Start » De zevensprong (’67) » *Buiten het boek » Recensies van ‘De zevensprong’

Recensies van ‘De zevensprong’

 

Bronnen: Literom, BNTL, Picarta, knipselarchief van de auteur.
Diverse auteurs.

De zevensprong

R.A. Cornets de Groot

Voorjaarsaanbieding De Bezige Bij, 1967

Tegenover de ontwikkeling van onze literatuur in traditionalistische geest, kan men zich een traditie denken van artistiek-revolutionaire aard. In De zevensprong gaat het om die laatste lijn: dit boek vraagt aandacht voor de revolterende mens – de mens die de lente verwacht en aankondigt of die, twijfelend aan haar komst, in ieder geval alvast de overige jaargetijden vervloekt. In dit licht bezien moest de jonge Maerlant wel de eerste zijn om dit boek te openen: een communist die een vorstenschool schreef. Chronologisch volgt op hem jonker Jan van der Noot: een patriciër met de allure van een clochard. Dan is het zomerherfstwinter, eeuwen lang, tot in de jaren 80 Herman Gorter opnieuw de lente hoort komen: onbegrijpelijk, maar niet te misduiden. Sindsdien ging het goddank snel bergafwaarts met de begrijpelijkheid in onze literatuur: Lucebert, en, bien étonné, Willem Frederik Hermans en Harry Mulisch!
Er is één zaak, die deze constellatie bijeenhoudt: de alchemie. De schrijver, R.A. Cornets de Groot (Bandoeng, 1929), wiens eerste De chaos en de volheid over S. Vestdijk handelt, ziet de revolte vooral als een verzet tegen eigen onmacht; alchemie als een middel om die onmacht meesterschap te geven. Vandaar dat ook in die boek Vestdijk als alchemist niet ontbreekt.


[Geen titel]

[Auteur onbekend]

De Volkskrant, 3 juni 1967

[…] Bij dezelfde uitgever verschijnt De zevensprong (f 6,50) van R.A. Cornets de Groot, die snel naam heeft gemaakt als essayist.
In dit boek vraagt hij vooral aandacht voor de revolterende mens in de literatuur. Hij begint met Jacob van Maerlant, “een communist die een Vorstenschool schreef”, daarna komen jonker Jan van der Noot en Herman Gorter aan de beurt en eigentijdse schrijvers als Lucebert, Hermans en Vestdijk, over wie Cornets de Groot in een vorig boek al heel vernuftige dingen heeft gezegd. […]


Literaire alchemie

Dr. C. Rijnsdorp

Trouw, 11 november 1967

Alchemie of alchimie, zo vertellen ons de handboeken, is historisch de vóórwetenschappelljke scheikunde. “Al” is Arabisch voor “de”. Deze vroegste fase van de scheikunde ontwikkelde theorieën over de opbouw van de stof en deed op grond daarvan proeven. Haar doelstelling was gedurende vele eeuwen uitsluitend gericht op de transmutatle, de verandering van onedele metalen in edele.
Er waren ook alchemisten die, bevangen door gnostische en occulte gedachten, hun bedrijvigheid met astrologie koppelden. De alchemie had dus een meer exacte en een meer speculatieve, naar het geheimzinnige neigende kant.
Veel later, zegt de auteur van het hier besproken boek op bIz. 207, splitste de beweging zich voorgoed in een zuiver wetenschappelijke richting, de chemie, en een zuiver esoterische (alleen voor ingewijden bestemde) richting, de vrijmetselarij.
Alchemistische uitspraken zijn al vroeg gebruikt voor mystieke bespiegelingen zonder de achtergrond van chemische experimenten. Er was altijd een neiging de alchemle in zuiver spirituele kanalen te leiden (180). Daarbij vervagen de grenzen tussen alchemisten, astrologen, rozenkruisers en neoplatonici, die immers elkaars symbolen kennen (207).

