Start » Biografie van J.H. Speenhoff » Hoofdstuk 9

Hoofdstuk 9

 

Bron: Biografie van J.H. Speenhoff, ongepubliceerd, gedateerd Leiden, september 1987 – juli 1988, p. 63-68.

[p. 63]

Pisuisse en Clinge Doorenbos vormden een probleem. Ze deden andere dingen dan hij, legden andere accenten, vulden hun werk anders in. ‘Het Nederlandse publiek blijkt niets te voelen voor zo hoog mogelijk opgevoerde amusementskunst in een intiem kroegje, want dat is toch eigenlijk het cabaret’, zei Pisuisse in een interview (E. Visser, 1920).
‘Voor mij is het cabaret een zaal of een gelegenheid waar de uitvoerende artist contact heeft met het auditorium, dat als het goed zou gaan, eigenlijk mee moest werken. Dat contact heb ik wel eens kunstmatig in het leven geroepen, maar dat is een persoonlijk iets, want bedenk eens, dat er geen “conférencier” in het land is, behalve ik’.
Intimiteit, dat is waar Pisuisse naar streefde, maar die intimiteit vereist, zoals Speenhoff zei, ‘een welopgevoed en welonderwezen publiek’. Speenhoffs liedjes hadden stellig iets intiems. Maar de omgeving waarin hij ze bracht, had dat niet. En het publiek, dat kwam om zich te laten amuseren, het grote publiek, kon in die omgeving die intimiteit niet scheppen,- laat staan dat het de medewerking geven zou, die Pisuisse bedoelde. Speenhoff streefde trouwens naar dat grote publiek: hoe meer mensen, hoe liever. ‘Voor het Volk was hij – Pisuisse – nooit zo’n treknummer’, zei Speenhoff, niet zonder zelfvoldaanheid: ‘In de bioskopen trad hij niet zoveel op’. En dat deed Speenhoff wel. Hij was een nationale figuur geworden, veel meer dan Pisuisse, hij sprak de taal van het volk en werd dienovereenkomstig een volkszanger,- éen à la Tollens, tenslotte. Hij boette gaandeweg aan ware poëzie in en de ambiguïteit van het woord verzwakte meer en meer, naarmate de eenduidigheid ervan toenam: wij zullen maar al te veel de gelegenheid hebben, dit na te gaan. Hoe kwam dat zo?
Het kwam, dunkt ons, door Clinge Doorenbos.
Clinge Doorenbos deed de amusementswereld een criterium aan de hand, dat nog steeds vruchtbaar blijkt. Zijn leuze was: ‘amusement voor de hele familie’. En inderdaad, hele omroepverenigingen voeren die leus in hun vaandel, evenals – in de kersttijd – tal van bioskoopbedrijven.
Sprekend over zijn liedjes voor de soldaten – hij trok zoals men weet, als militair rond om voor hen te zingen en heeft wel 400 avonden gegeven à f0,30 per dag – zegt Clinge Doorenbos in het interview door E. Visser:
‘0, d’r zit zo’n macht, zo’n opvoedende kracht in. Mijn hoofdprincipe is: een liedje mag zijn zo het is, maar nooit scabreus. Als je moeder, je meisje of je dochter er niet bij mogen zitten, dan is ‘t geen eerlijk liedje. En zo vind ik het jammer dat zoveel makers van liedjes zich blind staren op “het bedrogen meisje” (E. Visser, 1920)
En verder: ‘Ik was maar korporaal, maar ik spaarde de spot niet, ook niet de spot op de hogeren. “De officieren zijn toch ook in dienst. Laten we nou niet kankeren. Als iedereen doet wat ie moet doen, dan gaat het toch wel”. En zo’n gemoedelijk praatje gaat er dan wel in…’
Dit soort moralisme mag typerend zijn voor Clinge Doorenbos, het was tot dan toe Speenhoff in ieder geval vreemd, maar dan ook volledig vreemd.
In Daar komen de schutters! schrijft hij over J.P.J.H. Clinge Doorenbos. Hij schrijft opvallend vriendelijk over hem, vergelijkt zich af en toe met hem, geeft toe dat hij op een enkel punt diens mindere, en meent dat hij op een ander weer diens meerdere is. Als dichter-zanger is Clinge zelfs bijna zijn evenknie:
‘Men draagt hem voor en zingt hem na en hij is bijna net zo vervloekt

