Start » Contraterrein (’71) » Notities bij werk van Harry Mulisch III

Notities bij werk van Harry Mulisch III

 

Bron: R.A. Cornets de Groot, Contraterrein, Nijgh & Van Ditmar, ‘s Gravenhage, Rotterdam, 1971, p. 130-136.
Over: Harry Mulisch.
Bewerking van ‘Apokrief en kanoniek (1). Aantekeningen bij het werk van Harry Mulisch’, in: Kentering, 9e jrg., nr. 1 (feb 1968), p. 17-22.
Omslagfoto van de oorspronkelijke publicatie.Omslagfoto van de oorspronkelijke publicatie.

[p. 130]

‘De man die het boek van de schrijver leest, die ervaart datgene, wat de schrijver heeft als hij de werkelijkheid bekijkt,’ zegt Mulisch tegen Nol Gregoor in woorden die nooit geschreven werden1, maar die het waard zijn om alsnog geschreven te worden. De wereld in de wereld is een andere dan de wereld in het boek. In de wereld in het boek werd de wereld in de wereld geconserveerd. Wat hopeloos voorbij zou zijn gegaan zonder de schrijver, werd aan de vergankelijkheid ontroofd. Een moment werd vereeuwigd, een stukje ruimte. Schrijven is een beetje hetzelfde als fotograferen, met dit verschil dat schrijven ook buiten de zichtbare objecten kan: ‘Iedere kunstenaar,’ denkt Akelei uit Het zwarte licht, ‘is een soort neger, – met stilte om zich heen.’ Of ook: ‘Een leven, omgeven door het volstrekt onbekende.’ En Corinth, terugdenkend aan zijn jeugd: ‘De enige die ging in de heldere ruimte, altijd de enige.’ Het ‘één tegen allen, of allen tegen één’ noemt Mulisch in een gesprek met Nol Gregoor zijn thema. Het is het thema van Archibald Strohalm, Akelei, Corinth, van Tanchelijn, ‘die eindigde met zichzelf tot God uit te roepen’, maar van Sander Broodman uit ‘Keuring’ (De versierde mens) vooral:, ‘Niks christendom!’ zegt de soldaat tegen de officier die hij met een pistool bedreigt, ‘God worden! En nu vervoegen! Ik word God, jij wordt God, wij worden God, zij worden God…’

1) Inleiding Nol Gregoor, In gesprek met Harry Mulisch, Amsterdam, 1965.

[p. 131]

Het stenen bruidsbed, zegt Jan Hein Donner in zijn artikel over dit boek van Mulisch (Podium, jrg. 1960/1961, nr. 4, p. 60) is geen boek voor lezers, maar voor schrijvers. Donner drukt zich ongelukkig uit. Het is een boek waarin het geschrevene – de wereld in het boek – voor velerlei uitleg vatbaar is. Daarom mag er aan het geschrevene niet getornd worden.
Krschowsky heet een onzichtbare figuur in dat boek.
Xquiq heet de vader van Quauhquauhtinchan.
X-Eichmann staat er in De Zaak 40/61, p. 136.
Schrijven is beter dan zeggen. Een letter zegt immers ook meer dan een klank, onder bijzondere omstandigheden.
Karl Viktor Kurt heet Harry’s vader. Maar zo noemt hij zijn vader nooit: die heet voor hem K.V.K.
En Schneiderhahn? Een naam die dit verborgen houdt in dertien alchimistische letters: Hein, D..ner, schah. Een duidelijke verwijzing naar het achtste Vandaag uit ‘Zelfportret met tulband’ (Voer). Alexander Schneiderhahn heet deze man die zijn initialen gemeen heeft met Alice Schwarz, de naam van de moeder van Harry Mulisch. Ik ben zo vrij om in de verzelfstandiging van de letter en van het leesteken een opstand te zien van de vluchtige klank, die bevestiging zoekt – een parallel met Sander Broodman en andere usurpatoren van de troon Gods.
Het eerste hoofdstuk van Het stenen bruidsbed heet, en de haakjes eromheen horen erbij: (Maar zonder emotie).
De eerste zin ervan gaat zo: ‘Een mens werkt, vrijt, slaapt, eet – en overal op aarde wordt inmiddels alchemie bedreven met de dertien letters van zijn naam’ (het gaat hier over Norman Corinth). Orthografie en leestekens maken wezenlijk deel uit van Mulisch zijn expressiemiddelen. In ‘Oneindelijke aankomst’ staat ergens het woord ‘dwangarry’, dat gezegd wordt door een door echowerking gestoorde grammofoon. Er is geen enkele reden om dit woord, dat zuiver klankweergave is, niet als dwangarri{e) te spellen. Maar juist die y is zo veelzeggend hier, want daaraan zien we dat dwangarry te maken heeft met ‘dwang’ en met ‘Harry’: die y maakt associaties los, die anders waren blijven slapen.
Mulisch heeft belang bij de letter, bij het woord als combinatie van