Letterkundigen die in deze literaturen belezen zijn en er smaak voor hebben, kunnen zowel voor hun creatieve als voor hun kritische werk daaruit putten. Het is weer eens wat anders dan de psycho-analyse, die tenslotte een wetenschappelijke methode is en de literaire verbeeldingskracht niet stimuleert. Hypergevoelige mensen zoals Vestdijk en Cornets de Groot, die het christelijk geloof kunnen wegverklaren, houden toch het even vage als kwellende besef over dat er “iets is”.
“… wie durft beweren, dat men bij voorbaat iets weet? En andersom: wie toont aan, dat ons lot niet door een kosmisch initiatief Is voorgetekend? Zijn wij als blije slachtoffers van die Trieb der Nachahmung, die Herder als de motor ziet van de geschiedenis der mensheid? Is er niets dat ons redt? (143) De schrijver van vandaag zit met de brokken, en bij afwezigheid van een betrouwbare Idee kan alleen een persoonlijk ingrijpen de innerlijke chaos ordenen (178).”

De literaire alchemist gaat dus zowel actief als passief te werk. Actief door een zekere “mystieke techniek” (179) te ontwikkelen en bij het hanteren van de taal als dichter de grenzen van het verstaanbare te overschrijden (9). Passief gaat hij te werk door de veelvuldige herhaling van een woord, of formule, om op die manier een proces aan de gang te maken.
Dat proces bestaat in het zinloos worden van de formule of van het woord. Het woord wordt in klanken ontbonden en roept verwondering op over het bestaan van juist deze klanken (57).
Klank openbaart zin. De associaties dienen hier niet, zoals bij de psycho-analyse, om verdrongen complexen op te sporen en op te helderen. Nee, ze hebben een zin in zichzelf. Er vindt een transmutatie plaats: zoals in het alchemistisch proces het ene metaal uit het andere ontstaat, zo openbaart zich achter de gewone zin van woord, uitdrukking of formule een geheimzinnig complex van betekenissen van een geheel andere aard dan de dagelijkse.
Ook omkering van woorden kan een verborgen zin openbaren: zo is het antigram van evangelist “evil’s agent” (100). Zo bang is men voor het “iets” achter de dingen, dat zelfs zulk woordgeknutsel magische krachten veronderstelt.
Men ziet de literaire scheppingskracht, juist wanneer deze allerlei occulte kunstgrepen niet versmaadt, als blind (113). Dit wordt hier weliswaar van Lucebert gezegd, maar zowel de meer passieve als de meer actieve literaire alchemie vinden in die “blinde” scheppingskracht hun uitgangspunt.

Als er aan een literair kunstwerk (b.v. Het Genadeschot van S. Vestdijk) een bewust plan ten grondslag wordt gelegd, dan houdt dit toch verband met allerlei literair-alchemistische structuren. De “blindheid” is er niet een die zich zonder meer overgeeft aan de literaire creatieve intuïtie, maar een die, een heleboel dingen wetend en er rekening mee houdend, zo te werk gaat dat er een openheid naar het occulte gehandhaafd blijft.
Literaire alchemie wil dus komen achter de zin die achter de dingen is. De rede is daartoe niet toereikend en dus ook niet de exacte wetenschappen. De scheppingskracht bindt zich een blinddoek voor om dan langs de weg van een mystieke techniek kosmische geheimen op het spoor te komen. Achter de horizon van het zinvolle, doemt een kosmisch-wijde wereld van vermoedens op. Maar dan zegt de auteur:
“Het begrip, vernederd maar gelouterd, vernietigd, maar verhoogd na zijn tijdelijke onttroning, herneme zijn rechten” (151).

Het komt dus tenslotte toch neer op de verwijding van de horizon der rede. Tenslotte wil de mens niet vermoeden, maar weten en kennen. Dit geldt vooral voor de criticus, die geseculariseerde Uitlegger uit Bunyans Christenreis.
Tussen haakjes: in Bunyans werken zit nog heel wat voer voor literaire alchemisten. Ik weet niet of de geniale ketellapper uit de 17e eeuw al ergens psycho-analytisch uiteengerafeld is. De Freudianen hebben misschien aan hem voorbijgezien. Een mooie gelegenheid nu voor alchemisten van het type Cornets de Groot om zich eens in Bunyan te verdiepen. Wie weet waar het goed voor is.


