Start » Ander werk » Nederland is nog lang niet af

Nederland is nog lang niet af

 

Het Nieuwe Front, maart 1985.
Over: Janmaat, Centrumpartij, Lodewijk Makeblijde College.

[p. 1]

25 april 1984

Je moet de solitair niet meten naar de kudde en de kudde niet naar de solitair.
Toen de twaalfde van deze maand de dag van de poëzie op het LMC 1 halverwege was – we zaten met de dichters aan tafel; het laboratorium van het woord-programma was achter de rug – werd Evert gebeld door het A.N.P.
Of het waar was, dat Janmaat weer op deze school gaat les geven?
Niemand van ons geloofde dat.
Onze poëzie-avond was natuurlijk tegen hem gericht: je krijgt er zo langzamerhand de buik van vol over het LMC te horen praten als over ‘de school van Janmaat’. Nu wilden we laten zien dat een pluriforme maatschappij ook een pluriforme poëzie bezit.
Het spektake1 zou door Schierbeek worden gepresenteerd onder de naam Rebel, mijn hart – het thema van de avond.
Optredenden: Elburg, Cees Buddingh’, Jaap van de Merwe en vervolgens:
Jana Beranová (Tsjecho-Slowakije)
Edgar Cairo (Suriname)
Luis Aravena en zijn groep muzikanten (Chili).

‘Het A.N.P. heeft een copie van zijn sollicitatiebrief’, zei Evert. We gingen naar de zaal.
Elburg kreeg als eerste het woord, en wat ik hoopte dat hij lezen zou, las hij ook aan het slot van zijn optreden: zijn chef d’oeuvre, gelovig soms. Hij schonk mij een rijmprent: Aan die van 1918 – een sonnet, uit ’45, nog net illegaal gedrukt.

‘s Middags, die twaalfde, waren er twee verslaggeefsters van De Haagsche Courant geweest.
Ik had ze uitvoerig over ons anti-Centrum Partij-uitgangspunt ingelicht. Aantekeningen maakten ze niet. Ze bleven een paar uur in de kelder rondhangen waar de werkgroepen aan de gang waren gegaan en gingen pas weg, toen hun fotograaf arriveerde. Die schoot een paar plaatjes en ging er ook van door.
Van de manifestatie was in deze, in de Schilderswijk veel gelezen krant, niets te lezen. Wel in twee andere, waarheidlievende.
(Zouden die journalisten, of éen van hen, Janmaat hebben getipt? Hoho, Cornetto, zoiets mag je zelfs niet denken! Ik wil mijn tot stoppen dwingen: het lukt me niet. ‘Journaille’, denkt die pen).

Toen lag, de volgende dag vrijdag de dertiende, de sollicitatiebrief in de bus van het LMC. Evert stelde onmiddellijk met een paar handlangers, onder wie Verstappen en Vincent, een proclamatie op, waar hij van alle collega’s de handtekening onder wilde hebben.
‘Alle collega’s zijn mij even lief’ motiveerde er een zijn weigering aan de actie mee te doen. Evert zat daar niet mee. Hij schreef nu een verklaring ‘uit naam van allen’ stencilde het ding en legde het in onze postbakjes. Direct daarna brak de vakantie uit.

[p. 2]

Velen zouden de proclamatie pas na de vakantie lezen, instemmend of mokkend.

Omdat ik H. 2 al zo lang niet gezien had, belde ik hem die dag – vrijdag, de dertiende – op voor een afspraak.
Ik kreeg zijn vrouw aan de lijn, die me vertelde dat Hans Janmaat de vorige dag bij hen langs was geweest, na een drukke dag in de Kamer, en dat hij hen gillend van de pret van zijn voorgenomen sollicitatie had verteld.
‘Ik hoop dat minstens tweehonderd ouders hun kinderen van die klereschool halen’, citeerde ze hem. Ik vroeg om H., die me het verhaal bevestigde. Ik hoorde hen verder uit.
Janmaat zou uit rancune handelen, misschien niet eens zo zeer uit rancune tegen het LMC, maar in ieder geval tegen het St. Jans. 3
‘Het nationaal-socialisme als rancuneleer’, zei ik.
‘Precies’, zei H. die me te verstaan gaf geen ene moer voor de C.P. te voelen.
Ik sprak af voor de komende maandag: wat moet Janmaat bij hem?

