Start » Biografie van J.H. Speenhoff » Hoofdstuk 16

Hoofdstuk 16

 

Bron: Biografie van J.H. Speenhoff, ongepubliceerd, gedateerd Leiden, september 1987 – juli 1988, p. 111-118.

[p. 111]

De Haas, die, zoals ik eerder zei, de neiging heeft de dingen te beoordelen naar een stand van zaken, die volstrekt nog niet bestond, op het moment dat ze zich voordeden, schrijft in de inleidende woorden tot zijn hierboven geciteerde bespreking van de revue Het hart van Rotterdam, die de dag vóor koninginnedag in première ging:
‘”De oorlog heeft me genekt”, zou Speenhoff later in zijn mémoires verklaren. Dat was in zoverre juist dat de oorlog vijf jaar duurde, wat te lang is voor een artist uit de amusementsbranche die de zeventig al voorbij was toen de ellende begon. Toch is er in die jaren volop werk geweest, want vanaf het begin van het tweede jaar ontstond er als reactie op het dagelijks nijpender wordend bezettingsinconveniënt en het uitvallen van zovele andere dingen, een ware uitgaanshonger, die pas stilde toen eind 1944 de werkelijke hongerwinter inzette. Zelfs provincieschouwburgen raakten op doordeweekse dagen uitverkocht en dat wilde heel wat zeggen voor het Nederland van vóor 1945. Maar in mei 1940 was dit alles nog niet te voorzien. Nederland was het zóveelste land dat Duitsland onder de voet gelopen had; de verwachting dat de doortrekkende troepen in Noord-Frankrijk door Fransen en Engelsen in de pan gehakt zouden worden, werd niet verwezenlijkt en we zaten met een ontwrichte boedel, die voorlopig geen uitzicht op verbetering bood (sic). Indien deze regels voor éen stad golden, was dat wel Rotterdam, waar het parool “puinruimen” luidde. Doch het werd juli en augustus. De mens herstelt zich snel en verlangt terug naar zijn vroeger leventje’.
Zou het?
Er gaat een sterke suggestie uit van dit fragment: die van de continuïteit,- alsof er geen breuk, geen oorlog, alleen maar een ‘bezettingsinconveniënt’ bestond, die het amusementsleven aanwakkerde en de stad aanspoorde de pijn snel ongedaan te maken.
De Haas plaatst zich op een na-oorlogs standpunt, als hij zegt, dat de oorlog die Speenhoff nekte, vijf jaar heeft geduurd. Dat was natuurlijk het gezichtspunt van Speenhoff niet, toen hij daarover in ’43 in Daar komen de schutters! schreef:
‘Hij (= Speenhoff) verdiende per jaar een kwart tonnetje. Hij was mild en gaf maar uit en leefde als de krekel. Tot hij opeens ging sparen en aan de oude dagen ging denken en toen werd hij kapitalist; dat is hij nu niet meer. Zie giro 24332. De oorlog heeft hem genekt en als hij voor het Rotterdams Nieuwsblad niet kon schrijven en voor de heer A.A.M. Stols, dan zou hij nu steuntrekker zijn’.
Niet de duur van de oorlog, de oorlog zelf heeft hem genekt, zoals immers ook vanzelf spreekt. In de jaren van die andere oorlog kon hij als de krekel zingen (Honderdtien krekelzangen). Dat kon niet meer. Geen mens kon in het openbaar een niet genazificeerde mening meer kwijt. Bijgevolg kon hij met nieuw werk niet tevoorschijn komen, en de andere weg, die van het verzet, – als hij die al had willen gaan – werd door toedoen van zijn dochter voor hem afgesloten. [Hierbij in handschrift in de kantlijn: ‘Hij ging gewoon door met publiceren. Hij was immers lid van de Kultuurkamer’]. Kort na de artistenjubilea in maart en april 1941 trad zij immers toe tot het nationaal-socialistische zondagmiddag-radiocabaret ‘Paulus de Ruyter’, waarin zij in de Snip en Snap-achtige sketches tussen meneer Keuvel en mejuffrouw Klessebes de rol van de laatste vertolkte onder de kwaadwillig gekozen naam van haar jeugd: Ceesje Speenhoff. De keuze van die naam alleen al bevestigt Ter Braaks weloverwogen oordeel dat de raté iets tegen ware beschaving heeft.