[Geen titel]

Jan Eijking

Prisma-literatuurvoorlichting, Voorburg, december 1967

Bijna alle stukken zijn proeven van alchemistische uit- en inlegkunde. Zij lijken niet alle even overtuigend, er komt wel eens wat kunst- en vliegwerk aan te pas. De parafrase bij de moeilijk toegankelijke roman De god Denkbaar, Denkbaar de god, waarin Cornets de Groot gebruik maakt van Freudiaanse symbolen, is echter een staaltje van hermeneutiek. Voor de geïnteresseerden in het werk van W.F. Hermans is deze bijdrage wel onmisbaar. Cornets de Groot onderscheidt zich in meerdere opzichten van andere hedendaagse essayisten. In de eerste plaats is zijn benadering van literaire werken levendig en in een wat ongewoon idioom. Maar hij roept verder bij zijn interpretaties alchemie, astrologie en mystiek te hulp en wie met hem wil meedenken raakt wat ontmoedigd door de haast oncontroleerbare, spekulatieve interpretaties. Ook is men wel eens geneigd te veronderstellen, dat Cornets de Groot hetgeen hij “overhoop haalt” niet rustig ordent, beargumenteert, maar er wat slordig overheen praat, hetgeen de mogelijkheden voor velen toch weer beperkt.
Het uitvoerige opstel over de roman De god denkbaar, denkbaar de God van Hermans, de interpretatie van de poëzie van Lucebert (zie ook het eerder verschenen De open ruimte) en het opstel over Mulisch, bieden verhelderende informatie. De essays van Cornets de Groot zijn bijzonder knap, origineel en stimuleren de lezer tot een nauwkeuriger herlezen, maar zij zijn, zonder een inleidend essay over zijn zo talrijke astrologische en andere verwijzingen, toch bepaald moeilijke lektuur.


[Geen titel]

Jan Klein

Idil, december 1967

Onder een vrij zwakzinnig aandoende en in elk geval veel te ver doorgevoerde alchimistisch-magische inkleding past de auteur psychoanalytische ideeën toe op zeven Nederlandse schrijvers, die hij onder het teken van een “planeert” plaatst. Tussen de esoterische onzin door zegt hij gelukkig ook nog belangrijke dingen, o.a. over Gorter en Lucebert. (Loont te weinig de moeite).


Literatuur en alchimie

M. Janssens

Dietsche Warande & Belfort, 2 februari 1968

R.A. Cornets de Groot bundelde in De zevensprong, een uitgave van De Bezige Bij (1967), essays over Jacob van Maerlant, Herman Gorter, Willem Frederik Hermans, Lucebert, Harry Mulisch, Simon Vestdijk en Jan van der Noot. De auteur schreef vroeger een boek over Vestdijk, alchimist bij uitstek, en het wekt geen verwondering dat de zeven opstellen uit De zevensprong bijna allemaal proeven van alchimistische uit- en inlegkunde zijn. Alle middelen die iets, zij het ook een splinterfacetje van het literaire kunstwerk kunnen verhelderen, zijn goed en welkom. 1 Al staat men wel eens perplex bij een of andere verrassende goocheltoer met de alchimistische apparatuur, toch legt de auteur met zijn nonconformistisch alaam 2 onvermoede aspecten bloot, die, hoe perifeer ze op het eerste gezicht mogen voorkomen, aan het behandelde werk plots een bij-komende interesse verlenen. Door de Groots bril bekeken krijgt het werk van de behandelde schrijvers, de brave Maerlant incluis, een revolutionair gehalte, waarvoor men alleszins zonder die non-conformistische hermeneutiek minder oog zou gehad hebben. De Groot zoekt bij elk schrijver de nieuwe lente en het revolterende nieuwe geluid, anders gezegd: de ‘bron van onrust’. Ik vermoed dat zijn eigen boek door de traditionele literaire historici ook kan gelezen worden als een bron van onrust.

