Start » De open ruimte (’67) » Een wilde jacht (S. Vestdijk)

Een wilde jacht (S. Vestdijk)

 

Bron: R.A. Cornets de Groot, De open ruimte, Bert Bakker/Daamen NV, Den Haag, 1967, p. 61-72.
Over: S. Vestdijk.
Gecorrigeerde herdruk van ‘Gelijk de wilde jacht’, Maatstaf, 12e jrg., nr. 2 (mei 1964), p. 144-154.

[p. 60]

S. Vestdijk

[p. 61]

Aldus zou men alle kunst moeten meten naar het optreden van een modern drietal: ridder, dood en duivel…
A. Donker

Wie in een of ander literair werk de wilde jager op het spoor wil komen, doet er misschien verstandig aan zich voorlopig te beperken tot werk dat onder hoogspanning is geschreven. Met betrekking tot een zo moeilijk grijpbare auteur als Simon Vestdijk heeft men waarschijnlijk het meeste geluk, wanneer men zich bezighoudt met het werk dat hij in oorlogstijd geschreven heeft. Want al schreef hij geen ‘echte’ verzetsliteratuur in die tijd, de ridder, de duivel en de dood zijn bij hem natuurlijk toch in alle hevigheid aktief gedurende die jaren.
Toen ik voor de aardigheid eens naging welk verhalend proza van Vestdijk tussen ’41 en ’46 werd gepubliseerd, en wat hij uit die jaren tot na de oorlog bewaarde, kwam ik niet verder dan tot een vertaling van Poe: Fantastische vertellingen (1941), Aktaion onder de sterren, na publikasie in Groot-Nederland in ’41 nog afzonderlijk verschenen, en C. Doyle: Avonturen van Sherlock Holmes (1946), weer een vertaling dus. Van mei tot juni 1944 werkte hij aan Ivoren wachters (1951), een roman die niet alleen om de erin voorkomende namen van Poe en Doyle aan een boeiende detective denken doet, – en van juli tot december 1944 aan De vuuraanbidders (1947). Het ‘verzet’, wanneer men daarvan spreken wil, is diep verborgen, en blijkt bij voorbeeld uit de opdracht van Aktaion aan de nagedachtenis van Menno ter Braak. Maar ook uit de mededeling dat een van de personen uit Ivoren wachters, de leraar nederlands, voor de

[p. 62]

Grootnederlandgedachte geporteerd is, spreekt Vestdijks afkeer van het nazidom. Want die man is een van de onsimpatiekste figuren uit de roman. Jammer alleen, dat hij te klein is voor een duivel: dat maakt onze jacht bepaald niet eenvoudiger… Nee, wie zo ondoordacht de duivel op de hielen zit, als ik in het bovenstaande, kan maar beter meteen ophouden: de jacht moet op een andere manier worden georganiseerd…

Bij voorbeeld: we zoeken de detectives bij elkaar: Poe, Doyle en Ivoren wachters. Dan houden we aan verhalend proza Aktaion en De vuuraanbidders over en dat zijn in ieder geval twee historiese romans, en die hebben in ieder geval met elkaar het tema van de strijd om het ware geloof gemeen. Dat is het, – zo vinden we, nog voor we de boeken lezen gaan (hadden we de boeken gelezen, we zouden deze splitsing niet hebben durven voorstellen), de ridderfiguur in beide genres alvast wat nader omschreven. Als wreker van onrecht immers enerzijds, als detective dus, en aan de andere kant als kruisridder, prediker, profeet, verdediger des geloofs. Wat zou het mooi zijn, konden we deze splijting van de ridder in tweeën op rekening van de oorlog zetten. De oorlog heeft immers wel meer en erger op zijn geweten, en wat ligt het ook voor de hand de oorlog aansprakelijk te stellen voor simplifikasies en eenzijdigheden van Vestdijk!
Maar kijken we zover als onze neus lang is, dan zijn andere verklaringen mogelijk. Kort voor de oorlog, in 1938, verscheen nl. een boekje van E. du Perron, Het sprookje van de misdaad (dialogen over het detective-verhaal), en veeleer staat dit aan het begin van de vertakking die wij in Vestdijks oorlogsproduksie zagen. In Marionettenspel met de dood (1957) bevestigt hij

