Start » 1978 » De kruik van de waterman

De kruik van de waterman

Bron: Vestdijkkroniek, nr. 20 (juni 1978), p. 35-52.
Over: S. Vestdijk, Ierse nachten, Den Haag, Rotterdam, 1946, en De vijf roeiers, Den Haag, Rotterdam, 1951. N.a.v. R.A. Cornets de Groot, Ierse en on-Ierse kwesties, in: Vestdijkkroniek, nr. 14 (dec 1976), p. 18-27 (herzien in Ladders in de leegte, p. 46-56: Hendrik Cramers verhaal), en P. Kralt, ‘Aantekeningen bij kanttekeningen’, in: Vestdijkkroniek, nr. 16 (juni 1977), p. 1-12. 1
[p. 35]

De soepelheid waarmee Kralt enkele van zijn vroegere beweringen corrigeert of van rijker schakering voorziet en andere hardnekkig verdedigt, toont wel hoezeer ook hij de mening is toegedaan, dat de waarde van een opvatting niet schuilt in haar geldigheidsduur, maar in het entoesiasme waarmee zij wordt beleden. Die toewijding aan een opinie doet de adepten ervan de regels vinden die binnen het systeem van hun aanpak van problemen – zelfs of ook bij eventueel gebrek aan bewijs – waar zijn of vals.
Wanneer twee mensen, die elkaar in bovenstaand uitgangspunt kunnen vinden, toch in een woordenstrijd verwikkeld raken, ligt het voor de hand dat zij de wapens van de gespreksgenoot trachten om te buigen in hun voordeel. Dat is nu eenmaal de psychologie van de advocaat, die een jury van lezers moet zien te overtuigen van de juistheid van zijn conclusie van antwoord.
Kralt is in het werk, dat wapens van anderen omsmeedt tot boemerangs, uiterst bedreven. Hij doet het behoedzaam en subtiel. Je tuint erin voor je het weet. De grootste omzichtigheid is geboden: Wie staat, zie toe dat hij niet valle!

Laat ik beginnen met te verklaren, dat ik niet geloof Kralts periodisering genuanceerd te hebben: ik zette die op losse schroeven.

Angst – het verschijnsel angst – boeide Vestdijk eerder dan 1935, want van het begin van zijn schrijversloopbaan af. Wat hij in Piranesi etst (uit Berijmd palet, 1933) toont, toont hij bij Shaun tijdens diens marteling, bij Philip Corvage in de tandartsenstoel, bij Meester Eckhart op zijn sterfbed, bij Maria Magdalena in haar stervensuur. Hij toont dit bij tal van personen door zijn hele werk heen. Ik noemde in Ierse en on-Ierse kwesties de novelle Het veer dan ook niet omdat het gemakkelijk met Het wezen van de angst te verbinden is, maar omdat het daarmee makkelijker te verbinden is dan De vijf roeiers. Kralt accepteert deze opmerking natuurlijk, maar verzwakt dan de eigen periodisering door er aan toe te voegen, dat in later werk (Temesa, van ’62 en Eckhart van ’69) ideeën uit De toekomst der religie aanwijsbaar zijn. Die opmerking had van mij kunnen zijn.

[p. 36]

Maar ik maak nu mijn verzuim goed door daar weer aan toe te voegen dat zulke ideeën al voorkwamen in werk van vóór De toekomst. De drie hoofdtypen van Vestdijk duiken immers al op in de gedaante van Caligula, Pilatus en Magdalena in die roman van ’38? Wat valt er nu uit deze zaken te leren?
Voor wie op een periodisering uit is met De toekomst en de Angst als brandpunten ervan: niets. Voor wie een ontwikkeling in Vestdijks schrijverschap wil vaststellen met die twee boeken als kapstok: niets. Dat is natuurlijk jammer. Maar het is vooral waar.

In Ierse en on-Ierse kwesties betreurde ik het, dat Kralt Vestdijks uiteenzetting inzake het bijgeloof naar eigen hand zette.
In bijgeloof gelooft men – misschien – maar dan zoals men in sprookjes gelooft, met zijn primitieve zielslagen, zonder verdere consequenties: bijgeloof eist de totale mens niet op. Terecht herroept Kralt zijn bewering dat Regan Farfrae haar bijgeloof verdiepte tot een geloof: ‘Vandaar dat we hier moeten spreken van geloof’, zegt hij. Wel, dáár valt natuurlijk over te praten, al stel ik dat gesprek graag uit tot ongeveer het slot van dit betoog.
Kralt vergist zich als hij zegt Vestdijks uitleg niet naar eigen hand te hebben gezet. Daarom nog dit:
In De toekomst haalt Vestdijk op p. 21 (tweede druk) een experiment uit op, laat ik maar zeggen ‘fenomenologische’ grondslag. Een experiment dat wel denkbaar, maar niet uitvoerbaar is. Daarom voert Vestdijk iemand in, een proefpersoon. Deze gelooft rotsvast en heilig in het bestaan en in de werken van God. Nu treedt de proefnemer op en die toont met onomstotelijke argumenten aan dat God niet bestaat. Wat gebeurt? De proefpersoon verbleekt, zijn leven verliest alle waarde, hij is geraakt in het diepste en meest waardevolle dat hij bezit. Zoals gezegd: het is een onuitvoerbaar experiment: de argumenten van de proefnemer bestaan immers helemaal niet. Moet men dan op grond van zo’n gedachtenexperiment concluderen dat ontreddering, waanzin, het gevolg is of ook maar kan zijn van geloofsverlies? Dat is Vestdijk een gedachte aan de hand doen, die hij nooit gekoesterd heeft! Het is dan ook nog nooit gebeurd dat iemand zich zijn geloof ontnemen liet: zo iemand besteeg liever zingend de brandstapel, of hij herriep zijn ketterij, wel wetend dat er tegenover