[p. 112]

N.S.B.-ers zijn, in navolging van hun Duitse trawanten, nooit te beroerd geweest om hun familie in opspraak te brengen of verdacht te maken, huwelijken op te breken en ouders en kinderen van zich te vervreemden, terwille van hun ideaal.
C. van Geelkerken, redacteur van de bundel De strijd van de nationaal-socialistische Beweging, 14 december 1931 – mei 1941, vindt de wijze waarop de jeugd van het begin van de strijd af, met ‘het oude stelsel’ afrekent, prachtig:
‘De scheidslijnen door ouderen opgetrokken, werden door talloze jongeren als in strijd met hun natuurlijke geaardheid eenvoudig genegeerd (…). Ontzaggelijke inspanning heeft het de vertegenwoordigers van het oude stelsel gekost, om tenslotte deze stroom jongeren in te dammen. Talloze tragische conflicten tussen ouders en kinderen zijn daaruit voortgekomen (…). Er zijn gevallen voorgekomen van verwijdering uit het ouderlijk huis, stopzetting van toelagen aan studerenden, regelrechte bedreiging met een absolute verbreking van alle familiebetrekkingen…’

‘Ik kan mijn kleinkinderen niet missen,’ zei mevrouw Speenhoff tegen een vertrouwde vriendin, ‘anders zou ik mijn eigen dochter niet meer ontvangen’.
Van de zoon Coos getuigt De Haas, dat hij ‘een felle anti-nazi was, wie de wijze waarop zijn zuster in het zondagmiddag-radiocabaret de familienaam besmeurde, héel hoog zat’.
Speenhoff Sr. kon geen kant op: geen mens vertrouwde hem. Zijn dochter had hem pat gezet.
‘Wie in zijn jeugd zondigt, heeft een heel leven om goed te maken wat hij misdeed; wie op hoge ouderdom verkeerd handelt, gaat met de euvele faam van de getekende het graf in’, schrijft Greshoff (1950). In zijn jeugd lijdt men noodzakelijk aan een tekort aan contact met de buitenwereld; dat contact maakt later correcties op de zonden der jeugd mogelijk. Speenhoff heeft het na Krimpen aan contacten nooit ontbroken, maar kon hij goed zijn, als zijn dochter fout was? Hij was lid van de Kultuurkamer en ontving als letterkundige rijkssubsidies:
f 500,- over 1941,
f 500,- over 1942,
f 800,- over 1943 en
f 1000,- over ’44.
Natuurlijk hing hij dat niet aan de grote klok, en natuurlijk vertrouwde geen mens hem meer. Op een dag viel hij, in Ter Braaks woorden, om. Dat gebeurde publiekelijk in 1943.
‘Ik heb niet voor niets ruim zeventig jaren geleefd,’ schrijft Speenhoff in dat jaar, ‘waarvan zestig zo goed als kind en onbewust’. Wie het sommetje uitrekent, komt op 1933 uit. We zullen later zien wat dat betekent.

Behalve met Pisuisse en Clinge Doorenbos had Speenhoff ook met de dichter P.C. Boutens een appeltje te schillen. Bij zijn wrevel kon hij de hulp van de nationaal-socialisten opperbest gebruiken. Toen de voetgangerstunnel onder de Maas in ’41 in gebruik werd genomen, publiceerden de bladen de verzen die P.C. Boutens en Jan Prins voor die gelegenheid hadden gemaakt.
Speenhoff, die niet erg van Boutens gecharmeerd was, liet het in een brief aan de burgemeester van Rotterdam voorkomen, alsof hij in deze zaak zou zijn gepasseerd. De gevoeligheden die tussen hem en Boutens een rol speelden, zijn terug te brengen op dit ene, grote verschil, dat de een in gekunstelde bewoordingen en muzikaliteit van taal zijn

