpersoon is vooral een evenwichtszintuig. Laat in Mr. X de persoon of onpersoon zich te geducht gelden, dan kantelt de X-oloog naar het tegenovergestelde over (het achteruitkijkspiegeltje). Polet weet natuurlijk wel dat het beroerd is een uitzondering te moeten zijn in de reeks van X1 tot XN – maar hij weet ook dat het nog veel beroerder is, geen uitzondering te moeten zijn.
Het is waar dat de X-ologie soms een amorfe optelsom van woorden oplevert, die even goed van boven naar beneden als van beneden naar boven kan worden gelezen (strofe 1, p. 36). Maar er staat ook mooie, Schierbeekachtige poëzie in deze bundel (p. 40-44), die mij in ieder geval plezier doet, en die ik in Polets dichtwerk nog niet eerder heb gezien.

 

APPI zingt zoals het gebekt is »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>