[p. 37]

zo’n herroeping altijd een ‘En toch beweegt zij zich!’ stond.
Wat Kralt van Regan vergt – spontane, zich plotseling openbarende ontreddering en zelfs waanzin, ten gevolge van geloofsverlies – is een medische en dus ook historische onmogelijkheid. Er zijn godsdienstwaanzinnigen; er zijn geen geloofsverlieswaanzinningen. Verlies van geloof is altijd een kwestie van eigen wil, eigen inzicht, eigen verstand – nooit van verstandsverbijstering of andersmans gewelddadige ingreep – God hakte heus wel es op zijn volgelingen in, maar zij geloven in Hem – als Job. En áls ze dan al krankzinnig worden, dan toch niet op het moment dat Zijn bestaan voor hen niet meer gold. Ik althans heb er geen voorbeeld van gevonden – ondanks mijn belangstelling voor psychologie en echte mensen, – Nietzsche, Hölderlin, Van Gogh: wie komt er in aanmerking voor deze nietbestaande ziekte?

Over naar De vijf roeiers voor dit moment. Van dit boek vertelde ik, dat het berust op de documentatie van Ierse nachten. Beide boeken handelen over dezelfde tijd. Hetzelfde motief speelt in beide boeken een overheersende rol; beide boeken vonden ook in eenzelfde, door Cramer verteld verhaal hun aanleiding. Waarom deelde ik dit allemaal mee? Zeker niet om te beweren dat ze dan ook nog dezelfde thematiek hebben, zoals Kralt suggereert, dat ik zou willen suggereren. Het viel me bij het lezen van de titels al op dat Vestdijk niet twee identieke romans schreef! Nee, ik vertelde die dingen om te laten zien, dat Vestdijk Cramers verhaal niet in Ierse nachten, maar pas in De vijf roeiers kwijt kon.

‘Hoe weinigzeggend is een aanleiding’! roept mijn opponent uit. Hoezo eigenlijk?
Is er dan wel es een boek geschreven zonder aanleiding?
Kralt zegt dat de betekenis van de aanleiding minder wordt, als de afstand tussen aanleiding en resultaat toeneemt. Dat zal best waar zijn, maar het is toch duidelijk dat de strekking van mijn inlichtingen juist is, dat aanleiding en resultaat in De vijf roeiers in weerwil van de tijd die verstreek, dicht bijeen bleven – dichter bijeen dan in het eerder geschreven boek Ierse nachten.
De aanleiding is dan ook zó veelzeggend, dat Vestdijk de gever ervan

[p. 38]

memoreerde in de opdracht die het boek meekreeg. Waarom richt zich dan mijn argument tegen mijn stelling? Heb ik niet gewoon gelijk?
Ja, eigenlijk wel. Maar met betrekking tot de aanleiding – dat wat volgens Kralt in de literaire theorie de ‘stof’ heet – schijn ik buiten de waard gerekend te hebben. Kralt citeert dan Wolfgang Kayser:

‘Was die Quellenforschung mit dem Odium der Stoffhuberei belastet hat, war dat Sich-zufrieden-Geben mit den bloszen Feststellungen stofflicher bezüge. Tatsächlich ist damit nichts für die künstlerische Erfassung und noch sehr wenig für die literarhistorische getan. Die eigentliche Arbeit müszte jetzt beginnen’. En Kralt voegt eraan toe: ‘Dit alles geldt evenzo voor tijd (de periode waarin de roman speelt), documentatie en motief (= bijgeloof?)’.
Ik heb toen even met de ogen geknipperd. Niet omdat het motief in Ierse en on-Ierse kwesties heel duidelijk in Vestdijks woorden wordt geciteerd (‘het motief van “onbewoond kasteel” plus absenteïsme’), maar omdat Kralt, geenszins in de geest van Kayser, aanleiding, documentatie, motief en tijd op de schroothoop gooit, teneinde maar meteen met die ‘eigentliche Arbeit’ te beginnen. Straks neemt hij het me nog kwalijk dat ik de euvele moed had, Kayser naar letter en geest te nemen (hoewel ik Kayser niet ken en ook niet zo’n behoefte heb aan waarheden als koeien) en dientengevolge tóch in Vestdijks brieven ben gaan neuzen naar meer gegevens dan Kralt nodig vindt…

Kralt suggereert op deze blz. (Vestdijkkroniek 16, p. 2) niet één, maar twee keer, dat ik beweerd zou willen hebben, dat de twee Ierse romans dezelfde thematiek hebben. Niets in Ierse en on-Ierse kwesties rechtvaardigt deze gedachte.

