Dirk de Witte: Lucebert of de kwadratuur van het woord

Door: Dirk de Witte.
Bron: Nieuw Vlaams tijdschrift, 21e jrg., nr. 6 (juli-aug 1968), p. 611-620.
Reactie op: Taal voor ontschoolden, over Lucebert, ‘Horror’, in: Lucebert, Verzamelde gedichten, Amsterdam, 2002, p. 44.

[p. 168]

zoek de mens

De letterkundige analyse van Cornets de Groot opent zich een nieuwe wereld achter de deuren van het gedicht, die ons doet denken aan de wereld uit Le Matin des Magiciens, een wereld vol UFO’s, parapsychologische en alchimistische elementen. Ik zeg dit alleen om de sfeer te omschrijven die me in het werk van Cornets de Groot trof: we weten immers hoe afwijzend Cornets de Groot staat tegenover de “alchimie” van Pauwels en Bergier (De Zevensprong). De verdienste van dergelijke werken is echter, dat ze ons duidelijk maken, dat het schijnbaar duidelijke niet steeds zo evident is, en het schijnbaar onverklaarbare niet steeds zo irreëel als men meent.
Dat is ook de verdienste van letterkundige analyses zoals Cornets de Groot ze beoefent, o.m. in het Nieuw Vlaams Tijdschrift, nr. 6 van de 21ste jaargang, waarin hij het gedicht Horror van Lucebert ontleedt. Dit gedicht roept bij een eerste lezing een bezoek aan de kapper op, maar Cornets de Groot trekt dit gedicht door een vernieuwende analyse in een meer pastorale sfeer. Deze analyse van associaties is voor hem zoveel als “meedichten” en aan het licht trachten te brengen wat verzwegen werd. Hij biedt dan ook een aantal belangrijke sleutels voor een àndere dan een voor de hand liggende verklaring van het gedicht, en deze interpretatie berust op niets anders dan een verruimen van onze gebrekkige taalkennis waardoor onze associatiemogelijkheden beperkt blijven. Het is immers evident dat een beperkte woordenschat leidt tot het inkrimpen van het associatieveld. Associatie is immers niets anders dan de machtsverheffing van het aantal en het is klaar dat de basiswoordenschat in het kwadraat slechts een beperkt poëtisch taalspel mogelijk maakt.

[p. 169]

Dat ik me hierbij op het standpunt stel dat poëzie “een in het metafysische geankerd spel van woorden” is, een standpunt dat ik wel moet innemen wil ik Lucebert lezen, wil niet zeggen dat dit meteen een appreciatie van deze opvatting inhoudt.
De verklaringen van Cornets de Groot in het N.V.T. leken me echter verre van volledig en er bleven nog te veel blinde vlekken achter om het gedicht in zijn totaliteit te begrijpen. Ik had ook opgemerkt, dat Cornets de Groot een paar naar mijn smaak foutieve of onvolledige associaties maakte en ik kon geen vrede nemen met de wel leuke, maar m.i. weinig ter zake doende pastorale perspectieven die de naam van een paar kruiden volgens Cornets de Groot aan het gedicht zou moeten geven.
Elke andere poging tot verklaring echter bleek te blijven vaststeken in de kappersstoel – ik kwam er niet uit, en Cornets de Groot wél. Dat de wandeling van Heer Horror volgens Cornets de Groot met zelfmoord moest eindigen, was voor mij nog een reden te meer om dit vast en zeker niet heldere gedicht te gaan ontsleutelen. Ontsleutelen veronderstelt echter dat men een sleutel heeft. En aan de mededeling van d’Oliveira, dat Lucebert een nogal consequent gebruik maakt van Van Dales Groot Woordenboek, had ik maar evenveel als Cornets de Groot.
Toch vond ik de sleutel. Ik zou hierbij willen citeren wat H. Uyttersprot zei aan de reporter van Der Spiegel die hem kwam interviewen in verband met zijn chronologische vondsten in Kafka’s werken, die tot een herordening zouden moeten leiden: “Wie eine Kuh einen Hasen fängt…”.
Cornets de Groot waarschuwt de lezer voor de valstrik die Lucebert spant, maar hij loopt terzelfder tijd in een andere, een van de zovele als er woorden in het gedicht staan. De sleutel werd door Lucebert onder de mat gelegd, en op de deur hing hij een briefje: “Sleutel ligt onder de mat”. Cornets de Groot heeft Lucebert niet geloofd en heeft het ongetwijfeld een goede grap gevonden. Hij is op eigen houtje aan het slot beginnen te peuteren en heeft daardoor wel een (verbazend) aantal combinaties opengekregen, maar lang niet alle. Dat ik evenmin de code had gevonden, indien Cornets de Groots gesleutel niet een uitdaging voor mij had betekend, is zonder meer duidelijk. Wàt men deze essayist ook meent te moeten verwijten, in ieder geval kan men niet zeggen dat hij niet evenveel of zelfs meer tijd aan het lezen van het gedicht wil besteden dan de dichter aan het maken

[p. 170]

ervan, wat niet van ieder lezer of criticus kan gezegd worden.
De sleutel is de opdracht die het gedicht voorafgaat: VOOR Z.H. GREGORIUS VII.
Een zo sublieme nonsens kan niet anders dan zin hebben. Bij Lucebert moet men de zin in de onzin zoeken. De woorden worden immers soms in hun negatieve macht verheven, en dat minuscule teken is zo moeilijk te zien, dat bijzienden best hun bril bij de hand houden, zoals men ook Van Dales Groot Woordenboek bij de hand houde, als men zou twijfelen aan onze procedure. Misschien is het niet nodig, misschien heeft de lezer een zo grote woordenschat dat hij het woordenboek kan missen. Waarvoor wij hem alvast benijden.
Gregorius VII was een Paus die de investituurstrijd uitlokte en die Hendrik IV tot zijn reis naar Canossa dwong. Zoals men weet betekent “naar Canossa gaan” het hoofd in de schoot leggen, zich onderwerpen. Dat dit gedicht het gedicht van de onderworpenheid zal worden is wel duidelijk.
De Italiaanse Paus had althans deze Nederlandse toets, dat hij, vóór hij de naam Gregorius droeg, Hildebrand heette. Beide namen betekenen ongeveer hetzelfde: de waakzame en strijdzwaard. Moedig en waakzaam alleszins. Twee noodzakelijke deugden. De Hildebrand die wij kennen was echter geen strijder, integendeel: het is de man die, met de kopieerlust des dagelijkschen levens hem eigen, het type van de kleinburgerlijke Hollander op zijn smalst beschreef in zijn Camera Obscura – de schuilnaam van Nicolaas Beets dus, die zelf zijn “romantische” jeugd verraadde en kerkbedienaar werd van een kleinburgerlijke negerij.
HORRENT admotas vulnera cruda manus: rauwe wonden vrezen de aanraking der handen.
HORRESCO referens: het vermelden alleen al bezorgt (Lucebert) rillingen.
HORRIBILE dictu: verschrikkelijk om te zeggen misschien, toch over zijn eigen landgenoten, maar ondanks deze HORROR moèt het toch maar eens gezegd worden.
Heet het gedicht daarom HORROR? Is die kleinburgerlijke Hollander met zijn kleinburgerlijke moraal en hebbelijkheden niet een “HORROR” voor Lucebert?
Ongetwijfeld. Maar het is weinig waarschijnlijk dat de dichter deze associatiepaden heeft bewandeld. Het is ook onwaarschijnlijk dat hij van oordeel was, dat de Hollan-