[p. 113]

heil zocht, en de ander een taal sprak, die recht uit het hart kwam. Begrip voor elkaar brachten zij niet op. In zijn boek typeert Speenhoff het gedicht van ‘Monsieur Boutens’ als een gedicht vol ‘geheime laatjes en gleuven’, wat zeker een aardige typering is, en dat van hemzelf als ‘hartelijk en ook te begrijpen door de werkster en de glazenwasser’. Boutens bespaarde zich alle artistieke moeite, toen hij Speenhoff met een voor die tijd al te gemakkelijk cliché ‘een rijmer van de koude grond’ noemde. Speenhoff citeert dit in zijn boek, maar wist zelf beter. In 1925 zei hij tegen G.H. ‘s-Gravesande in een interview:
‘Mijn liedjes. Die zijn heus niet zo makkelijk geschreven als de mensen wel denken. Ik heb bij ieder woord dat ik schreef, gedacht: ben ik wel duidelijk, overduidelijk, ook voor de allerdomsten? (…) Mijn kunst is er op gespitst geweest om ieder te treffen en daarom heb ik woorden gekozen die het minst zeggend zijn en in het verband toch het meest zeggen’.
Toen Boutens over de toegankelijkheid van zijn taal in het gedicht, dat hij ter ere van het huwelijk van prinses Juliana met prins Bernhard* werd lastig gevallen, reageerde hij daarop met weer iets achteloos, als: ‘Dan had men de opdracht maar aan Speenhoff of aan Clinge Doorenbos moeten geven’.
Boutens’ poëzie uit die tijd beschouwt de werkelijkheid als leverancier van materiaal, waartussendoor, of waartussenin, waarachter, -boven, of -onder men Eros in zijn peep-show kon zien. Eros leidt in die-wereld-achter-de-werkelijkheid de geliefde naar de schoonheid, die tenslotte de geliefde ook ten deel valt. Uit zo’n programma kan vanzelfsprekend volkszang niet opbloeien. Het zou dwaas zijn van Boutens zulke poëzie te verwachten. Hij schreef een gelegenheidsgedicht dat de gelegenheid ver achter zich liet: de wereld ‘van uur en feit’ interesseerde hem geen lor. En of de werkster en de glazenwasser het begrijpen zouden, was niet een vraag waar hij zich in verdiepte. Voor de opdrachtgever was de garantie dat een gedicht van zijn hand na de huwelijksplechtigheden niet meteen met het oud papier zou worden meegegeven, in ieder geval optimaal groot. Natuurlijk hield Speenhoff niet van het gedicht. Zijn boodschap aan Greshoff: ‘Zij die geloven baden niet’ meet wel een parodiëring zijn van ‘(want) die vertrouwen haasten niet’ – een regel uit Boutens’ gelegenheidsgedicht.
Toen nu in de loop van ’41 de voetgangerstunnel voor het publiek werd opengesteld, was het de bedoeling dat – volgens vooroorlogse plannen – een gedicht de herinnering daaraan bewaren zou. Boutens kreeg de opdracht. Maar die was van mening dat een Rotterdamse dichter de voorkeur verdiende; hij beval daarom Jan Prins aan. Toen er besloten werd dat er nog een tweede tunnel moest komen, kregen beide dichters de opdracht. De tekst die ze schreven, werd na de oorlog op een bronzen plaat gegrift, en in de daarvoor bestemde tunnel aangebracht.
Maar in ’41 voelde Speenhoff zich gepasseerd. In zijn wiek geschoten schreef hij op 13 oktober de burgemeester de volgende pijnlijke brief:

* Dit gedicht, Een nieuwe lente op Hollands erf, werd in het huwelijksjaar als rijmprent verspreid.

[p. 114]

Edelachtbare Heer Burgemeester!

Laat ik beginnen met mijn Rotterdam geluk te wensen met Uw benoeming tot burgemeester, en ik hoop voor U en mijn geboortestad dat ge nog zeer vele jaren welvaart en geluk moge genieten en aanbrengen.
Ten tweede:
Ik werd aangezocht door de Kunst-commissie 1939 om ook een gedichtje te schrijven voor de Maastunnel die ik als het ware heb meegebouwd en bezongen en berijmd in het Nieuwsblad.* Ik ben alleen VOLKSDICHTER en niet anders en ik wil niet anders zijn dan: DICHTER VOOR ROTTERDAM EN ZIJN ARBEIDERS. Leest nu eens wat Boutens wrocht.
Ik liet het mijn werkster en groentenboer en melkboer en besteller lezen en ze glimlachten verlegen. Ik zegde ze dat het ook Hollands was, maar ze konden het niet volgen. Wel dat van Prins. Door onze tunnel gaan van de honderd mensen er negentig te voet en dat zijn arbeiders en die moeten Boutens lezen en uitpuzzelen. Ze zullen het niet vatten in der eeuwigheid niet.
Waarom wordt opzettelijk de VOLKSKUNST door die commissie geminacht? Mijn dichtje was wel zeer begrijpelijk en VOLKS.
Zou er nu niet een derde geplaatst kunnen worden en in steen gehouwen? De tunnel is zo groot.
Gaarne schrijf ik enige nieuwe rijmen op proef.
Maar die commissie wil alleen maar letterkunde van de interlectuelen. Ik ben te min. Ondanks de mooie woorden gesproken door de Heer Wethouder van Onderwijs te R’dam bij mijn jubileum in de Kleine Schouwburg.
Speenhoff mag daar niet vertegenwoordigd zijn, wat gaat het Volk en de Arbeiders nu kunst aan. Hoge KUNST?
Hopende op een welwillende raad als het kan
Hoogachtend
Aanbevelend
J.H. Speenhoff.

