Start » 9e jaargang (‘77-‘78) » Poètes, – vos papiers!

Poètes, – vos papiers!

 

Bron: Informatief Bulletin (‘Gele vellen’), Lodewijk Makeblijde College, Rijswijk (Z-H), 9e jrg., nr. 1 (1977). 1
Voorts vroeg de oudercommissie om een – met de directie en de docenten Nederlands – bespreking van de bulkboekenkwestie in het begin van het volgend schooljaar -.
(Officieel en officieus, jrg. 8 nr. 13)

I

Met het woord bulkboekenkwestie duidt de oudercommissie het probleem aan van het aanstootgevende dat in een enkele passage in een enkel Bulkboek wel te lezen staat.
Aanstoot geeft zo’n passage in hoofdzaak aan díe ouders, die geloven slachtoffer geworden te zijn van een grievende bejegening van de zijde van de bulkboeken èn van de zijde van de docenten Nederlands. Het gaat dan om uitingen, die obsceen kunnen worden genoemd, uitingen, waartegen bezwaren van morele, religieuze aard te maken zijn, en soms óok van maatschappelijke, conventionele.

Excrementale obsceniteiten – of wat daarvoor gehouden wordt – zijn tamelijk zeldzaam in onze literatuur. Je komt ze tegen in een op onze school weinig gelezen boek als Tyl Uilenspiegel (het volksboek van die naam). Maar Vestdijk bracht zijn roem in opspraak met de wc waar hij zijn meneer Visser op zette. En ach, Jan Wolkers is in Turks fruit van excrementen niet echt vies.
Ik geloof dat het rumoer om dit soort obsceniteiten snel tot bedaren te brengen is. Dit zijn toch kinderlijke, ja kleuterachtige zaken, vergeleken bij het seksuele en erotische, waar de morele en religieuze taboes recht van spreken eisen.

Het spreekt vanzelf dat ouders zich ongerust maken wanneer het onderwijs, dat eeuwenlang hét bolwerk is geweest tegen de dreiging van de verandering, deze gebieden voor de jeugd opent.
Waarom doet ons onderwijs dat? Is de traditionele opvoeding soms niet goed genoeg?
Dit zijn ernstige vragen, en wij moeten er een ernstig antwoord op geven zo wij dat kunnen. Want natuurlijk is de traditionele opvoeding goed, zelfs uitstekend – mits de maatschappij niet verandert. Mits onze cultuur ons alleen maar op de gebruikelijke problemen voorbereidt.
Maar helaas doet onze cultuur dat niet. De bulkboeken zelf zijn van deze stelling het bewijs.

VERANDERINGEN

Nooit veranderde een samenleving in Nederland zo snel als na de Tweede Wereldoorlog. Nooit ook worden traditionele artistieke vormen zo grondig herzien of zonder wroeging verworpen als toen. Wij moeten die veranderende kunstvormen, die literaire vernieuwingen, in verband kunnen zien met de sociale en economische ontwikkelingen – met de materiële verhoudingen van na de oorlog. In de oorlog drukte kunst uit wat de politiek onmogelijk maakte. Dat is na de oorlog niet veranderd.

Wij mogen aannemen, gezien de leeftijd van de scholieren, dat hun ouders die tijd min of meer bewust hebben meegemaakt; dat zij er in ieder geval begrip voor hebben, dat een jonge generatie van kunstenaars zo sterk de nadruk legde op wat in de oorlog zo zeldzaam aanwezig was: het eten & drinken, en de volledige overgave daaraan. Wat wil men? Zij waren, evenals de hierboven bedoelde ouders, oorlogsslachtoffertjes. Zij hadden niets, en konden plotseling beschikken over álles: bevrijdingsfeest!