[p. 132]

letters; hij heeft geen belang bij het gesproken woord, dat voorbijgaat. Het geschreven woord is vereeuwigd.
Xquiq – een woord dat niet bestaat. Dat samengesteld werd uit letters die iets te verbergen hebben; X: het onbekende. Quiq – kwik: Mercurius. Xquiq: de god in het onbekende. Het is het beste het raadsel te vergroten, zegt Mulisch in Voer. En tegen Gregoor zegt hij: ‘De psychologie doet haar uiterste best het te verkleinen.’

Norman Corinth, Archibald Strohalm en Tanchelijn: allen doen ze tegen de buitenwereld. Het één tegen allen brengt dat ook met zich mee. Ze scheppen hun wereld en zij vernietigen die met zichzelf daarbij. Wie God wil worden kan misschien ook niet anders, en God worden willen ze allen, d.w.z. het hogere dat ze voorzweeft, realiseren. Mulisch spreekt hier en daar over de opdracht die ieder mens te vervullen heeft, maar die in het onbekende huist, zodat niemand weet welke opdracht hij te vervullen heeft. Maar allen hebben ze een idee van een strikt persoonlijke godheid met wie ze zich vereenzelvigen willen. Zo heeft Akelei zijn neger, Corinth heeft op zijn minst een Homerus, Strohalm zijn boom Abram, en Tanchelijn Godzelf als ideaal om naar te streven, – een onbereikbaar ideaal. Op hun weg daarheen is geen hinderpaal ze te veel. Maar ze mislukken allemaal, op Akelei na. Akelei wiens dood samenvalt met de ondergang van de wereld is de enige die door tegenspoed gelouterd wordt. Alle anderen gaan a.h.w. te vroeg dood. De wereld doet nog niet met ze mee, de wereld overleeft ze, en staat ze naar het leven. Dat kon bij Akelei niet. Maar Akelei deed ook niet tegen de buitenwereld, en àls hij ertegen had gedaan, dan nam hij later, door zich uit die wereld terug te trekken in een soort van kluizenaarsbestaan, die daad weer in zichzelf terug. Met hèm deed de wereld mee. Ze stierven samen. Zij rusten in vrede.

Tussen Akelei en de anderen bestaan dus een paar verschillen. Ook de anderen gaan ten onder, mèt hun, maar niet met de wereld. Geen hunner neemt de daad tegen de wereld in zich terug. Maar geen hunner schuift ook de verantwoordelijkheid voor wat ze deden op anderen af, of verkoopt smoesjes wanneer alles anders uitpakt dan ze

[p. 133]

geloofden. Zij waren zelf verantwoordelijk, en wilden dat blijven. Hun enige fout was hun doen.

Eichmann deed tegen de wereld. Het één tegen allen, deze romantische visie door Mulisch op hem geënt, en niet zonder goed motief, plaatst ook hem boven de mensen: een lotgenoot van Corinth, Strohalm en Tanchelijn. Hij schiep zich zijn eigen wereld, Eichmann, maar die werd buiten hem om vernietigd: het eerste verschil. Ook hij wilde God wel worden, d.w.z. het hem voorzwevende ideaal verwezenlijken: het Woord, das Befehl. Toen ging ook hij ten onder, maar zonder de daad tegen de wereld ongedaan te hebben gemaakt. En toen hij ter verantwoording geroepen werd, goochelde hij Kants categorische imperatief te voorschijn: een smoesje: het tweede verschil. Kàn men Eichmann vergelijken met Corinth en de zijnen?

