Start » De open ruimte (’67) » Het nieuwe Thebe (Gerrit Achterberg)

Het nieuwe Thebe (Gerrit Achterberg)

 

Bron: R.A. Cornets de Groot, De open ruimte, Bert Bakker/Daamen NV, Den Haag, 1967, p. 31-43.
Over G. Achterberg, ‘Thebe’, in: G. Achterberg, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1984 (8e dr.), p. 257-298.
Gecorrigeerde herdruk; eerder in: Kentering, 7e jrg., nr. 3 (feb 1966) p. 43-48.

[p. 30]

Gerrit Achterberg

[p. 31]

Omdat het buiten eerlijk regent
heeft gisteren geen zin gehad.
G. Achterberg

In 1941 gaf Achterberg bij Stols zijn bundel Thebe uit, die na de trilogie Afvaart, Eiland der ziel en Dead end op de met Osmose ingeslagen nieuwe weg voortgaat. Osmose lijkt een bedrieglijk ‘eksakte’ naam voor deze bundel, want in tegenstelling tot Limiet bijvoorbeeld of Stof staat er maar een gedicht in Osmose, zelf Osmose geheten, dat in de titel dat ‘eksakte’ draagt. Voor het overige zijn de namen der gedichten uit Osmose vaak op het romantiese af: de verdronkenen, Columbus, de vliegende Hollander
De periode van de op de eksakte wetenschappen gedijende cryptogammen wordt met Osmose zeker niet geopend, zoals men misschien verwachten zou, – ze wordt hoogstens door Osmose aangekondigd. Na Osmose verscheen dan ook niet Limiet, maar Thebe en Thebe is allesbehalve ‘eksakt’, ‘natuurwetenschappelijk’: Thebe suggereert met zijn naam archeologie, geschiedenis van de oudheid, mitologie, geesteswetenschappen.
De hang van Achterberg naar het grijs verleden is misschien niet moeilijk te verklaren: in ieder geval bevond hij zich in dat opzicht in het goede gezelschap van Roland Holst en Marsman, terwijl ook andere schrijvers wisten dat tussen Aktaion en een voetreis naar Rome de eeuw van Perikles te vinden moest zijn. De liefde van Achterberg voor het oeroude was niet als de liefde van de vakman-archeoloog: belangeloos. Bij Achterberg was die liefde gebonden op precies dezelfde manier als de liefde van Schliemann voor Troje. Niet Troje, niet Thebe is de eigenlijke zin van hun

[p. 32]

opdelvingen, maar de eigen en onvervreemdbare droom, dit moeilijk te doorgronden kompleks van een verbeeld heden, een herleefd verleden en een bezielde, zolang in de toekomst schuilende tijdloosheid, waarbij te bedenken valt dat de beide laatste verbeeldingen soms al voor- of achteruit gedacht konden worden als een in het heden plaatsgrijpend feit. Maar de mogelijkheden die deze konstruksie Achterberg bood om nu eens van het heden of verleden, dan weer van de tijdloosheid uit zijn situasie te peilen, maken het hem onmogelijk zich ooit aan een van die drie sferen te onttrekken. Hij is door zijn droom aan het verleden gebonden, anderzijds is het verleden, nee de hele tijd, door het simpele feit van de onderlinge verwisselbaarheid van zijn samenstellende delen gebonden aan hem. Hij is als het ware zijn eigen tijd en tijdloosheid en zijn verleden is altijd in het heden en in de in het vooruitzicht gestelde eeuwigheid present, zoals die toekomst ook begrepen is in de tot heden verleden tijd.
Het samenkomen van verleden en eeuwigheid in een bepaald moment – in het gedicht namelijk – plaatst ons voor zekere moeilijkheden. Het verplicht ons ertoe zo’n gedicht op te vatten als een vorm die verleden, heden en toekomst in zich besloten houdt, – tot een beschouwingswijze dus, die ons dwingt de kontinuïteit tot druppeltjes van drie-eenheden te atomiseren, en die ons verleidt tot een gedetailleerd onderzoek, waarbij de kans – hoewel gering, waar ieder gedicht in kort bestek de grote orde tot uitdrukking brengt – de grote lijn uit het oog te verliezen, lang niet denkbeeldig is. Maar laten we het eksperiment eens wagen, want welk risiko lopen we welbeschouwd? Dit zijn maar letters op papier, misschien niet eens houtvrij…
Laten we dus een periodisering van Achterbergs dichterleven

