Start » Elseviers literair supplement (’70-’72) » Geen god, geen halfgod ook

Geen god, geen halfgod ook

 

Bron: Elseviers literair supplement, 30 september 1972.
Over: S. Vestdijk, Kind tussen vier vrouwen: de kroniek van een jongensleven, De Bezige Bij, Den Haag, 1972.

Deze maand werd in het Amsterdams Literair Café, ‘De Engelbewaarder’ een kind ten doop gehouden, dat veertig jaar op zich liet wachten: Vestdijks Kind tussen vier vrouwen, een omvangrijk werk waar later de eerste drie romans uit de Anton Wachter-reeks op werden gebaseerd. Aan de muren van het café hingen ook handschriften van Vestdijk, en op één ervan was een zin onderstreept: “Blijven jullie alsjeblieft bij me, straks komt die vervelende jongen er weer aan.” Het is Ina Dammans karakteristiek van Anton Wachter.
“Voor deze ene zin werd het hele boek geschreven,” zegt Oscar Timmers. “Maar het werd niet uitgegeven, en gelukkig maar,” meent Wam de Moor, “anders waren de Anton Wachter-romans er nooit geweest.”
Ik zoek een andere zin in deze oudste roman van Vestdijk, op bladzijde 521, waar Anton Wachter het opneemt tegen dominee Orbaan: “Ik bedoel dat alles terugkomt, dat alles op de wereld terugkomt…”
Want niets gaat verloren in de natuur, meent Anton. En ook de dominee herinnert zich dat de kerkleraar Origenes over “de terugbrenging aller dingen” spreekt. Zo is dat. En in dit café gebeurde het dus: er keerde een boek terug, een leven, een jongen die even verdween, maar terug werd verwacht, omdat hij de tijd in een kringloop dwong. ‘De terugkeer’ heet het laatste hoofdstuk waaruit ik zojuist citeerde. Laten we dat letterlijk opvatten en terugkeren naar de proloog die aan de eigenlijke roman vooraf gaat. In het “wij” van de pluralis modestiae — (leeg masker waar het ‘ik’ achter schuil gaat, zolang het zich niet bloot wil geven) – dwaalt over de sneeuw die een land, een stadje bedekt, in een ruimte, niet ongelijk aan het nulpunt Aries, waar mensen uit dieren en goden uit mensen worden geschapen, de schrijver. Hij is op zoek naar een hem passende gedaante. ‘Wij’ – de geest die over de wateren zweeft? Maar ‘geest’ blijkt hier stof! En hoe meer die geest zich met de stof identificeert hoe groter de beperking blijkt die dit armzalig ‘wij’ aankleeft. “Hoe onvoorzichtig ons hier in de waagschaal gesteld te hebben!” staat er. “Het was al onvoorzichtig hier naar toe te reizen.” En reeds zoekt dit ‘wij’ het in de lichaamloosheid. Maar dan, een wonder: het object wordt gevonden waardoor het subject achter deze bescheidenheids-wij zijn werkelijk gelaat kan tonen: Anton Wachter, de jonge Vestdijk.

“Voor het eerst ben ik uit dat wij getuimeld, dat kleurloze wij, – zo snedig en volwassen”, schrijft Vestdijk, nadat hij Anton Wachter heeft herkend. En daar groeit de volwassene met het kind dat hij was, al samen tot een verteller, aan dit kind verwant, op het niveau der alwetendheid. En die alweter, gecreëerd door deze jongen, openbaart zich in hem – zoals scheppers trouwens wel vaker doen, wanneer ze zich op de achtergrond moeten houden.
“Gemoraliseerd wordt nergens”, zegt Vestdijk van zijn roman in een daartoe geschreven ‘Prospectus’, onlangs door Ischa Meijer in de Haagse Post gepubliceerd. “Toch bevat deze roman de natuurlijke gegevens voor een persoonlijke moraal, voor een religie zelfs (in ruimsten zin genomen), die hem in zijn gewilde strekking tenslotte ver doet staan boven het peil eener neutrale biographie van een willekeurigen jongen uit een willekeurige kleine stad.”

Niet alleen die alweter in wie kind en volwassene opgeheven zijn, is zo’n “natuurlijk gegeven”, voor een persoonlijke moraal of religie, niet alleen die terugbrenging aller dingen. Voor die alweter zelf is vooral dit ene van religieus belang; die Anton Wachter, die de chaos verlaat, op zoek naar de volheid, dit zeldzaam hoogtepunt in een mensenleven, en die, na dit ideaal te hebben geschouwd, terug mag keren in de aanvang – die proloog – waarmee dan de kringloop gesloten is. Gesloten in een omhoogstrevende spiraal, waarin de dingen opnieuw gebeuren op een hoger bewustzijnsniveau. “Halte heilig, deine höchste Hoffnung” – dat is, in Nietzsche’s woorden, het kort begrip van Vestdijks persoonlijke ‘moraal’. Maar wat is de weg?

Want al weet iedereen dat Ina Damman de belichaming is van Antons “höchste Hoffnung”, Anton zelf wist dat pas, nadat hij haar had gezien. Het is duidelijk dat Anton zich, in elk stadium van zijn ontwikkeling, een nieuw ideaal moet scheppen, totdat hij tenslotte dit ene bereikt. We zien dan ook dat Anton, vroeg al, in zijn handelingen en strevingen, die mensen volgt, wier bekwaamheden en vaardigheden hij bewondert. De eerste van de reeks is ongetwijfeld Janke, het dienstmeisje, dat getypeerd wordt als een haantje-de-voorste; eens schonk ze hem een suikerbeest, een lam, waar hij de kop van afbeet – aanleiding tot een hevig en vrijwel onbegrijpelijk verdriet. De volgende fase wordt beheerst door oom Kees, een schilder, die hij na wil volgen, een motief dat nóg meespeelt, als hij zich ook al gewonnen heeft gegeven aan meneer Veldkamp, zijn pianoleraar, die op elk verzoeknummer van Anton grif ingaat!

