Start » Biografie van J.H. Speenhoff » Hoofdstuk 11

Hoofdstuk 11

 

Bron: Biografie van J.H. Speenhoff, ongepubliceerd, gedateerd Leiden, september 1987 – juli 1988, p. 76-82.

[p. 76]

In 1919 werd hij vijftig, een Abraham.
Speenhoff was een krachtige kerel, die gemakkelijk zijn mannetje stond. Maar hij behoorde niet meer tot de lenigsten: die tijd was voorgoed voorbij. Gewoonlijk zijn creativiteit, wat geduld en een beetje wijsheid de gaven, die de Abraham op jongeren voor heeft, en als je je tijd benut, blijft zelfvernieuwing tot de mogelijkheden behoren. Hij, met zijn verleden van laatbloeier, kon weten dat zij, die omstreeks 1920 vijfendertig waren, het níet beter deden dan hij, toen hij – in 1904 – die leeftijd had. Ze deden het minder dan hij, veel of weinig minder, maar minder. Dat is geen regel in het menselijk bestaan. Regel is, dat wie nú 35 is, het beter doet, dan wie die leeftijd al vijftien jaar geleden bereikte. Niet iedereen is een laatbloeier. Dit feit zou, ook in 1919 nog, in zijn voordeel kunnen werken. Maar hij liet zich op zijn voorsprong voorstaan, keek meewarig op zijn concurrenten neer en verloor daardoor dit natuurlijk overwicht op hen.

In 1921 staakten de uitgevers de bundeling van zijn liedjes: de verkoop liep te sterk terug. Tekenen des tijds die hij niet verstond.
Want in datzelfde jaar, vertelt hij zelf (maar De Haas houdt het op 1924), verhuisde hij naar Haarlem, waar hij volgens zijn zeggen twaalf jaar heeft gewoond. De Haas zegt daarentegen, dat hij na zijn Indische reis – dus na 1930 – naar Scheveningen verhuisde. Dan zou hij er maar zes jaar hebben gewoond.
Er zijn een paar uiteenlopende, ofschoon niet op alle punten onverzoenbare visies op deze voor Speenhoff zo opmerkelijke verlating van Rotterdam.
De Kruiskade was, volgens De Haas, in het gedeelte waar Speenhoff woonde, ‘een smalle, wat rommelige straat, vol kleine buurtwinkeltjes. De ramen aan de zijkant van het huis zagen op een doodsaaie, kleinburgerlijke dwarsstraat. Met andere woorden toch geen woonst die hun blijvend zou behagen. In 1924 volgde dan ook een nieuwe verhuizing, dit maal naar een eigen huis. Een statuspand aan een statusplein in de deftige stad Haarlem’.
Speenhoff zelf geeft deze reden op:
‘Het huis dat ik er (te Haarlem dus, CN) bewoonde was er door mijne echtgenote bij verrassing en ontspanning en afwisseling gekocht. Dat was de enige reden waarom ik naar het Spaarne trok, de Maas en Rotte begevende.’
Greshoff komt met nog iets anders:
‘Toen Rotterdam, langzaam maar zeker, zijn karakter ging verliezen, omdat de zedelijkheid de overhand kreeg, en de nette Rotterdammers naar Wassenaar trokken, is Jacobus He[n]drikus Speenhoff droefgeestig en verbitterd om zulk een ontaarding naar Haarlem uitgeweken, waar hij als een aanzienlijk vreemdeling, temidden van de platste deftigheid, het bestaan van een wijze voerde, van een wijze die bij tijd en wijle vakantie van de wijsheid nam. Speenhoff is éen der laatste geuzen’.
In het volgende verklaart Speenhoff, hoe Césarine hem ‘bij verrassing’ dat huis kocht:
‘We woonden altijd te Rotterdam tot mijn vrouw op een dag thuis kwam op de Kruiskade en me meedeelde dat ze te Haarlem een herenhuis had gekocht aan het Frans Halsplein nummer 7 en wel voor f 25.600,- van de Rotterdamse Bank Vereniging. Ik zat juist te Slikkerveer in het haventje van de Electro Technische bliekjes te schrappen. Ze kwam met de rederij Fop Smit en Co en bracht onze jongste dochter mede, die te Rotterdam school ging’.