[p. 171]

der leefde in een HORROR VACUI, een vrees voor de ledige ruimte, en daarom nodig alles moest volstoppen waar hij iets leegs vond. Zodat heel Holland bedekt was met de luiers van de steeds aangroeiende bevolking: niet alleen stopte hij de voorhanden zijnde ruimte vol, maar met de gevolgen van die daad vulde hij negen maanden daarna ook de nog overblijvende vrije ruimte in Holland op. De woningnood, die nog zeer acuut is in Nederland, is o.m. het gevolg van een sedert de tweede wereldoorlog plotse sprong der geboortecijfers. Misschien zag Lucebert het al in zijn verbeelding: heel Holland vol luiers, het land overrompeld door werkeloosheid en de stoepen versleten door bedelaars. Maar toch blijft alles kraaknetjes: je kan er van de stoep eten, want alle dagen worden ze gelapt – een wél overdreven huiselijke bezigheid.

op een hoek bedekt hij met de kinderdoeken 
al de afgelapte bedelstoepen. 

Maar er is een zekere dubbelzinnigheid in de houding van Beets, van Hildebrand, van deze symbolen van Hollandse kleinburgerlijkheid. De dubbelzinnigheid van de bourgeois die de voortplanting niet met erotisch genot kan (wil, mag) verbinden, en daarom een avontuurtje zoekt.
Die Hollander, met zijn Horror vacui (én terzelfder tijd zijn Horror Coeli) noemt Lucebert dan ook terecht HEER HORROR, iemand die met de horreurs van zijn eigen schaduw geplaagd zit. Voor wie deze associatiereeks, die zéér spontaan is ontstaan, niet volstaat, wil ik een andere reeks samenstellen, die wél gemaakt werd door de dichter, of althans met veel kans op zekerheid dat vermoeden wettigt, omdat we voor deze associaties beroep kunnen doen op een instrument dat ook Lucebert heeft gebruikt: Van Dale.
Ik wil hierbij opmerken, dat een dergelijke reeks associaties niet noodzakelijk met behulp van een woordenboek hoeft tot stand te komen, maar dat ze het gevolg kan zijn van een soort van “spontane generatie” bij iemand die een zo uitgebreid aantal begrippen in zijn hersenschors opstapelt als er woorden in het woordenboek staan. Wat misschien geen realiteit, maar toch een mogelijkheid is. Het is evident dat er gradaties in woordkennis zijn, die een aantal associaties mogelijk maken die in lagere taalgradatie niet kunnen gemaakt worden. Beeldspraak – àlle beeldspraak – berust op dergelijke associatiemogelijkheid, en de beelden van de dichter (die nog niet eens een hermetisch dichter

[p. 172]

hoeft te zijn) zijn voor de niet literair-geschoolde of -geïnteresseerde vaak onverstaanbaar.
Van Gregorius VII tot Beets is een stap die iedereen kan volgen die op de hoogte is van Literatuur en Geschiedenis. Dat dit bij velen niet zo is, is niet de fout van Lucebert die dit misschien wèl wist.
De associatiereeks maakte ons niet veel wijzer, dan dat dit gedicht een kritiek zou kunnen bevatten op de Hollandse kleinburgerlijkheid die in Beets werd gepersonifieerd door Lucebert, en dat de bekrompenheid gehekeld wordt van een zelfgenoegzaam ras, dat bloosde om een scheurtje in de broek en niet graag het gezicht verloor – een hypocriet en kleinburgerlijk ras, dat wel gehekeld werd door Beets toen hij nog student was, maar in Hildebrand zelf al het bewijs levert van eigen futloosheid en laffe burgerlijkheid: nergens kiest hij partij. Sivirsky merkt terecht op, dat Beets’ kritiek niet eens gevaarlijk was, dat er heel wat goedkope grapjasserij en pedanterie maar in feite geen waardevol engagement onder dat gebadineer schuilging. Met Multatuli vergeleken, een ongevaarlijke gillende keukenmeid.
Maar hoe geraken we van Beets verder in het gedicht? Hoe geraken we van Beets naar Horror? De associatie is niet eens moeilijk! Dat Beets zelf schuilging onder de naam Hildebrand vindt zijn verklaring in het feit dat de antroponymie de namen Hildebrand-Gregorius-Beets drie dezelfde betekenissen geeft – de waakzame, strijdzwaard, strijd: Beets is een patronymicon uit Beet (van Bete Betto: Beets, Bets).
Als we nu eens afstapten van de antroponymie en “Beets” omvormden tot “beets”, genitief van beet? Het is een gewaagde veronderstelling, maar we zullen zien hoe ver ze ons brengt. Beets – genitief van “beet”. Daarmee maken we beets tenslotte tot sleutelwoord van het gedicht.
De beet van een schorpioen, zo leert Van Dale ons, is gevaarlijk. Inderdaad: de schorpioen is ook een gesel, en de bijbel spreekt van “een smartelijk wondende gesel” en “met schorpioenen geselen”. Een gesel is tevens een zwaar onheil of ramp die een land bedreigt, een vreselijke plaag. De kinderplaag bij voorbeeld, wat wél Luceberts, maar NIET Beets’ opvatting kan zijn:

Hoe heerlijk is het kind met lachjes op de wangen

zingt Hildebrand Victor Hugo in vertaling achterna, en ook:

[p. 173]

Bewaar mij, Heer! mij en mijn broedren, en mijn vrinden, 
en hen zelfs, die een lust in mijne tranen vinden, 
indien er zulken zijn misschien! 
dat zij nooit zomertijd, aan bloemen arm, bejammeren, 
of bijenloze korve, of schaapskooi zonder lammeren, 
of kinderloze woning zien! 

Een vreselijke plaag inderdaad. Maar Lucebert verheft Beets’ afschuw in de negatieve macht!
Van vreselijk worden we naar ijselijk verwezen, van ijselijk naar afgrijselijk. En daar ontmoeten we opnieuw BEETS in Van Dale, en dan nog wel met een citaat: “dat afgrijselijk dikwijls herhaald gevraag”.
Van afgrijselijk, gruwelijk, verschrikkelijk, kan elk mens met een minimum woordenschat gemakkelijk overstappen naar horribel en horreur. Bij “horreur” worden we verwezen naar “afschuw”, en daar ontmoeten we andermaal BEETS: “Gij hebt van de boom der kennis gegeten, en ge zijt u zelf een afschuw geworden”. Weer een citaat van Beets. Kan dit verklaren dat Lucebert vertrok bij het woord HORROR en op die manier naar Beets werd geleid? Dat hij vandaaruit de weg begon die wij dus in feite teruggingen? In ieder geval, wie nu nog gelooft, dat Beets niets met het gedicht te maken heeft, dat Hildebrand en Heer Horror niet een en dezelfde persoon zijn, wie nu nog in het toeval gelooft, verwijs ik naar kaart en koffiedik.
Wie deze sleutel wél aanvaardt, moet met Cornets de Groot toegeven, dat dit gedicht maatschappijkritiek bevat, en dat het gedicht vanuit deze kritiek verklaarbaar moet worden, ik kan het er echter niet mee eens zijn, wanneer Cornets de Groot het engagement situeert in de rassenproblematiek. Neen – Lucebert blijft wel heel zeker in Nederland met heer Horror-Hildebrand-Beets.
Zoals de violist zou elk criticus, die tenslotte toch slechts een interpretator is, met het colofon moeten beginnen. Wie de sleutel BEETS aanvaardt, ziet daar tot zijn verwondering en geruststelling, dat deze dichtbundel zó Hollands is, dat hij gedrukt werd op een papiersoort die de benaming “Beets” draagt, en wie vlug even narekent, komt tot de constatatie, dat het gedicht, dat op blz. 41 staat van de 81 bladzijden tellende dichtbundel, CENTRAAL staat in de bundel, de spil ervan uitmaakt: er komen welgeteld 40 bladzijden vóór en 40 bladzijden nà. (Jaja, telt u eens op de vingers na!) Ook de titel wordt meteen verklaarbaar:

[p. 174]

apokrief de analfabetische naam. Lucebert kon moeilijk zijn bundel de titel “De Nederlander” meegeven… Moet misschien de hele bundel vanuit dit gedicht ontsleuteld worden? Ik geloof het niet, althans niet vanuit het sleutelwoord Beets. Wél misschien vanuit een andere associatiereeks die naar “Lucebert” zou kunnen leiden (waarbij men ongetwijfeld rekening zal moeten houden met de fugatische bewerking van de naam Lubertus van Swaenswijk; ik kan alvast zeggen dat Lubertus ontstaan is uit liud en bert: de schitterende, stralende uit het volk, de wijd vermaarde).
Bovendien kàn het gedicht niet de sleutel zijn voor de hele bundel, als men in aanmerking neemt, dat achteraan in de analfabetische naam wél namen voorkomen. Namen van beeldende kunstenaars. Namen van mensen die wél een naam dragen, wél een persoonlijkheid hebben. Op al de andere gedichten kan men misschien de inleiding tot de Camera Obscura toepassen en zoeken naar “een neus van Herinnering op een gezicht van Verbeelding”. Lucebert zelf? Net zoals de Camera Obscura geschreven werd door een “Anonymus in libro non edito”?
Laten we toch maar trachten met deze sleutel het gedicht te ontcijferen.

Savonds gaat heer horror uit 
(Hij pienkt aan de ladies, hij pienkt aan de poem) 

Heer Horror Hildebrand gaat savonds uit en werpt knipoogjes naar de meisjes. Heer Horror op vrijerssokken. Heer Horror rijdt met kaas rond. Maar Heer Horror Beets is ook een dichter: hij werpt ook knipoogjes naar de dichtkunst, naar de muze, naar de poem, “the poem”. Dit Engelse POEM is niet alleen opgenomen om de versregel een parallel verloop te geven, maar ook omdat Beets inderdaad aanvankelijk verliefde knipoogjes wierp naar de Engelse Romantiek van Byron. Hij vertaalde Byrons Dun Juan (!) en veel van zijn jeugdwerk ontstond onder invloed van Byron. Heer Horror Beets zou zelf wel zo een avontuurlijk leven als Byron en Don Juan gehad willen hebben – helaas was Beets een braaf theologant, voor wie Byron en Don Juan niets dan wensprojecties zijn gebleven, zoals de hele Nederlandse Romantiek niets anders is geweest dan een flauwe afstraling van wat in het buitenland op dat ogenblik gebeurde.
Gregorius VII – Hildebrand – Beets – Byron – Don Juan: een logisch uit elkaar voortvloeiende reeks namen. Wat zegt Van Dale zoal over die Don Juan? (Onder de

[p. 175]

rubriek Lady- hadden we hem al kunnen ontmoeten: lady. killer: don juan.) Op het alfabetisch hem toegewezen plaatsje wordt hij omschreven als “iemand die dames het hoofd op hol brengt, vrouwenverleider”. Houden we er rekening mee dat Lucebert graag in de negatieve macht verheft? Vrouwenverleider ontbreekt echter in Van Dale. Het plaatsje na vrouwenvereerder en vrouwenverkrachter bleef open… Dat het gedicht wel iets met vrouwen en liefde en Venus te maken heeft is toch al wel duidelijk geworden, en het is geraden de rubriek vrouwen- in het oog te houden. Inderdaad: onder de rubriek vrouwen- treffen we vrouwenspiegel aan en we worden verwezen naar Venusspiegel. Beide woorden zijn termen uit de botanica en maken de twee volgende versregels duidelijk:

waarom geeft het witte kappersruit 
Heer horror niet de spiegels van een duit. 

Klinkklare onzin zo op het eerste gezicht. Maar hoeden we ons voor onzin bij Lucebert!
De Venusspiegel is een bloem die vrij algemeen wordt aangetroffen en dus zeer goedkoop is: het zijn bloemen van een duit.
De grammaticale functie van Heer Horror kan tweevoudig zijn: onderwerp (en dan wordt het witte kappersruit meewerkend voorwerp) of zelf meewerkend voorwerp (en dan wordt kappersruit onderwerp). Heer Horror moet echter helemaal geen bloemen krijgen, maar bloemen geven! Wat mag dat kappersruit dan wel zijn?
Ook het lijstje samenstellingen met Venus- moeten we in het oog houden en we vinden er een hele reeks bruikbare associaties die we alvast noteren:
– Venusbekken: wilde kaardebol – kaardedistel
– Venusberg: muis van de hand
– Venusdienst: wellustig leven
– Venusdier: een hoer.
Venusbekken kan wel zonder behulp van het woordenboek worden verklaard: het bekken van Venus, de schoot der liefde; “aan of in het bekken zijn, betekent: in het openbaar geveild worden, en dat we dat “veil” nog nodig hebben zal later duidelijk worden. Met Venusbekken houdt Lucebert het wapen van de ambiguïteit van de taal stevig in de hand, en hij zal het dan ook vanuit deze ambiguïteit gebruiken. Allereerst: waarom werpt Heer Horror niet een paar goedkope bloemen in de schoot van Venus?
Venusbekken echter is ook een andere naam voor de

[p. 176]

wilde kaardebol, de kaardedistel of het ruiterkruid. De kaardedistel werd gebruikt om wol te kaarden of oppervlakkig te kammen. Kammen is echter een typische aangelegenheid voor kappers. Een ruiter kon met een distel niets beginnen. Een kapper wel. En daarom wordt dat ruiterkruid kapperskruid, en omwille van de klanksymmetrie kappersruit, waarbij we óf fonetisch op een dwaalspoor geleid worden óf in het spoor van een latere associatie gebracht (het raam uit de laatste strofe; ook de ruiter komt verder terug in het woord rosser). Werd Lucebert misschien ook nog geleid door de studie die P.H. Ritter Jr. in 1939 over Beets schreef en die de titel droeg: Een kapper over een professor?
Toch werkt dat “ruiterkruid” ook nog naar een andere associatie toe. Ik kan beamen wat Cornets de Groot opmerkt: “Het eerst geschrevene bepaalt in hoge mate wat aanstonds geschreven zal worden, en het aldus ontstane complex van klank en ritme en betekenis is weer bepalend voor wat daarna geschreven gaat worden”. Daardoor is het mogelijk (en noodzakelijk) het gedicht niet louter lineair te lezen, maar met de mogelijke regressieve werking der gedachtensprongen rekening te houden. Tenslotte weten we inderdaad niet welke versregel eerst tot stand kwam.
Ruiter = iemand die op een paard, een ros rijdt, en wild rijden is rossen: “rossen en rijden”.
Dat Horror een ruiter is, een rosser, vinden we inderdaad in de voorlaatste versregel: horror rosser, en nog eens in het Engels: racer.
Een logisch-enkelvoudige betekenis moeten we dus zeker niet meer in deze versregel gaan zoeken. Het gedicht werkt fascinerend door de drie- of vierdubbele bodem, met als grondtoon: Heer Horror gaat naar de vrouwen.
En daar staat hij dan, onze Byron-Don-Juan-projectie voor het raam langs het water, misschien gewoon langs de walletjes (wat met Cornets de Groots verklaring van “zee” parallel loopt, maar hier helemaal niet “landelijk” werkt)