Dan is het de wereld van zijn moeder – met tante Nellie als ideaal – die hem in de greep krijgt. Niet voor lang, want als hij zijn moeder iets op te biechten heeft, stuit hij op (begrijpelijk) onbegrip, van haar kant, waardoor hij zich van een toch stevige moederbinding los kan maken. In de volgende fase gaat het om een strijd tussen hem en zijn vader, die zich ook in de concurrentie met zijn vriendjes manifesteert. Het is de periode, waarin Anton zich wil laten gelden als vechtersbaas, als voetballer; waarin hij zich terug wil trekken in de ivoren toren, op een eilandje, ergens in Scandinavië. Ook van zijn vader maakt hij zich los: het blijkt, dat hij in deze tijd een evenwicht heeft weten te vinden in zijn verhouding tot zijn ouders. In principe is hij hier een zelfstandige ‘macht’ – al is dit stadium de kritieke fase waarin hij de verstoktheid van het ik te overwinnen heeft, als hij er niet aan ten onder wil gaan. Die nieuwe periode beslaat het laatste gedeelte van het boek, dat Ina Damman is genoemd.

Antons idealisme brengt een dynamische schroefbeweging in actie, die hem ten slotte de top bereiken doet, die of een psychische dood, of een nieuw ik betekent. En meteen al is het grote gevaar daar: door Piet Idzerda als scheldnaam gebruikte kooswoordje voor Anton: Vent, dat het gevoel opwekt dat iemand op die hoogvlakte óók overvallen kan. In Vestdijks woorden: “dat gevoel van machteloze ellende: zonder woede, een soort verlamming van geest en lichaam, waarbij hij alleen nog maar in staat was op één punt te staren…”, wat toch wel de achterkant is van de sensatie die Ina verwerkt in zijn ziel: “Geen verliefdheid was het. Het was een gelukzalige angst, die hem verblindde en verlamde, en die al die andere aandoeningen zowel buitensloot als in zich omvatte.”

Dit leidt de fase van de erkenning van de vrouw als vrouw in, waarbij zij niet een puur aards wezen is (Janke), noch een onbereikbare, hogere macht (moeder), maar hemel en aarde ineen (Ina). “Hij idealiseerde haar niet”, zegt Vestdijk van Anton. Maar zichzelf ziet Anton als een vervelende jongen, en als Ina hem herkend blijkt te hebben, wanneer zij die overtuiging bevestigt, staat de scheiding voor de deur: Anton is maar een mens, geen god, geen halfgod, maar een gewone, vervelende jongen met allerlei gebreken, met zijn angsten, met zijn behoeften aan een vriend, een vriendin. Hij verliet Ina – in feite. Wat hij behoudt is de droom, zijn de ervaringen in het teken waarvan heel zijn verdere leven voortaan staan zou – niet alleen de toekomst, ook het verleden. “Nooit zou hij meer naar zijn jeugdherinneringen terugkunnen, als hij Ina Damman verloochende, als hij niet, moeitevol en telkens weer opnieuw, die top beklom, die hem scheidde van het kinderland, dat erachter lag.”
En zo dus, met die levende idee, die hem gebleven is, kan hij inderdaad naar dat paradijs terug, en hij doet dat ook als Simon Vestdijk deze keer, in de proloog.

In ‘De grootheid van Judas’ (Essays in duodecimo) schrijft Vestdijk: “Zodra wij met de vereenzelviging ernst maken, verzet iets in ons zich ertegen. Niet omdat wij onszelf willen blijven, maar, zeer letterlijk omdat wij de ander niet willen worden. Immers, zodra wij ons met het Voorbeeld vereenzelvigd zouden hebben, waren wij zélf het Voorbeeld geworden, en konden er niet meer de bewondering voor voelen die ons aanvankelijk bezielde, – en deze bewondering, liefde, aanbidding, deze veneratie voor iets hogers, sterkers of beters dan wij, kan dermate een levensbehoefte voor ons geworden zijn, dat wij alles op het spel zetten om het verlies ervan te voorkomen.” En over Judas: “Tegen de onweerstaanbare drang tot gelijkwording aan iets waaraan men niet gelijk worden mag, heeft Judas zich als enige te weer gesteld, en daarin bestaat zijn grootheid. Door middel van het verraad bevestigde hij de afstand tussen mens en ideaal…” Naar mijn mening belichten deze woorden de bijzondere betekenis van de scheiding tussen Anton en Ina. Inderdaad idealiseerde hij haar aanvankelijk niet. Hij kon daartoe pas overgaan nadat hij zijn menselijke beperktheid aanvaardde. Ook hij herstelde, door middel van het verraad, de verhoudingen tussen mens en ideaal. Dat Vestdijk het ook zo bedoeld heeft, kan misschien worden gedemonstreerd. De 12 stadia waarin ik Antons ontwikkelingsgang kon indelen, volgen de tekens van de dierenriem (het suikeren lammetje symboliseert dan het teken Aries); het stadium van de scheiding valt onder Steenbok (heerser: Saturnus), welk teken (en welken planeet) in de astrologie symbolisch worden vereenzelvigd met Judas Iskarioth.

Ook Judas’ grootheid is een ‘natuurlijk gegeven’ voor een ‘persoonlijke moraal’, – een ‘religie’ zelfs.

Harry Mulisch laat zijn tanden zien »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>