[p. 77]

Een verward verhaal.
Césarine koopt een huis. Waar deelt ze hem dit nu mee?
Heel gewoon – op de Kruiskade? Of uiterst romantisch, na een boottocht, te Slikkerveer, waar hij aan het vissen is?
Het doet er eigenlijk niet toe. Wij kiezen voor de romantiek. Speenhoff heeft misschien alleen maar willen vertellen, dat hij nog op de Kruiskade woonde, en had niet in de gaten dat hij gaandeweg twee verhalen aan het dooreenvlechten was, doordat zijn pen zich aan haar menselijke oorsprong ontrukte en zijn eigen eigenzinnige baan ging. Iets belette hem, dat, wat hij plannend in het hoofd had, ook werkelijk op papier te krijgen.
De zelfwerkzaamheid van de vorm vindt hier haar tegenhanger in de zelfvernietigingsdrift van de vorm: de desintegratie van de ‘dialogue intérieur’.

Greshoffs visie doet het minst geloofwaardig aan. De zedelijkheid kreeg immers niet pas omstreeks 1920 de overhand, maar, met behulp van de Wet, in 1912, nadat al in 1910 de Zandstraat was gesloopt. In de tijd waar Greshoff over spreekt, 1921, kreeg de zedelijkheid niet de stad, maar haar dichter in de greep. Diens verbittering en droefgeestigheid golden veeleer zijn eigen ontaarding.
Voor een voldongen feit geplaatst, vertrok Speenhoff, niet zonder hartzeer de Maas en de Rotte begevende, naar Haarlem, waar hij in het statuspand aan het statusplein van de deftige stad compensatie hoopte te vinden voor het verlies van Rotterdam, waarvan de nette mensen inderdaad naar Wassenaar vertrokken.
Gelukkig, of gelukkiger dan hij in Rotterdam was, werd hij er niet. Hij verkeerde voortdurend in geldnood, en dus begon hij van 1920 af weer te schrijven.
Elke week een gedicht voor Het Rotterdamsch Nieuwsblad. Bijdragen voor Uiltjes Weekblad. In het Nieuwblad kreeg hij er in ’28 een correspondentierubriek bij, die de meest gelezen rubriek van de krant werd. De toon van volkse biecht- en huisvader die hij zich had aangemeten, beviel de lezeressen van het blad uitermate. Bij hen beval hij zich dan ook aan als handschriftkundige – tegen een kleine beloning. In Daar komen de schutters! leeft hij zich wat deze hobby betreft, in sommige stukjes uit, bv. in deze over Van Deyssel of Nolst Trenité.
De radio wist hij niet te veroveren. Door dit medium, dat de wereld van het gesproken woord in de eigen of een vreemde taal, en die van de levende of op de plaat vastgelegde muziek thuis bezorgde, ontstond de paradoxale situatie, dat men om een beroemdheid uit die tijd als Richard Tauber te horen, thuis moest blijven in plaats van naar de plek van uitvoering te gaan. Toen de radio de huizen binnen drong, werd het publiek consument en de artist handelswaar, afhankelijk van kritiek en succes. Cultuur werd een consumptie-artikel, zoals Huizinga, de Rougemont, e.v.a. niet moe werden te betogen, toen ook Hitlers stem de huizen binnendrong.
Dan was er de film.
Het maakt voor de waardering van film door schrijvers misschien iets uit, of zij het fin de siècle bewust hebben meegemaakt of niet. Greshoff, Speenhoff en Walraven voelden niets voor het fenomeen. Zij zagen, misschien gepreformeerd door de literatuur, een acteur en zijn gebaar. Zij zagen een primitief soort toneel zonder woorden. Zij zagen niet een beeld, een kader. Anders is dat met Ter Braak, anders met Van Ostaijen. Ook schilders, oud en jong, konden met het genre overweg. Zij trokken de consequentie van de schilderkunst en lieten de uiterlijke verschijningsvorm der dingen los: Picasso, Mondriaan, Magritte.
Speenhoff zag in film terecht een concurrent, die veel publiek uit het

