Start » De zevensprong (’67) » Chemisch reinigen (Jacob van Maerlant)

Chemisch reinigen (Jacob van Maerlant)

 

Bron: R.A. Cornets de Groot, De zevensprong, Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam, 1967, p. 9-22.
Over: Jacob van Maerlant, De roman van Torec, uitg. met inl., aant. en bibliographie door A.Th.W. Bellemans, 2e uitg., Amsterdam (enz.), 1948.

[p. 9]

(Voor Floris V)

In later jaren zou Jacob van Maerlant het werk uit zijn jonge jaren met een zeker ongemak gedenken. De ridderromans, – hij hield niet meer van die fantasie, de leugens, de schone droom. Jacob van Maerlant was verslingerd op de realiteit. Hij wilde die niet ontvluchten, maar verbeteren: Jacob van Maerlant was een Nederlander. Hij was bovendien een encyclopedist. Het encyclopedisch idealisme van een latere, rampspoediger tijd, bezielde hem: ik ben bereid het ‘moderne’ in de man te erkennen. Maar ik hoef mij in mijn heuse waardering daarvoor niet mee te laten slepen, en zijn afkeer van ridderromans te delen. Was Torec niet een vollediger Van Maerlant dan de drooggelegde dichter van Der naturen bloeme? Ook Torec had enige realiteiten, die niet schimmiger zijn dan de wereld zelf, te bestrijden. Torec bracht recht waar het ontbrak; ja, Torec verbeterde de wereld pas! Maar Torec was dan ook een mysticus, en geen realist. Torec veranderde de wereld en de mensen, zoals een alchimist de stoffen in zijn fiool veranderde: door de verandering van zichzelf. Een alchimist had daar een speciale methode voor. In zijn fles, het filosofisch ei, bracht hij de elementen samen waar het heelal uit bestond, of althans had moeten bestaan, en met die prima materia voelde hij zich éen. Hij schiep een afstand tussen zich en het heelal door er een model op schaal van te maken, en hij hief de afstand weer op, door de veranderingen

[p. 10]

die de stoffen in zijn klein heelal ondergingen in het eigen innerlijk mee te beleven. Het alchimistisch proces bestond uit twee ontwikkelingsprocessen, éen in de mens en éen in de stof, die beide tijdgelijk en parallel aan elkaar verliepen, volgens een scheppingsplan waar Hermes Trismegistos en zijn ingewijden de geheimen van hadden.

Het afstand scheppen is Jacob, die ongelooflijk veel van Merlijn moet hebben geleerd, wel toevertrouwd. Hij begint ermee het verhaal van Torec apart te zetten, niet in een fiool, maar ‘tussen haakjes’, zoals sommige filosofen in navolging van Husserl wel zeggen: Torecs geschiedenis is een geschiedenis in een geschiedenis. En de hoofdrol wordt niet door Torec gespeeld, maar door een ding, een kroon, een diadeem – een cyrkel, zegt Jacob. Met het verlies van dat ding, lang voor Torecs geboorte, begint – en met het terugvinden ervan, eindigt de roman.
Die kroon moet wel een belangrijk symbool zijn, – iets waar mensen als Torec en zelfs minder begenadigden hun leven voor op spel willen. zetten. Waarom?
Toen Briade, koning in ‘t Rode Eylant, op everjacht afdwaalde van zijn gezelschap, vond hij in een boom een onwaarschijnlijk mooie jonkvrouw zitten, daar, mét de kroon, door haar vader neergezet voor de eerste de beste die haar vond, en die haar zowel als haar kroon door huwelijk verwerven zou; Briade overkomt dat geluk: een driedubbel geluk, want wie de kroon

[p. 11]

heeft, is verzekerd van welvaart en eer. Maar de bezitter is niet verzekerd tegen diefstal van de kroon. Mariole, de mooie prinses, die Briade de nodige inlichtingen verschaft, wijst zelfs de toekomstige dief al aan: de kroon moet worden beschermd tegen de Rode Lyoen…
Wij weten dat de bruiloft nauwelijks achter de rug was, toen er werkelijk boze plannen tegen de kroon werden gesmeed. Jacob maakt melding van drie zusters, die een erfenis van vijftig kastelen te verdelen hebben. Twee van de dames zijn reeds verloofd en een hunner vraagt van haar minnaar, Bruant, het bewijs van ‘zijn genegenheid in de vorm van de kroon: hij moet die zien te veroveren. Bruant wacht de gelegenheid af, en als de koning op een dag de arme Mariole achterlaat, dringt hij het kasteel binnen en rooft de kroon van het hoofd van de koningin, die de rode leeuw op het schild herkennend, sere riep: ‘Acharme! nu es mine ere embermer vortane gedaen…’ Zonder nu meteen maar te beweren, dat hier sprake is van een ‘moeder’ die door een hardvochtige ‘vader’ wordt ‘getiranniseerd’ (rood is echter een symbool voor hartstocht, leeuw voor macht, en bovendien verloor men als vrouw in de middeleeuwen niet maar ineens de eer), is het duidelijk, dat de ‘zoon’ deze gewelddaad niet ongewroken kan laten. Met die wraak krijgt Torec zijn handen, en Jacob zijn perkamenten vol.