HET NIEUWE DICHTEN

Zij hadden meegemaakt, van een vorig geslacht, hoezeer dichten geworden was tot een dolage in het rijk van de geest, en hoe ten gevolge daarvan het woord van zijn lichamelijke basis los kwam te staan – een abstracte zaak.
‘Mensenwerk is halfwerk’, zei Greshoff, ‘de andere helft wordt door God verricht’. Ik vind dat een mooie uitspraak, prima!, maar hier waren een aantal jongelui die wel es wilden weten en onderzoeken of zij met hun kunst misschien zelf en zonder metafysische hulp voor een kadetje konden zorgen. Of het mogelijk was de op drift geraakte ideeënwereld terug te brengen op haar lichamelijke ankerplaats. Ik weet, want ik ben ook zo’n oorlogsslachtoffer, dat Lucebert voor het dualisme van Greshoff niets voelde, en dat hij daarom als een der eersten een lans brak voor wat sindsdien genoemd werd ‘lichamelijke taal’. Dat is taal die betrekking heeft op menselijke verrichtingen die tevens natuurverrichtingen zijn en dus geen uitingen van de geest: eten, drinken, lachen, huilen. Maar natuurlijk ook op zaken waar de morele, religieuze en sociale taboes op van toepassing zijn.

VAN DEUGD EN NOOD

En voordat ik me nu af ga vragen of dit gebied voor mijn leerlingen eigenlijk wel gesloten dient te blijven, stel ik even die andere vraag of kuisheid nu wel de hoogste vorm van deugd is die we kennen en of we van die deugd een nood moeten maken. Wellicht staat liefde, belangstelling voor en zorg om een ander op een hoger trap, moreel en wel beschouwd…

Onze verhouding tot anderen en tot het andere geslacht komt in en door taal tot stand. Voorlichting op school gebeurt door taal. De taal van de ‘sex’ om het es op zijn koeterbrits te zeggen, geeft vorm en inhoud daaraan. Maar voorlichting is puur een ‘technische’ zaak: de mens als soft machine.
Maar liefde, seksualiteit, erotiek is iets méer dan techniek alleen. Juist hier kon het ‘dualisme’ gebroken worden.

DE LAVENDELGEUR

Sex is een complex van verhalen, liederen, beelden, klanken, – gevoel.
Je zou als neerlandist de boot behoorlijk missen, als je deze aanvulling van emotionele aard het technisch-voorlichtende niet geven zou, als je deze zogenaamde ‘lichamelijke’ taal weigerde te spreken, omdat… nu ja, omdat gevoelens van gegriefdheid bij het kind risico’s inhouden kan voor de docent?

Wat zoudt ge u wreed te leur zien stellen
Dorst ik u voorspellen,
Dat op geen doornen gij wilt treên,
Dat welke Smart haar boog moog’ heffen,
Ge u door geen enkele pijl voelt treffen,
Gij ongedeerd bleeft, gij alleen…

schrijft Potgieter in een aandoenlijk gedicht aan een meisje. 2 Maar hij zag dan ook als weinig anderen van zijn tijd het verband tussen het verbloemen der werkelijkheid & het verval der zeden. Lavendel verovert dan de wereld en dompelt die in een geur van schijnhei…, ach, ik bedoel natuurlijk Kuisheid, waar de befaamde ‘dubbele moraal’ het kind van is.
Heeft het geen zin om onze pupillen die weg van de dubbele moraal naar het dualisme van Greshoff en de lichamelijke taal der experimentelen, waar noch de hypocrisie der Victorianen, noch de misantropie der rasindividualisten kansen meer heeft, te tonen?

Wat is er eigenlijk tegen onze tijd in te brengen als men die afweegt tegen een vorige? Waar dankt onze tijd het toch aan, dat men altijd bereid is, streng te oordelen over seksuele perversies, terwijl het zo kinderlijk eenvoudig schijnt te zijn politieke en ideologische misdaden met de mantel der liefde te bedekken – vooral indien de bedrijvers ervan in de ogen van het volk hét model van de moraal zijn?