[p. 78]

levende theater weg trok. En hoewel hij van de pauzenummers in de bioskopen veel profijt trok, ging hij toch hevig tegen de film te keer – althans tegen Chaplin die van het publiek, en tegen Epstein [=Eisenstein] die van de élite de gunst kreeg.
‘Toen Buziau begon was Chaplin nog een figurant die èn zijn malle schoenen èn zijn loopje èn zijn stokje èn hoedje èn snorretje van collega’s afkeek en er een nummer van maakte. Zelfs zijn mop met de kadetjes aan vorken, die als voeten dansen, was al een studentenmop in Delft vóor vijftig jaar (…). De tijd van een Chaplin is voorbij en voorgoed en gelukkig,’ schrijft hij in 1943.
‘Sinds 1924,’ schrijft De Haas,’verkondigde Speenhoff dat de tijd van Chaplin voorbij was’.
Ofschoon Speenhoff zich kennelijk voor film niet interesseerde, mengde hij zich in dat jaar in een door de Stem ontlokte discussie, die de aanhangers van de films van het Duitse UFA-concern tegenover de aanhangers van de Amerikaanse films had gebracht, die door Tuschinski werden vertoond.* Het misverstand dat bij het publiek over film bestond, kon niet duidelijker aan het licht treden dan door deze ‘hevige strijd’ (De Haas) over film, op een wijze die doet vermoeden dat het eigenlijk om een strijd tussen concerns ging.
Wèl was het Speenhoff in de kruitdamp duidelijk geworden dat het betere publiek vooral aan de kant van de Duitse film stond, zodat hij voetstoots aannam, dat die dus in de Tuschinski-paleizen werd vertoond, waar hij immers in de pauzenummers optrad. Op 12 december 1924 schreef hij in Uiltjes Weekblad:
‘Ja, die Paramount-films worden geestloos, onbeschaafd en tergend vervelend. Al die Amerikaanse kwajongens en suikerpoppies hangen ons al zeer lang de keel uit. We verlangen nu eens iets meer dan die Coogans en Chaplins en Lloyds en hoe al die stomvervelende knulletjes mogen heten. We onderhouden in ons land heel wat bioskopen. Ze kosten ons dagelijks handen met geld en ze verplichten ons naar die afgezaagde, dorre, futloze films te kijken. Zie dan de Nibelungen (UFA)! Dát is het werk voor ons. Arbeiders, dat geëist! Maar die Paramount-beweging zal, door gebrek aan fantasie en geest gauw uitgekeken zijn. Al dat Amerikaanse schieten en hangen en vrouwen slaan doen ons niets meer. De kunstfilm willen we!’

Tuschinski was meer dan verbolgen over deze klap in zijn gezicht, en Speenhoff van de weeromstuit verbouwereerd. Hij had de man een plezier willen doen, en nu dit.
Toen De Haas hem uitlegde hoe de vork in de steel zat, aarzelde hij geen moment. Veertien dagen later stond er een stuk in hetzelfde weekblad, waarin Speenhoff de Amerikaanse film de hemel in prees en de hel voor de Duitse nog veel te goed vond.
Welk onderwerp hij ook aangreep, altijd bracht hij er geldproblemen in ter sprake. De financiële nood zat hem zelf zo hoog, dat hij ieder probleem met geld in verband bracht. InUiltjes Weekblad van 17 november 1923 verhief hij zijn stem tegen de Jodenvervolgingen in Duitsland en Oost-Europa:
‘Weer pogroms in Duitsland en Oost-Europa.
Hoe weerzinwekkend. Joden vervolgen, plunderen en mishandelen, omdat ze spaarzaam zijn en dus kapitalisten worden. Waarom hun voorbeeld

* Tuschinski had een veeljarig contract met Paramount-Pictures afgesloten.

[p. 79]

niet liever gevolgd en de duiten bij elkaar gehouden? Kapitalisme moet er wezen. Zonder geld worden we loonslaven. ‘t Vergaat een volk slecht dat aan Jodenmoord doet. Zodra het geen raad meer weet en in de nesten komt: door eigen spilzucht en kapitaalsvernietiging, krijgen de Joden maar weer de schuld. Het socialisme is eigenlijk ook antisemitisme, omdat het tegen het kapitaal strijdt. Duitsland is aan zijn laatste ronde. Nu maar een donderaar aangesteld, en het Joodse volk beschermd.
‘t Is walgelijk’.