[p. 33]

voorstellen, waarbij ieder gedicht als een ‘periode’ in dit leven kan worden beschouwd, als een ‘periode’ die zijn eigen mérites heeft, en die dus op zichzelf kan worden beoordeeld, zonder dat het noodzakelijk is, het verband van die periode met tijden daarvoor en daarna sistematies te loochenen. Het nut van zo’n periodisering blijkt meteen al uit een zin als: ‘Met dit gedicht vervalt het vorige. / Ik blijf mijn eigen onderhorige. / ‘. . . en uit het verband dat gelegd kan worden tussen die regel en de feitelijk daarmee strijdende slotstrofe uit Pharao: ‘maar leg als laatste wat gij doet / al mijn gedichten aan mijn voet; / Krachten waarmee ik opstaan moet. /’
Achterberg wil met zijn zichzelf gestelde eis voort te schrijden in de tijd tot die voltooid zal zijn en als geheel aan zijn voeten kan worden gelegd, een toestand van volmaaktheid bereiken, die eens, in den beginne, was, en die weer te vinden is, in het eind. Zijn offeren van tijd na tijd is, aangezien hij zelf die tijd is, niets anders dan een zelfoffer, en pas als de onderhorige zichzelf heeft uitgeput, is er een kans dat hij als Pharao herrijzen zal…
De mens, zegt men, heeft een vrije wil, en door die wil wordt de keuze bepaald. Men kan zich afvragen in hoeverre het juist is, die keuze zo los te maken van de totale mens. Een mens met een vrije wil kiest nu eenmaal alles en daarom kiest een mens, ook onder de meest benarde omstandigheden, niet. In het ergste geval kiezen de omstandigheden voor hem… Daarom gebeurt het wel, dat zelfs vermaarde niet-kiezers onvoorzien voor een splitsing van de weg komen te staan en de ene weg worden opgedreven om zich die tot werkelijkheid te maken, terwijl de andere in hun herinnering blijft als een gemiste mogelijkheid. Heeft het slachtoffer eenmaal ‘gekozen’, dan

[p. 34]

bestaat er een kans, dat hij later zijn ‘vrije’ keus betreurt, en erger: dat hij voor zichzelf nagaat, wat het alternatief had kunnen zijn. Dan wordt er gewerkt aan een verleden, dat zich nooit voltrokken heeft, maar dat zo begerenswaardig is, dat dit verleden van die wegsplitsing af er van harte voor wordt opgegeven, vergeten, verzwegen… Meer en meer wordt het imaginaire verleden tot persoonlijk eigendom, en allengs neemt het de plaats in van het werkelijke verleden. Zo’n kiezer offert zijn verleden op: hij verdwijnt daaruit en denkt zich in dat andere niet-bestaande verleden in: hij leeft het leven van een ander, misschien wel beter, sterker ik…
Komt iemand bij zo’n tweesprong aan, waar de omstandigheden zijn wil uitschakelen en hem dwingen tot een van beide wegen, dan is men gerechtigd te spreken van ‘het noodlot’. Men kiest een weg: men had net zo goed de andere kunnen gaan. Soms lopen de wegen ver uiteen, maar het kan gebeuren dat ze elkaar eens, vaker, weer kruisen. Ook dan moet men kiezen: welke weg zal ik realiseren? Welke weg zal ik voegen bij het verleden der onbenutte kansen? Het is duidelijk, dat alle toekomstige wegkruisingen voor ons door het noodlot uitgezet zijn. Men kan die knooppunten niet ontlopen, welke weg men ook kiest. Soms is het een begenadigd dichter gegeven die samenkomst van wegen, nu nog in de toekomst verborgen, te ‘zien’. En als hij ooit een fatale keuze heeft gedaan, dan kan het zijn, dat hij, aanknopend bij het punt waar die keus werd gedaan, en met het volgend kruispunt reeds voor ogen, in de geest zijn verleden van gemiste kansen toch realiseert. Daarmee offert hij zijn recht op uur en feit op en maakt hij zijn oorspronkelijke keus ongedaan.
Tenminste twee maal in zijn leven heeft Achterberg zo’n knooppunt van wegen ‘gezien’, voor het eerst in Afvaart, in

