Start » Contraterrein (’71) » Notities bij werk van Harry Mulisch VI

Notities bij werk van Harry Mulisch VI

 

Bron: R.A. Cornets de Groot, Contraterrein, Nijgh & Van Ditmar, ‘s Gravenhage, Rotterdam, 1971, p. 147-150.
Over: Harry Mulisch, ‘elementaire beweging’.
[p. 147]

Een punt van overeenkomst in de twee novellen uit mijn vorige ‘notities’ is de onzichtbare getuige. In het eerste verhaal zoekt men naar de duiker, die zich tussen het publiek bevindt, en ook zichzelf daar waarneemt: een reflex van de sensatie zich in de spiegelruit van de tram te zien, – scherp, maar irreëel. De verteller maakt daar ook gewag van een wereld als wereld en van een wereld als ‘wezen’, om nu de terminologie van Roland Holst maar weer eens te hanteren, teneinde duidelijk te maken waarin het verschil ligt tussen het oude en het nieuwe Haarlem. In het tweede verhaal spreekt de onzichtbare getuige van die ‘wereld van het wezen’ uit tot Van Andel die nog in deze wereld is – en daar de mensen provoceert tot een gedrag dat afwijkt van hun gewoonte hem te negeren.
Mulisch’ kritiek hier is gericht op hen die zich ervoor inspannen de ‘wereld’ van het ‘wezen’ te scheiden – in de eerste plaats op de natuurwetenschapsbeoefenaars, die bomen herleiden tot houten groeisels met duizend schijfjes chlorofyl en mensen tot een combinatie van pezen, botten en strengen. Het is een motief dat ook in Archibald Strohalm al opviel (Frets), en dat later in ‘Keuring’ opnieuw wordt opgenomen, in het gesprek dat Sander Broodman heeft met de psychiater. Hoe krijgen we die elementen in de wereld van het wezen?

Een ander probleem dat identiek met dit zal blijken te zijn.
‘Ik schrijf als een alchimist: ik doe en word’, schrijft Mulisch in zijn ‘Zelfportret met tulband’ (Voer). ‘De “verhaaltjes” en de “essays”

[p. 148]

waaruit dit zelfportret bestaat, zijn een en hetzelfde ding.’ Maar kan iemand die niet bestaat een zelfportret met tulband schrijven? En hoe ziet het portret er dan uit? Mulisch beschrijft het op p. 209 van Voer: een rots, met een hoed. Evenals sergeant Massuro blijkt hij daar in steen te zijn veranderd, als beschrijft hij het proces er niet van, en al liet hij dat ook in het rapport over de verstening van Massuro na. Maar in ‘Chantage op het leven’ krijgen we te horen wat er – ongeveer – aan de hand is. Wetenschappelijk is de beschrijving niet, omdat het hier niet om ‘wereldlijke’ dingen gaat; maar ter zake!
Als Van Andel door zijn beroerte verlamd is, lezen we op p. 107: ‘je probeert je hoofd op te lichten, en probeert het nog eens, maar er kan geen sprake van zijn: geen schijn van beweging komt erin. Woedend grijp je er met je hand naar en wentelt het heen en weer. Je vinger om de kaken, je vingers om het voorhoofd… bereidwillig laat het alles met zich gebeuren, maar ligt als een steen zo stil wanneer je het loslaat’. Iets dergelijks al op p. 41 van dat boek, in ‘Oneindelijke aankomst’: ‘Ik zag de binnenkant van mijn wangen en bovenlip, – een donkere, roze schemering hing in mijn mond. Verder: pezen, botten, strengen. Steen.’
Het lichaam van Vesalius en steen: hoe valt dat te rijmen? Op p. 75 staat over Van Andel te lezen: ‘Alleen je gezicht begint langzaam uit te zakken, je wangen, je lippen, het vel onder je ogen, alsof alle spieren het begeven: zo word je al door de aarde aangetrokken…’ Er is geen twijfel aan, of Mulisch doelt hier op de ‘elementaire beweging’ die meteoren op de aarde te pletter laat slaan, – waardoor de aarde tot tegenaarde wordt. Het ziet ernaar uit dat de verschoppelingen, tot wie zeker Van Andel behoort, niet oplossen in het niets, maar over een vermogen beschikken de prima materia, waar hun lichaam uit bestaat, om te zetten in steen.

Parallel met deze ‘individuele’ problemen hoe over te stappen van deze wereld in die van het wezen loopt het vraagstuk in algemener zin. Globaal bekeken mag men zeggen dat in het klassieke Griekenland de technologische en economische ontwikkeling ten achter bleef bij de verworvenheden op intellectueel, filosofisch en politiek terrein.