Aan de ene zij de zee de 1 de dier 
aan de andere zij 1 kromme officier 

Aan de ene zij de zee – misschien niet eens water, maar gewoon het raam waarachter het meisje zit, de kamer waarin straks het gordijntje dichtgaat. Een kamer die voor Horror toch een zee van hartstocht betekent. Werd Venus niet geboren uit het schuim der zee? Misschien ziet Horror het meisje als Venus dat oprijst uit de golven. Een Venus-

[p. 177]

dier: een hoertje, een prooi voor hem ook, een lokmeisje, een callgirl, een aas.
Hier knopen we even aan bij de associaties van Cornets de Groot, aangezien ze dezelfde zijn als de mijne: de een, de 1, zegt Van Dale, is inderdaad het aas van het kaartspel of van de dobbelstenen (dubbelblank is een domino-term net als aas-blank). Het is noodzakelijk deze associatie vast te houden voor de tweede strofe. Ik wil hier nog enkele eigen associaties bijvoegen. Van Dale leert ons, dat het aas ook een term uit de biljartsport is: “het aas hebben” betekent: eerst spelen. Maar dat wisten we al uit Hildebrand, waar Pieter Stastok (!) een partijtje biljart gaat spelen en waarbij hij de twee trekt. “Wie van de heren heeft het aas ?”. Stastok niet, hij heeft de twee, Hildebrand heeft de drie. De eersten zijn ze vast niet bij deze vrouw!
Bovendien betekent aas niet alleen “lokspijs”, maar ook gemeen vrouwspersoon: “dat aas!” ; een venusdiertje wordt door de burger voor een gemeen vrouwspersoon gehouden. Een kreng, een aas, een dier, een hoer.
Aan de ene zijde de zee de 1 (het aas) de dier.
En aan de andere zijde van het raam de schim van Byron: “een lid van een krom en verdraaid geslacht” (Philipp. 2: 15), iemand die kromme gangen maakt, die wel wat geld heeft, net genoeg om eens een kromme sprong te maken: heer Horror, officier in de orde van Oranje-Nassau of van de Nederlandse leeuw, of van de Willemsorde b.v. In ieder geval, een degelijk burger wiens aanzien onder de milde lintjesregen goed in de was is geschoten.
Maar ook met krom kunnen we twee kanten op. Krom is synoniem van kreupel in de uitdrukkingen: zich krom werken, zich kreupel werken. En wat betekent een kreupel (krom) dichter anders dan een rijmelaar? Krom of kreupel schrijven is “met hanepoten schrijven”. En ook deze associatieprikkel is Lucebert niet uit de weg gegaan, zoals later zal blijken.
Wie het gedicht leest, ziet voortdurend voor zich heer horror in een kapperswinkel zitten. Is hij werkelijk een kapperswinkel binnengegaan? Het is nu wel duidelijk dat dit niet zo is. Er wordt in de laatste strofe nog wel over een tondeuse gesproken en over een “razer”, wat, zoals Cornets de Groot zegt, verband zou kunnen houden met razor, en dus weer in de kappersterminologie zit. Maar, dat is ondertussen wel voldoende gebleken, we mogen ons niet door Luceberts woordbeeld om de tuin laten leiden.
Wat is een tondeuse? Een haarsnijwerktuig, goed. Maar

[p. 178]

we moeten wég uit die kappersstoel! Als we nu ook dit Franse woord eens binnen de Nederlandse associatiemogelijkheden brachten en het letterlijk vertaalden? Dan krijgen we een SCHEERSTER. Een vrouwelijke barbier, een schapenscheerster. Een vrouw die alle mannen over dezelfde kam scheert. Met verwijzing naar Simson en Delila (een zeer belangrijke sleutel voor het gedicht) kunnen we dus de tondeuse ook verklaren als de vrouw die de mannelijke kracht wegneemt (tijdelijk maar, wees gerust ze komt terug). Het belang van deze sleutel wordt duidelijk wanneer men het Boek der Rechters leest: “Geen scheermes heeft ooit mijn hoofd aangeraakt; want ik ben een Godgewijde van de moederschoot af. Als men mij scheert, dan ben ik mijn kracht kwijt; dan ben ik machteloos en een gewoon mens” (Rechters 15: 17). Deze vrouw heeft na verloop van tijd haar schaapjes wel geschoren. Ze “scheert” haar gasten: ze laat ze te veel betalen en meet met de hoerenmaat. En de genode gast “laat zich geduldig scheren” – zeer met zijn zin trouwens. Maar wat doet zo’n vrouw anders dan “de gek scheren” met die arme officier in de orde van Oranje-Nassau? “Ze scheert de aap” (ze speelt komedie), “ze scheert de haan” (ze speelt de baas; en ook met deze associatie gaat Lucebert een tweede weg op), “ze scheert de bonte stier” (iemand die pret maakt, de bloemetjes wil buitenzetten), en tenslotte hangt tondeuse of scheerster ook nog samen met de eerste strofe: het ruiterkruid of scheren, ook nog moerasaloë of waterster genoemd (de associatie met zedelijk moeras ligt voor de hand).
Niet alleen wordt de associatie ruiterkruid-kappersruit er duidelijker door, we weten nu ook wel vrijwel zeker, dat Horror helemaal niet naar de kapper gaat. Dat heeft hij thuis zo maar gezegd! Hij gaat naar de Venustempel. Begrijpelijk wordt van hieruit nu ook het “foei!” van de laatste strofe en de laatste versregel:

horror, jij komt niet meer thuis!

Ook met verwijzing naar Rechters 16 is een verklaring voor deze laatste versregel voor de hand liggend. Simson kwam inderdaad niet meer thuis, maar kwam om onder het puin van de tempel die hij deed instorten.
Met de uitdrukking “over dezelfde kam scheren” en weverskam waarvan sprake in Rechters 16 kunnen we nu opnieuw aanknopen bij de tweede strofe van het gedicht:

heer horror weet niet wat hem overkamt.