[p. 35]

Achter het einde

De wind en haar kleren lagen nog saam
maar het was al over;
ergens tegen de sterren aan
sloeg het raadsel uiteen, maar wie gelooft er
dat het hiermee eindigt, wat zo begon
dat het de elementen verzamelen kon
in énen greep, binnen één bloed?
Wat zo begon
dat ik het zelf niet geloven kon,
dat ik niet wist waarom het begon
dan dat het niet anders eindigen kon
dan in de eeuwigheid.

Zo sloeg het raadsel van een ‘periode’ – een adolescent werd volwassen – tegen de sterren uiteen. Maar het raadsel van een periode slaat altijd tegen de sterren uiteen. Zonsverduisteringen sloten bij de dood van Christus en van Julius Caesar een tijdperk af. Een aan één persoon gebonden tijd stortte ineen, nog voor die tijd zijn waarde in klinkende munt had omgezet. Het oude ging voorbij, nog voor het nieuwe zich anders dan in een droom vermoeden liet, en wat er aan onschuld achter het einde lag, moest men maar afwachten…
Toen de voorspelling, in dit gedicht tot vorm geworden, verwezenlijkt was, begon voor Achterberg het imaginaire verleden, waarin jaartallen en feiten, dat wat de succesrijken met zoveel ophef ‘ervaring’ noemen in plaats van verstarring, geen enkele reden van bestaan meer hebben. In dit niet-bestaand verleden

[p. 36]

gelden jaartallen niet: het na elkaar is hier een door-elkaar (zie bij voorbeeld: ‘Reiziger ‘doet’ Golgotha’), en feiten worden hier tegen sterren ingewisseld: misschien werd er niemand het slachtoffer van blind geweld, maar misschien werd een betreurde dode tot ster verheven. Uur en feit verliezen alle zin, wanneer men de tijd als aanschouwingsvorm eenvoudig negeert, wanneer men de daad tegen de buitenwereld in zich terugneemt. En omdat het na elkaar tot een door elkaar werd, werd ook het verst afgelegene in de geschiedenis, Thebe, nabij. Door de eenheid van verleden, heden en toekomst, ging het voor Achterberg gelden dat niet alleen ‘Geschichte’, maar al wat daar achteraan komt, ‘Sinngebung des Sinnlosen’ is. De eenheid van u, ik en dood laat trouwens moeilijk een ander denkbeeld toe en de lezer heeft niet voor niets het gevoel, dat Achterberg in een ruimte leeft, die leeggelopen is, en die hij voortdurend met zichzelf vult. Wanneer hij niet doorlopend bezig zou zijn de stof te richten naar zijn zin, zou de harmonie breken en de kosmos tot akosmos vervallen.

De vereenzelviging van de dode met de ster is in Europa een idee, die minstens teruggaat tot in de dagen van Plato, die zijn opvatting met betrekking tot de onsterfelijkheid samenvatte in de simetrie van aarde en hemel: zoveel zielen, zoveel sterren.

