Start » De open ruimte (’67) » *Buiten het boek » Recensies van ‘De open ruimte’

Recensies van ‘De open ruimte’

 

Bronnen: Literom, BNTL, Picarta, knipselarchief van de auteur.
Diverse auteurs.

[Geen titel]

Bert Bakker

Voorjaarsaanbieding 1967

Na zijn boek over de astrologische aspekten in een deel van het werk van Vestdijk bundelde de talentvolle jonge essayist Cornets de Groot een serie opstellen over A. Roland Holst, S. Vestdijk, G. Achterberg, J.H. Leopold, Lucebert, S. Vinkenoog en Harry Mulisch.
Voor het universitair en middelbaar onderwijs zullen deze indringende studies van grote betekenis blijken te zijn.

omvang 208 bladzijden / met foto’s in de tekst
in omslag f 12,50


[Geen titel]

Jan Eyking

Prisma. Concept-boekbespreking, 31 oktober 1967

In deze bundel essays, welke reeds eerder in literaire tijdschriften zijn verschenen, bespreekt Cornets de Groot een aantal Nederlandse letterkundigen wier werk gekenmerkt wordt door de zg. “kosmische metaforiek”, het betrekken van de kosmos, de ‘Open ruimte’ in de beeldspraak. Hij toont aan, dat er een duidelijke scheidslijn is in het gebruik van de “kosmische metafoor” tussen de dichters van vóór en ná de explosie op Bikini in 1945. Zijn essays (in dit boek gespeld: esseejs) over Vestdijk en Lucebert zijn verrassend heldere en originele interpretaties. Leopold, Roland Holst en Achterberg komen er wat magertjes van af; deze opstellen zijn te vluchtig, te beknopt en duidelijk zwakker. Wie evenwel voor een goeie en verfrissende benadering van struktuur en beeldspraak in de moderne poëzie bereid is zich terdege in deze bundel te verdiepen (want echt eenvoudige lektuur is De open ruimte niet) kan ongetwijfeld bij Cornets de Groot te rade gaan.


Lezen met twee ogen

Jan Huijnink

Nieuwe Rotterdamse Courant, 20 januari 1968.

R.A. Cornets de Groot is een veelzijdig en apart essayist. Scherpzinnig speurend naar dubbele bodems, de hand aan de alarmschel, onderwerpt hij totaal uiteenliggende onderwerpen met het gemak van de loslippige erudiet aan een behandeling. Elke regel die hij schrijft is herkenbaar van hem. Karakteristiek voor zijn methode is wat ik zou willen noemen het lezen met twee ogen. Met het ene leest hij vermoedelijk wat er staat. Het andere houdt zich bezig met wat er gestaan zou hebben, als Cornets de Groot de auteur maar geweest was. Hij maakt zich dus nog al eens schuldig aan wat men met een term uit het kloeke Duitse jargon Hineininterpretierung noemt. Echter dit kan geen verwijt zijn voor iemand die een van zijn beste produkten de titel Proeve van Hineininterpretierung meegeeft. Voor hem begint de uitleg- met de inlegkunde, de laatste maakt een essentieel element uit van zijn leesmethode.
In de inleiding op zijn afgelopen jaar bij Bert Bakker/Daamen N.V. verschenen boek De open ruimte voert hij ons, als Mulisch in Bloed- en bodemkundig, als een verlichte die enkele van zijn incarnaties moeiteloos schouwt, terug naar de tijd toen hij, in de gedaante van Hugo de Groot, de zee juridisch vrij maakte voor de roofzuchtige Hollanders. Nu geeft hij ons de vrijheid van de ruimte: de open ruimte: “een ruimte open voor ieder denkbaar of ondenkbaar heelal.” Wat voor de schrijver in dit boek in het bijzonder van belang is, en nauw samenhangt met zijn exploratie van de open ruimte, is het werken met wat hij noemt de Kosmische Metafoor, kortweg de K.M., waarvan hij de exclusieve ontdekking aan zichzelf toeschrijft.
Voor wat de term betreft is dat zeker waar. Maar al in vrij oude beschouwingen over Vondel, Bilderdijk, Perk en Marsman komt men het besef tegen dat de dichter het door hem in zijn werk ontworpen wereldbeeld “kosmische allure” verleent door het gebruik van aan het heelal ontleende metaforen. Cornets de Groot bedeelt de kosmische metafoor alleen een veel ruimere plaats toe, en weet er ook meer wezenlijks over te zeggen, d.w.z. over het functioneren van zo’n metafoor in het literaire werk.