Ter Braak citeert in zijn pamflet Het nationaalsocialisme als rancuneleer min of meer uitvoerig Scheler. Ik heb, om de tactiek van de C.P. te schetsen maar éen element uit dat citaat nodig: ‘men wil niet ernstig, wat men zegt te willen’. Janmaat wil natuurlijk helemaal geen les geven: dat zou een ramp voor hem zijn, de scholieren van het LMC in aanmerking genomen. Hij wil een paar collega’s, ook deze die hem liefhebben, in de gordijnen hebben. Hij wil een paar honderd ouders verontrusten, een land op stelten zetten. Janmaat zou de laatste zijn die gebaat is met een oplossing van de problemen die hij ziet. Loste hij ze op, dan maakt hij zichzelf en zijn partij overbodig. Dat wil hij immers het allerlaatst.
Vandaag, om 19.12 u had de C.P. een uitzending op de tv. Toen alle humbug uit bezorgdheid – en ik hoor sommige mensen tijdens de uitzending roepen ‘Dat is waar! Daar heeft hij gelijk in!’ was uitgebraakt, kwam Konst met de mededeling dat Janmaat en hij van plan waren de Dodenherdenking in de Nieuwe Kerk op 4 mei met hun aanwezigheid luister bij te zetten.
Ook dat past in het systeem van niet ernstig te willen wat men zegt te willen.
Ze bellen het A.N.P. en zeggen: ‘ik heb gesolliciteerd’.
Ze kijken diep in de camera en zeggen: ‘wij ook horen thuis in de Nieuwe Kerk!’
Ze vertellen vooraf wat ze zeggen te willen en wachten dan af, hoe de meute zich op ze stort – want dat ze dát eigenlijk willen, vertellen ze niet. Ze oogsten altijd het succes dat ze beogen, omdat zij de kudde naar de kudde meten.

Op vrijdag, de dertiende, werd de Mussert-biografie van Meyer voor de buis besproken in het vlakke programna van de ongeïnteresseerde A.v.d.H., de alles is anders show. Naar aanleiding van dat boek kwam de trage presentator o zo vlot op de gedachte, ‘dat die andere Mussert, Janmaat’ terug wilde naar zijn oude school. ‘De ouders moeten hun kinderen daar maar van school halen’, vond hij.
Ook Aukje Holtrop in Vrij Nederland (21 april ’84) komt met dit advies. ‘Scholen genoeg’, vond zij. Ja, scholen genoeg. Maar niet éen waaraan Janmaat zo de pest heeft als aan het St. Jans en niet éen die op een poëzie-manifestatie kan bogen als die van ons.
Op de school waar Konst les geeft, zijn twaalf leraren ontslagen door de terugloop van leerlingen: wat willen Aad en Aukje eigenlijk bereiken?

[p. 3]

Evert zegt: ‘Ze zitten overal’. Hij roemt een artikel in ditzelfde V.N. van 21 april over Mart Giesen.
Giesen, Giesen – waar ken ik die naam van?
Gisteren waren Kler en Wer 4 hier, – Wer, net een paar dagen terug uit Arabië. Een jaar geleden was hij voorzitter van een amateurtoneelgezelschap, hier in Leiden.
Men had een nieuw stuk op het repertoire genomen met een Joodse man in de hoofdrol. Zijn tegenspeelster zou de vrouw van Giesen zijn, – die van de C.P. Dat was een probleem. Maar voor Wer was het probleem niet die toevallige samenkomst van een gespeelde Jood en een partijgangster of mogelijke partijgangster van de C.P. Hij wilde eenvoudig geen onzin in huis en stelde haar daarom voor de keus: of spelen onder eigen naam, of vertrekken. Ze gaf de voorkeur aan spelen, zei ze. Maar daar kwam ze de eerstvolgende keer op terug:
‘Wat mankeert er aan de naam Giesen?’ vroeg ze dapper. En: ‘ik sta achter mijn man’. Wer gelastte de voorstelling af,- een financiële strop en voor de spelers een gemiste boot.
Gisteren vroeg Narda, mijn vrouw, naar haar en zo kregen we van Kler te horen dat Giesen zijn vrouw in de steek had gelaten, of liever, zij hem. Zij had meer redenen daartoe. Het huis waar ze in is blijven wonen, wordt om de haverklap van anti-fascistische leuzen voorzien. Haar kinderen worden op straat nagewezen, op school uitgescholden. Ze heeft geen leven meer.
Intussen is hij keuringsarts bij de Hoge Raad, meet zijn schedel tot volle tevredenheid en bazuint zijn krankjorumme ideeën over de medische behandeling van ouden van dagen rond.