[p. 63]

trouwens dat het dit boek van Du Perron is, dat hem er toe bracht zich serieus met het detective-verhaal bezig te houden. Men weet dat Vestdijk het zo grondig deed, dat hij tot een van de knapste kenners van het genre werd, al had de detective als literaire vorm dan niet bepaald zijn hart. De splitsing ‘detective-profeet’ die kort na de oorlog weer verdwenen schijnt, heeft misschien eerder met belangstelling voor speurneuzen te maken dan met de komst van de vrede, die simplifikasies overbodig maakte en subtiliteiten als Mnemosyne in de bergen zo nodig als brood… Met betrekking tot het detective-verhaal bleef het bij Vestdijk in ieder geval beperkt tot Poe en Doyle, voor zover het vertalingen, en tot Ivoren wachters voor zover het oorspronkelijk werk betrof. Van dit laatste boek moeten we trouwens nog zeggen, dat het niet eens een ‘ortodokse’ detective is. Er wordt niets, niemand gewroken, en niemand, niets wordt ontmaskerd. Hij, die verdient ten onder te gaan, gaat ten onder, eigenlijk zonder het zelf te weten – bemedelijd door zijn leerlingen, schamper bejegend door zijn kollega’s en door zijn verloofde aan eigen lot overgelaten. Het enige detective-element in dit boek is de raadselachtige misdaad door iemand begaan, die zich aan de opmerkzaamheid van zijn omgeving onttrekt, terwijl hij (en dit gaat wel helemaal tegen de draad van het genre in) zich blijvend schuil weet te houden onder de onschuldigen. We kunnen, als we ons bepalen tot Vestdijks oorspronkelijk werk en daartoe afzien van Poe en Doyle, Ivoren wachters niet eens een plaats geven in het bouwwerk van zijn kunst. Het is, en dat laat zich van Aktaion en De vuuraanbidders ten minste niet zeggen – een vreemd geval in zijn oeuvre, een boek dat met geen enkel ander in verbinding staat. Aktaion en De vuuraanbidders, onderling reeds door hun tema

[p. 64]

verbonden, sluiten om dat tema bovendien nog mooi aan op De nadagen van Pilatus (1938) en vormen binnen de reeks van historiese romans, deze fundamentele laag in Vestdijks werk, ook op zichzelf een aaneengesloten geheel. Ik merk ten overvloede nog op, dat de plaatsing van Aktaion en De vuuraanbidders in een reeks, die al in 1938 begonnen was, de hipotese van de door de oorlog bevorderde vertakking onmogelijk maakt. Als er een vertakking is, dan begon die niet in ’40, maar, met het boek van E. du Perron op de achtergrond, in 1938… Ons schema deugt dus niet, we zijn uitgepraat en uit ons geschrijf nemen we een précaire winst mee, het betwistbare inzicht, dat Ivoren wachters, formeel altans terzijde staat van Vestdijks overige werk. Het is een architektonische vergissing…

Ik moet nu toegeven, dat het door mij ontworpen beeld het ziekelijke resultaat is van een eenzijdige, nee, verwrongen, misschien wel paranoïde visie. Tot nog toe immers las ik de boeken waar ik het over heb, nog niet. Daarom kan ik me best voorstellen dat een oppervlakkig-snobberige beschouwing over deze stof luidt, zoals ze luidt in het bovenstaande. Maar we moeten verder, en na 1961, na het jaar van De filosoof en de sluipmoordenaar kunnen we verder. Dit is een historiese roman, we kunnen dit boek niet wegdenken uit de reeks van Vestdijks historiese romans. Maar dit boek is bovendien een speurdersroman en als zodanig sluit het prachtig aan bij Ivoren wachters. Net als in dat boek gaat het in De filosoof om een misdaad door iemand die zich voor het oog van de wereld verborgen weet te houden, en die nu zelfs door de schrijver niet meer wordt aangewezen, zoals dat in Ivoren wachters nog gebeurt.