Ongetwijfeld wordt dat mee veroorzaakt door zijn bezetenheid voor literatuur, die hij allereerst als een plaatsbepaling van de mens in het hem omringend heelal schijnt te zien. Ik zeg bezetenheid en naar ik meen terecht, want hij is een verslaafde. Bij het lezen van zijn werk, dat niet alleen geboren lijkt uit een onverzadigbare leesdrift, maar evenzeer uit het verlangen het “bevrijdende” woord te vinden, heb ik steeds het gevoel gehad met iemand te doen te hebben die wat schrijvers zeggen volkomen au sérieux neemt en daarvan ook de volle consequentie aanvaardt. Zijn essays zijn de creatieve neerslag van deze geëngageerdheid en ontlenen daaraan ook grotendeels hun waarde.
In tegenspraak daarmee schijnt: “Ik ben niet geïnteresseerd in literatuur – ik interesseer me voor een wijze van leven.” Maar men mag hier leven en literatuur gerust als synoniemen beschouwen, zonder daar overigens de conclusie uit te trekken dat Cornets de Groot verliteratuurd zou zijn. Daarvoor is zijn inzet te persoonlijk.
Op deze tweeëenheid van literatuur en leven legt hij voortdurend de nadruk. Hij ziet – terecht uiteraard – de schrijver allereerst als de schepper van een persoonlijke mythe, die de lezer tot de zijne moet maken, voor hij het werk kan “begrijpen”. Het is ook vanuit deze visie dat zijn “gewetenloos” hineininterpretieren verstaan moet worden. Hij eigent zich het door de schrijver aangeboden materiaal zo toe dat hij ermee leven kan, sterk uitgedrukt: zoals de mens met zijn mythe.
Natuurlijk brengt een consequent vasthouden aan een dergelijk standpunt wel enige bezwaren met zich mee: volstrekte dienstbaarheid aan de schrijver, geen ruimte voor kritiek. Een waardeoordeel is uitgesloten, de lezer is niets meer dan een leerling die in ademloze bewondering opziet naar de meester. Tot welke nonsens dit kan leiden, leert het stuk over Vinkenoogs Liefde: “…het materiaal dat het levert is niet verwerkt in artistieke zin. De vorm die het heeft, ontstaat pas tijdens het lezen: Vinkenoogs boek doet een beroep op de zelfwerkzaamheid van de lezer.” Het is echter de vraag of niet veeleer de lezer het recht heeft een beroep te doen op de artistieke werkzaamheid van de schrijver.
De open ruimte bevat verder enkele heel interessante benaderingen van schrijvers – niet in de laatste plaats interessant doordat Cornets de Groot, ondanks zijn bescheiden afhankelijkheid van de behandelde figuren, op sommige details, die een ander onbelangrijk zullen voorkomen, gewapend met zijn intuïtie en grote belezenheid, uitvoerig ingaat, daarmee onvermoede perspectieven openend. Als voorbeeld daarvan noem ik Een heksensabbat, dat voor mij een heel nieuw licht werpt op enkele aspecten van Vestdijks De kellner en de levenden.
De best geslaagde beschouwingen zijn ongetwijfeld die over Lucebert. Met deze figuur heeft de schrijver wellicht niet de grootste verwantschap – eerder met Mulisch -, maar dat zorgt er juist voor dat hij zich niet al te veel laat meeslepen door een onzakelijk enthousiasme. Opvallend voor zijn visie en methode is overigens weer een regel als: “Wat men ziet, is van minder belang dan wat men erin ziet.” Toch slaagt hij erin op luciede wijze betekenis en achtergrond van enkele niet eenvoudige gedichten te achterhalen, waarbij hij terloops enige principes van Luceberts poëzie uiteenzet. De daarbij verworven inzichten zijn de basis voor de afdeling De nieuwe poëtika, waarin ter illustratie een belangwekkende analyse van het negende gedicht uit de cyclus De dieren der democratie ondernomen wordt.

