Start » 1986 » Een beetje echt, lekker kunstenaarsbloed

Een beetje echt, lekker kunstenaarsbloed

 

Bron: Juffrouw Ida, 12e jrg. nr. 3 (dec 1986), p. 10-12.
Toespraak, gehouden bij de opening van de tentoonstelling Jan G. Elburg, Vroeger komt later in het Letterkundig Museum te Den Haag, 10 september 1986.
Cornets de Groot op 10 september 1986 tijdens de lezing van ‘Een beetje echt, lekker kunstenaarsbloed’ in het Letterkundig Museum in Den Haag. [Foto niet in oorspronkelijke publicatie].

[p. 10]

Op een dag, lang geleden, kreeg ik een aflevering van het tijdschrift Podium in handen, waarin L.Th. Lehmann een bundel gedichten van Jan Elburg besprak. Hij citeerde er het gedicht ‘Heks heks’ uit.
Dat is een allemachtig gek gedicht, dacht ik. Het is charmant, het heeft iets merkwaardigs. Want terwijl het me modern aandeed, zo als een gedicht in die dagen maar modern kon zijn, deed het me ook aan iets anders denken, iets uit de middeleeuwen. Niet die duistere met die heksenverbrandingen, maar de verlichte, met die plezierige behandeling van de vrouw, die, van op een voetstuk gezeten, de klacht van haar onderworpen ridder moet aanhoren, om tenslotte mee te maken, dat hij haar volledig inpakt – en hoe.
Men is verliefd, en men wil wel es wat. Door zulke gevoelens worden jongens ook wel es overvallen, maar omdat het jongens zijn, gaan ze er onhandig mee om. Hun voorbeeld is Piet Paaltjens, een late, door zichzelf en door de vrouwen onbegrepen bard. Hij idealiseert de werkelijkheid, en dat betekent dat zijn ideaal geen werkelijkheid zal worden, nooit. Hij heeft geen discipline. De training van een stem, zo dat die buigen kan, wanneer er een prinses voorbij komt, dat vind je niet bij hem. Dat vind je bij de troubadours. Ik heb van toen af aan de poëzie van Jan Elburg in verband gebracht met dit romantisch symbool: de ridder, de troubadour. Soms schreef ik erover.

Wat is een ridder?
Een ridder is iemand die zijn paard de vrije teugel geeft. Het toeval moet het wonder verrichten: de eigenzinnigheid van het paard voert de ruiter naar de Heilige Graal. Voor Elburg is het surrealisme zo’n paard. In een brief aan Arie van den Berg schrijft hij:
‘Het surrealisme spreekt me aan, omdat het de methode van het avontuur hanteert, van de ontdekkingsreis in het onbekende’. Even later heeft hij het over ‘de dialectiek van het avantgardistische denken’, dat is, vrij letterlijk vertaald, ‘de dialectiek van het ridderlijk denken’. Over de mogelijkheid dus, dat in alles de mogelijkheid van het tegendeel ligt besloten.
Een ridder is een Christen-Germaan. Het type van de verscheurde ziel, de samenvoeging van twee tegendelen. Want nietwaar, de Germaan wil wat de Christen verboden is: strijden, de vijand doden, sterven als een held. En de Christen wil, wat de Germaan niet wenst: vrede, bidden, ontslapen in de Heer.
Tweeërlei moraal – hoe die te verzoenen? Geen mens die het wist. Tenslotte besloot de paus de Christenen maar Germanen te laten en ze uit moorden te sturen in het Heilige Land, waar immers alles mag, en waar Christenen deden wat Germanen deden en om-

[p. 11]

gekeerd.
Thuis, en in vrediger tijd, werd het Germaanse geweten wel eens geplaagd, of het Christelijke, al naar gelang. Maar dan gaf een ridder een feest en zong hij bijvoorbeeld een mei-lied om het weer te sussen. Ook Elburg deed dat. Dat was in ’54, toen, tegen de zin van velen in, de vijfde mei als nationale feestdag werd geschrapt. ‘Vijf mei’ heet dat liedje:

Een groen groen land zagen wij.
Een vrij klein land.
Vrij! Vrij? jawel.

Neer dat mes, dacht ik.
Leg weg die steen.

Voel je wel, wat de Christen de Germaan hier aan doet? De Germaan die het zo langzamerhand tot hier zit, moet zwijgen. Maar dat doet hij natuurlijk niet. Dat kan hij niet. Want dit is een gedicht uit de arbeideristische fase in Elburgs poëzie. Een ridder is een voorvechter. Altijd.
Zo werkt de dialectiek van het avangardistische denken. Iedere stelling roept zijn tegenstelling op. Is het dan een wonder dat Elburg de uitvinder werd van de contravorm? En dat bij hem de ridder werd tot een compleet mens, tot iemand, die beschikt over ja en over nee.
Wat is een contravorm?
Het is het beginsel dat vrijwel automatisch – en dat is toch surrealistisch genoeg – uit iedere these de antithese weet te slepen.
Zeg bijvoorbeeld, zoals Elburg in een van zijn gedichten doet: ‘huis tijdelijk huis’ dan levert de contravorm daarvan zonder mankeren de woorden op: ‘wind aanhouder wind’.
Een contravorm is dus een dichtmachine, geen denkmachine, geen computer. Een denkmachine zou immers het armzalige ‘wind aanhoudende wind’ hebben gevonden.
Zo verzoent de contravorm de tegenstellingen zonder moord en doodslag in het toch ook wel heilige land van het gedicht.