Bruant, de rover, toont zijn dame en haar twee zusjes

[p. 12]

trots de buit, en omdat er nu getrouwd moet worden, verdelen de drie zusters hun rijkdom. Miraude, de oudste, maar schoonste en niet verloofde, kiest de kroon; haar zusters met hun verloofden moeten genoegen nemen met elk 25 kastelen. Het dubbele huwelijk wordt nu spoedig met veel luister gevierd, maar misschien was Miraude toch nog het beste af: die metten cyrkele werd sere rike, en rike niet alleen, want ook een onvergankelijke jeugd werd haar deel. Wanneer, benepen geschat, Torec haar veertig jaar na de roof ontmoet, is ze nog even betoverend mooi als toen, – en allen die haar verwant zijn en betrokken waren bij de roof, bleven jong: Bruant, Druant en de zusters van Miraude. Maar kijk eens wat er van Briade terecht komt! Het verlies van de kroon moet hij met de dood bekopen, en Mariole droeg haar dochter met rouwen. In tegenstelling met de roverbende worden hij en zijn gemalin de vergankelijkheid een prooi: zo helpt ook de kroon de afstand scheppen tussen de wereld die ons aan zich onderwerpt en de wereld waar de tijd is overwonnen.

Wanneer een alchimist zijn grondstoffen, zwavel en kwik, in het filosofisch ei sloot, sprak hij van het sluiten van de ‘koning’ en de ‘koningin’ in de ‘gevangenis’, die ook wel eens werd aangeduid met de namen kamer, bad, of graf. Door verhitting werden de stoffen verenigd tot chemische verbindingen. Men noemde dit verbindingsproces het huwelijk, of het chemisch hu –

[p. 13]

welijk, – een tragisch huwelijk toch wel, want bij die gelegenheid werden koning en koningin doodgekookt, want alleen uit hun meest innige vereniging werd hun kind, vaak als een hermafrodiet voorgesteld, juist om die hogere eenheid van de ouders tot uitdrukking te brengen, geboren. En dit kind diende de alchimist tot grondstof voor de bereiding van de steen der wijzen, waar men goud mee produceren kon. Dit ‘goud’ en ook het zwavel en kwik waren maar benamingen voor misschien totaal andere stoffen dan met die namen worden aangeduid: de alchimist bedoelde alleen maar, dat de nieuwgevormde stof ook hem innerlijk gezuiverd had. Had hij niet de dood van de prima materia innerlijk doorgemaakt door zelf te sterven toen de stof zwart werd in het filosofisch ei? Zo beleefde hij ook het ontkiemen van het zaad, door zelf in die dood het leven te zoeken gedurende de fase dat de stof wit werd, en de herrijzenis uit de dood door zelf, gelouterd, herboren te worden toen de stof rood werd. Dat gebeurde bij het huwelijk op het Rode Eylant: Mariole en Briade werden ‘doodgekookt’ en later werd hun dochter, Tristoise, de prima materia, nogmaals in een vat gesloten, onder bijvoeging van goud en van het bericht van de ontstaansgeschiedenis ervan. Jacob schrijft van Mariole:

Ende si oec daerna genas
Van ere dochter, sijt seker das;
Ende die deetsi in ene tonne beslaen;

[p. 14]

Ende cledere ende gout, sonder waen,
Ende enen
brief, daer in sal staen,
Hoe al haer saken sijn vergaen,
Hoe si opten boem vonden was.
Ende hose die coninc troude nadas,
Ende hoe die cyrkel werd genomen,
Daer si in onsalecheden bi es comen,
Ende dat hare Bruant vander Montangen
Heeft gedaen al dese calangen…