Men kan van dit stukje zeggen, dat er w.i.w. geen antisemiet aan het woord is. Maar hier spreekt toch voornamelijk iemand bij wie het vooral om de eigen belangen en belangetjes gaat. Zou Speenhoff werkelijk niet weten dat het woord ‘kapitaal’ in de functie die het in oppositie met het woord ‘socialisme’ krijgt, synoniem is met ‘werkgevers’, met ‘bezitters van de produktiemiddelen’?
‘Kapitalisme moet er wezen. Zonder geld worden we loonslaven’ – al eerder zagen we dat voor hem bezit identiek is met werklust en levensdrang. Hij ziet een verband tussen streven naar meer (=arbeid) en geldophoping (= kapitaal).
Maar eigenlijk bedoelt hij dat veel geld arbeid overbodig maakt.
Voor wie het bezit, natuurlijk.
En hij bezat het niet. Drong ooit het besef tot hem door, dat het statuspand in Haarlem een schijnvertoning was, die het verschil tussen zijn success-story en de puinhoop die hij van zijn leven had gemaakt, moest verbergen? Of was Haarlem, om andere, dieper liggende redenen, toch minder een toevalligheid dan wij geneigd zijn te geloven? De verhuizing naar het Frans Halsplein, waarvoor hij Césarine aansprakelijk stelde, heeft misschien een psychologische oorzaak. Het komt ons voor, dat hij niet echt meegaand was, toen zij hem bij verrassing dat huis kocht.
Hij verliet Rotterdam, ‘de Maas en de Rotte begevende‘.
Zich onthechten is een activiteit die bij de leeftijd van Abraham hoort. Haarlem bood hem die kans. In het stamcafé daar vond hij een kring van vrienden van zijn niveau: Van Deyssel, Dirk Coster, Van Hees, Riemsdijk, Nolst Trenité en zijn oude makker uit de eerste Ware Jacob-tijd, Ko Doncker.
‘Niemand in Haarlem noemde ons Cees en Koos’, deelt hij mee. Niemand. Behalve Ko Doncker natuurlijk, en – enige uitzondering – Nolst Trenité. Dàt was in Rotterdam anders – en dít lijkt weer op de aloude distantie, distinctie,- maar: het is in het streven naar onthechting niet ongepast.
Haarlem trok hem niet naar buiten, zoals Rotterdam:
‘Haarlem is een zindelijke en dus soms eentonige en soms vervelende stad,’ schrijft hij. Ook dat past allemaal uitstekend in het onthechtingsprogramma, waar hij zich al dan niet bewust van was. De stad kwam zelfs zijn toenemende zedigheid zeer tegemoet:
‘Vriendinnen bezat ik er niet ene,’ vertelt hij, ‘en twaalf jaar heb ik in een stad gewoond waarin ik geen enkel ongeoorloofd verhoudinkje had met ene boventallige zoetelief’: is het niet interessant te weten dat Césarine dit huis kocht?
Maar al was dat huis financieel beschouwd een miskleun, en al bood de stad hem weinig vertier in de Rotterdamse zin van dat woord – hij had er met de rust die hij er vond en met de voornaamheid die dit pand in die omgeving ademde, gelukkig kunnen zijn. ‘De Haarlemse periode zou éen der gelukkigste uit hun leven zijn geweest,’ zegt De Haas. As er maar geld voor was geweest.

De zorg voor het onmiddellijke vernauwde zijn blik. Hij vroeg zich niet meer af, wat hij nog te geven had, maar hoeveel hij nog binnen kon halen.

[p. 80]