Behalve de kosmische metafoor heeft Cornets de Groot de alchimie ontdekt als literair structuurprincipe. De alchimie, het middel “om de onmacht meesterschap te geven”, zoals de omslag van het dit jaar bij De Bezige Bij verschenen De Zevensprong vermeldt. Het boek bevat essays over Jacob van Maerlant, Jan van der Noot, Herman Gorter, Simon Vestdijk, W.F. Hermans, Lucebert en Harry Mulisch en “is een poging een literaire ontwikkeling niet in traditionalistische, maar evolterende geest aan te duiden.”
In de flaptekst wordt het verband tussen revolte en alchimie duidelijker gelegd dan in de essays zelf, maar dat neemt niet weg dat de meeste de moeite van het lezen meer dan waard zijn. Voor Cornets de Groot is alchimie – en hij volgt hier voorzover ik zie vooral de opvattingen van Jung – niet een manier om goud te maken, maar een mystieke techniek. De verandering van de stoffen door de alchimist samengebracht in het filosofisch ei (een fles) bewerkstelligt eenzelfde verandering in de geest van de alchimist: een reiniging. Het is hier niet de plaats daar verder op in te gaan, maar een feit is dat de schrijver in Van Maerlants Torec – tot dusver beschouwd als een vrij willekeurige rangschikking van ridderavonturen – een compositie weet aan te tonen die verrassend veel lijkt op het verloop van het proces in het filosofisch ei. M.a.w. Torecs avonturen zijn de metaforische omschrijving van een mystieke ervaring. Dat Cornets de Groot er niet voor terugdeinst ook moderne auteurs aan de alchimistische symboliek te toetsen, lijkt aanvankelijk nogal wonderlijk. De resultaten zijn dan ook niet altijd even gelukkig, het stuk over Gorter is zonder meer teleurstellend. Echter, ook al aanvaardt men zijn uitgangspunt niet helemaal (het is daarvoor te beperkt), toch zal men niet kunnen ontkennen dat hij over Vestdijk, Hermans en Mulisch alleszins acceptabele opmerkingen weet te maken.
De beschouwing over Hermans’ De God denkbaar denkbaar de God is een prachtig voorbeeld van zijn uitzonderlijke leesintuïtie en voor het werk van Mulisch lijkt hij mij de beste interpreet van dit ogenblik, al hanteert hij hier te veel de stijl van de bijbelexegeet met onwankelbaar godsvertrouwen. In besprekingen van zijn eerste boek werden nogal eens opmerkingen gemaakt over het schoolmeesterachtige van zijn stijl en inderdaad kan men bezwaar hebben tegen sommige uitlatingen ex cathedra. Ze zijn meestal voldoende pedant om irritatie op te wekken, maar meestal ook gewoon waar. Vervelender vind ik de gelukkig weinig pogingen om tot humor te komen. Het niveau daarvan ligt, geloof ik, duidelijk beneden dat van de essays. Misschien forceert hij zich hiermee een beetje, bang al te ernstig genomen te worden. Misschien ook mis ik het orgaan om dat in de juiste proporties te zien.
In ieder geval, Cornets de Groots stijl is, in de beste Forumtraditie, de uitdrukking van zijn persoonlijkheid, een persoonlijkheid intelligent en gevoelig genoeg om, geconfronteerd met zijn lievelingsauteurs, voor een boeiend resultaat borg te staan.


De atoombom en de literatuur

J.M. Baltus

De Groene Amsterdammer, 10 februari 1968

Van R.A. Cornets de Groot die bekendheid geniet als Vestdijk-specialist (in 1966 verscheen zijn studie De chaos en de volheid, handelend over het astrologisch element in Vestdijks werk), die bovendien telg van Hugo de Groot is, zo wordt beweerd, en op gezette tijden o.a. in Maatstaf en De Gids essays publiceert over het werk van niet alleen hedendaagse auteurs, zijn elf opstellen over zeven schrijvers gebundeld onder de titel De open ruimte.