DE BLUE JEANS

In zo’n klimaat leven we immers, en het wil mij voorkomen dat wij in zo’n klimaat niet een versterking moeten zijn van de gevestigde orde. Wij moeten geen voedsel geven aan de angst voor de vrijheid – wij moeten weigeren te geloven dat het grootbrengen van een kind identiek is met het kleineren ervan, zeker waar het gaat om de 4e, 5e, en 6e klassers van onze school, die hun lichamelijke volwassenheid geestelijk moeten kunnen verwerken, terwijl ze nog in de schoolbanken zitten, en eigenlijk alleen daarom vreemd zijn in de grote-mensenwereld, die de niet schoolgaande leeftijdgenoten van onze jongens en meisjes wél als gelijkwaardig aanvaardt.

Na het eten en drinken, de jazz en de bop van de jaren 50, de jeans, de pop en de tv van deze jaren.
Verschillen tussen de geslachten vervagen. Zie het meisje. Ze draagt laarzen, een brede riem met bronzen slot, een volmaakt onbruikbare gulp in haar broek. Haar ogen, voorheen ‘de spiegels van de ziel’, zijn gericht op verten zonder metafysica, want, – zie de jongen: die schijnt niet geïnteresseerd te zijn in de zieleroerselen en mysteriën van zijn lotgenote, die eenzelfde taal schijnt te spreken als hij: lichamelijke, en in dit opzicht, nonverbale taal.
Ik kom hierop terug.

II

In een briefwisseling tussen Marsman en Vestdijk, n.a.v. hun gezamenlijke roman Heden ik, morgen gij, schrijft Vestdijk:
‘De uitlatingen van Don José zijn inderdaad te kras. Ook ik vind dat de erotische charmes der menstruatie al te zeer in de literatuur zijn verwaarloosd, maar we moeten met een publiek rekening houden. Ik heb in Meneer Visser van Zijlstra (een uitgever, CN) heel wat onschuldiger dingen moeten schrappen’.
Men ziet hoe snel de fatsoenscode zich wijzigt. De stof die Vestdijk noemt is inmiddels materiaal geworden voor ons rechts vormingstoneel, als men de STER tenminste zo noemen mag.
Vóor 1940 hielden de uitgevers streng aan de code vast, en zij niet alleen: Van Oudshoorn werd om zijn letterkundig werk uit zijn dagelijks werk gestoten! Een even diep onschuldig als volmaakt waardeloos boek als De zondaar van Alie van Wijhe-Smeding werd door een commissie Donner (jawel, dezelfde) voor pornografie gehouden, al liet Du Perron in zijn Ballade van de Polderlandsche Kapoenen zien hoe dwaas en neurotisch men hier soms op zulk volk reageert.

DE OMMEZWAAI

De ommezwaai werd pas na de oorlog gemaakt, door de zeer katholieke dichter Bertus Aafjes. Hij werd dan ook onmiddellijk populair. Zo ontstond er een erotisch klimaat, waarin Bert Bakker, een zeer protestantse uitgever, met zijn Mansarde Pers de warmtegraad bepaalde, daarbij op bijzondere wijze gesteund door de uiterst zinnelijke Elsevier-illustrator Bantzinger. Toegegeven: deze erotiek is van esthetische, bewarende, consoliderende aard, – een taal voor twee, in tegenstelling tot het agressiever taalgebruik van W.F. Hermans, die in Criterium (’45) zijn De tranen der acacia’s publiceerde. Meulenhoff had toen eigenhandig ingegrepen en een zedenverwilderende zin uit het zetsel gelicht. Maar werpt het geen schril licht op de tegenstellingen in het erotische, dat deze veroverende, met het ‘eigenlijke woord’ opererende taal pas bestaansrecht kreeg, toen het boek eindelijk in ’49 verscheen?
In ’51 werd Vestdijks boek De dokter en het lichte meisje als pornografie in beslag genomen. In hetzelfde jaar onderging een aflevering van Podium, waarin Hermans het 1e hoofdstuk van de roman Ik heb altijd gelijk publiceerde, hetzelfde lot, om dezelfde reden. Er kwam trouwens een proces van; beide boeken zijn volop te koop, het eerste verscheen bovendien en terecht in de Bulkboeken, zonder wie dan ook aanstoot te geven.
Wij schrijven het jaar ’51 nog steeds als Atonaal verschijnt, naar aanleiding waarvan Aafjes zich in een ongelukkige polemiek begeeft met Luceberts trouvaille ‘naaiekkere folls’ (= Niagara Falls) als inzet. Hij groef zijn eigen graf.