Hij koketteert in deze brief opzichtig met de begrippen ‘volk’ en ‘volks’ – begrippen ‘die tot de geestelijke strijdmiddelen van het nationaal-socialisme behoorden,’ zegt De Haas enigszins aarzelend. Want Speenhoff legt ‘volks’ uit als ‘navolgbaar voor de werkster en de besteller’, hij vereenzelvigt ‘volk’ met ‘de arbeiders’, de basis van de maatschappelijke pyramide, tot de top waarvan Boutens behoort. Niemand in deze brief genoemd, is een ‘volksgenoot’ in de nationaal-socialistische zin van dat woord, – behalve de burgemeester, de N.S.B.-er Müller, die Mr. P.J. Oud verving, en die door Speenhoff nogal slijmerig benaderd wordt. ‘Ik ben te min’, schreef hij. Dat had het beste zonder de ironie gekund.

Toch ging hij niet om. Hij behield zijn bedenkingen tegen zijn dochter die zijn naam en vooral die van haar naamgenote, haar moeder, door het slijk haalde. Daags vóor de tiende verjaardag

* In tegenstelling tot wat Speenhoff hierover in zijn brief zegt, verzekerde de oud-voorzitter van genoemde adviescommissie ons dat de dichter-zanger inderdaad destijds ook een gedenkplaat-tekst vervaardigde, doch dat niemand hem daarom verzocht, of opdracht daartoe gegeven had’ (De Haas).

[p. 115]

van de N.S.B., op 13 december 1941, publiceerde het Rotterdams Nieuwsblad moedig Speenhoffs dapper démenti:

Ernstig:

Om verwarring te voorkomen verklaar ik hiermede met sterke nadruk aan mijn lezers en lezeressen, dat de liedjes, die des zondagsmiddags om 5 uur worden uitgezonden door de Nederlandse Omroep te Hilversum, van het daar optredende cabaret, niet worden gezongen door mijn vrouw, Caesarina Speenhoff-Prinz. Wij beiden, evenals mijn zoon Coos, zingen in geen enkele vorm propagandistische liedjes, maar steeds die van al veertig jaren oud. Waar wij ons bestaan kunnen vinden treden we op en we blijven oprechte vaderlanders. Zegt dit voort en ge bewijst ons een onschatbare dienst. Dank U.

Dat was de stand van zaken twee maanden na de schandelijke brief over Boutens. Hij, zijn vrouw en zoon desolidariseerden zich van zijn dochter en kozen voor hun weinige optredens de dan maar zo goed als antieke liedjes van veertig jaar terug.