Uit deze grondstof werd Torec geboren, die na tal van veranderingen te hebben ondergaan inderdaad veranderd zal blijken te zijn tot het goud dat niet van deze aarde was…
De ton die in een rivier geworpen werd (het ‘bad’), spoelde aan in het land van koning Ydor, die het kind liet opvoeden en later zo onder de indruk kwam van haar schoonheid, dat hij haar, Tristoise, huwde. Bij Torecs geboorte lacht zij voor het eerst in haar leven. Zij zal dit nog maar tweemaal in haar leven doen, en de tweede keer vindt pas plaats twintig jaar later, als Torec haar zweert de kroon te zullen zoeken en wraak te nemen op het onrecht zijn grootmoeder aangedaan.

Het verhaal dat dan volgt – na 272 verzen ‘inleiding’ – is bekend. Niet dat men het werkelijk kent, maar men ‘kent’ het, omdat alle legendarische figuren zo’n leven leven. – Torec beleeft wonderen, overwint moeilijkheden, beschermt zwakken en weerlozen, hij her –

[p. 15]

stelt het recht waar hij het mist altijd in eigen naam, en soms tegen de wil en het besluit van koning Arthur zelf in. Hij bestrijdt het kwaad, verwerft zich vrienden en aanhang, offert zijn trots en brengt zijn wil in overeenstemming met de wil van de handhaver van de Staat Gods, koning Arthur in dit geval.
Men heeft de roman van Torec een kweeste genoemd, – terecht, uiteraard, maar erg veel schiet men daar natuurlijk niet mee op. Men heeft Torec een Arthurroman in verval genoemd en meer een samenraapsel van gebeurtenissen dan een bewuste compositie, maar ook zulke opmerkingen zijn weinig geëigend om ons inzicht in de roman te verschaffen. Het enige houvast bieden ons daarom zijn ontmoetingen met achtereenvolgens een zwarte, rode en witte ridder, dragers van de alchimistische kleuren, – kleuren met een diepe betekenis, al is hier de volgorde van het rood en wit van plaats verwisseld. Waarom? Misschien heeft Jacob het wel expres gedaan, heeft hij de volgorde op de kop gezet, zoals hij ook van een Arthurroman een anti Arthur – roman maakte door de ridders van de tafelronde éen voor éen in het zand te doen bijten, wanneer zij tegen Torec in het krijt treden. Misschien ook beschouwde Jacob wit als climax, omdat zijn camere van wijsheiden immers wit was, – van marmer en glas en kristal en ivoor. En welke wijsheden worden daar anders verkocht dan de meest persoonlijke van de dichter uit Damme zelf? Was Torec niet Maerlantser dan Maerlant zelf?

[p. 16]

De volgorde van het rood en wit hoeft ons inmiddels niet al te zeer te verontrusten, want misschien was het rood toch nog de belangrijkste kleur, want er komt nóg een rode ridder voor in het verhaal, de ridder van het gewed, en deze rode ridder is geenszins identiek met Rode Ridder I. Torec ontmoet hem enige keren voor hij in de witte kamer belandt en nogmaals, daarna, bij welke gelegenheid hij hem doodt. Maar dan is de weg naar de kroon ook vrij en kan Torec eindelijk zichzelf worden. Zo blijkt dat het rood van deze ridder inderdaad zijn alchimistische functie naar behoren vervult…

Als Torec het ouderlijk huis verlaat, ontmoet hij de zwarte ridder, die zich aan een duel onttrekt, door plotseling in het niet te verdwijnen. Voor de lezer is deze verschijning natuurlijk het teken dat Torec op de juiste weg is, en het duurt in de reeks avonturen die volgt dan ook niet lang, of hij komt er achter waar Bruant zich ophoudt. Ze maken een afspraak waar en wanneer ze elkaar te lijf zullen gaan en in het gevecht tussen de twee zeer hoofse lieden slaagt Torec erin zijn tegenstander zijn rechterhand af te houwen: een rechtvaardige straf voor een dief, – niets geeft duidelijker aan dat een misdadiger veranderd is in een eerlijk mens. Toch had Bruant ook Torec behoorlijk van katoen gegeven met sinen swaerde dat gevenijnt es, en het eigenaardige is, dat Jacob hier niet het geringste woord van kritiek laat horen. Misschien hoorde het eenvoudig zo: was de betekenis van het zwart niet, dat

