Start » Dagboek 1985-1986 » 18 augustus 1985

18 augustus 1985

 

Bron: Archief Cornets de Groot.

Leiden, 18 augustus ’85.

Beste Henk, 1
Hartelijk dank voor je brief, die ik maar meteen beantwoord, hoewel ik hem pas tegen de eerste van de volgende maand zal versturen, als je weer terug bent van je vacantie.
Ja, ik ben drie weken in Portugal geweest, te gast bij een mevrouw die een enorm groot huis bewoont: twintig kamers, waarvan ze er twee aan ons verhuurde, met bad en toilet. Ze woont er alleen, is schat en hemelrijk. Haar huis is ingericht in een Victoriaans-Edwardiaanse stijl, en natuurlijk beschikt ze over personeel en dientengevolge heeft ze een paar gegronde bezwaren tegen de democratie, die hard toeslaat in de laag van de elite, waartoe ze behoort.
Wij huurden dat appartement, ‘zonder ontbijt’. Maar elke dag bood ze ons toch een ontbijt aan, zo overvloedig, dat we de lunch konden overslaan. Een ontbijt met thee, melk, koffie, broodjes, croissants, vruchten, een toetje (altijd mousse van chocola, omdat mijn kleine meid daar zo van houdt) èn koekjes. Ze at dan zelf mee en onderhield ons in het Engels (dat doceert ze op de middelbare school aan de overkant van haar huis) over de geschiedenis van Portugal, de kultuur, haar reizen: naar Macau, naar Portugees Afrika – uit welke oorden ze tal van herinneringen meebracht: beeldjes, in steen, in brons, borduurwerk, porcelein. Zo’n ontbijt duurde van half tien tot twaalf uur. Ik ben twee kilo aangekomen, en moet daar nu weer van af zien te komen.
Over de democratie vertelde ze iets heel grappigs.
Een tante van haar was zo oud geworden, dat ze graag iemand had, die voor haar koken wilde. Zette een advertentie en kreeg een sollicitante die een exorbitant salaris vroeg. Dat wilde ze ook best geven, als de aanstaande kokkin dan ook behoorlijk haar werk verstond. ‘Kun je dit koken?’ vroeg ze, ‘en dat?’ Nee, dat kon ze niet. ‘Maar’ vroeg dat meisje terug, ‘Kunt u die gerechten klaar maken?’ Ja, natuurlijk kon ze dat. ‘O’ kreeg ze ten antwoord, ‘dan weet ik wie ik in dienst moet nemen, als de bordjes straks worden verhangen’. Dat was tien jaar geleden. Een verhaal uit de tijd van Marie Antoinette, als je het mij vraagt. Men loopt er echt achter.
Toen we van die plaats, Viana do Castelo, de terugreis aanvaardden – we moesten naar Oporto om daar het vliegtuig te pakken, adviseerde ze ons plaats te nemen in de eerste klas van de trein. Maar dat waren we in Nederland ook niet gewoon te doen, en eigenwijs genoeg kochten we een enkeltje, tweede klas. Hadden we maar naar haar geluisterd!
Tegenover ons kwam een heks te zitten (een goedaardige, hoor), geheel in het zwart, met een folkloristisch mutsje op, ook zwart. Ze rook naar haar vee, geiten, varkens, transpireerde ontzettend in de overweldigende hitte en haalde uit een plastic zak thuis geschilde appeltjes, die ze ons aanbood. Mieren liepen over haar goed. Simaethe, 2 meer zeg ik niet, maar ik kan me voorstellen dat Nietzsche de afschaffing van de slavernij diep betreurde. ‘Heren’ hebben die mensen nodig, maar reizen dan wel eerste klasse.

Op een avond zaten we op een terrasje, en toen zag ik tot mijn diepe ontroering een aantal Indonesiërs rondlopen op het plein. Ik was geheel van mijn stuk. Ik ving een paar woorden op: een mengeling van Spaans, Engels en Maleis. Enkele dagen later zaten ze zelf op dat terras, en toen éen van hen naar het toilet liep, ging ik als de bliksem achter hem aan. ‘Bent u Indonesiër, meneer?’ Nee, dat niet, zei hij geschrokken. Haalde zijn paspoort tevoorschijn: ‘Ik kom van de Filipijnen’. Zag hij me voor een marechaussee aan? Ik stelde hem gerust, en zei dat ik er zo nieuwsgierig naar was, omdat ik er zelf vandaan kwam – van Indonesië dan.

[p. 6]

We gingen aan hun tafeltje zitten en het is nog een heel genoeglijke avond geworden. Ze waren zeelui. Hun schip had averij opgelopen en lag nu in de haven om te worden hersteld. Een schip uit Breskens, met Hollandse officieren en een Filipijnse bemanning. Van de rederij De Bruin, begreep ik (Debroen, zeiden ze).

