Start » 1982 » Contingentie tot de laatste snik

Contingentie tot de laatste snik

 

Bron: Vestdijkkroniek, nr. 36 (sept 1982), p. 22-28.
Over: S. Vestdijk, ‘Mnemosyne in de bergen. Een episch gedicht in negen zangen’, in: S. Vestdijk, Verzamelde gedichten dl. III, Amsterdam, Den Haag, 1987, p. 61-242. N.a.v. Marjoleine de Vos, ‘De chaotische hybris van Cornets de Groot’, Vestdijkkroniek, nr. 36 (sept 1982), p. 17-21. 1

[p. 22]

….ook in ‘t menselijk hart
is hoog diep verstrengeld met laag…

(S. Vestdijk in Mnemosyne in de bergen)

1. In ‘Determinisme en contingentie’ (Bzzlletin 93) 2 heb ik willen tonen, dat in Vestdijks werk (het geloof in) de astrologie determinerende invloeden heeft; het ongeloof erin, of het verzet ertegen verstoort daarentegen de uitgestippelde weg: verwachtingen worden doorkruist.
Wie deze gedachtengang weergeeft als:

A – “In de optiek van Vestdijk heeft de mens (volgens CN) de hybris nodig om aan zijn vooruit vastgelegde levensloop een andere, onverwachte wending te geven”

houdt geen rekening met wat ik bedoel, en bezorgt zichzelf een aardig presentje in deze vorm:

B – “Van determinisme en contingentie is dus geen sprake. Als de levensloop () al volkomen gedetermineerd is, is de hybris dat ook”.

2. Tussen A en B hoeft alleen nog een koppeling te worden geconstrueerd, die aardig oogt – voor het verstand.
Marjoleine de Vos gaf in haar artikel mijn bedoeling weer, zoals geciteerd in A. Zij doet daarmee geen recht aan de termen “geloof” en “ongeloof”, instinktieve, hoogstens ten dele rationele zaken.
Haar conclusie in B is vals en de constructie tussen A en B niet meer dan een constructie.

3. Dat ik chaotisch en onzorgvuldig te werk ga, is zo langzamerhand een cliché dat weinig indruk meer op me maakt. Ook Marjoleine de Vos overtuigt me niet. ‘t Is gewoon niet waar – een leuk praatje aan de borreltafel.

[p. 23]

4. Zij typeert Mnemosyne als een episch gedicht. Hoewel ik in ’66 (in De chaos en de volheid) diezelfde typering gaf, ben ik er inmiddels op terug gekomen. In het door Marjoleine de Vos aangevochten opstel Determinisme en contingentie staat te lezen:

“Mnemosyne is een gedicht dat op en top tot het introspectief-fantastische genre behoort en niet zoals ik in mijn dubbelessay (van ’66, CN) schreef tot het epische”.

5. De term introspectief-fantastisch is van Vestdijk, en hij gebruikt die (o.a.) in zijn Inleiding bij A. van der Veen’s Oefeningen (1938).
Het autentieke accent, het feilloze der associaties en de subtiele humor zijn de kenmerken van het genre. Daarom mag ik zeggen, dat het introspectief-fantastische zijn aanleiding vindt in een element uit de ons omringende wereld (het “autentieke”); dat het zich uit “projecties” (de “associaties”) – waarbij de realiteit snel oplost in de fantasie – een geheel autonome wereld (opnieuw: het “autentieke”) schept. Dat zo mogelijkheden worden geschapen voor een subtiele humor spreekt vanzelf.
Marjoleine de Vos gaat op deze uitlatingen van mij niet in. En dat is jammer. Want het introspectief-fantastische biedt een ander perspectief, dan het epische belooft. Het pleit een beetje voor mij, vind ik, dat ik in ’66 niet op die epische beloften ben ingegaan. Ik zocht het in het esoterische, dat trouwens dicht bij het fantastisch-introspectieve ligt.

