Start » 15e jaargang (‘83-‘84) » Mengelwerk

Mengelwerk

 

Bron: Informatief Bulletin (‘Gele vellen’), Lodewijk Makeblijde College, Rijswijk (Z-H), 15e jrg., januari 1984. 1

Pagina 1 van tekst Klaas de VriesPagina 2 van tekst Klaas de VriesPagina 3 van tekst Klaas de Vries

Artikel van Klaas de Vries; klik op de afbeeldingen om te vergroten.

Er zijn mensen die een cursus ‘Schaken voor gevorderden’ willen volgen met een cursus ‘Dammen voor beginners’ als vooropleiding. Er zijn ook mensen met zo’n vooropleiding, die geloven, dat schaken een schitterend spel is van logisch denken, kombineren en beslissen. Zij geloven dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de ene gedachte en de andere. Dat daarom een schaker de werkelijke loop van zijn gedachten volgen kan. Niets is minder waar. Een schaker denkt niet logisch, denkt in de regel nauwelijks, en van enig oorzakelijk verband tussen de ene en de andere gedachte is geen sprake. Hier zijn andere dingen in het spel: hartstocht, begeerte, drift, instinkt, gevoel en intuïtie. Een schaker wordt achtervolgd door zijn tegenstander, de klok, door blunders, verwensingen, machtswoorden, krachttermen, vervloekingen. Hij denkt, bij een toevallig goede zet: ‘Hé, trekt de kruitdamp op? Zie ik weer blauwe plekken aan de hemel?’ De hoop gloort en Nike wenkt…

Tussen de ene gedachte en de andere een oorzakelijk verband aan te nemen, willen geloven in zoiets onbestaanbaars als ‘logisch denken’: – eenvoudig over het hoofd te zien, dat er tussen de ene gedachte en de andere alle mogelijke affecten hun rol hebben gespeeld – dat is de fout die niet alleen niet-schakers maken, als we het hebben over ‘denken’.

Want zoals Klaas denkt, dat mensen denken, denken de mensen niet. Denken doe je alleen, als je er belang bij hebt, dat het gebeurt. Wie, bij wijze van gedachten-experiment de realiteit om zich heen wegdenkt, – alle materie, alle plaats, om in te verblijven en dus ook het eigen lichaam, plaatst niets, – heel letterlijk niets in de waagschaal. Maar wie dit, bv. in een psychose ‘werkelijk’ overkomt, wie meemaakt in zo’n toestand dat zijn vrouw, zijn ouders, zijn kinderen, vrienden, zijn liefste bezit, hem ontvallen, die mag niet klagen, als hij niet krankjorum uit de diepten weerkeert. Descartes heeft niets gedaan, dat een ander niet zou kunnen. Men dient te bedenken, dat iedereen een Descartes kan zijn. Daarentegen is er maar éen Vondel, in staat een Rafaël te scheppen, éen Mozart, in staat een Cherubino te scheppen, éen Picasso, in staat een Guernica te scheppen. En ik denk, dat kinderen er volstrekt geen belang bij hebben, zó te denken als Descartes en Klaas wenselijk vinden. De mensgeworden computer van Klaas: dat is deze van zijn instinkten losgeplukte kip met een kop.
Ik denk, dat kinderen eerst door het gevoelen (de emoties, de impulsieve kanten van hun wezen) tot het cognitieve komen. Wie van het cognitieve uitgaat, doodt de impuls en fnuikt de emotie. Hij weet niet wat denken is, want denken is volgens hem de aristotelische waarheid A=A.
Maar ik kan met twee tegengestelde gevoelens (A=A én A=-A) gelijk hebben. Ik kan bewonderend uitroepen: ‘Cartesius! Dat is een leven van enkel verstand!’ en in afgrijzen eraan toevoegen: ‘Maar dat is buitengewoon onverstandig!’
Dat zegt een computer, en ook een menselijke, me niet snel na, denk ik. Kinderen (en ik) hebben ook voor een niet-aristotelische opvatting van de werkelijkheid. Dat maakt het verschil uit tussen Klaas en mij. Mijn werkelijkheid is breder, dieper, hoger, riskanter, ongewoon en précair.
Daarom kan ik beweren, dat een computer, en ook een menselijke, bij uitstek (niet) geschikt zijn, om zich met een vak als natuurkunde bezig te houden. Het object van alle natuurwetenschapsdidactiek is immers de wereld van het bekende, verwante, gelijke en steeds terugkerende. Juist dat maakt het mogelijk de dingen aan een berekenbaar karakter te helpen.
Nu geeft Klaas hoog op van het zelf creatief zijn in zijn vak.
‘Bij natuurkunde is de prestatie niet zo gebaseerd op het reproduceren van bepaalde gebeurtenissen, het aanhalen van citaten of andere lorre-verhalen’, schrijft hij. En hier haal ik mijn vinger uit de neus, en wrijf mijn ogen uit: ‘Wat’, denk ik. ‘Maar is dit nou geen lor-verhaal? Brengt hij dan middeleeuwse mirakelspelers groot? Hoe komt het dat Merlijn hier de macht overneemt?’