[p. 65]

Zulke overpeinzingen, waarbij we de ridder, de dood en de duivel bijna vergeten, terwijl we de laatste toch op zijn staart trappen, laten de vraag toe, of Ivoren wachters na de verschijning van De filosoof geen eigen plaats gekregen heeft in Vestdijks oeuvre. Want toen Vestdijk in De filosoof de trant van de detective naastte en uitbuitte, toen hij er een geheel eigen en nieuwe zin aan wist te verlenen, herhaalde hij toch zeker een streven dat hij al eerder in Ivoren wachters met sukses bekroond had gezien.
Er is dus sprake van een nieuwe reeks in zijn werk, met Ivoren wachters aan het begin ervan. Dan zou het ook mooi zijn, wanneer aan te tonen was, dat in dit eerste boek de ridder en de profeet aanwezig zijn, zoals ze aanwezig zijn in De filosoof. Als dat zo is, dan zien we meteen, dat de splitsing van de ridder in detective en profeet die we voor de jaren ’40-’45 zagen, schijn is, maya, en dat de vertakkingsteorie nu wel definitief ten grave mag worden gedragen. Bij Vestdijk zijn ridder en profeet geen afzonderlijke figuren en hun onderlinge strijd speelt zich niet af in de ruimte, maar in het innerlijk zelf van zijn mensen.

Vestdijk kortte als gijzelaar in Sint-Michielsgestel de tijd door voorlezing van de later in zijn De glanzende kiemcel verzamelde lezingen. Het belang van dit boek voor enig begrip van zijn en de poëzie is duidelijk. Eveneens als gijzelaar schreef Vestdijk een groot esseej, De toekomst der religie, waarvan men het belang voor zijn proza misschien wel voelt, maar voorzover ik weet, nog niet heeft gedemonstreerd. Vestdijk schreef het boek in 1943, na Aktaion, en vóor Ivoren wachters. Maar niet alleen simbolies verbindt het de profeet met de ridder: het hele boek gaat over die figuren. Het werk staat daarom sentraai in Vestdijks oeuvre. Wie

[p. 66]

het boek las op de juiste manier, als lezer dus en niet als teoloog, heeft dat natuurlijk ook begrepen.

Een ‘definisie’ van de ridder die ik aan S. Runciman dank, spreekt van de christengermaan in wie moordlust en een wakker geweten slaags zijn met elkaar. De onvoltooibaarheid van de Staat Gods heeft echter wel meer christengermanen die naar hun stand geen ridder waren, innerlijk verscheurd. Schuld, en zelfs schuld door gebrek aan schuld, bracht ze als makke lammeren voor de troon Gods. Men kon niet schuldig genoeg zijn – sommige antikolonialen weten het nog. Men maakte zich schuldig aan het schuldgevoel om het schuldgevoel dat eigenlijk ontbrak, en dat toch noodzakelijk er zijn moest om oprecht schuldig te kunnen zijn. Men maakte zich dus schuldig. Geen misdaad, maar ook: geen komedie is daarvoor te gering…

Wie is Siquier uit De filosoof en de sluipmoordenaar?
Op een avond, als hij door een van zijn ijlkoortsen wordt overvallen, rukt hij een van de ramen van zijn hotelkamer open en schreeuwt half bewusteloos de nacht in, dat hij van zijn koning, Karel XII, de moordenaar is. De ex-kolonel – of is hij misschien adjudant-generaal geweest? – heeft meer eigenaardigheden. Opmerkelijk is het bij voorbeeld, dat hij zich de koning in wiens nabijheid hij zich toch lange tijd bevond, niet aanschouwelijk weet voor te stellen. Dingen, gebeurtenissen, die hij meegemaakt heeft en heeft gekend, zijn spoorloos uit zijn geheugen verdwenen, – hij is eideties zeker niet gezegend, deze Siquier, van wie het voor de lezer een vraag is, of hij een moordenaar is of alleen maar een komediant.