6. Het epische toont dat de student verliefd wordt, een moord pleegt, in de mist verdwaalt, zich door de duivel laat verleiden in een afgrond te springen, en sterft. Het epische belooft: “In vijf dagen speelt een heel mensenleven zich af”.
Dit zegt Marjoleine de Vos dan ook allemaal.
Maar het introspectief-fantastische zegt:

“De jeugdige mens waagt de angstsprong in de eigen diepten, al is het maar een seconde lang: de eerste sprong, en daarom ook de enig mogelijke en de laatste, voor altijd. In droom of dagdroom duiken jonge mensen in zichzelf onder, – vlucht en verovering terzelfdertijd – maar zij komen boven en vergeten het weer”.

[p. 24]

Het goede geheugen zou hen te hulp moeten komen, willen zij uit die introspectie weer boven komen met een geraffineerde vorm als trofee. In Vestdijks woorden:

“Wat nu juist de begaafde springer onderscheidt van de doorsneespringers en -duikers die wij allen waren, dat is het vermogen om tijdens de sprong, en eenmaal onder, zijn ogen open te houden, zodat hij het cliché nemen kan en mee naar boven brengen.”

Beide citaten uit deze paragraaf zijn uit de Inleiding van Vestdijk bij Oefeningen.

7. Er is geen moord, geen liefde, geen dwaaltocht, geen verleiding, er is geen bergland. Er zijn een duinlandschap en een ik. En die ik schept zich een student. En die student ondergaat als plaatsvervanger van de-natuurlijk-volmaakte-mens-voor-de-ik allerlei beproevingen. Zodat die ik zich van zijn situatie bewust kan worden. Daarom is het gefantaseerde hooggebergte ook een “strenger leerschool” dan bv. een cel met uitzicht op ondergesneeuwde duinen kan zijn.

8. De student projecteert in de mensen die hij ontmoet, ouderfiguren. Plaatsvervangende ouderfiguren: goden.
Zij zíjn natuurlijk geen goden. Zij blijven voor buitenstaanders als Marjoleine de Vos mensen. Maar van het gezichtspunt van de student uit zijn zij goden.
De student staat nog maar aan het begin van zijn evolutie tot volwassen mens; hij heeft nog dat primitieve, dat zich goden schept – zoals het kind zich uit de postbode en de melkboer goden schept, die even goed, wijs en almachtig zijn als de vader van dat kind.

“Welbeschouwd zijn zij goden (die postbode en die melkboer, CN), en het kind behandelt ze als zodanig, vol vertrouwen en ontzag, maar zonder slaafsheid, want het kind is tenslotte zelf een god en verkeert geheel op voet van gelijkheid met deze lichtende gestalten” (De toekomst der religie, 2e druk, p. 35).

[p. 25]

9. Wanneer Marjoleine de Vos stug volhoudt, dat de mensen die de student ontmoet geen goden zijn, gaat zij voorbij aan de auteursintentie, dat die mensen voor de student als goden gelden en bijgevolg goden “zijn”.

1O. De student projecteert de god Mercurius in de soldaat. Als diens astrologische regime (een fase in het bewustwordingsproces) voorbij is, projecteert de student de god mars in diezelfde soldaat.
Marjoleine de Vos beseft dat, maar ze drukt zich anders uit, omdat haar uitgangspunt is: Mnemosyne is een episch gedicht (en niet een introspectief-fantastisch).

11. In zang III maakt de student zich niet schuldig aan hybris, zegt zij. Ik beaam dat. Ik heb het er niet over in mijn essay van ’66, ik heb het er ook in Determinisme en contingentie niet over.

12. “Bij zijn interpretatie van de afzonderlijke zangen beweert Cornets dat de student zich in de vierde zang “in de droom boven de goden verhief”. Dit is hybris en daarom moet in de vijfde zang straf volgen”, schrijft zij. Dit heeft ze goed weergegeven. Daar is dan ook niets tegen in te brengen.

13. Maar toch brengt zij er iets tegen in.

“De student ziet in de dans van Venus en Mercurius de veruiterlijking van ware liefde; dat het slechts lichamelijke liefde is, ziet hij niet”, schrijft zij.