Wij hebben dit verschijnsel nu zo vaak gezien, deze synchroniteit van strijdige ideeën èn handelingen, dat we haar tot éen van Speenhoffs karaktertrekken mogen rekenen.
We spraken er voor het eerst over toen we het karakter van zijn poëzie vergeleken met dat van Greshoff (hst. II). Ruw genomen komt het erop neer, dat bij Greshoff de elkaar opvolgende gedichten steeds van voorteken wisselen (+,-,+,-, etc.). Bij Speenhoff zijn beide voortekens in éen gedicht aanwezig. In zijn poëzie lijkt zijn bewustzijn op hetzelfde tijdstip gedeeld, in die van Greshoff lijkt het in de tijd te zijn gedeeld. Synchroniteit hier, progressie daar. Zolang het type Speenhoff maar ‘waarnemer’ blijft, heeft zijn werk daar voordeel van. Anders wordt het wanneer zijn werk tot handelen, tot het bepalen van een standpunt dwingt. Er ontstaat dan een toestand, of er kan dan een toestand ontstaan, waarbij het ene bewustzijn het andere terzijde schuift: men handelt als onder hypnose, men leeft in de grootste verwarring des geestes. Men is in staat bijna moedwillig alles te vernietigen, wat men in jaren heeft opgebouwd. Speenhoff heeft dat bij herhaling ook gedaan: bij ‘Barbarossa’, bij zijn bekering en, heel kras, in Indië, waar de ‘schooier’ van weleer tot aanzien is gekomen en van zijn verleden niet meer weet.
In ’42 hield hij ogenschijnlijk stand, al had hij zich bij de Kultuurkamer aangesloten. Het artistenvakblad Amusementsbedrijf, de gelijkgeschakelde voortzetting van het goed gedocumenteerde vooroorlogse De komeet, is volgens De Haas ‘een dankbare informatiebron over wat er toen in het vak gebeurde en dat was heel wat. In de jaargang 1942 kwam de naam Speenhoff vrijwel niet meer voor’.
Dat betekent dat hij in ’42 geen optredens meer had.
In ’43, zoals hierboven gezegd, ‘viel hij om’. Hij luidde dit jaar in Het Rotterdams Nieuwsblad in met een bede om vrede. In de vierde strofe lezen wij:

Spoedig zullen we herstellen 
wat verwoest werd en verdaan, 
onze grote mensen-werkkracht 
zal weer aan het wrochten gaan. 
Ons vernuft en onze kunde 

[p. 116]

bleven ongerept en sterk, 
in de nieuwe wereldorde 
vrezen we geen plicht of werk. 

‘Wie blijft twijfelen,’ schrijft De Haas, ‘en zèlf gaat pluizen in de duizenden regels proza en poëzie welke deze aan-de-lopende-band-doorschrijvende man, die rijp en groen aan de drukpers of aan de publiciteit prijsgaf, ons naliet, stuit bij herhaling op brieven, uitspraken, of fragmenten van artikelen, die hem bedenkelijk het hoofd zullen doen schudden. Enigerlei lofprijzing of pluimstrijkerij van de bezetter zal hij er echter vergeefs in zoeken’. In ’43 bleef er voor zijn krantenwerk door de papierschaarste niet veel meer ruimte over dan voor een bijdrage in dichtvorm, waaraan hij al rijmelend voldeed. De Haas maakte een opsomming van zijn onderwerpen uit dat jaar:
de ruilbeurs
de hooikist
de koolzaadteelt (om aan plantenolie te komen)
de volle trams
de borreljacht – toen de kasteleins hun klanten niet meer dan éen borrel per dag schonken, ontstond er de zg. ‘jenever-estafette’, een circuit langs de kroegen om aan je taks te komen
de bonnenmisère
de kolennood
het theerantsoen
de 20+-kaas
de peukenrapers
etc.
Men moet zich afvragen wat een onafhankelijke Speenhoff, al was hij dan zeventig, van deze onderwerpen had kunnen maken. Nu versificeerde hij zijn gedichtjes op de preektoon der gelijkgeschakelden. Het is de toon die automatisch opwelt in de ziel van wie zich zijn inspiratie heeft moeten laten ontnemen.

In de jaargang van 1943 van Amusementsbedrijf, dat eens in de veertien dagen verscheen, komt de naam Speenhoff weer wèl voor: drie maal.
Op 1 juni 1943 wordt melding gemaakt van een ‘bonte middag’ voor 60-plussers, waaraan Speenhoff, waarschijnlijk nog altijd met ‘antieke’ liedjes zijn medewerking gaf.
Een maand later volgde een verslag van zijn veertigjarig huwelijksfeest, dat het echtpaar op 17 juni vierde – kort na een drie maanden durende ernstige ziekte van de dichter, waaraan hij werd geopereerd. Hetzelfde artikel kondigt de verschijning aan van een drietal door Speenhoff geschreven boeken:
zijn allerlaatste liedjes
zijn herinneringen aan bekende personen
en een roman uit het land van zijn jeugd, de Lek: Boerenliefde. Alleen het tweede uit deze rij kwam ook werkelijk uit onder de titel Daar komen de schutters!
Uit het nummer van 16 november van Amusementsbedrijf citeert De Haas:
‘Coos Speenhoff sr. is onlangs vier en zeventig jaar geworden. Een aantal bewonderaars en collega’s in de Maasstad – aan welke