Wat mijn boek 3 betreft,- ik heb me je ‘kritiek’, ik zeg maar kritiek, maar je begrijpt wat ik bedoel,- 4 sterk aangetrokken en heb het boek wat omgegooid. De volgorde van de hoofdstukken, wat nog een heel geplus gaf, want dan moet je toch andere verbindingen leggen en aanvullingen geven, waardoor de stof toch weer een andere aard kreeg. Gelukkig maar, want nu kon ik ook het al te erotische tot een minimum terug brengen en aandacht schenken aan het diepere sentiment van de politiek. Ik schreef er, je raadt het nooit, nog zeven hoofdstukken bij. Hazeu – de uitgever – vond het nog niet genoeg. Hij wilde meer horen over de sloppen in Batavia en Istanboel, nog meer Japans geweld en zo, maar ik vind het nu welletjes. Men kan een contemporain-historische roman ook zo overdrijven, dat er tenslotte een streekroman uit tevoorschijn komt, en dat wil ik helemaal niet. Ik tik het ding nu opnieuw uit en dan kan hij het krijgen of niet.

Antwerpen gaat niet door. Ik raak mijn huis niet kwijt voor de prijs die ik ervoor hebben wil. Ik vind het wel jammer niet daar te zijn. Het zou juist in deze tijd zo aardig zijn geweest: men herdenkt er met veel Vlaams tamtam de overgave van de stad aan Parma en dat moet ik nu missen. Een hele troost is wel, dat mijn vrouw die altijd voor uitzendbureaus werkte, nu een vaste baan heeft bij een antiquariaat, voor een droomsalaris. In Amsterdam. Ze zijn in kaarten gespecialiseerd, (Blaauw – ik weet opeens de spelling van die naam niet, stom hè?*) Nu ja, ‘t is toch een geldige reden om in Leiden te blijven. 5

[In kantlijn]: *Blaeu’ zegt (spelt) mijn knappe vrouw!

Kralts boekje 6 ken ik niet, maar ik herinner me, dat je erover schrijven zou. Komt dat dan in de Kroniek? Dan kijk ik er naar uit!
Ja, ik steek in mijn reacties mijn nek uit, het is heel gek, maar ik steek altijd mijn nek uit, ik vind dat zelf altijd ook heel riskant, maar het gebeurt toch zelden dat men mijn hoofd ook afslaat, of soms na jaren pas, zo dat ik er geen diep verdriet over hoef te hebben. Het doet me natuurlijk veel plezier te horen, dat je nader tot mij staat dan tot hem. 0, ja? Brengt hij jouw ‘innerlijke zwakte’ ter sprake? Je maakt me bijna nieuwsgierig naar zijn betoog!
Ja, die twee brandpunten. Ik koesterde lang geleden de opvatting, dat de barokstijl door de ellips werd gesymboliseerd. Waar ik barok zag, zag ik ellipsen. In de bouw, in portretten en hun lijst, in titelpagina’s, in reliëfs en godbetert in de muziek, m.n. in de fuga met zijn melodie en tegenmelodie, zo plastisch uitgedrukt in het begrip contrapunt. Dan moet er ook een punt zijn, nietwaar? Ik ben tenslotte ook een systeembouwer, zeg!
En Vestdijk is n.m.m. een barokkunstenaar. Zelf onderscheidt hij immers drie soorten artist: de romantische, de klassieke en de barokke, in overeenkomst met de begrippen gevoel, verstand en fantasie (‘introspectief-fantaissistisch’ is een begrip uit zijn vocabulaire), geloof ik. Precies weet ik het niet meer, en de man heeft zoveel geschreven, dat ik het niet eens proberen wil dat op te zoeken. Ik zou niet weten, waar te beginnen en dan is het eind immers zoek bij hem.
Je visie, die je met die twee brandpunten ondersteunt, spreekt me sterk aan. Ik vind die in hoge mate origineel en heel plausibel: angst smeekt om religie.

Je schrijft wel over je vertrek naar beter oorden, maar niet naar welke.
Ik hoop niettemin dat het je daar bevallen zal en wens je – helaas achteraf – een plezierige vacantie toe. Geniet er maar van. Hartelijks, ook voor je vrouw:

Rudy

 





NOTEN
  1. H.A. Wage. Zie de dramatis personae. ↩
  2. Figuur uit Vestdijks roman Aktaion onder de sterren, waarover Cornets de Groot o.m. in De allegorische interpretatie van ‘Aktaion onder de sterren’ schreef. ↩
  3. Tropische jaren. ↩
  4. Vergelijk: ‘Mijn “kritiek” – ik zeg maar gewoon “kritiek” – ‘ aan het begin van een lange beginselverklaring op p. 132 van Intieme optiek. ↩
  5. Cornets de Groot had met zijn zwager Heere Heeresma het plan opgevat om in Antwerpen een huis te kopen. Zie hierover brief 4 aan Heeresma. ↩
  6. Vermoedelijk De dichter, zijn geliefden en zijn muze, Leiden, 1985, over Willem Kloos. Met P. Kralt had Cornets de Groot in 1976 in de Vestdijkkroniek een polemiek over Vestdijks Ierse romans gevoerd. Zie Ierse en on-Ierse kwesties. ↩

18 november 1985 »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>