Hij ziet Mercurius “zich met haar bij ‘t sterren heir () scharen”. De student wijst het lagere af, aldus Marjoleine de Vos en maakt zich niet aan hybris schuldig. Heeft zij gelijk? Nee, natuurlijk. De student plaatst hen onder de sterren – en hij kan dat ook doen: hij heeft zich zelf immers tot een god verheven. Is dat hybris? Ja, dat is hybris. Bij hybris geldt immers de vraag: “Hoe ver kan ik gaan? Dat moet ik dan even proberen.” Weliswaar lijkt het dat de student in IV zichzelf verloochent, dat hij het meisje in zijn streven naar hoger aan de soldaat gunt. Maar waarom doet hij dit? Omdat hij hoger nog wil stijgen dan zij! Aktaion, die eveneens onder de sterren werd opgenomen, volgt deze zelfde gedachtengang, als

[p. 26]

hij Timandra wil prijsgeven aan Cheiron. Dit soort “self-made gods” doen afstand van veel, dat zij zich toegeëigend zouden hebben, als het hen niet belasten zou, in hun streven naar het hogere. Zij maskeren hun begeerte om boven anderen uit te stijgen achter een vorm van aanbidding, van zelfopoffering. Dat is geen onberedeneerde keus: het raffinement is zelfs nogal groot, zelfs al zou het samenvallen met zelfbedrog.

14. Terecht karakteriseert Marjoleine de Vos de godheid als de “leidsman die de student nodig heeft” bij zijn klim omhoog. Goden, vooral deze, die men zichzelf maakt, zijn onze gidsen. In de vijfde zang blijkt dat de student te ver is gegaan. Hij wordt afgestraft en op zijn plaats gezet: hij is geen god. Hij is een armzalige rat van omlaag. En dat betekent, dat Mars geen onzalige rat is, maar een god, een alwetende god, van omhoog en dus een leidsman, die niet alleen de heiligheid van het eigen wezen handhaaft, maar die daarbij zijn volgeling inlicht omtrent het lagere, het onvermijdelijke, het menselijke leven en de mysteries daarvan en de verschrikkingen.

” “Jij onzalige rat van omlaag,
Die aan mijn zielsverrukkingen knaagt
En een maagd ziet in eerlozen, vráag
Dan die deern naar haar nachtelijk lot,
Dat haar eer en jouw eerzucht bespot!” “

Eerzucht, zegt de god tegen de rat: dat is hybris. De hybristheorie klopt aan alle kanten. Zij hoeft niet te worden gered, die theorie, zij is onaantastbaar. De student tuimelt van zijn voetstuk.

15. In haar artikel schrijft Marjoleine de Vos:

“Wie, zoals Cornets, geen onderscheid maakt tussen god en mens, doet geen recht aan de in dit epos zo belangrijke tegenstelling tussen hoog en laag”.

Maar ik maak onderscheid tussen mensen die naar het hogere streven en goden die het menselijke begeren. Waarom zou ik dan geen recht doen aan die tegenstelling tussen hoog en laag?

[p. 27]

Ik laat juist zien dat die tegenstelling in het innerlijk van goden en mensen aanwezig is: geheel in overeenstemming met het boven dit antwoord geplaatste motto uit het gedicht in kwestie.

16. “Hybris heeft niets te maken met een onberedeneerde keus”, zegt Marjoleine de Vos. Wijs mij de plaats waar ik dat gezegd heb! Hybris treedt op, wanneer de tyrannie der sterren ondragelijk wordt, schreef ik. Hybris is een opstand tegen de goden, tegen de orde van Zeus.

17. “De mens is en blijft eindig en zal er nooit in slagen aan het goddelijk leven deel te nemen. Zodra zijn oneindige verlangens de leiding nemen en hem het gevoel van vrijheid schenken, is zijn menselijk bestaan opgeheven. Door zijn hybris gaat hij ten gronde. Maar de hybris blijft toch zijn werkelijke grootheid en getuigt van zijn goddelijke aard” (w. Brede Kristensen, Symbool en werkelijkheid, 1961).