Waarom dat motto, Rebel, mijn hart? vroeg een van de verslaggeefsters. Nou vanwege Janmaat dus. En omdat dit gedicht toevallig min of meer op de grens staat van twee typen poëzie. Het ene, traditionalistisch, vol klinkende woorden – het andere wars van hoofdletters en ideeën. ‘Wie met het woord stoeit, haalt veel overhoop – in de eerste plaats de hiërarchie’.
Ze keek me half begrijpend aan.
‘De dichters staan niet meer boven, maar tussen de mensen. Dat komt omdat alle woorden gelijkberechtigd zijn geworden. Er is geen poëtische taal, er zijn geen schuttingwoorden. Er is taal, poëzie, vrijheid.’

H. stelde me maar half gerust, die maandag, de 16e.
‘Ik heb niets tegen een pluriforme, multiraciale maatschappij. Er zijn in het verleden Portugese Joden binnen gekomen, vluchtelingen uit Antwerpen, Hugenoten. Maar die droegen iets bij aan onze rijkdom. Dat kun je van onze allochtonen toch niet zeggen? Hun godsdienst is intolerant, ze mishandelen hun vrouw. Hun rituele slachten is onhygiënisch en wreed’.
Ik hoor Vierling goedkeurend mompelen bij dit laatste. Maar Portugese Joden? Aten die soms geen schapenvlees? En is het waar dat deze buitenlanders met Islam, vrouwen, schapen en al, onze beurs níet hebben gespekt? Hoe waren we dan zo gek ze ooit toe te laten?
‘Nee’, zei ik. Maar voor sommige mensen is een wat plattere beurs meteen een reden voor een wat plattere ideologie.’ H. toonde mij een boek dat ik van hem leende: E.M. Cioran, Geboren zijn is ongemak. Toen ik het doorbladerde in de trein terug naar huis, begreep ik dat deze auteur, een Roemeen, zich misplaatst voelde in Parijs, waar hij woont. Hij voelde zich in Roemenië al misplaatst.
Wanneer de C.P. hier succes zou boeken, zou iedereen in Nederland zich misplaatst voelen. De echte Nederlanders nog wel het meest, dacht ik.
Ik belde hem die avond nog op voor een tweede afspraak, bij mij, dit keer. Ik wilde iets van hem weten.

[p. 4]

26 april 84

Cioran. Ik heb zijn boek met grote voortvarendheid gelezen, te snel om het behoorlijk tot me door te laten dringen. Maar alleen zo zet ik herkenningspunten in mijn lectuur uit. Bij tweede lezing, en daar komt het natuurlijk toch van, verbind ik die schakels met meer gemak, en bij derde kan ik ze voorspellen. Zo leest een kind ook, daarom vraagt het steeds om hetzelfde verhaal, in dezelfde bewoordingen. Niet veel boeken hebben dit, die kracht waarmee ze je veroveren. Ter Braak heeft het in Politicus zonder partij, en Rilke: de Elegieën, Lucebert met de amsterdamse school. Schrijvers als Vestdijk en Mulisch hebben het niet: die moet jíj veroveren. Tenminste, zo zit dat bij mij.