In Voer voor psychologen geeft Mulisch ons de goede raad: ‘doe niets en let scherp op.’2) Niets doen is voldoende om de mensen tegen je in het harnas te jagen. De klappen die je daarbij oploopt, dat ben jij3) (tat tvam asi).

Wie is Harry Mulisch? Wanneer hij ziet dat de kritiek hem vergelijkt met W.F. Hermans en G.K. van het Reve somt hij verschillen op: hij vormde zich zijn ‘definitieve’ wereldbeeld (dit gebeurt gewoonlijk in de periode van het 12de tot het 17de levensjaar) in de oorlogstijd, en dat is bij de twee andere schrijvers dus anders. Later schrijft hij: ‘Ik ontdoe mij van de waan dat ik besta.’ Hij bestaat niet, hij doet niet, hij voorspelt de ondergang van de wereld die nabij is, de oplossing in het niets, de uitstorting van Vingerlings Abrovi over alles en allen: de vrede. Mulisch lijkt het meest op Akelei. Maar heeft zijn zelfportret iemand die van anderen verschilt doordat hij in een bezet land dat wachtte op bevrijding opgroeide – ook werkelijke ‘portretwaarde’? Of is het alleen maar een beeld dat ons gevoel voor analogie bevredigt:

2) Voer voor psychologen, Amsterdam, 1961, p. 9.
3) Als onder 2.

[p. 134]

bezet land en de waan te bestaan, bevrijding en de verlossing uit die waan?
Bij alle verschil in talent tussen Da Costa en Harry Mulisch wil ik me het volgende toch niet graag laten ontgaan:
Isaäc da Costa, 1798-1860, telg uit een Portugees-joods koopmansgeslacht te Amsterdam, vormde zich zijn ‘definitieve’ wereldbeeld tussen zijn 12de en 17de jaar, dus van 1810 tot 1815: in een bezet land, te midden van de vernieling, in de hoop niettemin op een bevrijding. Z.i. was in zijn dagen de uiterste grens van verwijdering tussen God en mens bereikt.
De eenheid in God was in Nederland, zowel als in Europa, gebroken, en redding kon nu alleen nog maar komen van de Messias, die dan ook door deze dichter spoedig werd verwacht, en wel in Nederland, dat daartoe immers uitverkoren was (Akelei, Mulisch, Tanchelijn en Lou).
In 1823 – hij is dan 25 jaar oud – verschijnt zijn fel bestreden geschrift Bezwaren tegen de geest der eeuw. Te verdedigen was zijn visie niet, althans niet op het laag bij de grondse niveau van zijn critici. Van zijn overwolks niveau af was polemiek zinloos: zijn tegenstanders zouden zich hebben moeten verplaatsen naar een wereld waar ze heg nog steg kenden. Zijn ‘romantiek’ was geen vlucht in het verleden (of in de ruimte: hij bleef immers altijd in Nederland of Israël, maar wat is voor hem het verschil?) maar het wachten op de spoedige komst van de Messias.

Mulisch’ commentaar hierop: ‘Ja, dat is wel gek!’
Maar ook hij met zijn onbekende opdracht richt zich op de onbekende toekomst; hij wordt er trouwens kriegel van, zoals Gregoor zegt, wanneer men hem naar de oorsprong vraagt en naar de oorzaak van zijn doen en laten. Voor zover hij er zich zelf over uitlaat – de puberteit, de oorlog en de bevrijding – schijnt met dergelijke ervaringen en ideeën, zij het met minder gaven.
Het kan niet anders, of zoals God Tanchelijn als voorbeeld voor ogen staat, waardoor ook voor hem de toekomst zo belangrijk werd dat hij er het verleden voor ontkennen kon, zo zweeft Mulisch een beeld voor, – dat van Hermes Trismegistus. Tussen Eichmann en Hermes staan