In Thebe staat in Opstanding:

Sneeuw, in de nacht gekomen, heeft vanmorgen
de kracht om doden op te wekken.
De balken donker die u droegen,
veranderen in nevelvlekken.

[p. 37]

Maar wat heeft Thebe met sterrenmistiek te maken?
Thebe is, zoals men weet, een Egyptiese stad van waaruit de heersers uit de elfde dinastie (2133-1992) het land regeerden. Vlak bij Thebe bevindt zich een vermaarde nekropolis: honderden graven van de voornaamsten des lands. Wel een argument dus om de stad het predikaat heilig toe te kennen. De opvolgers van de Mentoehoteps draalden dan ook niet het ‘dalfeest’ in te stellen, waarbij men van Karnak in prosessie naar Thebe trok, verschillende dodentempels langs, terwijl men de beelden van gestorven vorsten met zich meedroeg. Misschien is het dit Thebe dat ons voor schemert in het titelgedicht: ‘Hoe brachten zij die u begroeven / zover een ding?’ /. Dit Thebe heeft de vorm van een labirint, waaruit te ontsnappen de dode onmogelijk is. Maar het is de levende niet mogelijk, erin door te dringen. Thebe, volgens de Egyptenaren de poort van de dodenwereld, verschaft Achterberg geen toegang, nee, Thebe verspert hem de weg. In Thebe, het titelgedicht, erkent Achterberg dat het morgenlicht hem dwingt tot een ijlingse vlucht uit zijn imaginair verleden naar de dagelijkse realiteit. Blijkbaar is het morgenlicht een tegenstelling van Thebe, en stemt die stad eerder overeen met de nachtelijke hemel, de wereld der sterren. Maar om dat te ontdekken had Achterberg iemand nodig, die het geheim verband kende tussen de wereld der doden en die van de sterren. Toen het hier bekend werd, dat Marsman de dood in de golven gevonden had, stelde Achterberg zich hem spontaan ten voorbeeld, hem de eer gevend die Marsman zo graag de Babyloniërs had gegund:

Dan zullen ‘wij hem op de waterheuvelen zien staan
zeggend tegen de hoogste sterren doods diepzeegedicht…

[p. 38]

en verder:

Maar hij stond midden in zijn voltooiing opgericht:
Een kathedraal van levenswil ons ten behoeve…

Ziedaar een bouwwerk dat de aarde met de hemel verbindt; in deze paar regels is de hele Thebeïese problematiek samengevat: hoe deze stad met de hemel te verbinden?
In Angriff probeert hij het op de Babyloniese manier, een beproefde manier ongetwijfeld, maar zelden resultaten afwerpend. Toch wordt daar het probleem zuiver gesteld, wanneer hij van de betreurde dode zegt: ‘nu gij het water zijt, / kruid, wind, land; / en in de sterren brandt / ‘. Dat weer bij een te brengen is immers van zijn hemelbestormende stedebouwkunde het enige doel…

Er is een ander Thebe, in Boeotië, Griekenland; er is een andere stedebouwkundige: Kadmos, de stichter van die stad, – een koningszoon, op zoek naar zijn door Zeus geroofde zuster Europa. Het orakel te Delphi gaf hem de verstandige raad het zoeken maar liever op te geven en in plaats daarvan een stad te stichten op een nader door een koe aan te wijzen plaats. Kadmos deed aldus, schonk de Grieken nog het alfabet en verzoende zich met de hoogste. Nonnos van Panopolis vertelt dit in zijn tijd reeds oude verhaal van Thebes stichting opnieuw in zijn Dyonisiaka. Maar hij laat Kadmos daar de zeven poorten die Thebe telde aan de planeten wijden: Thebe verbeeldde de (in zeven sferen verdeelde) hemel. Nonnos bracht de verbinding tussen aarde en hemel tot stand, waar ook Achterberg naar gezocht had, en die hij tenslotte vond:

[p. 39]

De sterren razen door uw graf
en zwaaien weer naar boven af.