Die maandag zaten we in de tuin met zon. Met bier. Hoewel het warm genoeg was, dronk hij matig voor de alcoholist die hij voorgaf te zijn.
Hij vroeg of ik soms leerlingen wist, die hij bij zou kunnen werken. Ik noemde een paar Chileense kinderen, een paar broers uit Hong Kong, meisjes uit Suriname – allemaal van het LMC. ‘Graag’ zei hij.
Toen zei ik iets over Vierling. Hoe mensen met een zacht gemoed als dat van H. zo makkelijk het slachtoffer konden worden van zo’n dierenvriend. Hij lachte. ‘Je wilt me waarschuwen voor de Centrum Partij. Nou Rudy, dat is echt niet nodig hoor’.
‘Dat wist ik wel,’ zei ik, verlegen, maar eindelijk ontspannen.
In de huiskamer liet ik hem van de grammofoonplaat de stem van A. Roland Holst horen. We probeerden zijn Nederlands voor de upper ten te imiteren. Het werd geen succes, de man is nu eenmaal onnavolgbaar. Er is iets metafysisch in die stem: ‘Ritsel, ritsel wilgeblaren…’ 5
: met een tong-r, maar zonder éen rolling en toch zo heel anders van klank dan de Engelse r!
Ik liet hem een recensie over mijn roman lezen (van A. Walrecht, in Ons erfdeel, 1984). 6
‘Ik begrijp er geen pest van. Dat heb jij toch helemaal niet, die affiniteit met Du Perron?’ Nogal heftig. Alsof ik dat had kunnen voorkomen, die recensie. Ik antwoordde dat er wel anders over mijn boek geschreven was: ‘Dat zijn geen besprekingen meer, maar banvloeken tegen Narda’.
Ik was trots genoeg om te vertellen dat Schierbeek mijn boek mooi had gevonden. Dat hij er in die kring van dichters op de poëzie-dag van vertelde dat het in de trant van schrijven te vergelijken was met Stendhal. Dat ligt toch dicht bij Du Perron…
Schierbeek deed me trouwens nog veel meer plezier. Hij opende die avond met een mild verwijt aan de leraar Nederlands. In het laboratorium van het woord, dat die middag voor een vijftigtal leerlingen openstond, had hij ervaren, hoezeer het begrip ‘gedicht’ traditioneel geladen was. Rijm, sinterklaas, afwezigheid van ritme, van een eigen sten.
‘Er wordt op school te weinig, veel te weinig poëzie gelezen’.

Narda komt thuis met dit verhaal:
Een collega van haar is bestuurslid van het C.O.C.
Een van de leden heet Vierling.
Vierling? Vierling? Is dat die man van de C.P.? vroeg men ongerust in het bestuur.
Hij was het. Wat te doen? Is het C.O.C. gesloten voor leden van de C.P.? Waar staat dat?
Maar Vierling maakte het de vereniging gemakkelijk. Op een dag begon hij zijn zojuist gemaakte visitekaartjes aan de leden uit te delen:
drs. Vierling
Fractiemedewerker van de Centrum Partij

[p. 5]

Dat werkte als een sein. Hij werd de deur uitgewerkt en kon op straat het lot overdenken van de uitgeworpene.
Dat bedoel ik: men moet Janmaat toelaten op school, in de Nieuwe Kerk, waar hij maar wezen wil, of zegt te willen wezen. Niet zijn voornemens, want die voert hij nooit uit, maar zijn gedrag moet aanleiding zijn hem uit te werpen. Tolerantie dient bescherming te bieden tegen gewelddadige vormen van hypocrisie en cynisme. Waar zulk geweld tot uitdrukking wordt gebracht, houdt tolerantie op en mag de beuk erin.

27 april 84

Voor het eindexamen Nederlands (V.W.0.) moet ik om 9 uur op school zijn. Ik ging voor de gezelligheid met Narda mee de deur uit, en had op het station nog 3 kwartier de tijd om de krant te lezen. Na een tijdje kwam er een vrouw aan mijn tafeltje zitten, slank, veertig, vervallen. Ze moet vroeger mooi geweest zijn. Ze glimlachte iets verlegens naar mij en zweeg. ‘Haar eenzaamheid’, dacht ik. En ik dacht aan Parijs, 1920, 1930, een caféterras, nee, een wachtkamer van een Parijs station. Een Russische émigrée, verpleegster bij het Witte Leger. Olga, dronken Olga… Als je niet weggaat, word ik stapelverliefd op je…
Toen kwam de ober. ‘U weet dat er hier niet voor u getapt wordt, hè?’ zei hij streng. Olga stond op en sloop weg.
‘Ze zoekt mensen als u’, zei hij. ‘Dan loopt ze weg – met uw aansteker, wie weet met uw beurs’. Hij wees naar het ding, dat achteloos op tafel lag.
Hoe aardig ik dit ook van hem vond, mijn sympathie voor Olga heeft hij niet weg kunnen nemen. Ook ik ben immers op de vlucht, voor Hitler, Stalin, wie dan ook, me schuil houdend op een hotelkamer, nu eens hier, dan daar… Olga, je weet toch dat er hier niet wordt gegapt!
Ik vouwde de krant dicht en overdacht haar komen en gaan.
Een vrouw wier geschiedenis haar is ontnomen. Een vrouw met een lot, een toekomst. En éen zonder hoop.