[p. 67]

Een figuur uit Ivoren wachters die met Siquier verschillende trekken gemeen heeft, is Selhorst, de gepensionneerde brandweerwachter en de oom van Philip Corvage, de hoofdpersoon van het boek. Ook Selhorsts geheugen vertoont gebreken. Om het enige steun te geven schrijft hij de door zijn hulp bedwongen branden op, maar van zelfs de grootste branden weet hij geen détails meer te vertellen. Pijnlijker is, dat hij zich dingen herinnert die nooit zijn voorgekomen: Philip loopt straf op, omdat Selhorst zich verbeeldt, dat de jongen een hem opgedragen boodschap nooit heeft uitgevoerd…
Heel merkwaardig van Selhorst is zijn meer dan gewone liefde voor zijn direkte familieleden: zijn zusters dus, of liever, zuster, want de tweede, die de moeder is van Philip, een jongen uit het verderfelijke geslacht der Corvages, is overleden…
Alles draait om de Selhorsten en de vergeten branden bij de oude man, iets anders interesseert hem niet.
In zijn gevoelens voor de familie kan de arme Siquier zich met Selhorst niet meten, helaas, omdat hij tragies genoeg geen eigen familie heeft. Maar wat doet hij een onhandige moeite om zelf een gezin te stichten met de hertogin van Oxenstierna, die hij stijfjes het hof maakt, en hoe roerend zijn zijn pogingen om althans in haar familie te worden geaksepteerd, al weet hij hoe moeilijk dat zal gaan, zolang hem de smet aankleeft een koningsmoorder te zijn. Zoals Siquier een man is, verscheurd door zijn behoefte aan schuld en door zijn roep om eerherstel, zo is Selhorst verscheurd door zijn liefde voor een Corvage: een liefde die in haat kan omslaan en omgekeerd. Er is geen twijfel mogelijk: Siquier zowel als Selhorst behoren tot het ‘metafisies projekterende tipe’, dat Vestdijk in zijn De toekomst der religie zo boeiend beschreef.

[p. 68]

Maar laat ons eens zien of ook het sosiale en het misties-introspektieve tipe uit Vestdijks tipologie terug te vinden zijn in zijn twee romans.
Volgens Vestdijk zijn beide tipen in eideties opzicht in hoge mate begenadigd. Het sosiale tipe bij voorbeeld heeft een haarscherp beeldgeheugen; het misties-introspektieve tipe daarentegen voegt aan het beeld dat voor zijn geestesoog oprijst iets eigens, iets van zichzelf toe. De schilder Désiré Holm (in De filosoof en de sluipmoordenaar), een Zweed die in Parijs woont en die uitsluitend kopieert, maar dan uit het hoofd, behoort tot het uitgesproken sosiale tipe, evenals Philip Corvage (in Ivoren wachters) die, ook al uit het hoofd: in gesiteerde verzen namelijk, en dus duidelijk naar een voorbeeld, portretten geeft van zichzelf en van de mensen met wie hij te maken heeft. Dit tipe is pas in gezelschap op zijn best: daarom verdragen ze alles of zogoed als alles van hun omgeving. Halm is daarom een idealist: een volgeling van Swedenborg: zijn zachtmoedigheid is zonder weerga. Ook Corvage houdt niet van ruzie. De ruzie die hij ten slotte maakt en die zo’n onverwachte draai geeft aan het verhaal, is hem door anderen ingegeven, helaas. . . Ik vraag aandacht voor de behoefte van Holm en Corvage aan voorbeelden: een niet te bevredigen behoefte bijna. Bijna – want éen voorbeeld dringt zich ten slotte zó aan hen op, dat zij er zich mee gaan vereenzelvigen, dat zij er onlosmakelijk éen mee zullen worden. Bij Holm is Swedenborg dat voorbeeld, maar bij Corvage openbaart het voorbeeld zich pas na de ruzie, met het voor Selhorst zo noodlottige gevolg. Hij ziet, terwijl hij die ruzie op straat overdenkt, zichzelf plotseling in een perspektief die een mitiese realiteit refIekteert. Hij ziet Orestes, zijn voorbeeld, de belichaming van zijn niet meer te herstellen