Pisuisse en Clinge Doorenbos – dat had hij nu wel gezien. Maar achter hen stond Louis Davids al te dringen. Hij raakte niet achterop. Hij bleef bij. Zij kwamen naast hem. Hij raakte achterop bij zichzelf.
Niet alleen Davids, iedereen leefde in een sneller, een ander tempo dan hij kende. Men beleefde een onstuimige, luidruchtige tijd. Het ritme van de jazz, de dans, de film, de mode, sport zat de jeugd, die zich in versneld tempo moderniseerde, in het bloed. Men bewoog zich ook sneller, eleganter misschien dan hij wou toegeven – vooral de vrouwen. Op de tennisbaan, de dansvloer, in de auto. Hij besefte volledig dat een terugkeer naar het oude, hoe wenselijk ook voor hem, onmogelijk was. ‘Het publiek vraagt krachtiger spijs,’ deelde hij Mari Brusse in een interview in de N.R.C. van 1928 mee.
De tijd deprimeerde hem. Zijn blik richtte zich veel te veel naar binnen en op zichzelf. Besefte hij wel, dat een kleine groep van Duitsgezinden nog na mokte, niet alleen Versailles en de Volkenbond vervloekend, maar ook het annexionistische België, dat het begerig oog op Zuid-Limburg had laten vallen, en op Zeeuws Vlaanderen?
Tegen de plannen om België in zijn absurde eisen tegemoet te komen met het graven van een kanaal door Limburg en Brabant naar Antwerpen, waarna de souvereiniteit over de Scheldemond aan dat land zou worden overgedragen, stelde een Landelijk Comité van Actie zich – onder leiding van Anton Mussert – met succes te weer. De eerste kamer verwierp het ontwerp-Belgisch Verdrag, en de minister trad af (1926).
Het ligt niet voor de hand Speenhoff ervan te verdenken, dat hij zich ook maar even voor de zaak geïnteresseerd heeft. Hij interesseerde zich alleen nog maar voor het publiek en voor de eisen van het publiek. En het publiek, zei hij, ‘vraagt krachtiger spijs. Dan word je querulant, wind je je steeds erger op over het publiek en geeft hun de schuld’. Krachtiger spijs – wat bedoelde hij? Krachtiger spijs dan hij geven kon. ‘Het Speenhoff-schabloon,’ zei Pisuisse – niet eens smalend.
Hij sloot zich op in de stijl die hem beroemd had gemaakt – maar met alle concessies aan de dochter, de vrouw en de moeder van de bezoeker. Zo draaide hij mee in de molen van het amusement en werkte programma’s af op sociëteitsavondjes, tentoonstellingen met amusementsattracties, particuliere feestavondjes, jaarlijks weerkerende festiviteiten en pauzenummers in de bioskopen. Het artistenleven werd routineus en vervelend.

‘Het bereiken van een hoogtepunt brengt de consequentie met zich van een wederafdaling,’ schrijft De Haas. Maar dat is geen beschrijving van een verleden werkelijkheid, dat is statistiek – de wetenschap van het onvolledige onderzoek. Wie zich daarin verdiept, dient uit te gaan van de stelling dat de uitzondering voorwaarde is voor de regel. De Haas somt de oorzaken van de door hem vastgestelde neergang op:

  • de oververzadiging van de belangstelling door de publiciteitslawine: Speenhoff was 12½ jaar lang dag in dag uit in de publiciteit geweest.
  • Hij had de katholieken, sociaaldemocraten alsook het publiek zonder speciale kleur tegen zich in het harnas gejaagd – door zijn bekering, zijn wispelturigheid, etc.
  • Hij raakte uit de mode; men vond hem verouderd.

Maar dat is natuurlijk geen wezenlijke verklaring voor deze knik in de koortsgrafiek van Speenhoffs leven.

  • Picasso stond veel langer dag in dag uit in het nieuws.
  • Picasso joeg de halve wereld tegen zich in het harnas.
  • Picasso raakte helemaal niet uit de mode: hij maakte die.

[p. 81]