[p. 179]

De rubriek KAM in Van Dale is weer zeer leerzaam. Niet alleen is een kam een instrument om te kammen, maar ook de min of meer getande, rode, vlezige uitwas op de kop van hoendervogels, bij de mannetjes sterk ontwikkeld en min of meer opgezet kunnende worden; in ’t bijzonder bij de haan. Nu is de haan zelf, en vooral dan de kam, het symbool van de mannelijke kracht. In het toneelstuk “Cages” van Carlino wordt deze symboliek tot in het absurde toegepast: een man die lijdt onder de persoonlijkheid van zijn vrouw leert kraaien en laat zich een snavel en kam naar maat maken. Als zijn poging om de macht over te nemen, mislukt, lubt de vrouw hem door hem de kam van het hoofd te nemen in de ontroerende laatste ogenblikken van het toneelstuk. De tonsuur is voor de kerk het symbool van onthechting van de vleselijke lusten, en dus het symbool van deze vrijwillig ondergane castratie die het celibaat tenslotte toch is. Is het weer toeval, dat Gregorius VII zowel bekommerd was om het overspel van zijn gelovigen als om het celibaat van zijn priesters?
Het woord kam hadden we al kunnen ontmoeten bij “kaarde”, een soort weverskam waarmee men wol kaardt of kamt.
De kam der hoenderachtigen leidt ons naar het korhoen en vandaar naar de auerhaan. Ook Cornets de Groot had al gewezen op de associatie auerhaan ouwer maan.
De syntaxis van deze zin lijkt me wel duidelijk als we hem even op een eenvoudigere zin overbrengen: heer horror weet niet wat hem de bleke tanden van de ouwer maan overkamt, waarbij de enkelvoudige werkwoordsvorm wel zal mogen verklaard worden door het metonymisch verschuiven van kam naar tanden.
Hij is gekaart.
Cornets de Groot ziet het woord “gekaart” in verband met “gek”, woord waarop het in Van Dale onmiddellijk volgt, en dat Lucebert zou zijn gaan opzoeken vanuit de uitdrukking “hoe ouder hoe gekker” en “de gekken krijgen de kaart”. Dat is misschien zo, maar zonder de associatie met het voorgaande “gekaard” van kaarden, had Lucebert dan toch deze associatie niet opgenomen. Mijn argument daarvoor is, dat hij dat dan inderdaad met alle andere woorden evengoed had kunnen doen, of dat hij evengoed het woord vóór gek had kunnen nemen. Ook de associatiemogelijkheden met “de 1” (het aas van het kaartspel) lijken me wat aan de magere kant te liggen.
Maar goed, het is een feit, dat we alle twee tenslotte tot

[p. 180]

dezelfde associatie gekomen zijn, zij het langs nogal verschillende wegen, en dat die wegen dan nóg andere kunnen zijn dan die Lucebert bewandeld heeft, is wel waarschijnlijk. We spreken in ieder geval elkaar niet tegen, geen van drieën: hij is gekaart!
Die kaart moeten we in ieder geval wél vasthouden, want ze is heel kostbaar. Op de kaart staan schoppen. We krijgen dus:

en daar tikt hij van de blanke schoppen(kaart) 
twee vergulde negerkroppen. 

Het is nu duidelijk dat die kaart heel kostbaar is: het is een carte blanche, een blanke kaart! Horror heeft carte blanche gekregen van zijn gade. Zij zal wel wéér in de kraam liggen! Daarom bedekt HIJ de stoep met kinderdoeken, met luiers.
Hij heeft dus schoppenkaart in zijn hand – denken we aan de negatieve machtsverheffing van Lucebert. Schoppen is de figuur die het omgekeerde is van harten: ook de schoppen heeft een staand, hartvormig blaadje op steel, maar dan een omgekeerd hart. Horror heeft geen “hartenkaart” in de hand (een spel waarvan de kracht in de harten ligt), het is een ZWARTE liefde, een sluike, clandestiene, geniepige hildebrandse horrorliefde.
En wat tikt hij van die carte-blanche die hij gekregen heeft? Twee vergulde negerkroppen! Negerkrop is ongetwijfeld ontstaan uit de zin voor symmetrie waarop we Lucebert al een paar keer “betrapt” hebben. Maar wat is dan een negerkop, waaruit het zou ontstaan zijn?
Een kop is een beeldenaar op een geldstuk – of ook een rijksdaalder met de kop van Willem III. Zo leert Van Dale ons. Twee rijksdaalders maken samen 5 gulden. We voelen dat er iets niet klopt met de ons in het oor gefluisterde marktprijzen.
Wie echter bij WILLEM gaat kijken in Van Dale (niemand zegt dat Lucebert dat noodzakelijk dééd, misschien wist hij het zo ook wel) ontmoet daar “een gouden Willempje” en dat blijkt een 10-guldenstuk te zijn. Twee zo’n stukken zijn samen 20 gulden, en dat lijkt me dichter bij de venusmarkt te staan. Twintig gulden wil horror besteden aan het venusdier.
Maar waarom wordt dat Willempje een NEGERkrop? Iemand négeren betekent “iemand koeionneren” zoals Van Dale wel zeer volksetymologisch schrijft. Wij Vlamingen weten, dat couilloneren dichter bij de oorsprong staat en

[p. 181]

meer ter zake is. Een neger is bijgevoig een couillon, een idoot, een saaie, sullige of domme kerel. Een lubbert. Ook Van Dale zegt het: “neger: een hatelijk persoon, een neger van een vent”. Dat Willem I als koning van de Beetsiaanse Nederlanders, van de Hildebranden en de Pieters Stastokken, van de horrors kortom, een koning van horribele en hatelijke personen, van kloten was, is wel duidelijk. Een negerkoning dus. De koning ook van een negerij:

Want heel de natie is verblindend kwaad 
dat van de kwaadsten maakt een bindend prooi 
Nu zijn we allen aangeraakt 
En met het allerkwaadste kwaad getooid 

of uit nog een ander gedicht van Lucebert:

Kappers slagers beterpraters 
Alles wat begraven is 
Godvergeten dovenetels laat es 
Aan uw zwarte vlekken merken dat het niet te laat is.

De brave heer horror moet het nodig kwijt: zijn keel is schroever van de aas (de lokspijs, maar ook de a’s: de a is de muzieknoot la, en men zingt lalalala als uiting van vrolijkheid, klank die men laat horen, wanneer men een wijsje zingt zonder woorden). Wààrover zingt hij? “Hij bezingt de loopbaan van de muis”; zoals Cornets de Groot reeds opmerkte een duidelijk erotische inbreng. Ik vul hierbij aan met mijn associatie Venusberg: de muis van de hand, maar dit dan pas in derde instantie. Daarvóór komt nog de berg waarin Venus woonde, en daarvóór weer de mons Veneris uit de menselijke anatomie. Het is duidelijk dat Heer Horror meer belangstelling toont voor de hoorbaan van deze laatste muis. In ieder geval durft hij niet dadelijk op het lokaas afgaan. Toch “heeft hij het aas beet”, maar hij aarzelt nog. Op de hoek van de straat blijft hij wat staan drentelen, kuieren, luieren. Misschien denkt hij vluchtig even aan vrouw en kinderen, aan de kinderdoeken of de luiers die op dat ogenblik over heel Nederland uitgespreid worden.