[p. 135]

de andere figuren: Corinth, Strohalm, Tanchelijn, die zowel van Eichmann als van Hermes iets hebben, en Akelei, die Hermes het meest nabij is. Dat de andere figuren een deel Hermes, en een deel Eichmann zijn, kan men zien aan bijv. Corinth. Corinth-Hermes: de zangen; Corinth-Eichmann: de bommenwerper. En zelfs Eichmann heeft twee gezichten in één: dat van Hermes: de ziende getuige, dat van hemzelf in het kwadraat…
Maar dat betekent alleen maar dat Eichmann niet de werkelijke tegenpool van Hermes kan zijn. Die tegenpool immers moet ondeelbaar zijn: zolang iets nog in delen uiteen kan vallen, zolang staat het onder controle van de god der veranderingen. ‘Er is geen enkele reden dat iemand de ene dag dezelfde zou zijn als de vorige. Of als de vorige seconde. U kunt over een minuut in een krankzinnige veranderd zijn, of in een kangoeroe, of ineen brandgeur. En de wereld bestaat ook niet. Ik kan buiten komen en zij is verdwenen. Alles kan. Geleerden ontsluiten een silurische formatie en vinden er een locomotief in.’ Dat is niet de dronkemanspraat van Corinth in het befaamde debat met Schneiderhahn.4) Dit is dronkemanspraat van niemand, in Het zwarte licht.5)

Wie, of wat is de Eichmann-in-het-kwadraat, en hoe is hij te overwinnen? Op de eerste vraag geeft De zaak 40/61 antwoord. Op de andere vraag moeten we het antwoord zoeken. Laten we beginnen met het eenvoudigste.
In zijn Eichmann-boek noemt Mulisch Eichmann ‘het ideaal der psycho-techniek’, d.w.z. de juiste man op elke plaats. De man die precies doet wat er van hem verwacht wordt, zonder dat hij er vervelende vragen over gaat stellen. De blindelings gehoorzame slaaf, de machine, het mechaniek dat reageert zoals het reageren moet, omdat het niet anders kan, omdat het daartoe is gemaakt. Hij is de mechanische mens, de homunculus, een van de dromen der alchimisten, maar hij loopt bij bosjes rond en hij is vrij. Hij is de levende dode, die, zegt Mulisch ‘de machine schiep naar zijn evenbeeld’. Op hem

4) Het stenen bruidsbed, Amsterdam, 1959, p. 49-53.
5) Het zwarte licht, Amsterdam, 1956, p. 81.

[p. 136]

berust grotendeels onze maatschappij. Hij is het die het telkens weer zegt: Eid ist Eid, Jud ist Jud, Befehl ist Befehl. De input is gelijk aan de output: IS is IS. Eichmann in het kwadraat was een levende computer. En hij is niet de enige.

In Zelfportret met tulband (Voer) vertelt Mulisch een mythe, de mythe van Oidineus en de Computor. De Computor stelt iedere voorbijganger dezelfde vraag: wat is de mens? Wie niet het juiste antwoord geeft, wordt op staande voet geliquideerd.
Oidineus komt eraan, en krijgt het raadsel op. Met dieven vangt men dieven. Oidineus denkt na, drie dagen lang. Dan geeft hij het antwoord, het juiste en het luidt: ‘Wat is de mens?’ Op het moment dat de Computor dat hoort, siddert hij en valt sissend en brandend ineen. ‘Wat is de mens’ is ‘Wat is de mens’. Maar Oidineus werd een machtig heerser en zijn Teiresias had de scherpste ogen van het land. Ieder mens, en dus ook Eichmann, heeft die kanten in zich: de beul en de getuige, het doen en het zien. Ieder mens is ergens een Xquiq, ieder mens is ergens een X-Eichmann, maar welke kant overheerst? Tussen Computor en Hermes bewegen zich Mulisch’ mensen, de Corinths, Akeleis en Tanchelijns. Men kàn Eichmann met Corinth en de zijnen vergelijken, – we moeten de spiegel in de gaten houden, zegt Mulisch. En zijn mensen, ik. Want het heeft iets van een verlichting te zien wie er dicht bij Hermes staat en wie bij de Computor…

 

Notities bij werk van Harry Mulisch IV »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>