[p. 64]

beroemd als ik en dat wil wat zeggen’. Hij leerde Clinge Doorenbos in de tijd van de mobilisatie kennen:
‘Ik woonde hem bij op een fort. Eerst dacht ik: daar komt niets van terecht. Hij was zo fijntjes en zacht en zo weinig vakman. Maar dat viel mee. Hij was zo tersnede en weldra had hij de jongens vast’. Dat had Speenhoff zelf helemaal niet, dat tersnede zijn. Hij noemt Clinge ‘een keurig mens’:
‘In niet éen van je liedjes vond ik iets diagonaals of schuins. Je bent de verpersoonlijking van de avond waarbij je dochter mee kan komen (…). Ik mag het wel herhalen dat hij een hygiënisch-ontsmette woordenkunstenaar is en dat juist daardoor er niets aan zijn grote bijval ontbreekt’.
Hier weet hij zich pas echt de mindere van deze concurrent, en wat meer zegt: hij heeft van hem geleerd. ‘Mijn naam is minder voor de wind,’ erkent hij grif. ‘Maar daar went men aan, als men maar niet plat of onzedig is… en dat ben ik nimmer. Nimmer.’
Hij is het er eigenlijk wel mee eens, dat een avond ‘voor de familie’ meer publiek trekt – in ieder geval veel en veel meer dan het exclusivistische cabaret van Pisuisse. Maar stond hem dat wel helemaal aan?
Als hij er al aan mee zou doen – en hij zou dat, zoals Walraven vaststelde – moest hij concessies doen. Wilde hij dat? Welnee. Maar toch deed hij het. Concessies doen, tegen zijn zin – hij deed het al, toen hij toegaf dat ‘smoelen’ een ‘ruw woord’ was.
In het stukje over Marie Van Eysden-Vink vindt men de volgende uitspraak:
‘Kunnen de kinderen erbij aanwezig zijn? vraagt men tegenwoordig. Ten tijde van Shakespeare vroeg men alleen: vindt de schrijver het goed?’
Zonder twijfel gaat het hier om Clinge’s idee van eerlijkheid, en zonder twijfel wijst Speenhoff dat idee hier – in déze contekst – af. Maar losgemaakt uit zijn incidentele betekenis formuleert het citaat, heel zuiver zijn dilemma: moet hij artistiek verantwoord werk leveren voor een klein publiek, of moreel verantwoord werk voor een groot? Sinds Clinge Doorenbos bijval kreeg, sloop de tendens meer en meer in zijn zang. Ook Ter Braak ontging dat niet. Hij hield Speenhoff zelfs, zeer tegen de zin van Greshoff, in de eerste plaats voor een moralist.
Die moralist is op zijn best conventioneel en op zijn beroerdst ongeloofwaardig. We geven van beide uitkomsten een voorbeeld met wat commentaar.
Het eerste is – evenals het tweede trouwens – afkomstig uit de bundel Honderd tien Krekelzangen en het heet Waarom…?

Waarom…

‘t Kind. 

Moeder, waarom heb ik honger,
Moeder, waarom heb ik kou;
Waarom lost mijn vader kolen
En ben jij een zieke vrouw?
Waarom heb ik witte konen
Waarom is de melkkan leeg;
Waarom moeten wij hier wonen
In die nare, vieze steeg?
Waarom krijg ik nooit een koekje
Of een boterham met stroop;
In de winkel op het hoekje
Is dat allemaal te koop. 

[p. 65]

Vader werkt toch alle dagen 
Jij houdt hier de kamer schoon…

De moeder.

Kind, dat moet je mij niet vragen,
Vader krijgt geen hoger loon.

‘t Kind.

Moeder, ben ik dan geen kindje
Met een lijfje en een mond?
Ik wil ook een prachtig lintje
En een manteltje met bont.
Laatst ben jij gaan zitten grienen
Toen ik om een popje vroeg,
Kun je dan niet meer verdienen
Voor ons allemaal genoeg?
Waarom zijn de winkels open
Voor de rijke lui misschien?
Als je toch geen pop kan kopen
Waarom mag je ‘m dan zien?
Waarom wordt er koek gebakken
Iedereen houdt er toch van?
Waarom mag je nu niet pakken
Wat je zo maar nemen kan?