Op een hoek bedekt hij met de kinderdoeken 
al de afgelapte bedelstoepen 

Misschien heeft Horror feitelijk helemaal geen ondervinding van dit soort van avontuurtjes, of misschien wél,

[p. 182]

misschien slentert hij heen en weer omdat hij bang is in de luren gelegd te worden, te veel te moeten betalen; hij wil eerst goed uit zijn doppen kijken. Misschien heeft hij inderdaad zoveel ondervinding dat hij helemaal niet meer in de luren ligt! En daarom legt hij zijn luren, zijn luiers, zijn kinderdoeken, op elk van de stoepen waar iedere dag weer om wat schoppenliefde gebedeld wordt! Tot iemand hem aanspreekt: “eet u kaas?”.
Zoals men weet (of weten kan wanneer men het opzoekt) betekent “eten” bij het dominospel: kopen.
Kopen betekent in het kaartspel ook: van de stok nemen, van de overgebleven kaarten, van het overschot.
Iemand roept dus: “Koopt u – ?”. Maar KAAS?
Zoals we al met “aas” deden (a’s) zou kaas hier ook kunnen verklaard worden uit “ka’s”. Maar wat is een KA? In het oude Egypte was de Ka de levenskracht. Koopt u levenskracht? Ka is ook een meisjesnaam, verkorting van Kaat, voor Catharina. Een Ka is een bazige vrouw, en dat deze vrouw een bazig persoon is weten we al : ze scheert de (auer-)haan.
Een ka is echter ook een kauw, een kraai. En een wilde kraai is een wilde meid. Koopt u meiden? (De rubriek met kraai- brengt ons ook bij: kraaiebekken (!), moederkoorn, wat zowel naar stro als naar moederkoek verwijst. Dat moederkoorn ontmoeten we ook bij hanepoten, dat we raadpleegden voor “kreupel geschrift – hanepoten”.)
Maar wat krijgen we, als we nu even afstand doen van een poging Luceberts associatiegangen na te gaan en vanuit de realiteit vertrekken? Wat vraagt zo’n vrouw die Horror aanspreekt? Ik vermoed dat ze recht op haar doel afgaat en iets vraagt in de aard van “wil jij met mij naar bed?”, of, nog directer “naaien?”. Naaien, neuken, naar bed gaan, het komt allemaal op hetzelfde neer: “een vrouw bekennen, beslapen: vleselijke gemeenschap hebben”. Het VLEES: het symbool van de zinnelijke natuur van de mens (het vlees is zwak, het vlees doden, zijn welig vlees begint te jeuken). Onder de rubriek VLEES- stoten we op de zó in het oog springende samenstelling: VLEESKAAS. (Zoals Cornets de Groot neem ook ik aan, dat Lucebert de rubrieken volledig volgde – áls hij ze volgde – tot hij op de bruikbare associatie stootte. Vleeskaas was uitstekend, vermits hij het woord ook al had kunnen ontmoeten in de rubriek HOOFD- (hoofdkaas), die hij kan opgezocht hebben vanuit kopen = eten: de HOOFDmaaltijd gebruiken, en ook vanuit KOP = HOOFD.)

[p. 183]

Bij vleeskaas staat trouwens: vgl. hoofdkaas. Kaas blijkt dus een uitstekend woord om “hoofd” en “vlees” (geest en lichaam, eros en psyche) met elkaar te combineren: koopt u mij?
Het is dus niet Horror die koopbaar is, zoals Cornets de Groot verklaart, maar de vrouw: “koopbaar ben ik door mijn strooien haar, ja ik draag de korsten van een dwaas”.
Dat kaas en korst in verband staan met elkaar hoeft nauwelijks te worden aangetoond. Korst is een woord dat doordrongen is van pejoratieve gevoelswaarde: onder de korsten zitten, laag van harde substantie waarin een stof overgaat of die er door afgescheiden wordt; en wie het boek Job kent, die weet dat in Job 7 : 4, 5 volgende verzen staan die héél verhelderend werken:

Ga ik slapen, dan denk ik: wanneer wordt het dag, 
Als ik opsta: wanneer wordt het avond? 
Maar de avond blijft zich eindeloos rekken,
en ik blijf vol onrust tot aan de morgen; 
MIJN VLEES IS MET MADEN EN KORSTEN BEDEKT, 
MIJN HUID SPLIJT OPEN, EN DRAAGT; 

Dat hiermee meteen ook “aas” plots een tragischer perspectief krijgt wijst nog eens duidelijk op de interactie der honderden associaties! En dat “Mijn huid splijt open” verwijst naar “en mijn huid staat op een kier” van de laatste strofe bewijst andermaal, dat Lucebert speelt met de ambiguïteit van het woord. Dat deze dwaze maagd bedekt is met de korsten van een dwaas is evident. De volgende versregel: “ja, ik draag te korten van een maar” is ongetwijfeld ontstaan uit het woordbeeld van de vorige, een soort van thematische wijziging zoals in de muziek, hier eveneens met klankmiddelen tot stand gebracht: opvallend is het stemloos maken van de stemhebbende consonant (d) of het schrappen ervan, waardoor de hele versregel plots hard (en bitter) wordt.
Dat die “iemand” een boer is wordt nog eens duidelijk gezegd door haarzelf: “ik ben koopbaar door mijn strooien haar” Is een carte-blanche in het kaartspel een kaart zonder “pop”, dan is deze vrouw niets meer dan een “stropop”: persoon die niet voor zichzelf handelt, doch als werktuig voor anderen dient; persoon zonder eigen wil of mening. (Dat strooien haar ook strogeel haar zou kunnen zijn vind ik nu wel een wat te gemakkelijke verklaring, al gaat ze wel

[p. 184]

op: in de populaire verbeelding zijn hoeren óf stroblond óf gitzwart.) Ze bevestigt het trouwens nog eens in de laatste strofe: “ik ben zwaar belegen waar…” Koopwaar is ze, meer niet. En zwaar belegen: “waarop gelegen is, b.v. van een bed” zegt Van Dale. Van het bed geraakt men trouwens op het stro. Vandaar naar stropop en strooien haar is maar een kleine stap. Maar BEDSTRO staat bovendien ook weer in associatief verband met de reeds ontmoete Venusdistel! Naast Vrouwendistel of Mariadistel bestaat de volksnaam: Onze-Lieve-Vrouwendistel. Naast bedstro bestaat Onze-Lieve-Vrouwebedstro, het walstro en de wilde tijm.
Wat is walstro anders dan een plant die aan de walletjes bloeit? Het tegengestelde alleszins van een muurbloempje. Dat dit walstro behoort tot de lip-bloemigen is een associatie die ik volledig voor mijn rekening neem; maar ik zie het verband met “en mijn huid staat op een kier” zeer duidelijk. Dat Luceberts gedicht mij tot deze associatie met mond en schaamlippen bracht, pleit alleen voor de suggestieve kracht van het gedicht. In ieder geval is spleet (uit splijten – Job 7 : 5) een naam voor het vrouwelijk lid.
Maar de versregel “te korten van een maar” hoeft niet eens uit klankassociaties ontstaan te zijn. Wie van ons heeft geen te korten van een “maar”? Wie van ons maakt al eens geen bedenkingen, bezwaren, aanmerkingen, tegenwerpingen, zodat alles er maar minder waardevol door wordt? Dat is de uitleg die Van Dale geeft. Een “bedenking” is niet alleen een opwerping, maar ook een geschenk, en wie geschenken aanneemt is omkoopbaar, corrupt, veil, en we zijn weer bij de veile deerne beland. Stond het al niet in de eerste strofe dat ze “aan het bekken” was? Dat ze veil was? Nauwelijks heeft ze zich aangeboden en haar prijs vastgesteld of Heer Horror gaat naar binnen en er vliegt 1 Willempje (1 negerschedel) door het raam – het valt nog mee, hij heeft zich niet in de luren laten leggen. Maar toch kunnen we nauwelijks een uitroep van afschuw tussen haakjes onderdrukken als we zien hoe Heer Horror zijn geld door de glazen, door het raam gooit: foei, foei! Misschien is het wel een deel van zijn kindertoeslag!
En dan begint de tondeuse, de scheerster haar werk: ze doezelt aan zijn naam, ze begint een klankspelletje met zijn naam in zijn oor te fluisteren, te murmelen: horror rorror razer raar.
Hoe de weg der associaties loopt is gewoon niet meer te achterhalen. Maar wanneer we van “raar” vertrekken, zien we in Van Dale toch al onmiddellijk een associërende uit-