In zijn gedrongen, zeer levendige inleiding, met een vleugje Mulisch erin als hij het heeft over zijn voorgeslacht, deelt Cornets de Groot mee dat de Atoombom op Bikini in 1946 de grens tussen de oude en de nieuwe wereld markeert, uiteraard, want vanaf toen behoefde de mensheid geen God om de aarde te vernietigen, hetgeen ook in de literatuur en met name de poëzie tot uiting komt. Hij werkt met wat hij noemt de Kosmische Metafoor en wat daarmee bedoeld wordt moet blijken uit de voorin afgedrukte prent met begeleidende tekst van Lucebert; we zien daarop een baardig iemand op een zeer lange ladder, ver verheven boven een aantal “onbemande” voetstukken met inscripties als Jupiter en Leda. Deze klaarblijkelijke beeldhouwer is misschien bezig met zijn gereedschap het atelierruit in te slaan, maar waarschijnlijker is dat hij de kosmos te lijf gaat, de tekst spreekt van “een schitterend lichaam in de lucht”.
De Kosmische Metafoor komt rechtstreeks ter sprake in het stuk over A. Roland Holst, als schakel tussen Holsts wereldbeschouwing en Bikini, zo ook in één van de twee stukken over Vestdijk, n.a.v. diens De Kellner en levenden: de metafoor is het die ons het heelal in handen geeft, die in de hand de afspiegeling van het heelal terugvindt; Cornets de Groot geeft hierbij nog een hapje astraalmystiek en chiromantie (toekomstvoorspellerij uit de handlijnen).
De auteur zegt niets te zwetsen, dat doet hij ook zeker niet, in plaats van loze woorden geeft hij eerder veelal cryptische mededelingen, maar ook – naast de meer algemene beschouwingen n.a.v. een literaire tekst, waarbij bijv. Poot, Staring, de Griekse Mythologie en de voorchristelijke godloochenaar Euhemerus aangevoerd worden – is hij op bepaalde plaatsen technisch-zakelijk in zijn benaderingen. Hij wijdt een opstel aan het bekende “druppel” gedicht van Leopold waarmee hij (hij geeft dat toe) niet de eerste is (P.N. van Eyck en vooral J. Kamerbeek in de Nieuwe Taalgids hebben zich ermee beziggehouden) en is vooral controleerbaar in zijn (vier) stukken over Luceberts poëzie, waarin hij o.a. uitgaat van de stelling dat Luceberts wereld een “pre-adamiese” is (de vooruitstrevende spelling is van de auteur). Zoals H.U. Jessurun d’Oliveira al liet zien in een Merlyn-stuk is Lucebert een groot woordenboek-bestudeerder en Cornets de Groots onderzoek naar de betekenis van de woorden die voorkomen in het negende gedicht uit De dieren der democratie, aan de hand van de grote Van Dale, wijst uit dat het raadplegen van dit soort woordenschatten zeer verhelderend kan werken wanneer men dieper wil doordringen in Luceberts werk dan alleen gewapend met eigen toevallige idiomatische kennis.
Cornets de Groot werkt graag methodisch. In zijn opstel over Achterberg gebruikt hij als werkhypothese een periodisering van diens dichterleven, d.w.z. hij wil ieder gedicht beschouwen als een periode in Achterbergs leven met eigen mérites, uitgaande van het bekende vers: “Met dit gedicht vervalt het vorige…” Aan het werk van Mulisch en Vinkenoog, beiden niet bepaald schrijvers die zich aan de oude aarde blijven vastklampen, wijdt Cornets de overige twee meer of minder pittige opstellen.
In de inleiding zegt Cornets de Groot dat hij niet geïnteresseerd is in literatuur, hij interesseert zich voor een wijze van leven; vandaar dat zijn studies geen kritieken zijn, er worden geen waarde-oordelen in gegeven, behalve dat op een bepaald moment poëzie heilig wordt verklaard. Bikini is voor hem het vertrekpunt, zijn essayistische reis gaat door die literatuur waarin de “open ruimte” zich weerspiegelt.