Op school vertelde Vincent me dat hij kort geleden Jana Beranová had ontmoet, ronduit enthousiast over ons programma Rebel, mijn hart. Ze had de stichting S.S.S. van de grote bruikbaarheid van onze formule verteld, en dat die ook voor andere scholen bruikbaar was: het laboratorium van het woord in de middag, het gezwoeg van onze pupillen, hun strijd met de muze, en de avond waarop ze de uitkomsten van hun martelende omgang met de taal ten gehore konden brengen, zoals de echte dichters dat ook deden.

28 april 84

Bij K. een bekende boekhandel in onze stad, 7 signeerde mijn vriend uit vroeger dagen, de dichter Jan Pieter Guépin, zijn boeken. Ik kocht zijn Gedichten en speelde even met zijn poëziemachine die er stond. Geld hoefde er voor deze gelegenheid niet in, en dat maakte, vreemd genoeg het spelen minder aantrekkelijk voor mij. Je wilt blijkbaar op de een of andere manier toch gokken (het ding is een aan de poëzie aangepaste fruitautomaat), ook al weet je vooruit, en hier weet je dat natuurlijk zeker, dat er alleen maar te verliezen valt: wie overwint de muze? De automaat produceerde drie werkelijk alleraardigste teksten voor mij, maar ik onthield er niet éen van. Komt dat door de kosteloze service of omdat een met opzet veroorzaakte toevallige tekst toch nog iets anders is, dan een werkelijke texte trouvé?
Al met al vond ik het toch jammer dat ik die machine niet tot onze

[p. 6]

beschikking had op de dag van de poëzie.
Ook Annemarie, stadgenote die ik daar trof, speelde even met de machine. Jan Pieter deed me een fotokopie cadeau van alle teksten van erotische rustieke geloftes.
‘Ik citeer alle Rustieke Geloftes die een votum: gelofte, gebed of heilwens bevatten, naar aanleiding van een erotische situatie’, schrijft hij in de Inleiding.
Zijn laatste citaat is Starings Herdenking, een gedicht waar ik aan verslingerd ben, al heb ik het woord ‘verslond’ (o zoet gelispel van dien mond,/ wiens adem de eerste kus verslond) altijd als een dissonant, een disfemisme ervaren. Juist die sensatie bracht me ertoe het gedicht als een bijzonder erotische uiting toe te passen in mijn boekje Een wijze van lev/zen. 8 Ik had iets te provoceren, toen. Nu blijkt dan dat het herderinnetje zich veroveren laat. Het is geen disfemisme, dat ‘verslond’: het is de preciese dekking van deze erotische lading. Staring geeft zich volkomen bloot: zijn gedicht krijgt er iets heel persoonlijks door en het herderinnetje iets gulzigs en geils.

1 mei

Toen Janmaat bij ons op het LMC kwam, ging hij door voor een linkse KVP-er. Hij was bondig, spits, ironisch. Getapt onder de collega’s. Hij zou, als hij gewild had, een aardige cabarettier kunnen zijn.
Maar toen hij radiotoespraken voor DS-70 begon te houden, waarin hij gestalte gaf aan de kritiek van die club op het vreemdelingenbeleid, verloor hij zijn populariteit: hij werd cynisch en in de klas sarcastisch. Sommigen weten deze ommekeer aan zijn zucht tot persoonlijk aanzien en persoonlijke macht of aan het feit dat zijn straat, buurt achteruit kachelde in waarde, toen zich daar buitenlanders kwamen vestigen. Welwillender mensen schreven de wending toe aan zijn steeds slechter wordend gezichtsvermogen, aan de rancunes die daaruit voortkomen kunnen.
Ik zag hem veranderen van een sportieve, humoristische man in een verbitterde, leugenachtige kleine Gernegross, die erop uit was, herrie te schoppen.
Aangezien hij met helpen orde te scheppen in het vreemdelingebeleid alleen maar zijn eigen graf graaft, zoeken hij en zijn vrienden – Bruyn, Giesen, Vierling – hun heil in het omliegen van wetenschap tot propaganda. Zij dienen hartstochtelijk hun eigenbelang en hebben hun tegenstanders niets anders te bieden dan volstrekte uitzichtloosheid.