(Reïncarnatie)

Die sterren en dat graf: dat is het nieuwe Thebe, en dat was misschien al in het titelgedicht te zien. Want als Thebe de sterrenhemel is, dan is de gang van de dichter door het labirint, dat verliep in ‘schroeven van eender, blinder cirkeling’ een dwaaltocht parallel aan de sterrenbanen die in den blinde cirkelen om de as aarde-poolster…

In zijn allereerste pogingen om het dodenrijk met de hemel te verbinden, pogingen die, zoals gezegd van Babylon afkomstig zijn, wordt de dichter ernstig tegengewerkt door sprakeloosheid zijnerzijds (Dood, in mijn donker drijven / delen uit uw gebied, / die ik niet kan beschrijven: / taal verdragen zij niet /.) of onverstaanbaarheid van de taal die de dode spreekt (Een taal waarvoor geen teken is / in dit heelal, / verstond ik voor de laatste maal/). Maar de weg die Kadmos ging: de bereidheid zich te onderwerpen aan de wil van de hoogste – vangt Achterberg aan met het gedicht Retraite, en die weg loopt over Rouw, Balans, Gebed aan God en Gebed aan het vuur uit op een kleine siklus: Openbaring, Pasen, Opstanding en Pinksteren, uit welk laatste gedicht – wel het tegendeel dus van Gods straf over Babylon en een ekwivalent voor Kadmos’ geschenk aan de Grieken – hier een gedeelte wordt geciteerd:

En voel het blinde wonder
op uw tong preluderen:

[p. 40]

gij kunt de taal schakeren
naar alle spraak en monden…

Ik weet natuurlijk niet of Achterberg Nonnos’ visie op Thebe kende, al deelde hij die, maar het is misschien nog na te gaan. Thebe verscheen in 1941. In het jaar daarvoor verscheen in Critisch bulletin een bespreking van Th. von Scheffer, Die Legenden der Sterne (1939) door A. Chernar, en in Von Scheffers boek is in de literatuurlijst opgenomen V. Stegeman, Astrologie und Universalgeschichte, Studien und Interpretationen zu den Dyonisiaka des Nonnos von Panopolis, 1930, in een van de bijlagen waarvan uitvoerig op het aan de planeten gewijde Thebe wordt ingegaan. Ik weet ook niet hoe groot de kans is dat Achterberg Nonnos kende, – de kans dat hij hem kende langs deze weg is waarschijnlijk Zo onwaarschijnlijk klein, dat men die kan verwaarlozen, al betaamt het mij niet, de mogelijkheid ervan te verzwijgen. Maar aangenomen dat Achterberg zich in niets door Nonnos heeft laten inspireren, dan nog kan zijn astrale mistiek struktuurgelijk zijn aan die van de Egyptiese Griek: zulke ideeën als van een de hemel en aarde verbindende gebouw zijn eigendom van het kollektief onbewuste, niet van Nonnos alleen…

Wanneer het zo is, dat bij Achterberg niet alleen het onderscheid in tijd verloren gaat, maar ook de rangschikking van de dingen in de ruimte – Thebe is gelijk te stellen aan de nachtelijke hemel – dan wordt het bijzondere aan het algemene gelijk en valt het onderscheid tussen de dingen weg. Het ene ding is het andere, het andere brengt tien dingen voort en zij zijn alle aan elkaar gelijk.

[p. 41]

Hier is het astrologiese beginsel in volle werkzaamheid, en dit is het beginsel, dat ‘alle woorden even groot maakt en mens en heelal met elkaar vereenzelvigt. Daarom is Thebe niet alleen de sterrenhemel, maar ook de gestorven vrouw zelf. In Openbaring staat:

Ik ga de dodenkamer in:
het donker is bijeen gedreven
en tot een wolk omhoog geheven
boven de engel van uw leden;
geen eind heeft dit begin.