De open ruimte

Herwig Leus

Vooruit, 4 april 1968

Wie de gedachtengang van Cornets de Groot in de bundel essay De Open Ruimte wil volgen, kan niet anders dan teruggrijpen naar het essay Bikini in Randstad nummer 5 en naar zijn bundel opstellen De chaos en de volheid, waar
deze auteur een syntetisch overzicht geeft van zijn kritische premissen.
Van Cornets de Groot is de keuze van het woord een precaire aangelegenheid sinds op 1 juli 1946 de atoombom op Bikini ontplofte. Boven het
woord dat in het metafysische is verankerd, stelt Cornets de Groot het leven zelf. Literatuur is niet zomaar iets losstaand van het leven, maar grijpt in in zijn totale persoonlijkheid. Literaire kritiek kan slechts als kritiek bestempeld worden wanneer het leven zelf erbij betrokken wordt.
In de maatschappij waarin techniek en brein de heerschappij voeren en waarin de oude goden dood zijn, is het er Cornets de Groot om te doen het eigen heelal opnieuw te bevolken met engelen en monsters op voorwaarde dat men maar aanvaardt en beseft dat men het eigen heelal bevolkt. Uit de strijd tussen de beide antagonistische principes wordt het ik van spanningen verlost en wordt het door een groter bewustzijn getransmuteerd tot een eigen goddelijkheid.
Ervan overtuigd dat realisme een wereld is van symbolen zocht Cornets de Groot de matematische formule van die symbolen. Zo kwam hij ertoe, via de struktuur van de romans van Vestdijk, een bepaald patroon te ontwerpen. Uit het onderzoek naar de wijze waarop de kosmos zich voordoet aan verschillende schrijvers, groeide bij Cornets de Groot het besef van het bestaan van de kosmische metafoor. Immers, de zgn. kosmische realiteit wordt door de psychische struktuur van elke waarnemer vervormd tot het beeld dat hij wenst te zien. Dit beeld van het heelal, dat korrespondeert met de psychische struktuur van de schrijver, noemt Cornets de Groot de kosmische metafoor. Deze kosmische metafoor gehoorzaamt aan wetten die teruggaan op de stelsels van de astrologie, Copernicus, Newton, anderen. De kritische werkwijze nu van Cornets de Groot bestaat erin deze kosmische metafoor van een schrijver bloot te leggen, en loopt dus een heel eind uit de richting van de literair-historische kritiek. Daar waar deze laatste lineair werkt, wil Cornets de Groot verwantschappen aanduiden, en een totaalbeeld oproepen.
Bij een eerste kennismaking met het systeem van Cornets de Groot staat men weigerachtig tegenover de para-wetenschappelijke en paraliteraire premissen die hoofdzakelijk stoelen op eerder ondefinieerbare astrologische inzichten. Althans zo lijkt het.
Na de lektuur van De Open Ruimte, waarin essays werden opgenomen over Adriaan Roland Holst, Simon Vestdijk, Gerrit Achterberg, Leopold, Simon Vinkenoog, Harry Mulisch en Lucebert, is men gewoon alle bezwaren vergeten. Met alle middelen die hem worden geboden, van astrologie tot psychoanalyse, en vanuit elke mogelijke optiek, benadert en analyseert Cornets de Groot het oeuvre van de auteurs die hem intrigeren, in casu vooral Vestdijk en Lucebert. Deze analyses zijn niet logisch-lineair, maar cirkulair allesomvattend. Via een scherpzinnig-intelligente close-reading breekt Cornets de Groot door het hermetisme van Lucebert, en, wijst hij op semantische als op literair-technische verbanden. Zowel de historische toespeling als de bewuste alliteratie geven aanleiding tot een nauwgezette en onweerlegbare duiding. Men moet van de literatuur totaal bezeten zijn om te bereiken wat Cornets de Groot verwezenlijkt.
Door de inzet van zijn totale persoonlijkheid is Cornets de Groot een van de grote literaire essayisten van de moderne Nederlandse literatuur. Cornets de Groot beperkt zich niet tot het eng-literair gegeven van een tekst, hij poogt en slaagt erin de hele wereld die in de tekst ligt vervat tot uitdrukking te brengen.