De volgende stap werd door Anna Blaman gezet met Eenzaam avontuur, waarin op buitengewoon kiese wijze de lesbische liefde werd aangeraakt. Reden genoeg voor de zedenmeesters om haar daarover, n.b. bij een bekroning, te kapittelen. Waartegen zij zich op waardige wijze verdedigde.
Zo bleef men stoeien met de fatsoenscode, totdat eindelijk het tijdschrift Gard Sivik de stilte verbrak met het speciale nummer Taboe.

HÈT BOEK

Rond dit tijdschrift hadden zich enkele auteurs verzameld van wie ik noem: Cornelis Bastiaan Vaandrager, Hans Sleutelaar, Simon Vinkenoog. Het boek waar zij naar zochten – autobiografie & avontuur – (Joop MassakerZolang te waterWij helden, etc.) werd ten slotte door een buitenstaander geschreven: Jan Cremer. Van toen af aan kon alles, en van toen af aan gebeurde ook alles. Wij kunnen het op zijn bijbels uitdrukken: Ik, Jan Cremer gewon Turks fruitTurks fruit gewon Het jaar van de kreeftHet jaar van de kreeft gewon Twee vrouwen. Prima! Prima boeken, stuk voor stuk.

De democratisering, ingezet door Lucebert, heeft zich gerealiseerd. Kijk naar de auteurs. Vóor de oorlog droegen alleen intellectuelen bij aan onze literatuur. Daarna kwamen de ‘self-made men’ aan bod: gesjeesde gymnasiasten (Schierbeek, Mulisch), Mulojongens (Lucebert) èn Jan Cremer, met niet veel meer dan de lagere school in zijn mars, en, eventueel die maarschalkstaf in zijn ransel. Het duidt erop, dat deze literatuur, juist om haar anti-intellectualistisch karakter, aansluit op de behoefte aan een door de emotie gevoede benadering van het erotische. 3

III

Ik zeg niet dat die behoefte bij onze scholieren bestaat. Veel leerlingen kennen hun behoeften nog niet. In hun sfeer van non-verbale communicatie, door sensaties van oorverdovend licht en de spraakgebreken van de luidsprekers veroorzaakt en onderhouden, worden Vondel en Vestdijk over éen kam geschoren met varkens en hun modder.

IV

Ik ben geen optimist.
Ik weet dat leerlingen van de vierde klassen en hoger er een hekel aan hebben ‘literatuur’ te lezen. Ik dwing ze niet. Maar er zit voor hen niet veel anders op. Ze moeten wel, als ze niet willen dat ik toch lastig word. Ik weet dat het geduld kost hen te vragen aandacht te geven aan wat mijn liefde heeft, en wat hun liefde verdient.
Gevoelens van gegriefdheid moet ook een docent soms overwinnen. Maar dát lukt hem natuurlijk altijd – al zijn er hele volksstammen die afkerig blijven van literatuur, – en hoe terecht: zij hebben die beschaving ook niet verdiend!
Ik weet voorts dat déze tijd van de mijne verschilt, in dit opzicht, dat tóen niemand de pretentie had ‘foutloos’ te kunnen werken.
Ik weet alleen dat Karel Appels noodkreet: ‘Ik rotzooi maar wat aan’ de noodkreet was van een hele schare creatieve tijdgenoten van Appel.
Toen dééd men. Gewoon. Omdat er weinig anders op zat. Men had het recht fouten te maken…
Dat recht bestaat niet meer. Wie in een geautomatiseerde maatschappij als de onze schrapkaartjes terug krijgt met daarop de ene fout na de andere, moet wel tot de slotsom komen: ‘Wat een stommerd ben ik toch, dat ik uit maar vier alternatieven precies een van de drie verkeerde antwoorden aangaf als het juiste’. Vandaar dat onze kinderen achter elkaar naar de bliksem gaan, terwijl hun begeleiders elkaar overtroeven met het modewoord ‘faalangst‘. Wij wisten niet eens wat dat was. Wij faalden gewoon. En we leerden er nog wat van, als we geen pech hadden…