[p. 17]

de mystieke dood van de zoon zich voltrekken zou? Torec is niet eens kwaad op zijn tegenstander, integendeel, hij verzoent zich met hem, neemt hem genadig aan als zijn vazal: de vijand van de vrouw die hij zou wreken. En niet omdat Bruant hem belooft hem van zijn wonden te genezen, handelt Torec aldus naar mijn indruk, maar omdat ook Torec zelf veranderd is. Iemand dwingen met het reine in het reine te komen is soms heilzamer dan hem om het leven te brengen…
Torec trekt dan ook profijt van zijn ridderlijke vergevensgezindheid, want Bruant wijst Torec de weg naar Miraude, die metten cyrkele, de vrouw die hem volledige genezing brengen kan en aan wie Torecs lijf leget. Na nog een avontuur terwille van een jonkvrouw die hem uit liefde in haar kerker sluit – een symbool dat men na de zwarte ridder en de mystieke dood wel niet mis kan verstaan – ontmoet Torec Rode Ridder I, die al even miraculeus aan hem ontsnapt als zijn zwarte voorganger. De tweede fase in de ontwikkeling van Torecs innerlijk leven is daarmee ingeluid. Het is de periode waarin zich kwik en zwavel met elkaar verbinden, de tijd, waarin het zaad in de grond ‘vergaat’ om er nieuw en beter leven uit te putten: een rijpingsproces. Men hoeft er nauwelijks aan te twijfelen of Torec vindt nu Druant, met wie eveneens gevochten zal worden, aangezien hij deelgenoot was in de verdeling van de buit. Zoals wel vanzelf spreekt overwint Torec hem, maar ook nu is de werkelijke overwinnaar Torecs edelmoedigheid. Torec schenkt Druant het

[p. 18]

leven, in ruil waarvoor Druants vrouw hem van de wonden door Bruant geslagen geneest. De ziel is gezuiverd en bestemd om op te stijgen tot hoger wijsheid. Een geestelijke hergeboorte is in het vooruitzicht…
Wij weten dat de nieuwe fase begint na Torecs ontmoeting met de witte ridder, die spoorloos verdwenen blijkt, als Torec hem te lijf wil. Een daarop volgend avontuur om een vrouw die door koning Arthur onrechtvaardig behandeld was, toont hoe Torec zich ervan bewust is, dat hij in zijn wereld zijn recht kan laten gelden, wanneer dat nodig is. Van groter belang is Torecs strijd tegen de ridder van het gewed, Rode Ridder II, in wie men als men wil de autoritaire vaderfiguur van Freud herkennen mag, die een weerloze jonkvrouw, de getiranniseerde ‘moeder’ voor wie Torec het opneemt, pest. Na zijn succes komt hij aan een kasteel, waar men het scep van aventuren verwacht. Met ware doodsverachting bestijgt Torec het wonderlijke vaartuig, dat hem pijlsnel wegvoert naar een fabelachtig kasteel, waar de camere van wijsheiden is ingericht tot zijn hergeboorte, want wat is het kasteel anders dan een moederbeeld en de camere van wijsheiden anders dan een baarmoeder èn een synoniem voor ‘filosofisch ei’, dit hermetisch meditatiesymbool?
Torec, chemisch gereinigd, doordat hij afzag van zijn recht op wraak en Bruant en Druant als zijn vazallen aanvaardde, is waardig bevonden, als kind van een koning in een ei gesloten te worden, als eens – twintig jaar daarvoor – zijn moeder Tristoise in een ton. Daar

[p. 19]

hoort hij de wijsheden van Jacob aan, drie dagen lang. Geen wonder dat hij, moe geworden na die spoedvorming zich gaarne ter ruste legt. De volgende ochtend echter, bij het ontwaken, blijkt het kasteel verdwenen en Torec kijkt om zich heen, verwonderd als een kind dat voor het eerst de wereld ziet: van wondere sach hi harentare, idoch werd hi wel geware, dat hi daer nu was, sonder waen, aldaer hi te scepe was gegaen…
Maar herboren of niet, een vazal van Miraude, die zijn vrouwe tegen Torec in bescherming nemen wil, werpt de arme Torec in een gevangenis, en pas als Rode Ridder II een paar zoons van de kasteelheer blijkt te hebben vermoord, krijgt Torec een kans zijn vrijheid te herwinnen. Daartoe moet hij de moordenaar verslaan. Dat gebeurt dan ook: in een duel met Rode Ridder II doodt Torec zijn tegenstander (een vaderbeeld), waarna de weg naar Miraude (een moederbeeld) vrij is. Torec zal zijn verre geliefde kunnen huwen. Sinds Freud is het al heel eenvoudig die ontwikkeling te voorzien.
Voor het kasteel van de schone Miraude aangekomen, biedt een mooie dame Torec een tent aan, die ter plaatse wordt opgezet, men geve acht op deze symboliek. Wanneer de dame heimelijk verdwijnt, achtervolgt Torec haar, even heimelijk. Maar hij wordt opgehouden. Er is daar int gewade (= gewed!) een ridder, die gemoedsbezwaren heeft tegen Torecs doortastendheid. Laat mi riden, zegt Torec onschuldig,