[Geen titel]

[Auteur onbekend]

Het Parool, 28 september 1968

Cornets de Groot is indertijd (1945) erg getroffen door de a-bom op Bikini. Daarover en over het literaire gevolg ervan, volgens hem, schreef hij in 1963 een essay in Randstad, een oerwoudachtig essay zonder overtuigende visie. Hij komt op dit essay terug in de inleiding van De open ruimte. Het was een ‘zoveelste hergeboorte’ voor hem. Die inleiding omvat bijna drie wederom duistere pagina’s,vol met – wat Nuis zou noemen – ongemotiveerde gevoeligheden: ‘Men moet chaos in zich hebben om een dansende ster te baren’, zei Nietsche, en ik (C. de Gr.) heb voldoende chaos voor een kompleet heelal’. Deze hoogmoed krijgt bij Cornets de Groot geen literaire motivering, zoals bij Nietsche. Dat kan niet want daarvoor zijn persoonlijke essays nodig. Een dergelijke opmerking kan men alleen psychologisch begrijpen.
Met deze literair ongemotiveerde, maar emotioneel aanwezige houding staat Cornets de Groot tegenover zijn schrijvers. Het gevolg zijn essays in een sekte-taal: ‘herboren worden’, ‘wonderen’, ‘wonderlijk’, ‘reïncarnatie’ , ‘zelffictie’, ‘zelfkick’, ‘averechtse ontwikkeling’, talrijke malen ‘omgekeerd evenredig’, even vaak zetten de schrijvers alchemistische formules of anderszins ‘op de kop’, of zijn ze ‘middelpuntzoekend’. Zijn geesteskind de ‘kosmische metafoor’, dat hij baarde uit o.m. de pozie van Roland Holst, is te vaag om bruikbaar te zijn. Het woord ‘misschien’ en de drie ergerlijke, god weet wat suggererende,
puntjes achter bijna elke alinea duiden taalkundig Cornets de Groots vaagheid en – jammer genoeg voor mij niet sympathieke – onzekerheid aan. Soms levert zijn emotioneel geredeneer sympathieke zinnen op, die echter niet waar worden gemaakt: ‘Ik ben niet geïnteresseerd in literatuur, ik interesseer me voor een wijze van leven’; ‘Onze kunst moet het meer hebben van ideeën dan van woorden’. Cornets de Groot is een veelschrijvend maar weinigzeggend essayist.


De ruimte in

B. Tromp

DCC, datum onbekend

Er zijn mensen die schrijven over boeken. Een aantal van die opstellen stoppen ze in een boek, en dat wordt dan weer naar (b.v.) ons gestuurd met het verzoek “er iets over te schrijven”.
Ik ben niet geïnteresseerd in literatuur – ik interesseer me voor een wijze van leven, zegt De Groot in een inleiding.
Niettemin schreef hij dit boek en het is dan ook moeilijk er iets zinnigs over te schrijven. Ik zal maar zeggen dat het ‘origineel’ is, of ‘getuigt van een zelfstandige verwerking van de gekozen subjecten’, maar als ik eerlijk ben dan begrijp ik er weinig van, want Cornets de Groot schrijft erg hakketakkerig (‘erudiet’) en de gedichten waarover hij het heeft heb ik meestal niet gelezen, en ze staan er ook niet bij – rapsodomantie van Leopold b.v., wie kent dat uit z’n hoofd? De Groot schrijft proza als Lucebert poëzie en daarom zijn de drie opstellen over Lucebert nog het leesbaarst, dat wil zeggen: de kabbalistische stijl stoort hier het minst.
De nieuwe ontdekking van De Groot bij de uitleg van literatuur is zijn kosmische metafoor. Bij zijn interpretatie van Roland Holsts dichterschap weet hij nog wel aardig duidelijk te maken wat hij bedoelt:
De twee planeten is daarom minder een lezing over wat het dichterschap voor Roland Holst betekent dan zijn kosmische metafoor: een röntgenfoto van zijn vormenwereld, de doorlichting van de betekenis van het kunstenaarschap voor deze droeve planeet.”
En dat houdt het volgende in:
“Aangezien het menselijk wezen gebonden is aan het menselijk lichaam en dit weer aan de natuur, moeten de mensen, wil hun innerlijk streven naar de geheime planeet ergens op berusten, allereerst streven naar de ontplooiing van de natuurlijke wereld, die door consolidatie daarvan tot historische wereld wordt. In hun ontplooiende en consoliderende werkzaamheden gevangen, verzaakten de mensen echter die belangrijke opdracht van de vervulling van de bovenzinnelijke planeet. De geest pleegde verraad, verruilde (ook volgens Nietzsche en Spengler, op wie Roland Holst zich blijkbaar baseert) ‘Kultuur’ voor ‘Zivilisation’, en nu opende zich opeens, aldus Roland Holst, doordat de samenval met het geheime, maar vervulde hemellichaam meer en meer onwaarschijnlijk werd, het perspectief van een samenval met de onvervulde (en daardoor boze) planeet: een catastrofe.
Roland Holst ziet in wat ik Bikini noem, de rechtvaardige straf voor de atomisering van onze cultuur en zijn pessimisme vindt eigenlijk een te gering tegenwicht voor zijn zwaarte in de gedachte, dat de mens alleen als atoom, als individu, zich nog verwerkelijken kan!.”
Jazeker.