[p. 149]

In deze tijd is dat net andersom. Mulisch schrijft erover in zijn Voer voor psychologen, p. 149: ‘De alchimisten waren de laatsten, en misschien de enigen, op wie de moderne klacht niet van toepassing is, dat “de geestelijke ontwikkeling is achtergebleven bij de technische”. () Was de “geestelijke oefening” niet losgeraakt van de technische, de wereld was tot deze resultaten (bedoeld wordt het vervaardigen van de atoombom en andere technische wonderen, RC) pas omstreeks het jaar miljoen gekomen. De wetenschap was nooit “exact” geworden en voor haar was blijven gelden, wat nog steeds geldt voor de niet-exacte filosofie (en literatuur): men ontdekt slechts, men kan slechts doen, wat men is (of niet is). Maar overgelaten aan zichzelf kon het technische denken een geweldig stuk van de weg afsnijden… () En daarom: hoe moet de mens hetzelfde stuk van de weg afsnijden om zijn techniek in te halen? Om haar ook te zijn (of niet-te-zijn)? Het antwoord is in Hiroshima gegeven.’

Roland Holst ziet een toekomst waarin de wereld een’ puinhoop zijn zal door vernieling, of een mierenhoop door ontzieling. Zowel hij als Mulisch zijn het erover eens, dat de mens als mythisch individu bij de computer als technisch individu achtergebleven is: zijn denken is geatrofieerd. De kloof tussen Xquiq en X-Eichmann moeten we zien te overbruggen; wanneer de techniek zich een bewustzijn ontwikkelt komt het erop aan dàt te pakken.
Dat is natuurlijk geen literair probleem, maar het aardige bij Mulisch is ook, dat hij meer beoogt dan het strikt literaire. De wezenlijke functie van zijn schrijven is een bres te slaan in de tradities van ons denken en leven. Zelf zegt hij in Voer, dat het in zijn boeken gaat om een ‘relatie tot zekere schokkende gebeurtenissen in de natuur en in de politieke of maatschappelijke realiteit, die echter niets met “beschrijvingen” te maken heeft’.
En voorts: ‘Dit alles wijst misschien op een principieel werken aan het probleem van de verhouding tussen verhaal en werkelijkheid, of beter: tussen “verbeelding”, “droom”, “fantasie” etc. en werkelijkheid. De relaties hiertussen pleeg ik voor mijzelf de elementaire beweging te noemen. Ik ben overtuigd van een zeer reële wisselwerking, welks verloop en wetten belicht kunnen worden.’

[p. 150]

In het Zesde Vandaag uit Zelfportret met tulband (Voer) heeft Harry een gesprek met zijn moeder over Freud, Oedipoes en Sofokles. – Ken je koning Oedipus van Sofokles?
Het gesprek loopt dood, en we krijgen het niet te horen. Maar Sofokles laat Jocaste zeggen: ‘Het is vele mannen in hun dromen ten deel gevallen zich deelgenoot van hun moeders bed te wanen; maar hij voor wie deze dingen onbeduidend zijn, leeft het gemakkelijkst…’ Na Freud kon Mulisch weten wat hem bewoog, en hij liet zich bewegen. De droom de vader te doden en de moeder te huwen leefde hij uit – niet in de werkelijkheid, maar in het geschrevene. Wat onbewust was, maakte hij zich bewust. Hij regeerde, de nieuwe, Oedipus, zonder zich de ogen uit te steken, en zijn ziener had de scherpste ogen van het land. De door deze mythe opgeroepen beweging kreeg hem niet in de greep, maar hij beheerste haar: hij kon, toen hij zich die beweging bewust was, met haar doen wat hij wou, en hij gaf haar gestalte: de val van een steen, de elementaire beweging: ‘Jammerlijk hij, die niet kan meedeinen in de elementaire bewegingen van het leven en de dood, die heen gaan door in zichzelf terug te keren en zichzelf hervinden door vaarwel te zeggen tot alles wat zichzelf toebehoort.’ Dat is Nietzsches eeuwige wederkeer. Maar in Archibald Strohalm: ‘Jullie moeten niet terug naar negers en zuigelingen. Maar wat bij hen onbewust is, moet bewust worden bij jullie.’ p. 193).
Dan gaat het er dus ook om het onbewuste zelf in het bewustzijn te brengen. Sergeant Massuro ging ten onder, omdat hij niet wist wat hij deed, toen hij de aarde openscheurde met zijn mes: dokter Mondriaan die sectie verrichtte op Massuro’s lijk weet het versteningsproces aan ‘een wroeging die onder de drempel van het bewustzijn gebleven is’. Misschien had hij gelijk; er was in ieder geval iets gebeurd: de luitenant, K. Loonstijn, die het rapport over Massuro’s lot schreef, besluit het met de woorden: ‘Hier en daar staan afdrukken van mensenvoeten in de aarde, maar in de ruimte erboven waait de wind.’ Daar is de mens onzichtbaar geworden: Massuro, de ‘strafsteen’, zoals ik hem maar noemen zal, werd de steen der wijzen voor Loonstijn. Massuro’s heilig huwelijk met moeder aarde was het alchimistisch proces, waar Loonstijn deel aan had, en waaruit, zoals men weet, de Steen ontstaat.

Notities bij werk van Harry Mulisch VII »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>