[p. 69]

mislukking. Want de kans dat hij zichzelf en zijn vader tegenover zijn oom nog rechtvaardigen kon, was nu voorgoed verkeken. Mentaal is hij allang gebroken, Philip, hoe fit hij zich nog voelt, en zijn dood is welbeschouwd een onverwachte genade…

De mite-refIekterende perspektief van de terugblik kent het misties-introspektieve tipe ook. Maar die doorziet de uitdaging van het mitiese voorbeeld, die van zijn adept immers de overwinning op zichzelf eist. De adept begrijpt, terwijl hij zich een voorbeeld kiest, dat hij ten slotte zelf verantwoordelijk is voor eigen doen en laten: hij heeft op niemand verhaal. Daarom vlucht Voltaire niet, als Siquier hem tot een duel uitdaagt. Daarom verzint Lida Feltkamp (Ivoren wachters) geen smoesjes om een einde te maken aan haar verloving met Corvages leraar nederlands. Voltaire vindt zijn mitiese double in Karel XII, op wie hij, naar Siquiers mening, uiterlijk gelijkt. Lida vindt in de Egiptiese koningin Nefertiti haar historiese parallel. Maar beiden voelen achter de herhaling der geschiedenis ‘de zin van de persoonlijke verantwoordelijkheid voor alles wat er gebeurde’ (De filosoof en de sluipmoordenaar). Die zin openbaarde zich voor Lida tijdens het schrijven van de brief die een einde maakte aan haar verloving. Toen ontsloot zij door introspeksie haar ‘hoger zelf’ (Vestdijk gebruikt deze term van Jung in zijn De toekomst der religie) voor zich. Zo werd ook Voltaires hoger zelf toeschietelijk toen hij, in afwachting van Siquiers getuigen in de spiegel zijn gelijkenis met de Zweedse koning van zich wegkeek. Zij begrepen hoe wankel hun waardigheid was, wanneer die stoelen moest op voorbeelden ter imitasie, op prestasies door slimme nabootsing van wat vroeger reeds tot stand was gebracht. Zij

[p. 70]

waren bereid het zonder, en indien vereist, het tégen het voorbeeld te doen. Zij hieven het voorbeeld, hún voorbeeld, door moedige zelfherkenning op, naar een nivo waar Nefertiti en Karel XII als richtingwijzers overbodig waren. Dat is het moderne bij Vestdijk, het inzicht dat geschiedenis niets anders is als ‘Sinngebung des Sinnlosen’ (Lessing), het inzicht van Jaspers ook: ‘An nichts Historischem können wir uns messen…’

De duivel, om wie wij al deze inkt hebben vermorst, wordt door het misties-introspektieve tipe ten tonele gevoerd. Het is het tipe waar, getuige de romans, Vestdijks hart naar uitgaat. Want het misties-introspektieve tipe is het werkelijk gezegende. Die lukt het immers de keizer te geven wat des keizers, en Gode was Godes is. Daarom kan hij ook de duivel tevreden stellen, makkelijker dan enig ander tipe dat kan. Juist omdat hij de lieve vrede niet boven zich stelt en, omdat hij wanneer het moet, de tien geboden eenvoudig opzij schuift om zich aan gewone naastenliefde schuldig te maken met alle risiko’s daaraan verbonden, laat hij zich even vlot door het goede als door het kwade verleiden. Het is voor zijn karakter karakteristiek, dat hij aan geen van beiden absolute weerstand biedt. Hij is volkomen bereid een eind met de boze op te lopen naar een plaats van nieuw evenwicht, vanwaar hij zijn ondeugd in de gaten kan houden. Zo hij in God en duivel geloven zou, had in zijn katechismus kunnen staan, dat wij op aarde zijn om onze heer met Lucifer te verzoenen. Hoe zal hier vrede zijn, zolang daar tweedracht heerst? De bochelaar uit Vestdijks Het veer (uit: De dood betrapt) heeft misschien hetzelfde gedacht, en wat ik nog veel meer misschien vind, naar die regel gehandeld. Een pestepidemie, een oorlog als die van de jaren ’40-’45, die brengen