Al met al meen ik dat R.A. Cornets de Groot de hermeneutische toverkracht van zijn schutspatroon Hermes Trismegistos overschat. Als er iets niet blijkt te kloppen met de alchimistische spelregels, is De Groot wel verplicht er een hocus-pocus bij te halen en te stellen dat ‘de alchimie op de kop werd gezet’ (zo bij Hermans, blz. 84). Als de opeenvolging der kleuren, waar De Groot naar alchimistisch recept met voorliefde aandacht aan besteedt, (toevallig?) klopt, zoals bij Gorter, hoeft er natuurlijk niets op zijn kop gedraaid te worden en dan sluit de interpretatie zoals de toverbus van Hermes Trismegistos. Een Van der Noot bij voorbeeld moet niet noodzakelijk een praktizerend adept van de alchimistenvader geweest zijn, opdat bepaalde beelden uit de Lofzang van Braband voor een alchimist ‘zo helder als koffiedik’ zouden zijn… Als het niet waar is, is het toch goed gevonden.

Naast de alchimie speelt de mystiek (?) een grote rol in deze opstellen. Er wordt vaak verwezen naar een boek van Herbert Silberer, Probleme der Mystik, dat Vestdijk naar het schijnt van binnen en van buiten kent en waarin de Groot zelf vaak zijn hermeneutische sleutels vindt. Hij slaat er munt uit met terugwerkende kracht, zodat Maerlants alchimie heel precies de opvattingen van Silberer illustreren kan (180). Bovendien maakt de Groot doorlopend gebruik van Freudiaanse symbolen. Dit is wel het duidelijkst bij de parafrase van De God Denkbaar, Denkbaar de God. Dit boek wordt een vlechtwerk van symbolen, zinscheppende associaties, surreële alchimistenbrouwsels, waarvan de Groot de onderbewuste en bewuste samenhang in kaart brengt. Dit opstel over de logica van het Denkbaar-boek is wellicht het meest instructieve van de bundel. Hoe grillig-associatief Hermans’ gedachtenstroom ook weze, De Groot slaagt erin, onder de gekste kronkelingen van het uitwoekerend beeldenspel de rode draad van de oorspronkelijke gedachte bij te houden. Daarmee is natuurlijk niet alles opgelost. Hoe vinnig en zelfverzekerd deze essays ook geschreven zijn, toch laat de auteur gelukkig een en ander over ‘aan de zelfwerkzaamheid van de bescheiden lezer’ (50). Misschien steekt er in de Groots non-conformistische betoogtrant ook een dosis vrijblijvende ironie. Zolang we in de buurt van Vestdijk blijven, ligt deze ironie zelfs voor de hand.

Het opstel dat het minst van al aan Hermes, Silberer, Jung en Freud te danken heeft, is de ‘proeve van Hineininterpretierung’, gewijd aan Luceberts gedicht Hu we wie uit de amsterdamse school. Er komt wel een (m.i. overbodige) confrontatie met de rederijkerij bij te pas, maar het opstel in zijn geheel is naar mijn gevoel nu juist niet een ‘Hineininterpretierung’ zoals de ironische titel suggereert, maar een gezaghebbende lectuur van dit experimenteel gedicht. Zonder alchimie gaat het ook, zie je wel.