Woorden functioneren altijd in een bepaald systeem. Je hebt zeemanstaal, visserslatijn, er is bargoens, er is de taal van de kale kak.
‘Deksels’ betekent iets anders bij Stuurman Flink dan bij moeder de vrouw of huisman de heer. Er is, in taal die zich aan de regels van de eenduidigheid houdt, een bepaald verband, dat de woorden hun betekenissen geeft. Een woord krijgt immers pas betekenis door het gebruik dat je ervan maakt. Wie het woord toegankelijk maakt voor meer dan een systeem, drukt zich bedachtzaam uit en dat heeft wel es iets humoristisch.
‘Doosjes’, schrijft Elburg, ‘doosjes. een dekselse affaire’.
We zien dat de lezer of hoorder dit leuk vindt, en begrijpen ongeveer dat dat komt door deze samenhang van woorden, die buiten de gewone, eenduidige orde ligt. Je zou op het eerste gezicht zeggen, dat de contravorm ‘doosjes-deksels’ onomkeerbaar is gemaakt. Het tegendeel van ‘deksels’ in dit verband is immers beminnelijk, of aanvallig, of liefelijk. Maar is zo’n waarneming op het eerste gezicht wel betrouwbaar? Zijn die doosjes niet eigenlijk beminnelijk of aanvallig? Maar als dat zo is, dan komt dat mijns inziens omdat de krachtterm deksels langs verborgen wegen op die doosjes terug slaat met de betekenis liefelijk. En zo krijgt dan het woord ‘affaire’ dat op het eerste gezicht ‘herrie’ leek te betekenen, de allure van een liefdesaffaire, een affaire d’amour, en dan moet Freud eraan te pas komen, om mij in toom te houden.

Wat is een troubadour?
Een troubadour is een ridder-minnaar, een samengestelde persoonlijkheid: de ridder kan heel goed met de minnaar overweg. Dat komt omdat ze allebei hetzelfde doen. De ridder verovert een stad, de minnaar verovert een vrouw. En dat is precies hetzelfde, dat is sinds Troje al zo. Hier geen tegenstellingen, maar analogieën, overeenkomsten. Wat buiten is, is binnen, al lijkt dat dan een contravorm op de Hollandse zinspreuk Die binnen binnen, binnen binnen.
Bij voorbeeld:

Buiten zichzelf dichter bij huis
gekomen tot een vergelijk met zijn
toch nog omvangrijk heelal
met bijna alles in éen woord als
analogika.

Dat betekent een koersverandering in Elburgs oriëntatie op de buitenwereld. Zijn inspiratie is daar niet meer van afhankelijk; hij doet integendeel de ontdekking dat zijn poëzie de buitenwereld insluit. ‘Ik wil mijn wereld, omdat ik mijzelf wil’, schreef hij al eerder, en allicht is het mooier je innerlijke rijkdom met anderen te delen, dan de uiterlijke van een ander tot de jouwe te maken. Grandezza heet dat in hoofse kringen, en dat lijkt me een wezenlijke trek van de ridder.

Het beginsel van de analogie is niet iets nieuws in de poëzie van Elburg. Bij hem komt vroeger wel es later. Een paar jaar geleden kwam een verborgen serie gedichten, geschreven in ’41 en ’42, uit de brand boven water.

[p. 12]

In een brief aan Koos Schuur geeft Elburg aan de hand van één van die gedichten een staaltje van dit merkwaardige redeneren per analogie. Ik haal er een klein voorbeeld van aan.
In bedoeld gedicht komen de zinnetjes voor:
‘Pad! En straat, onmiddellijk’
Nu is één van de betekenissen van het woord ‘pad’ weggetje of weg, ook ‘straat’ heeft die betekenis. Wanneer je nu die zinnetjes uitspreekt met de intonatie van de gebiedende wijs, vallen ze te interpreteren als ‘Weg, verdwijn uit mijn ogen, onmiddellijk.’
‘t Woord knapt hier wel vreemde zaken op, maar zeg niet dat Elburg ons niet gewaarschuwd heeft, want zelfs in zijn allerklassiekste tijd hield hij het ons voor: ‘Ha, alle woorden staan op springen’. Elburg heeft als ridder iets lente-achtigs, iets terroristisch. Taal is een maagd die bevrijd moet worden uit de vrieskou van formalisme en eenduidigheid. Hij weet dat taal bewegelijk moet zijn en elastisch, even eenvoudig en even gecompliceerd als ‘t leven zelf. Hij tovert met woorden, niet alleen door homonymie, maar ook door samenballing van woorden en orthografische verschuivingen. Hij tovert met taal, hij kort lange zinnen in, verzwijgt veel en vervangt soms zijn verzwijgingen door een dubbelepunt. Zijn dubbelepunten regeren een poëtisch pointillisme, een geraffineerde schikking van klanken en betekenissen, die de lezer, door afstand te nemen in de tijd, op het netvlies van zijn voorstellingsvermogen moet samen zien te weven tot één geheel: het klein heelal van het gedicht. Voor het lezen van poëzie is geduld nodig, veel geduld, het soort geduld dat voorkomt dat je je geduld verliest. Dat hebben critici niet altijd, en dan is Elburg niet te beroerd ze te hulp te schieten met een handvol notities. Maar nauwelijks heeft hij dat gedaan, of ze klagen dat ze van hemzelf de sleutel in handen moeten krijgen, om thuis te raken in zijn woordconstructies. Dat lijkt ondankbaar, maar is ‘t niet. Soms is een criticus een bloedzuiger. Niet uit kwaadwilligheid, – en niet om de dichter pijn te doen, maar om een enkele keer het eigen lichaam helemaal vol te zuigen met een beetje echt, lekker, kunstenaarsbloed.

Persoonlijkheid en talent (fragment) »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>