[p. 185]

drukking: “hij is raar aan de scharrel”. Raar: afwijkend van de (zedelijke) norm. Van scharrel worden we verwezen naar “ratelaar” (scharrel en ratelaar zijn twee volksnamen voor de alectorolophus, een plantengeslacht waarvan de losse zaden een rammelend geluid geven in de opgeblazen kelk), van ratelaar (1) naar ratelaar (5): minderwaardige soort baksteen: ratelaar of rammelaar. (Hier vinden we ook ratelboor, strofe 2.) Een rammelaar is een mannetjeskonijn of -haas, het mannetje dus van de moerhaas. (Ook hier treffen we het woord boor aan: de rammelaar van de grondboor. Vermits een moer ook is de schroefdraad in een doorboorde cilinder, kunnen we onze associaties in de tweede strofe verder aanvullen:

maar zijn keel is schroever van de aas,
hij bezingt de boorbaan van de muis.

Hoe hij van schor, rauw naar schroef is gestapt heb ik vooralsnog niet kunnen achterhalen – is het een contaminatie van schor en stroef? Stroef: ruw, oneffen; schor: rauw, hees. Er is wél een weg langs de hanepoot of het zevenblad om: de volksnaam daarvoor is namelijk: zevenblad of heers. Van heers (2) wordt in Van Dale gewoon naar “hees” verwezen.)
De rammelaai rammelt. Rammelen is bespringen, berijden, paren. Horren nu, is zoals Cornets de Groot zegt, een snorrend geluid voortbrengen. Maar als hij aan Luceberts machtsverheffing van het woord had gedacht, dan had hij ook verder gekeken, namelijk bij “snorren”. En snorren = (met een rijtuig) rondrijden = racen = rijden = paren.
Hoe circulair de associaties soms zijn, bewijst ons weer dit woord horren, waarbij Van Dale ons verwijst naar “horde”. De “horde” nu blijkt de… ratelaar (1) te zijn!
Is rorror niets anders dan een herhaling: horrorhorror, razer (razen: wild te keer gaan, er wild op los gaan, een razende Roeland) en raar (uit het morele spoor lopen) blijken dan toch een duidelijke betekenis te hebben.
Terwijl horror aan ’t rijden is, overdenkt het meisje bitter dat ze toch maar belegen koopwaar is (ongetwijfeld ook associatie met belegen kaas). In haar zak de moederkoeken: het geld dat ze ontving en dat uit de strakgespannen broeken kwam van Horror en zijn soortgenoten. Koek betekent inderdaad ook gift, geschenk. De moederkoek? Niet alleen is ze een “moer” die zich laat berijden en waarvoor ze koeken krijgt, maar ze is ook, als Venus, als Aphrodite de Aphrodite Pandemos, de Venus Vulgivaga: de godin

[p. 186]

van de veile liefde, maar toch verwant met Cybele, de Magna Mater, de moeder van Zeus die, volgens Homeros, de vader was van Aphrodite. Uit het schuim der zee ontstaat ze volgens Hesiodus.
Heer Horror is nu helemaal geen kromme officier meer. Neen, hij is een en al officier! Het kromme is recht gemaakt. “Wie zal het kromme recht maken?”. De dier. Niemand kan beweren dat Lucebert de bijbel niet kent. Dat haar huid nu op een kier staat hoeft geen verdere verklaring meer!
Toch hebben we nog even Beets over het hoofd gezien: bij ons onderzoek naar “strakgetrokken” vonden we onder “strak” (voor “straks”) : “Ja, je moet strak stellig reciteren”. Een citaat van Beets…
En daar is Beets dan wéér: Maar uit alles speelt een kruis! Ongetwijfeld denken we hier aan het lijden, het ongeluk dat ons wordt opgelegd als een beproeving om gedragen te worden zoals Christus zijn kruis droeg, en vandaar in ’t algemeen ongeluk, verdriet: post coitus, omne animal triste! Na de paring is elke Beets triestig…
Of moet “kruis” verklaard worden als muziekterm: een halve toon hoger zingen? Of betekent het: aan alles komt een einde? Maar Beets is hier aan het einde van het gedicht niet alleen terug als dominee: ook als Byron-epigoon, van wie hij stellig ook The Lovers of Abydos gelezen heeft. Dat Lucebert zonder twijfel meer van Beets afweet dan Cornets de Groot vermoedt, is een gok van mij.
Nadat ik nog even “Horror rosser racer ruis” verklaar (voor zover dat thans nog nodig is) stel ik een boute bewering voorop die voorlopig nergens anders op berust dan op mijn feeling (of zou Cornets de Groot het mijn fantasticon noemen?). Ik heb echter niet het recht deze hypothese uit de weg te gaan, omdat ik ze door niets tegengesproken zie, integendeel gesteund door de eerste strofe.
Horror rosser racer : rijder, woest rijder: Raus! Eruit jij nu! (Rausch – Ruis: ‘Raus – ruis).
Met “jij komt niet meer thuis” hebben we nog even een duidelijke verwijzing naar Gregorius VII, wiens laatste woorden waren: “Dilexi justitiam et odi iniquitatem, propterea MORIOR IN EXILIO”. Ik hou van rechtvaardigheid en ik haat het onrecht – daarom zal ik in ballingschap sterven: ik kom niet naar huis.
Afgezien van deze inderdaad typisch “Beetsiaanse” zin voor hypocriete rechtschapenheid (negatieve machtsverheffing, of hier gewoon ironie), zouden we hieraan ook het

[p. 187]

motto van de Camera kunnen vastknopen: Nec lusisse pudet, sed non incidere ludum, een uitspraak van Horatius, en waarvan de vertaling luidt: “het is geen schande gespeeld te hebben, maar niet tijdig opgehouden te hebben met spelen is een schande”.
Maar ook Job klaagde (Job 7: 10):

Hij keert naar zijn huis niet meer terug, 
En zijn eigen woonplaats kent hem niet langer! 