Open ruimte

Han Jonkers

Datum en publicatie onbekend

Enkele woorden tenslotte nog over een reeks opstellen van R.A. Cornets de Groot van wie we kort geleden zijn astrologische interpretatie van Vestdijk hebben besproken. Er zal binnenkort na de verschijning van zijn bij De Bezige Bij aangekondigde nieuwe boek De zevensprong gelegenheid zijn meer aandacht te besteden aan zijn ook in De open ruimte (zo heet de nieuwe bundel waarin opstellen staan over Roland Holst, Simon Vestdijk, Gerrit Achterberg, J.H. Leopold, Lucebert, Simon Vinkenoog en Harry Mulisch) weer originele en belangwekkende kijk op letteren.
Meer een visie van iemand volgens eigen zeggen niet geïnteresseerd in literatuur, wel in een wijze van leven. Daar valt volgens Cornets de Groot ook de kritiek onder. Geen literaire kritiek zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. De auteurs in zijn bundel ziet hij verbonden door het enige nieuwtje dat hij dit keer brengt, de “kosmische metafoor”.


[Geen titel]

[Auteur onbekend]

De Syllabus, datum onbekend

De schriftgeleerden onder de filologen zullen zich wel groen en geel ergeren aan Cornets de Groot (voor de lezers van De Syllabus geen onbekende). De ketters daaronder echter zullen hem met vreugde als geestverwant begroeten. Een rebel, die het aandurft op eigen wijze, origineel, spitsvondig, geestig èn altijd intelligent in een geheel eigen taal zijn visie te geven over schrijvers als A. Roland Holst, J.H. Leopold, Lucebert, Harry
Mulisch. Die onder de titel: de heilige optekening onder meer schrijft: “De vliegende schotels – we zijn ze alweer vergeten. Waar kwamen ze vandaan? Zijn ze er ooit geweest? Natuurlijk! We dachten ze tevoorschijn: dus waren ze. En we lieten ze pas weer gaan, nadat gebleken was, dat Lucebert en Mulisch op aarde waren neergedaald.”


[Geen titel]

J.

Datum en publicatie onbekend

De open ruimte van R. A. Cornets de Groot (Uitg. Bakker/Daamen), bevat opstellen over Roland Holst, Achterberg, Leopold, Vestdijk, Mulisch, Vinkenoog, Lucebert. De opvattingen in dit boek van essays neergelegd zijn stellig van betekenis. Maar waarom zoveel omhaal, zoveel – op zichzelf voortreffelijke – breedsprakigheid? De auteur tracht te onthullen door steeds weer nieuwe sluiers te laten wapperen. Dus: te veel retoriek, te veel-eigen-genot in het verhalen en het beschrijven, en te weinig luciditeit.
 

»

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>