De eeuwigheid is zonder zin,
wanneer ze u niet zal bekleden
met al de heerlijkheid omschreven
in ‘t boek der openbaringen.

Wie dit boek openslaat op 21 : 11 leest daar de beschrijving van het hemels Jeruzalem door Johannes: ‘En zij had de heerlijkheid Gods, en haar glans was aan een zeer edel gesteente of de kristalheldere diamant gelijk.’ Men ziet het: het een is het ander, de betreurde dode is het verheerlijkte Jeruzalem en dit Jeruzalem (openbaring 21 : 9/21) is Achterbergs Thebe. En zoals Thebe met haar zeven poorten de hemel simboliseert en is, zo is Johannes’ Jeruzalem met haar twaalf poorten en haar twaalf uit edelstenen opgetrokken fundamenten de hemel. Het is de geheime verbintenis van gnosis en logos, een huwelijk, mogelijk geworden, toen de dichter de eenheid van God en mens zag in:

[p. 42]

Ogen begrepen donker
als flonkeringen Gods;
haar lichaam stond in trots
tegen dit zwart te pronken…

De scheiding tussen boven en beneden viel weg, het in de ruimte veraf gelegene werd nabij. Gods vuur was aanwezig, hier, – en niet met hemels gedonderjaag of metafisies getrompetter, maar eenvoudig en gewoon, omdat het werkelijk zo was:

Ontvang de vlam des Heren:
Hij heeft u rijp bevonden…

Alleen door tijd en ruimte te binden aan de gestorvene was het Achterberg mogelijk zijn imaginaire verleden te realiseren en Thebe naderbij te brengen tot een hier en nu.

Men kan zich afvragen welke zin het heeft (buiten de zin om ons een prettige werkhipotese te verschaffen) om een verleden dat zijn jaartallen ontkent, te periodiseren op een wijze als in het begin van dit opstel werd gedaan.
Verwey zag zijn gedichten als een reeks die de Idee tot ontplooiing bracht en volgens hem zou de reeks bij voortschrijding die Idee tot volmaaktheid voeren. Het spreekt vanzelf dat een dichter die deze opvatting huldigt, zijn gedichten met veel gewetenswroeging rangschikt naar hun geboortedatum, zoals het ook vanzelf spreekt, dat zo’n dichter in zichzelf een ontwikkeling waarneemt, die zich in stijgende lijn voortbeweegt, en reeds bij voorbaat op het gezicht van de poëet de glimlach van de magister te voorschijn tovert,

[p. 43]

die Ter Braak terecht zo onuitstaanbaar vond.
Zoals men weet, ontbreekt bij Achterberg deze chronologiese struktuur in zijn gedichtenbundels. Toch is er ook bij hem een rangschikking, maar die is niet rechtlijnig of kroniekmatig. Het is alsof zijn rangschikking op zoek is naar een beginsel, eerst recht toe recht aan, van Thebe naar Angriff, om dan met een lichte ombuiging (Retraite / Gebed aan het vuur) via een beslissende wending (Openbaring / Pinksteren) zich in sirkels te verliezen, en ten slotte in de Marsman-gedichten, sleutelgedichten mijns inziens, te eindigen. Tracht men zich het verloop van die lijn voor te stellen, dan is hij als een middelpuntzoekende kromme, een lijn als die, waarmee men het huisje van de posthoornslak tekent: de kurve van Pascal, – een vorm waarin ik graag een lineaire voorstelling van het (door Achterberg later veel gehanteerde) sonnet zie. Zou het mogelijk zijn onze periodisering in deze zin te herzien – en men ziet: het is mogelijk – dan is die indeling van het niet-bestaande verleden van de dichter in ‘perioden’ ook buiten onze behoefte aan een werkschema om, zinvol.



maart 1964

Lichamelijke taal (Lucebert) »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>