De moeder.

Kind, dat zal ik je verhalen,
Luister nu eens even lief:
Als je koopt moet je betalen,
Als je neemt ben je een dief.

‘t Kind. 

Moeder, als we honger lijen,
Mogen we dan treurig zijn?

De moeder. 

Als de rijke mensen schreijen
Doen hun tranen net zo’n pijn.
Laat ze smullen, lachen, erven
Iedereen heeft zijn verdriet
Alle mensen moeten sterven

‘t Kind. 

Moeder, dat begrijp ik niet. 

Dit is éen van die gedichten, die volgens Greshoff rijk is ‘aan menselijke aanleidingen, doordrenkt van medelijden’. En het behoort eveneens tot de poëzie, die het ene niet in het oog krijgt, zonder

[p. 66]

het andere.
Toch verschilt het van het hierboven besproken fragment uit De schooier. In dt gedicht proeft men het verzet. Hier wordt het verzet de kop ingedrukt. Dat andere biedt hoop, heel, heel minimaal, op verandering. Dit is ‘status quo’-poëzie. Fatalistisch. Moralistisch, conform de publieke moraal: ‘Als je koopt, moet je betalen’. De moeder weet nog een dooddoener, letterlijk: ‘Alle mensen moeten sterven’. Het laatste woord is aan het kind. Dat woord weerspiegelt de situatie, waarin ook Speenhoff zich bevindt: die van de bewegingloze onvrijheid, het overgemotiveerde niets ondernemen.
Zijn ‘dialogue intérieur’ is hier veel sterker veruiterlijkt dan in De schooier, maar dat laatste werkt door zijn innerlijke dialectiek dynamischer, veel dynamischer.
Het andere voorbeeld dat ik wil geven, is een Lofzang, gezongen door de Hoornsche Strafklasse (een zg. klasse van discipline):

Lofzang aan den Heer Duymaer van Twist,
gezongen door de Hoornse Strafklasse.

Lang zal onze Duymaer leven 
Heil die goedgezinde man
Die voor zondige soldaten
Zo grootmoedig spreken kan
Duizend Hoornse gestraften
Zingen hem dit loflied toe.
Lang zal onze Duymaer leven
Weg met zedeloos gedoe.

Vroeger waren we onschuldig,
Vraag dat onze moesjes maar.
Vroeger waren we tevreden
Met een preek en een sigaar.
Maar nu zijn we in ons Leger
Van het goede pad geraakt.
Bosboom is de schuld van alles
Bosboom heeft ons slecht gemaakt.

Nimmer zoenden we de meisjes,
Nimmer dronken we een prop.
Nimmer deden we aan fuiven,
Nimmer sloegen we erop.
Net als schaapjes zo onschuldig
Zijn we naar Carré gegaan ‘).
En als losgelaten duivels
Kwamen we er weer vandaan.

Weg met schunnige vermaken,
Foei, die komen niet te pas!
Door een zedenkwetsend liedje
Zuchten wij nu in de Klas!
Duymaer, kom eens op visite
Leidt ons in het rechte spoor
Zing voor ons, in de Cantine
Lieve, nette liedjes voor!

‘) Carré, een schouwburg in Amsterdam waar de soldaten een minder gepast stuk zagen. 

Is dat even schrikken, lezer. Hoe kreeg uitgerekend Speenhoff deze

[p. 67]