[p. 117]

stad de gevierde bard zich van zijn prilste jeugd af ten nauwste verbonden is blijven voelen, al heeft hij zich dan metterwoon in de derde stad des lands gevestigd* – heeft zijn verjaardag niet onopgemerkt voorbij willen laten gaan. Om in het jargon van de volksmond te spreken: zij hebben hem ‘iets aangedaan’. Dat wil zeggen dat ze hem en zijn vrouw en Coos jr. in beperkte kring ‘een etentje’, met wat daaraan vooraf pleegt te gaan, hebben aangeboden in café-restaurant De Kroon. Het was een partijtje dat zich kenmerkte door een sfeer van intimiteit en een bijzonder geanimeerd discours. En zoals dat nu eenmaal bij zulke gelegenheden gebruikelijk is, zijn er vele vriendelijke woorden tot de jarige gesproken. Die woorden allemaal te herhalen zou ons in conflict brengen met de beschikbare plaatsruimte. Gememoreerd zij derhalve dat de heer Van Erk (kennelijk speciaal daartoe uit Den Haag overgekomen) de jarige complimenteerde uit naam van de Nederlandse Cultuurkamer, waar hij hoofd van de afdeling Kleinkunst was; dat Paul Duval, conférencier, nationaal-socialist en actief propagandist voor de dienstneming bij het Oostfront-leger, ‘met zijn geheugen te rade ging’ en dat Coos jr. een hartelijk en sympathiek toespraakje tot zijn vader richtte. Ziehier hoe de jarige van zijn dankbaarheid getuigde in een ‘Rijmprent, opgedragen aan de feestgenoten van 18 oktober te Rotterdam’, waaraan we de eerste strofe ontlenen:

Die was raak op vrijdagavond, 
die bleef raak tot vrijdagnacht. 
Heel wat goeds is onverdroten 
in en uit de mond gebracht. 
Happen, teugen, woorden, lachen, 
borrels wijnen, noem naar op, 
alles ging zo zonder kwaad doen 
vlot en met de vlag in top. 
Met de vlag van beste vriendschap 
groen-wit-groen van Rotterdam, 
waar de rijmer van dit dichtwerk 
welgeluimd ter luier kwam. 

‘Wie de organisatoren waren, konden we niet reconstrueren,’ zegt De Haas, ‘want niemand van de destijds aanwezigen geeft toe zich iets van het geval te herinneren’. Zijn hypothese luidt, dat Speenhoff zich in zijn verregaande naïeveteit voor andermans karretje heeft laten spannen, en onmiddellijk heeft toegehapt, zodra hij het woord ‘huldiging’ maar hoorde.** Hij leidt dit af uit de aanwezigheid van Coos Speenhoff jr., ‘een felle anti-nazi’. Het lijkt ook af te leiden uit de afwezigheid van Ceesje Rienks-Speenhoff, de dochter. De hypothese lijkt aannemelijk. Speenhoff zwichtte altijd – uit ijdelheid of uit vrees. Of hij zwichtte om het zwichten: hij belichaamt de psychologie van de zwichter.

* Door de bouw van de Atlantik-Wall werd Speenhoff van het Seinpostduin 26 b geëvacueerd naar Anna van Hannoverstraat 9 te Den Haag (1943).
** ‘We vrezen dat Speenhoff in een strik trapte, hem gelegd door een beruchte Rotterdamse N.S.B.-er, die zich destijds in alle bochten wrong om hem voor zijn propaganda-karretje te spannen en zelfs nu nog pocht op zijn “vriendschap” met de zo moeilijk toegankelijke bard’ (De Haas).

[p. 118]

Want intussen had hij in het Nieuwsblad het nieuwe jaar ingeluid, waarbij hij de ‘nieuwe wereldorde’ geen strobreed meer in de weg legde. Intussen had hij zijn voorwoord voor het in juni ’43 aangekondigde boek Daar komen de schutters! geschreven en gedateerd: op februari 1943.
Toen hij zijn verjaardag vierde, stond het boek op het punt van verschijnen. Het kwam vermoedelijk in de sinterklaastijd uit.* Speenhoff was, niet in feite en publiekelijk, maar moreel beschouwd, al lang en breed omgegaan, toen hij zijn verjaardag vierde.
Raadselachtig is, dat de dochter ontbrak – en de zoon niet.

* Speenhoff gaf zijn boek, per inlegvelletje, een soort van aanbeveling mee, gedateerd 8 december, 1943.

Hoofdstuk 17 »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>