Toch krijgen ze op een of andere manier steun. Toch zijn er mensen, die uit wat voor angst, de zaak omkeren:

in een debat als dit:

‘Je hebt natuurlijk ook linkse collega’s die een klas indoctrineren. Dat is net zo gevaarlijk’.
‘Maar heb jij dan een gaatje in je hoofd? Wat lever je liever in: je vrijheid of je leven?’
‘Wat bedoel je?’
‘Vroeger riepen ze: liever dood dan rood! Maar bij mij was het precies andersom en dat is altijd al zo geweest’.
‘0, hoezo?’
‘In een linkse gemeenschap zijn nog altijd cultuurscheppende factoren aanwezig en misschien werkzaam. Je hebt daar een maatschappijvisie. Die heb je onder een rechtse dictatuur nooit – tenzij je de visie van de knuppel bedoelt’.
‘Maar je ziet het toch aan Griekenland, Spanje, Portugal? Die zijn toch van rechts uitgegroeid tot een echte democratie?’

[p. 7]

27 sept. 84

De Volkskrant onthult dat twee briefschrijvers als getuige à décharge Janmaats partij hebben gekozen in het proces dat onze scholen tegen hem aanspanden.
Ik vermoedde onmiddellijk wie éen van hen moest zijn.
Navraag gedaan.
Gelijk gekregen.
Ik schreef hem de volgende brief:

27 sept. 84

Beste H.

Eén van mijn vrienden blameert zich door van Hans Janmaat een voorstelling te geven als van een ‘goede leraar’, terwijl hij zeker weet, dat dit niet zo is.
Je kunt een handreiking als deze niet zo maar als een vriendendienst beschouwen. Janmaat heeft immers tegenover jou verklaard, dat hij van zijn solliciteren een terugloop van minstens 200 leerlingen verwachtte op LMC en St. Jans. De handreiking is er éen van politieke aard, omdat het niet de leraar is, maar de partijganger die zo’n terugloop verwacht.
Mij heb je gezegd, tot twee keer toe, dat je niets voor de C.P. voelt. Natuurlijk niet. Voor ons heeft Ter Braak zijn N.S. als rancuneleer geschreven: we kennen het zowat uit ons hoofd.
Maar hoe denk jij dat bovenbedoelde vriend zijn in het slijk geworpen goeie naam en reputatie nog redden kan? Kun jij me dat vertellen? Zijn naam is op aller lip!

Nog steeds in vriendschap,
je

Rudy

2 okt. 84

Vandaag liepen Narda en ik Harry tegen het lijf, die we bij H. hadden leren kennen. Hij nam ons mee naar een restaurant, een duur restaurant. Hij kan dat betalen: hij is apotheker van een heel grote apotheek.
Van hem hoorde ik dat H. vanwege zijn onhandelbaarheid ‘temesta 2½’ slikt, ongelofelijk zwaar spul. Zes pillen per dag, waarzonder hij ongetwijfeld in een kliniek moet worden opgenomen.

Toen ik inzag, dat Janmaat behalve bijna blind, vooral verblind was, dat hij niet verarmde doordat zijn buurt verarde, maar omdat het hem eenvoudig aan innerlijke rijkdom ontbrak, zag ik ook in, dat je situatie-ethiek op hem niet toe kunt passen. Hem en zijn vrienden moet je integraal verwerpen.
Nu ik dit van H. hoor, had ik onmiddellijk spijt van mijn brief: hier is situatie-ethiek natuurlijk wèl geboden!





NOTEN
  1. Lodewijk Makeblijde College te Rijswijk, waar Cornets de Groot van 1969 tot 1985 lesgaf. ↩
  2. Henk Flinterman, in de jaren zestig oud-medestudent aan de Haagse School voor Taal- en Letterkunde; zie de correspondentie met Henk Flinterman. ↩
  3. School waarmee het LMC gefuseerd was. ↩
  4. Voormalige buren van Cornets de Groot op de Herenstraat in Leiden. ↩
  5. Uit het gedicht ‘Elven zingen bij een alleengelaten kind’ uit de bundel Voorbij de wegen, 1920. ↩
  6. Zie de recensie. ↩
  7. Boekhandel De Kler, gevestigd aan de Breestraat in Leiden. ↩
  8. Zie Een wijze van lev/zen. ↩

Nietzsche en Freud »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>