woorden uit de pen? Deze soldaten zijn nog infantieler dan het onwijs wijze kind uit Waarom…?
Dit gedicht heeft veel gemeen met het eerste het beste pamflet van Voor Eer en Deugd. Ook in die club zoekt men de schuld nooit bij zich zelf. Ook daar ontstaat de moraliteit uit afweer, uit het idee dat de gestoorde middelmaat zich niet aan zoiets zieks als meisjes, drank, plezier en ruwe omgang wagen moet. Dat het leger zelf wel eens de broedplaats zou kunnen zijn van spanning en agressie, is een gedachte die in het hoofd van de ware moralist niet eens opkomt. En dat soldaten na een avondje uit wel eens uit de band willen springen, is dan ook de schuld van minder gepaste stukken, vieze liedjes, schunnige vermaken en mensen als Bosboom.
Speenhoff veroordeelt hier zaken, waar hijzelf, als hij zo oud was geweest als deze soldaten, of ouder, veel ouder, in gezwolgen zou hebben.
De dubbele moraal is de val, die er van Clinge’s ‘eerlijke liedje’ te maken viel. Hij deed dat zonder mankeren en trapte erin. Niet veel van zijn liedjes klinken er zo vals als dit.

Was Speenhoff een man die als ‘kuise bohémien’ twee tegenstellingen in zich verenigde?
Het komt ons voor dat hij juist de bohémien, met diens eigen waardeoriëntatie, die hij altijd al was, verloochenen wilde: dat hij die mythe door een tegenmythe, die van het burgermansfatsoen, bestrijden wilde. Hij had er tenslotte genoeg van – na Helmond, Het Vrije Toneel en Nap de la Mar; na al het gehannes met pastoor Jansen, Voor Eer en Deugd, de katholieken in en buiten Haarlem; na al dat gehamer op zijn moraliteit of op zijn opzichtig gebrek daaraan. Men moet misschien meer dan een boom van een kerel zijn in psychologisch opzicht, om aan dat geleuter het hoofd te bieden, want de inschakeling van de antimythe bewijst, dat hij onder de hersenspoeling bezweek. Commercie en moraal slopen zijn poëzie binnen en wonnen tenslotte het pleit. In Daar komen de schutters! schrijft hij in het voorwoord:
‘Eigenlijk heb ik me soms ingehouden bij het tikken van woorden die wel in onze mannelijke taal bestaan maar die men niet schrijft… soms wel zegt. (Maar) geen vloeken en godslasteringen en pornografische zinspelingen pas ik toe…’ Men voelt wel: dan zou het boek zijn naam schaden. En zijn portefeuille.
In het verhaal over Mata Hari:
‘Maar… kan men aanvoeren… je hoeft er toch niet over te schrijven?
Je kan dat onzedelijke toch weglaten? Je hebt al een naam van: plat-zijn en schuin. Verpruts die naam nu nog niet meer met die nodeloze openbaringen. Echter… lieve lezers en lezeressen, dat zou voor mij een deel van mijn genoegen van het schrijven wegnemen en dan bedoel ik geen pornografie te geven. Men gevoelt wel dat ik dat niet doe. Ik ben er te openhartig voor’.
Hij bekent in zijn jeugd een ‘schuintippeleur’ te zijn geweest. Dat hij ook nu nog even trouw en ontrouw is ‘als de lezer van dit boek’. Dat hij geen huwelijksbedrog kent, ‘omdat dit geen bedrog is (…), maar een domheid die altijd wordt bestraft’.
Wat hij in dit boek van artisten verwacht en in hen zegt te waarderen, is een zekere terughoudendheid op het stuk van het seksuele. Steeds laat hij zien hoe wars ook zijn kornuiten zijn van schuine moppen; hoe in gezelschappen alles ‘in het nette’ bleef. Als Van Dongen een naakt schildert, is het steevast alleen en uitsluitend zijn eigen vrouw. Mata Hari is voor Speenhoff een toonbeeld van kuisheid en ingetogen leven. Wat hij in Piet van der Hem waardeert, is dat hij van ‘schoon schip’ houdt – net als bij de marine: ‘Vuur, licht en

[p. 68]

pijpies uit… wachtsvolk aan dek en de rest in de kooi. Zo was het bij de marine. Orde’.
Maar juist tegen die orde was hij niet bestand, zegt hij zelf en in dit zelfde boek, en Greshoff beaamt, dat juist die weerzin tegen de tucht hem de marine deed verlaten. Dat het anders in elkaar zit, dat hij gewoon werd afgekeurd, doet niet af aan die tegenzin.
In bovenstaande tirade stelt hij hoge prijs op orde en in het algemeen kan men zeggen dat in Daar komen de schutters! de anti-mythe in volle bloei staat.

»

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>