[p. 20]

maar de ridder meent, dat er voor Torec niets te riden valt zeker niet hier in het wed. Nog eens moet er gevochten worden, tot de onbekende zich gewonnen geeft en zich aan Torec voorstelt als een oom van Tristoise: een plaatsvervangend vaderbeeld. Hij onthult ook, dat hij de zwarte, rode en witte ridder was, dat hij het was, die Torec in de camere van wijsheiden bracht, kortom hij maakt bekend dat hij Torecs goeroe was, en nu staat Torec niets meer in de weg om zich met deze vaderfiguur te identificeren. Hij omhelst zijn leraar, wordt op deze symbolische wijze als het ware, zijn eigen vader en komt, verlost van zijn complexen, als een vrij en onafhankelijk wezen tegenover zijn meester te staan…
Toch moest Torec Miraude nog veroveren, door, naar haar eis, de ridders van de tafelronde uit het zadel te wippen, en hij slaagt daarin, uiteraard. De strijd speelt zich af in het dal waar de tent van Torec is opgericht. Toch meent hij na al zijn successen Miraude pas te kunnen huwen, nadat ook hij is afgestoken: het is zijn zelfoffer, de overwinning op de verstoktheid van het ik. Arthur voldoet, niet in dat dal, maar te zijnent, in Kerlioen, aan Torecs wens, minder ter staving van het jus primae noctis dus, dan om het Torec mogelijk te maken, zich te onderwerpen aan de wil van het hogere. Torec huwt Miraude en kort daarop sterven zijn ouders. Torec echter wordt een heerser, die de mensen ontzag en eerbied inboezemt en als er tijdens zijn afwezigheid onvrede losbarst in zijn rijk,

[p. 21]

herstelt hij recht en orde tot tevredenheid van allen. Het is alsof Torecs kracht is uitgegroeid tot in het ongelooflijke, en geen wonder, bediet sijn oem hem na diens nederlaag niet al die dinc, die doe om den cyrkel ginc? Van alden stenen diere in sijn, daeraf seidi hem den fijn…
Misschien was Torecs oudoom wel een alchimist, voor wie het tussen haken geplaatste verhaal van Torec niets anders was dan een filosofisch ei waar hij zelf buiten stond, en voor wie de optredende figuren niets anders waren dan zijn personificaties van de in de fiool gesloten stoffen. Misschien waren er in wezen maar twee personen in dit verhaal: Torec en hij, – waren de tegenstanders van Torec niet allemaal afsplitsingen van de zwarte, rode en witte ridder, – en waren die op hun beurt geen afsplitsingen van hem? Misschien was hijzelf wel de rover Bruant, diens handlanger Druant, misschien was hij zelf wel hun toekomstige zwager Torec, misschien ging het in dit verhaal om maar éen figuur, om die oom, deze plaatsvervanger van Hermes Trismegistos, die het kwade en het goede in zichzelf met elkaar verzoende en zo de steen der wijzen vond…
Misschien had Jacob van Maerlant wel degelijk begrip van compositie en distantieerde hij zich op later leeftijd, toen hij minder kritisch en meer kerks geworden was, van zijn ketterse ideeën, met iets te veel wroeging naar mijn smaak. Of zou hij, zonder iets te hebben begrepen van wat hij schreef, werkelijk een

[p. 22]

Frans origineel hebben vertaald? Dan nog is het een wonder, dat zijn wijsheden verkondigd worden op de enige plaats die daartoe in aanmerking kwam…

A.A. Verdenius in zijn proefschrift Heimelijkheid der heimelijkheden, stelling VII: ‘Ten onrechte meent Verdam (Mnl. Wdb. VI, 1353) dat Mnl. riden met de betekenis paren alleen van dieren wordt gezegd.’ [Toevoeging aan auteursexemplaar]

De zevensprong (Jan van der Noot) »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>