Start » Met anderen » Correspondentie Evert Verschuur (1984)

Correspondentie Evert Verschuur (1984)

1 brief.
Bron: Archief Cornets de Groot.
Met Evert Verschuur, datum onbekend.Met Evert Verschuur, datum onbekend. [Brief in handschrift, 1 blz., ongedateerd].

Brave jongen, 1

We hebben voor volgende week dinsdag weer zo’n vergadering afgesproken, maar ik vind, dat we deze bijeenkomsten niet moeten beleggen, als VE 2 afwezig is.
Graag dus een andere dag.
Verder heb ik weinig behoefte meer aan vergaderingen, zonder agenda. Brainstorming en geïmproviseer is planloos bijeenkomen. Dat kost me tijd, die ik beter besteden kan op de 64 velden van eer. Aan school en aan de gang van zaken daar is me weinig meer gelegen, wanneer alles verlopen moet volgens het schema (lees: vooroordeel) ‘de jeugd van tegenwoordig’. Beste Evert: ik heb er geen zin meer in. Ik heb wéér last van visioenen, nu zònder tranquilizers, en ze zijn kwaadaardiger en bewegelijker dan ooit. Ik wil daar van af, en dàt ik ze heb, wijt ik aan het oeverloos gelul over niets, waar mijn pupillen profijt van zouden kunnen trekken.
Lees even wat ik in bijgaand stukje schreef. ‘t Is m.i. 1000x fatsoenlijker dan de krachtpatserij van Klaas. 3

je
Rudy

—o0o—

De menselijke computer van Klaas 4

Er zijn mensen, die een cursus ‘schaken voor gevorderden’ volgen met een cursus ‘dammen voor beginners’ als vooropleiding.
Er zijn ook mensen met zo’n vooropleiding, die geloven dat schaken een schitterend spel is van logisch denken, kombineren en beslissen. Maar die geloven dan ook dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de ene gedachte en de andere. Dat daarom een schaker de werkelijke loop van zijn gedachten, gevoelens, begeerten op de voet zou kunnen volgen. Alsof hij niet achterna gezeten zou worden door de tegenstander, door blunders, door de klok, door overmoed, eerzucht, hoop, wanhoop, ijdelheid, lafheid, bloeddorst…
Tussen de ene gedachte en de andere een oorzakelijk verband aan te nemen, – eenvoudig over het hoofd te zien, dat er tussen die twee ideeën nog alle mogelijke affecten mee spelen, dat is een fout, die niet alléen niet-schakers maken, als we het hebben over denken.

Descartes betwijfelde alles methodisch, eer hij zeggen durfde: ik denk, dus ik ben. Hij kwam niet op de gedachte te zeggen: waarom ben ik, als ik twijfel?

De menselijke computer,- dat is Descartes. Gek, maar ik heb daar een lichamelijke, een instinktieve afkeer van. Ik zou nooit als een menselijke computer kunnen leven: zijn gevoel voor humor spreekt me niet aan. En zijn zekerheden vervelen me.

Ik betwijfel bv. Aristoteles’ opvatting dat de stelling van tegenspraak de zekerste van alle grondstellingen is; en sinds Mulisch’ filosofische boek, doe ik dat met enige grond. Maar instinktief kon ik dat altijd al: ik kan met twee tegengestelde gevoelens gelijk hebben. ‘Deze hardwerkende leerling verdient een onvoldoende’. Ambivalentie heet dat.

Het ontbreekt de menselijke computer aan instinkt.