Speenhoff hield geen rekening met wat men in Amerika het ‘vintage’-effect noemt, – de herkenbaarheid van zijn oogstjaar, zijn succesjaar, in Speenhoffs geval: de trouw aan 1902.
Onder de laatste handtekening moet de eerste nog doorschijnen. Maar sinds 1915 leek zijn handtekening een vervalsing en van 1943 af leek ook zijn eerste handtekening al vals.
Speenhoff hield de mythe die hij gestalte had gegeven – een rokkenjager, een open zeeman, een drinker, een dichter van amorele en immorele liedjes – niet in ere, maar liet er een tegenmythe op los. De mythe van de kuisheid: dat is de mythe van het verband tussen de onderdrukking van het seksuele in zijn diepste en breedste betekenis, en de overwoekering van het macho-temperament, waardoor men de vrouw op een voetstuk en terzijde plaatst. Hij was een vrouwengek, die niets voelde voor de emancipatie van de vrouw. Maar voelde hij ook niet voor de Neo-Malthusiaanse Bond met zijn vrouwenringen en -spuiten?
Hij voelde er niets voor.
Zei hij.
Hij ontkende eenvoudig zijn vroeger leven.
Speenhoff een drinker? Kom nou!
In het stukje over Jan Feith schrijft hij:
‘Jan verklapte dus aan het publiek dat ik een zatlap was en dat is niet waar, want nooit in mijn leven heb ik er tegen gekund. Nooit en nu ik dit tik helemaal niet meer. In Indië was ik twee jaren geheelonthouder.’
In het stukje over J.H. Speenhoff, als hij over zijn karakterfouten komt te spreken, schrijft hij:
‘Een tweede fout in hem is dat hij altijd over dronkenschap spreekt en schrijft en zelfs dicht en schildert en tekent. Hij kan dat alles vrij aardig maar zijne medelieden denken van hem dat hij een dronkaard is, en die indruk moet men nimmer willen maken, als men in de wereld vooruit wil komen‘ (cursivering aangebracht).
In het artikel over Willem Mengelberg:
‘Ik was zo goed als geheelonthouder en genever had ik zo goed als nooit gedronken’.
De tijd waarin dit verhaal speelt, is 1904. Wie kan deze onzin geloven? Het is gewoonweg belachelijk en de lust ontbreekt me om deze mededelingen tegen te spreken met andere, die in hetzelfde boek te vinden zijn. Maar men verbaast zich over de keus. Met welk vervelend slag van mensen zocht hij toch contact?
Hij, die in 1914 nog monter was en goed geluimd, en vooral ook baas over zichzelf, streeft een jaar later al naar officiële erkenning, het hogere en een lintje, en stelde zelf zijn nieuwe gebieders aan: de kuisheid, de blauwe knoop, het katholicisme, de moraal. Is dat geen teken van veroudering? Is dit zich hechten aan risicoloze saaiheid niet juist een teken van vereenzaming en dus het tegendeel van de onthechting die bij Abrahams leeftijd hoort en die het onderhouden van vriendschappelijke betrekkingen met echte mensen beslist niet verhindert?
Hoe sprak hij met zijn vrienden in de Kleine Brinkman? Hoe maakte hij zich acceptabel in hun ogen?

Het is niet vreemd wanneer een vijftiger zich onzeker voelt of gedeprimeerd. Dat gevoel kondigt de geboorte aan van een nieuwe ontwikkeling. Het is een anarchie van innerlijke krachten die tot verval móet leiden, indien niet éen beginsel uit de vele de overhand houdt – de trouw aan 1902 – om een nieuwe rangschikking tot stand te brengen. In het eerste

[p. 82]

geval glijdt men hopeloos af. In het andere bereikt men bijna moeiteloos een nieuwe, vrije vorm, een nieuwe, rijke inhoud.
Speenhoff zakte weg.
Gebreken, zwakheden, zonden van de menselijke natuur die hij zonder bezwaren aanvaarden kon in zichzelf en in anderen, toen schraalhans nog koning in zijn keuken was, waren – dat zag hij nu toch wel in – geen kwaliteiten om ‘in de wereld vooruit te komen’.
De Speenhoff van 1902, die geen schaamte kende voor menselijke handelingen die tevens natuurverschijnselen [zijn], zou zich voor de Speenhoff van 1920 diep hebben geschaamd.
Beide Speenhoffs vormen de schooier en de rechter uit zijn liedje.
Toen Speenhoff omstreeks ’20 die rechter werd, verloor hij zijn deugdzaamheid.
Het doet pijn dit vast te stellen. Wij zien niet graag iemand die we graag mogen, afgaan, omdat hij zo nodig in strijd met zijn eigen natuur moet handelen en zo zelf de kloof vergroot tussen wat werd en wat had moeten worden. De noodlottige splijting in een ‘schooier’ en een ‘rechter’ heeft hem weinig goed gedaan en maakte hem labieler dan ooit. In de vriendenkring kon hij zich zelf zijn, amuseerde hij zich, amuseerde hij anderen. Op de planken miste hij die gave. De Haas vertelt, dat Speenhoff niets had van een ‘conférencier’: hij kon voor het publiek volstrekt niet spreken. Voor het publiek zong hij zijn gedichten. Dat zal hij in de vriendenkring wel niet hebben gedaan. Daar was hij vrolijk, daar werd hij niet verkeerd begrepen en daar voelde hij zich niet geremd en gefrustreerd.
Speenhoff gaf zijn schooierschap natuurlijk niet zo maar prijs: hij gaf het een kleiner speelruimte.

Hoofdstuk 12 »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>