Literair gerechtvaardigde wetenschappelijke onschuld

Cornets de Groot, een geniale losbol

Fons Sarneel

Vrij Nederland, 10 februari 1968

Wie gestudeerd heeft in De chaos en de volheid, een boek van R.A. Cornets de Groot over de astrologische aspecten van het werk van Vestdijk, en nog niet helemaal van zijn verbazing is bekomen, doet er goed aan, zich ook in het bezit te stellen van De Zevensprong (Bezige Bij, Amsterdam), waarin opnieuw astrologische, maar vooral alchemistische wonderen uit onze literatuur aan de orde worden gesteld. Het omslag van dit boek draagt op een zilverig fond te midden van een zwarte inhoudsaanduiding een roodgedrukte titel en daarboven een erg wit plaatje, ontleend aan Basilius Valentinus en via Michaël Maier terechtgekomen in Probleme der Mystik van Herbert Silberer. Ook voor mij zijn deze namen zilverig als herfstnevel, en ze zijn dat gebleven, want Cornets de Groot doet geen enkele moeite om ondubbelzinnig te zijn in zijn dokumentatie. Ik heb meer dan duizend gulden moeten neertellen voor een encyclopedie waarin ik me vergeefs heb rotgezocht naar nadere informatie. Zeker is voor mij alleen dat het boek van Silberer bestaat, en dat Vestdijk het van binnen en van buiten kent. De meest controleerbare ontdekking van Cornets de Groot is nu dat dit plaatje, alchemistisch ontcijferd, beschouwd kan worden als de kiemcel van de meest besproken roman die Vestdijk ooit geschreven heeft, en dat is zoals iedereen weet Het Genadeschot.

Het verbijsterende in de werkwijze van Cornets de Groot is daarbij dat het materiaal voor die controle niet te vinden is op p. 211, waar de ontdekking wereldkundig wordt gemaakt, maar in een heel ander hoofdstuk, geheten De Zon van Zen (p. 150-176). Dit verwarrend in reserve houden van verhelderend materiaal is typerend voor de schrijver van De Zevensprong. Hij schrijft in chronologische volgorde schijnbaar zelfstandige essays over Torec, een ridderroman van Maerlant tot en met Het Genadeschot, maar zijn laatste hoofdstuk gaat over Jan van der Noot. En dat blijkt dan weer niet juist te zijn, want in hetzelfde opstel gaat het na verloop van tijd opnieuw over iedereen die al aan de beurt is geweest. En over Van de Woestijne, die er buiten is gevallen. Bij nader inzien is de ordening ook weer niet chrono- maar astrologisch, en dat laatste allesbehalve zorgvuldig onderscheiden van de alchemie, waarin het zwart, het wit en het rood op het omslag ook daarbinnen verontrustend functioneel blijken te zijn. Bij stukjes en beetjes wordt de duiding van die symboliek over de hele breedte van het boek verdeeld, soms door herhaling (terwille van de betrekkelijke zelfstandigheid der essays), soms door uitbreiding, en ook wel eens door tegenspraak. Dat Cornets de Groot ten overvloede volstrekt onverschillig staat tegenover iedere behoefte van zijn lezers aan precieze informatie over zijn bronnen (er is geen enkele voetnoot, sporadisch noemt hij een vindplaats en dan altijd nog hoogst onvolledig), stemt secure geesten, zoals ik er een ben van huis uit, geen klein beetje wantrouwig. Wetenschappelijk gezien is Cornets de Groot een Alcibiades, geniaal, maar een losbol. Hij is een overzadigbare snuffelaar, hij steekt zijn neus in de wind, zijn felle ogen zien de schemering van zwart, wit en rood, en de jachthond is al hijgend weg. Het meest onthullend voor zijn haast is zijn afstuiven op Gorter (Het water van de zon), die helemaal geen prooi is als hij gebeten wordt. Maar ook het opstel over Lucebert heeft noch met astrologie noch met alchemie iets uit te staan. Zijn behandeling van De God Denkbaar Denkbaar de God is in geen enkel opzicht helderder dan het boek, en alleen geslaagd als recapitulatie en een bijdrage tot meerdere overzichtelijkheid.