Een computer weet ook niet. Hij vormt schema’s. Hij moet berekenen, begroten, grofweg schatten, de dingen veralgemenen (objectiviteit! Dit gebrek aan persoonlijkheid. Dit onvermogen om van iets of iemand te houden!). Daarom is een computer, en ook de menselijke bij uitstek geschikt, om zich met een vak als natuurkunde bezig te houden. Het object van natuurkundig onderzoek behelst immers de wereld van terugkerende, gelijke, bekende, verwante dingen in hun berekenbaar gemaakte karakter. Een natuurkundige, die beweert, dat een eindexamen-candidaat van hem prestaties geleverd heeft, die ‘niet op het reproduceren van bepaalde gebeurtenissen’ zijn gebaseerd, moet hem afwijzen, of als wonderdoener beschouwen…

Toch schrijft Klaas dit, en dat bewijst, dat ook hij helemaal die menselijke computer niet is, die hij zo hoog heeft zitten.

Hij kan zich zelfs inleven in een bestaan, waarin problemen vooruitgeschoven worden, en verantwoordelijkheden ontlopen. Sommige natuurkundigen blinken hierin uit: zij maakten Oppenheimer het leven zuur. Ik zal er geen voorbeeld aan nemen. Ik vind ze levensgevaarlijk.

Als Cornets de Groot zich vrolijk maakt over een krankzinnig proefschrift, pakt Klaas niet de teneur van zijn stukje op, maar licht er enkele elementen uit (intimidatie, valse voorstelling), ziet af van de in die zaken gelegde ironie, en gaat met een voet op een rotsblok staan: instinktief! Maar zó lapidair was mijn stukje nu ook weer niet.

Een af te wijzen vorm van vrijetijdsbesteding, gemakzucht, gebrek aan wilskracht en interesse – dat zijn de steeds weer terugkerende verwijten die men, en ook Klaas, de schooljeugd voor de voeten gooit.
Dit is het programma met strukturen en verbanden, het nieuwe programmamodel, dat mij als lorre-taal wil voorkomen, maar dat kennelijk de vernieuwing van het onderwijs beoogt.

Het waardegevoel, de staf die hier over de jeugd gebroken wordt, is oud. Het drukt bestaansvoorwaarden uit vroeger tijd uit: ‘werkschuw tuig’. Het is niet in overeenstemming met de bestaanvoorwaarden van vandaag: het begrijpt die niet eens!

Willen weten betekent een stukje van de realiteit veroveren, met de bedoeling die voor zich in dienst te nemen.
Onder dit aspect beschouwd ziet het er met het willen weten in de toekomst somber uit.
Welke realiteit is te bemachtigen voor deze jeugd? Die van de muziek, de sport, de vrijetijdsbesteding,- dat is zeker. Ga eens na, hoeveel tijd, energie, wilskracht, interesse en moeite ten koste worden gelegd aan die verovering…
Die drijfkrachten om te buigen naar een studie: dat is onze taak. En die verlicht je niet door het uitdelen van onvoldoendes. Men verlicht die evenmin door zelf door de stof heen te jagen (‘Veel onderwerpen in een beperkte tijd nogal diepgaand’ te doen bestuderen: het lijkt me bijna een verklaring van de onmacht van de docent!), gemakzuchtig en ongeïnteresseerd (of objectief)…

En nu,- waarom moet Klaas blijven? Omdat zijn moraal mij aanspreekt. Welke moraal? Deze, – van Nietzsche:

A: hoezo? Je wilt geen imitatoren?
B: Ik wil niet, dat men mij iets nadoet; ik wil dat iedereen zichzelf iets voordoet: hetzelfde wat ík doe.
A: Nou en-?

CN





NOTEN
  1. Evert Verschuur, leraar wiskunde aan het Lodewijk Makeblijde College in Rijswijk. Zie de inleidende verantwoording bij de Gele Vellen. ↩
  2. Lerarencode voor Jan Verstappen, leraar Nederlands op het LMC. Zie eventueel deze Brief aan Jan Verstappen. ↩
  3. Klaas de Vries, leraar natuurkunde. ↩
  4. Dit artikel is een eerdere versie van het in de Gele vellen geplaatste Mengelwerk, een reactie op een daar weergegeven artikel van natuurkundeleraar Klaas de Vries. ↩

Correspondentie Han Foppe (1985-1989) »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>