18. Marjoleine de Vos betoogt dat (pas) in de achtste zang sprake van hybris zou zijn. Ik beaam dat maar, want dat zeg ik onder weglating van ‘t woord “pas” zelf ook in mijn dubbelessay. (’66; p. 43). Maar als ze dan voortgaat met: “de hybris is niets anders dan een gevolg van alle tot dan toe gemaakte keuzes”, schrijft ze niet alleen een onwaarheid op, maar ook een onjuistheid, een interpretatiefout:

Dromen zijn wel oppermachtig,
Doch alleen
Zo zij tot een uitzicht stijgen,
uit hun engheid algemeen
Worden en het woord ontwoek’ren aan hun zwijgen…

staat er in die achtste zang.
Met andere woorden: er is geen consequentie uit voorgaande keuzes, er is geen dwang om schepper, dichter te worden. Op de tweesprong kan men heel goed ook denken: “wees bescheiden, middelmatig. Wees meelijwekkend voor de rest van je bestaan: dan word je gespaard, want dan maak je je aan hybris niet schuldig”.
De hybris in de achtste zang is derhalve een oorspronkelijke, een heroïsche keus. Zelfs de “straf” op deze hybris is er nog éen naar eigen keus.

[p. 28]

De student wordt immers verleid tot zijn sprong, en “verleiden” – het woord zelf duidt al op de aanwezigheid van alternatieven – is een weg -, een afvoeren van het rechte (d.i. hier: voor gewone mensen bestemde) pad. De student hoefde niet te springen. Dan was hij een dagdromer gebleven; dan was hij alles vergeten: zijn liefde, zijn dwaling, zijn moord. Dan was er van het Goede Geheugen geen sprake. Dan kreeg hij met “verdringingen” te maken en met de psychiatrische kliniek.

19. Natuurlijk hoefde de student in IV Mercurius en Venus niet tot sterren op te blazen. Hij had ook kunnen denken: “Ik moet dat meisje versieren, Mercurius kan het heen en weer krijgen!” Maar dat deed hij nu eenmaal niet. En de straf die hier op de hybris volgde, was er geenszins éen naar eigen keus. Hij wordt eenvoudig afgeblaft, terug gezet en voorgelicht. Als er ergens sprake is van determinisme, dan hier. Want hier heeft de keus van boven anderen, onder wie goden, uit te willen stijgen het voorspelbare noodlottige gevolg: de goden lusten hem niet.

20. Marjoleine de Vos ziet in mensen mensen, in goden goden.
Zij ziet geen mensengoden, tegen wie de goden zich keren. Zo’n mensengod is de student. “Heros” noemden de Grieken zo iemand, wiens hybris berust op zijn verwantschap met de goden. Heeft Marjoleine de Vos niet gezien dat dit gedicht met mythologie van doen heeft? Dan is het ook geen wonder dat zij het als “realisme” behandelt en uitsluitend een keten ziet van oorzaken en gevolgen: determinisme. Zo wordt de schrijver van Historische contingentie onder haar vingers een fatalist. Zo doet zij recht aan de tegenstelling tussen hoog en laag.





NOTEN
  1. In brief 15 aan Ria Albers van de Vestdijkkroniek schrijft Cornets de Groot als mederedacteur over De Vos’ artikel: ‘Een aardige poging om mijn theorie onderuit te halen. Ik heb geen bezwaar tegen publicatie van haar artikel, alleen een paar tegen ‘t artikel zelf. Mijn stem is: vóór publikatie. Dan schrijf ik er nog wel iets tegen in, vriendelijk, om kracht bij te zetten aan eigen ‘theorie’ en om haar argumenten te ontzenuwen.’ [Noot van de bezorger]. ↩
  2. Zie Determinisme en contingentie. ↩

De allegorische interpretatie van "Aktaion onder de sterren" »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>