Klaas is eigenlijk wel tevreden met een programma van ‘veel onderwerpen in een beperkte tijd diepgaand bestuderen’. Mij wil dit programma voorkomen als bijna een verklaring voor de onmacht van de docent. Het komt me voor, dat je met dit program wetenschap tot impressionisme maakt: aanschouwelijkheid zonder begrip.

Neem een ‘logpuzzle’ van Liesbeth, en los hem op. Dat, wat als uitkomst van het probleem op papier komt te staan, zijn gedachten.
Ze zijn blind, simpel en leeg, vergeleken bij de chaos, die tijdens het zoeken in de affecten los brak. Niet de gedachten, maar die affecten sturen, is didaktiek. Wie volgens deze lijnen wil leren of onderrichten, is niet gebaat met een omvangrijk programma dat ik korte tijd moet worden verwezenlijkt. Zo’n program belemmert juist de ‘Orkan im Geist’, – Rilke’s definitie van het begrip ‘genie’. Wiens ster schittert bij zo’n program? Wie houdt de massa dom?

Gericht streven verdwijnt, wanneer je het niet aanmoedigt: dit weet toch iedereen?
Op de klassieke avond van Frits zag je de ouders, familieleden, leraren en vrienden van de uitvoerenden als publiek. Vroeger was dat anders. De toneelavonden van Jan trokken half volle zalen. Er is een tijd geweest, dat Kan extra-voorstellingen moest geven.

Brinkman sluit bibliotheken, gooit 2500 beeldende kunstenaars voor de wolven, smijt orkesten door elkaar en gaat straks sleutelen aan het toneel.
Is er dan geen verband?

Werkloosheid alom.
Klaas klaagt over gebrek aan wilskracht en interesse, over een af te wijzen vorm van vrijetijdsbesteding, over gebrek aan energie.
Hier is geen verband. Dat komt, omdat zijn waardegevoel de bestaans- en opgroeiingsvoorwaarden van een voorbije tijd (nl. die van het ‘werkschuwe tuig’) samenvat. Zijn waardegevoel is niet in overeenstemming met de bestaans- en groeivoorwaarden van vandaag: het begrijpt die niet eens!

Er is verband tussen dit onbegrip en die klacht.

Willen weten betekent: een stukje van de realiteit veroveren, met het doel die voor zich in dienst te nemen. Maar welke realiteit is er voor deze jeugd met zekerheid te bemachtigen? Die van de kultuur? Die van het onderwijs? De toekomst? Of die van de disco, de punk, de sport, de vrije tijd? Dit laatste dan.
Daarom schermt de jeugd zich tegen ons af. Maar hoeveel tijd, geld, energie, en interesse heeft men niet voor zijn eigen wijze van zijn en denken!

Daarop in te spelen, die drijfkrachten naar ons om te buigen en naar ons vak, naar onze boeken, – dat is wat ik altijd heb nagestreefd, en wat ik als mijn opdracht heb beschouwd.
Mijn rol van ouwe zak lijkt uitgespeeld.
Gelukkig maar.
En daarom moet Klaas maar blijven.
Ik nokt.
Ik ben moe.

CN





NOTEN
  1. Dit is een dupliek op de bovenaan in facsimile weergegeven repliek van natuurkundeleraar Klaas de Vries op eerder in deze jaargang verschenen artikelen van Cornets de Groot over het natuurkundeonderwijs, Piëtistische natuurkunde en Een inquisiteur voor de boer. Zie ook de brief aan collega Evert Verschuur met daarin een eerdere versie van dit artikel. ↩

Piëtistische natuurkunde »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>