Er is nog iemand anders die niet naar huis kwam: Leander, de minnaar van Hero, uit het gedicht The Lovers of Abydos.
Abydos was een stad aan de Hellespont, waar Leander woonde, tegenover Sestus, de woonplaats van Hero. Ze was berucht om haar zedeloosheid. Ne temere Abydum, zei men in die tijd: ga niet onbedacht naar Abydus.
Sestus of Sestos was een stad op de Thrakische Chersonesus waar Hero woonde. Men noemde dit schiereiland ook de Galli’poli of nog: stad van Attis. Attis was een Syrische godheid, priester en minnaar van Cybele (de grootmoeder dus van Aphrodite!), die in extase zich ontmande, wat zijn aanhangers in orgiastische vieringen navolgden. De ontmande priesters heetten Gallen of Gaffi. Bij Ovidius verandert Attis in een pijnboom.
Dat dit ontmannen ons met HORROR vervult is meer dan vanzelfsprekend. Gallus betekent bovendien: haan. Dat we van haan over hoenderachtigen opnieuw bij onze auerhaan-ouwermaan terechtkomen, maar nog meer, dat de Engelse uitdrukking “make a person believe that the MOON is made of CHEESE” (knollen voor citroenen verkopen) direct in verband staat met het gedicht, dat “to MOON about” betekent: rondslenteren, kuieren, dat “to moon after girls” betekent “meisjes achternalopen”, zou wel eens het vermoeden wettigen dat Lucebert niet enkel van Van Dale, maar bijvoorbeeld ook van J.B. Wolters’ Engels woordenboek gebruik gemaakt heeft. Of dat hij dit allemaal wist en wij niet…
Waarom kwam Leander niet naar huis? Omdat hij verdronk in zijn poging de Hellespont over te zwemmen, naar Hero toe. Een stormwind had het licht uitgeblazen op de vuurtoren waaronder Hero ’s nachts op hem wachtte:

aan de ene zij de zee de 1 de dier (the dear?)
aan- de andere zij 1 kromme officier.

We weten dat Byron, de kreupele dichter, die later de Grieken zou gaan helpen strijden in hun vrijheidsstrijd

[p. 188]

tegen de Turken, zelf de Hellespont overzwom om te bewijzen dat in de oude mythe een grond van waarheid school. En wie het niet weet kan het lezen in “Sport in de Literatuur”, een essay dat ik samen met E. van den Eynde schreef (Manteau 1968).
Laat ik mij verleiden door het onwaarschijnlijke, als ik vermoed dat Lucebert niet alleen in Gregorius een sleutel legde, maar ook in HORROR? Het staat zo verdacht dicht bij Hero: he oared to Hero (hij roeide, zwom naar Hero) zou wel eens kunnen worden: Hero-oarer: hero-roeier of hero-zwemmer: hij die naar Hero zwemt. Van Hero-oarer naar Heer Horror is maar een zéér kleine stap!
Ik geef toe dat dit een loutere speculatie is. Maar àls een gedicht lezen inderdaad betekent het gedicht herschrijven dan zie ik niet in waarom ik het gedicht niet met deze speculatie een ander en ruimer perspectief zou geven.
Ik kreeg zopas nadat ik met dit opstel klaar was, van Cornets de Groot meegedeeld, dat Lucebert “ergens” zou gezegd hebben dat dit gedicht geïnspireerd werd door Goethes gedicht Lili’s Park. Ik ben onmiddellijk op het gedicht afgevlogen om te zien of dit Park inderdaad misschien tóch het landelijke karakter en de botanische verklaringen van Cornets steun verleende en mij tegensprak.
Welnu, dit Lili’s Park duidt helemaal niet op een botanische, maar wel zéér direct op een zoölogische associatie:

Ist doch keine Menagerie
So bunt als meine Lili ihre! 

Het gedicht heeft als thema trouwens overduidelijk het thema van de courtisane die de mannen als dieren aan zich onderwerpt. Ik begrijpt niet dat Cornets de Groot met deze wetenschap dit gedicht heeft kunnen verklaren zoals hij het deed in het N.V.T., terwijl hij in zijn analyse toch al wijst op de sterke seksuele geobsedeerdheid van Heer Horror.
De lectuur van Lili’s Park heeft mij gestijfd in de overtuiging dat mijn analytische wandeling naar Inka Loch véél dichter bij Luceberts bedoelingen ligt, dan Cornets de Groots landelijk uitstapje. Wél is het opvallend dat Lucebert zo dikwijls langs de botanica om zijn associaties zoekt, maar de machtsverheffing der woorden laat geen enkele botanische interpretatie meer toe, tenzij alleen daar waar we het helemaal niet zouden vermoeden: de bloemen van een duit, wat wel zéér letterlijk mag verklaard worden.

[p. 189]

Ik kan niet aan de verleiding weerstaan nog enkele associaties met Lili’s Park te maken, al zal voor een verklaring van Horror vanuit dit gedicht van Goethe wel iemand anders moeten zorgen: het perspectief dat ik nu van dit (ondanks de analyse nog prachtige) gedicht heb, volstaat ruimschoots.

Horror-razer:

Dann fangt’s ‘auf einmal an zu rasen
Ein mächtiger Geist schnaubt aus der Nasen, 
Es wildst die innere Natur. 

Het kammen:

Ich straube meinen borst’gen Nacken, 
zu dienen ungewöhnt. 
(Heer Horror weet niet wat hem overkamt).

Ik wees Cornets de Groot in een brief ook op de associatie kapper-kaper, allebei namen voor de capparis spinoza, die wij als “kappertjes” kennen. “Kapers op de kust” betekent dat anderen met ons naar hetzelfde doel trachten mee te dingen (betrekking, meisje, zegt Van Dale).

Welch ein Gerausch, weich ein Gegacker, 
wenn sie sich in die Türe stellt 
Und in der Hand das Futterkörbchen hält! 

Sie stürzen einander über die Nacken, 
Schieben sich, drängen sich, reißen sich, 
Jagen sich, ängsten sich, beißen sich, 
Und das all um ein Stükchen Brot… 

Waarom geeft het witte kappersruit Heer Horror niet de bloemen van een duit:

Ich hätte mein Blut 
gegeben, um ihre Blumen zu begießen. 

Op een hoek bedekt hij met de kinderdoeken al de afgelapte bedelstoepen:

Denn, ha! Steh ich zo an der Ecke, 
Und hör’ von weitem das Geschnatter, 
Seh’ das Geflitter, das Geflatter, 
Kehr ich mich um 
und brumm, 
und laufe wieder eine Strecke, 
und kehr’ doch endlich wieder um. 

[p. 190]

Het is onbegrijpelijk dat Cornets de Groot deze sleutels heeft laten liggen. Ik kan hem er in ieder geval wél dankbaar om zijn dat hij mij de bron pas vermeldde toen ik met mijn analyse klaar was…
Moet ook HORROR niet vanuit Lili’s Park verklaard worden? Goethe vergelijkt zichzelf daar met een getemde beer: ein Ungeheuer! Ik wil er nog eens ten overvloede op wijzen dat dit minder bedoeld is als rechtzetting van Cornets de Groots analyse, dan wel als aanvulling van zijn verhelderingen, die – ik wil hem hiermee hulde brengen – in ieder geval aan de basis liggen van deze completisering die op haar beurt, ik ben er mij van bewust, andere aanvullingen gebruiken kan.
Wat dan toch weer het bewijs is van de uitzonderlijke dichterlijke kracht van Lucebert, die in één enkel gedicht een dergelijke kosmische wereld weet onder te brengen, dat 22 bladzijden nauwelijks volstaan om tot de kern van het gedicht door te dringen.
(Post Scriptum: Ik denk er nu pas aan dat Lili’s Menagerie wel eens in verband zou kunnen staan met Hildebrands “Een beestenspel” waaruit ik citeer: “O! Een beestenspel is een gevangenis, een oudemannenhuis, een klooster vol uitgeteerde bedelmonniken; een hospitaal is het, een bedlam vol stompzinnigen”. Want wat is “een menagerie”? Zie Van Dale: “Een beestenspel”.)
 

Plaats een reactie