En toch zou ik niet graag de bewering voor mijn rekening nemen dat het boek mislukt is. Het is een van de meest stimulerende geschriften die ik het laatste jaar in handen heb gehad, doordat het met zijn bizarre schriftuur, die overigens van aanstellerij niet altijd vrij blijft, bevestigt dat vertrouwde literatuur niet zo maar hetzelfde is als bekende literatuur, dat ze zelfs in de beste gevallen iets is waarover het denken telkens opnieuw moet beginnen. De alchemie in Torec is ook voor de neusophalende filologen iets volstrekt nieuws, de astrologie van Vestdijk geeft een heel andere kijk op zijn meesterschap, en dat Harry Mulisch zijn initialen deelt met Hermes Trismegistos is oneindig veel meer dan een coïncidentie. Ik vind daarom de zorgeloosheid van Cornets de Groot vergeeflijk, te meer omdat hij er zich zelf van bewust is. Zijn opstel over Lucebert noemt hij een proeve van Hineininterpretierung, en bij herhaling vermeldt hij geschriften die uiterst belangrijk zijn maar die hij niet gelezen heeft. Die vermeldt hij zelfs bij voorkeur. Het lijkt mij een wetenschappelijke onschuld die literair meer dan ooit gerechtvaardigd is.


Rein Bloem

‘”De God Denkbaar Denkbaar de God” (1956) van Willem Frederik Hermans’, in: Raster 2, Amsterdam, 1977, p. 38.

Ook latere analyses ontkomen niet aan dat fundamentele bezwaar, hoe interessant ze ook zijn. Vooral Freddy de Vree en R.A. Cornets de Groot (respektievelijk in Nieuw Vlaams Tijdschrift, jr. 20, 1967, en in: De zevensprong, 1967) onthullen belangrijke aspekten van het geheel (alchemistische en psycho-analytische procédés), maar het blijven detailanalyses, voorstellen tot interpreteren an onderdelen, hoe funktioneel ook. De werking van deze studies is gering, ze zijn zelf zo ingewikkeld in hun verklaring van het een na het ander, dat er geen leeswijze voor anderen uit af te leiden is. Net als bij Joyce (Ulysses en Finnegans Wake) is gebeurd: spelbederf door kritici die zin voor zin en woord voor woord bouwstenen aandragen en daarmee het proces in een produkt veranderen – zo wordt Hermans onder zijn eigen bewijslast bedolven.


W.F. Hermans

Frans A. Janssen, Scheppend nihilisme, interviews met Willem Frederik Hermans, Amsterdam, 1979, p. 256.

‘[De God Denkbaar] is een van de weinige boeken waar bepaalde mensen echt serieus een interpretatie van hebben pogen te geven. [] Er is bijvoorbeeld een groot essay van Cornets de Groot over dat boek en een van Freddy de Vree, die voor mij, als auteur kun je dat natuurlijk niet precies bekijken, heel interessant zijn. Veel interessantere essays dan er ooit over andere boeken van mij geschreven zijn’.


B. Yans

De God Bedrogen Bedrogen de God, Louvain-la-Neuve, 1992, p. 109, voetnoot 185.

De meeste commentatoren die Hermans met Wittgenstein in verband brengen, besteden vaak weinig – of zelfs helemaal geen – aandacht aan de verschillen tussen beide denkers. Zo suggereert Cornets de Groot (op. cit.) enerzijds dat de kringloop van de materie de hoofdgedachte van De God Denkbaar Denkbaar de God is (p. 69) anderzijds dat deze roman op Wittgensteiniaanse denkbeelden steunt en de lezer niets anders wil mededelen “dan dat het enig ware alleen maar de logische struktuur van het heelal kan zijn (…)” (p. 82). Bij Wittgenstein heeft het idee dat de wereld een logische struktuur heeft echter VOLSTREKT NIET te maken met de KRINGLOOP der materie. Dat de wereld een logische struktuur heeft, betekent eenvoudig dat de wereld in feiten uiteenvalt (T.1.2) en dat deze niet te transcenderen zijn. In De God Denkbaar Denkbaar de God daarentegen raken het idee dat de wereld een logische struktuur heeft en het idee dat de kringloop der materie de enige realiteit is, a.h.w. in elkaar verstrengeld.
 





NOTEN
  1. In Cornets de Groots exemplaar van deze bespreking is de laatste zin omcirkeld en van een uitroepteken voorzien. ↩
  2. ‘Alaam’ is omcirkeld en verbonden met de in de vorige noot bedoelde zin. Elders op de pagina staat in handschrift: ‘gereedschap, werktuig, ook collectief (Van Dale)’. ↩

Tekening »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>