[p. 71]

ons pas tot denken. Een katastrofe, die mobiliseert pas een ridderlijke moordzucht in de een, een Christelijk geweten in de ander, maar ook – bij de bochelaar – een streven om het verstoorde evenwicht te hervinden, door zich onder de mensen te begeven, in de onmiddellijke nabijheid van het absolute (de pest) om zijn ‘zelf’ te kunnen bewaren.
Onder de mensen: als bij het sosiale tipe.
In de nabijheid van het absolute: als bij het metafisiese tipe.
Terwille van het zelf: als bij het misties-introspektieve tipe – wat is dat anders dan een in ekstraverte schijn beleden vereniging met het metafisiese, een vereniging, die als vlag de misties-introspektieve lading dekt van deze voorzichtige adept van de Dood?
De novelle Het veer is eksemplaries voor de wijze waarop Vestdijk de oorlogsjaren doorkwam. Ver voor de oorlog wist de visionnaire Vestdijk hóe het misties-introspektieve tipe handelen zou, wanneer de omstandigheden zich tegen hem zouden keren. Het veer is voor Vestdijk ongeveer wat het uithangbord voor de student uit Mnemosyne in de bergen is, en de bochelaar is een beeld van Vestdijks hogere zelf. Maar er zijn zaken van meer belang voor het moment. Is bij voorbeeld uit het feit, dat Vestdijk zijn tipologie tot aan ’43 voor zich hield, op te maken, dat hij zijn De toekomst der religie alleen onder druk van de oorlog aan de openbaarheid prijsgaf? Hij schreef in diezelfde tijd zijn Aktaion en zijn Ivoren wachters. Toen de omstandigheden benarder werden, werd het nodig profeet en speurder wel van elkaar te onderscheiden. Net op tijd dus kreeg Vestdijk van Du Perron het detective-verhaal door. Tussen de dreiging van de uiterste seconde en het tegenwicht daarop, het plezier in de speurneus van Poe en

[p. 72]

Doyle, schiep hij zich zijn wankele middenweg, en maakte hij zich een genre eigen dat hij op de hem eigen wijze een eigen gestalte gaf. Maar wat is de zin van die gestalte? Want ik ben er niet helemaal tevreden mee alleen maar te vertellen, dat Vestdijk dit ene element – een misdadiger die aan de speurzin van de detective ontsnapt – in het genre heeft ingevoerd. Wie zoiets vertelt moet ook zeggen wat er de funksie van is. Welnu, Vestdijks mensen blijven met het raadsel modderen, – niet zijn lezer in principe. Want die lezer is de detective, die in het boek zo noodlottig wordt gemist… De lezer, samenzwerend met de schrijver, weet precies wie de moordenaars zijn van Philip Corvage en zijn oom. Misschien, als hij genoeg heeft opgestoken van Vestdijks tipologie, vindt hij ook nog uit De filosoof en de sluipmoordenaar de schuldige. Misschien begrijpt hij dat de metafisies-projekterende Siquier zijn koning wel vergoddelijken moest, en dat hij daarom nooit in staat zou zijn de moord te plegen, waar hij zichzelf in onberaden momenten van beschuldigt. Dan heeft die lezer ook begrepen, dat de sosiale, eideties-geïntegreerde Holm naar een natuurlijk-volmaakte mensheid zou streven. Die lezer begreep dat dit streven Holm er wel toe dwingen moest een onruststoker als Karel XII naar de duivel en zijn moer te wensen, zoals hij begreep, bij het omslaan van blz. 157 van dit boek, wie de koningsmoord had gepleegd, of gepleegd zou kunnen hebben, en waarom Holm geen handen schildert, maar ze, schuldig of niet, naar het onbewuste verdringt…

Het daghet (Simon Vinkenoog) »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>