V

Literatuur betekent lezen. En lezen is: je ogen gebruiken. Men oefent zijn ogen niet in een bioscoop, voor de tv, met een stripverhaal op de knie. Bij al dat hedendaagse horen en zien vergaat ons het denken. Wij moeten ertoe overgaan weer denkende wezens te worden. Wij moeten stil, eigenaardig en zeldzaam – wij moeten weer ernstige lieden worden, – onder behoud van alle joie de vivre.
En dat betekent dat we moeten kijken, lezen, dat we leren, hoe het oog terug kan keren naar wat het zojuist gelezen heeft, – hoe dit de waarde wegen kan van wat het opnam en doorgaf aan het geheugen.
Onze persoonlijke geestelijke vrijheid vangt aan met het geschreven woord, het gedrukte beeld, dat wij omzetten in gevoelens en gedachten die wij delen met de auteur. Maar die – ten dele – ook ons eigen geestelijk bezit zijn, aangezien geen twee mensen dezelfde voorstelling hebben, van wat het woord, dit woord, oproept.

VI

Op de Academie voor Beeldende Kunsten bracht een uitstekend pedagoog ons ‘eerbied’ voor het witte vlak van het papier bij. Niets is er zó mooi als dát wit.
Wij durfden geen tekenstift meer neer te zetten, hoe lichtjes, hoe vrijwel onzichtbaar ook – zelfs voor het met de loep bewapende oog!
Wanneer wij iets aan dat witte vlak, deze ‘Maagd’ wilden veranderen, dan moest dat gebeuren op een wijze, die op zijn minst ‘interessant’ was – voor haar en voor ons, zei hij.

VII

Zo gaat het ook met de letter, denk ik. De letter heeft dit dubbelzinnige. Onder de schijn van argeloosheid van de gegeven tekens, opent zich plotseling de afgrond van de geest.

VIII

Literatuur verbindt weten met gevoel.
Geen of weinig andere vakken doen dat.
Laten wij niet lichtzinnig zijn.
Laten we evenmin de ‘jeugd’ in het geding brengen.
Laat ons erkennen dat wij ‘zinnen’ gekregen hebben en de middelen om die te prikkelen.
Wij houden van kerry, genever en een pittig verhaal.
En wij weten dat wij deze zaken niet in de kinderkamer uitstallen: wij zijn egoïstisch in dat opzicht. Maar met de leerlingen uit de vierde klas en hoger kan, mag en moet men over sommige dingen van gedachten wisselen, gewoon, voor de smaak. Wij dringen niemand ónze smaak op. Wij geven eenvoudig in overweging wat men wenst: een weinig beschaving of een barbaars misverstand.





NOTEN
  1. De titel van dit opstel is ontleend aan een lied van Leo Ferré. ↩
  2. In Klagt en troost (1830), opgenomen in Cornets de Groots essaybundel Striptease. ↩
  3. Ook op p. 80/81 van De kunst van het falen volgt Cornets de Groot deze theorie. ↩

Voor mijn hond »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>