Op p. 6 van dezelfde Vestdijkkroniek werpt Kralt het probleem op, of men met de ‘projectietheorie’ ook de collectieve hallucinatie begrijpelijk maken kan. Hij dringt aan op de demonstratie van de schakels tussen projectie en collectieve hallucinatie. Vandaar het nu volgende intermezzo:
Kent de geschiedenis voorbeelden van collectieve hallucinatie? De

[p. 39]

geschiedenis van het okkultisme natuurlijk wel. Maar daar wil ik me niet op beroepen.
Voor een collectieve hallucinatie moeten de omstandigheden iets vertonen van een gevoeligheid voor een mentale infectie. Een psychose moet zich meester maken van de massa, die een leider behoeft: Hitler, Billy Graham, Jeanne d’Arc. Een collectieve staat van extase moet de menigte tot een eenheid binden. Suggestie speelt daarbij een rol, evenals de gedisponeerdheid voor een verschijning die de uitdrukking is van in de fysische wereld onbevredigde behoeften van de ziel. Onder extreme omstandigheden schijnt zich zo’n gevoelen voor te kunnen doen (mijnwerkers die opgesloten zijn, slachtoffers van het concentratiekamp).
Ongetwijfeld is De kelner en de levenden het literaire analogon van zo’n reële situatie; allen nemen daar deel – ieder op eigen individuele wijze – aan een collectieve droom (of visioen of hallucinatie); ongeveer op de wijze van de vijf zieners in die tweede Ierse roman. Onder minder extreme omstandigheden hoeft deze dispositie niet te ontbreken.
In mijn jeugd nam een familielid mij eens mee naar een bijeenkomst van de Pinksterbeweging, van welke gemeenschap hij sinds zijn bekering deel uitmaakte. Die samenkomst – het was in het vooroorlogse en voormalige Batavia – vond plaats in wat ik maar hun ‘kerk’ zal noemen. In feite betrof het een toonzaal. De winkelruiten scheidden de buitenwereld alleen door het glas van het interieur af: een lege vloer, lege muren, en in die ruimte de gelovigen: staande, knielend, ja liggend, of heftig in beweging – kris kras door elkaar. Tot mijn verbijstering scheen er geen leiding te zijn: men riep en zong, ieder voor zich onsamenhangende klanken, die ik pas later – in de tijd van Charlie Parker en Dizzy Gillespie – plaatsen kon. Dit was de uitstorting van de Geest: Pinksteren. Zij waren in de Heer, en de Heer sprak met hun tong.
Ik geef graag toe dat hier van visuele hallucinatie geen sprake is. Wat zij ten gehore brachten, waren ‘akoasmen’: gehoorshallucinaties, – protodada, protobop. Het maakte diepe indruk op mij en bovendien vervulde mij dit met een onbestemde vrees. Wat hoorden zij? Wat maakten zij mee? Nog vaak daarna sloeg ik ze gade door het glas, – zoals de Artifex het chemisch proces volgt in zijn

[p. 40]

fiool.
Later las ik bij Leo Navratil (Schizophrenie und Sprache) dat die klankbouwsels gestalte gaven aan verdrongen wensen, veelal van seksuele aard. De versluierde boodschap der klanken verried een struktuur, aan die van de droom gelijk, zegt Navratil.
Er is in ieder geval een overeenkomst met het visioen in De vijf roeiers die in het oog springt: ook daar de met de droom overeenstemmende struktuur: een vader- en een moederfiguur, de moeilijkheden van een Oidipous: de verschijning dus van in de fysische realiteit niet bevredigde begeerten.
Dit visioen, hoezeer ook voor allen gelijk, heeft een meerduidige, psychagogische betekenis. De vijf reageren er ook individueel op (vandaar dat de naam van de priester niet genoemd wordt: die is alleen voor John van belang). Maurice en Pat gaven aan de boodschap geen gehoor. John, Conic en Shaun wèl.

Dan nu de ‘thematische’ verklaring van Kralt, die ik onbevredigend vond en vind.
Met de Beatrijs heb ik net zo min moeite als met De kelner en de levenden: ik ben niet de rationalist die Kralt tot mijn plezier overigens in mij ziet. Ik ruil graag andere mij toegeschreven kwalifikaties voor deze in. Het is zoals Kralt zegt; het genre doet ons aanvaarden dat mensen na een miraculeuze loutering terug keren op hun basis. Ook Boutens’ Beatrijs sluit hierbij aan. Maar De vijf roeiers is zo’n cyclisch verhaal niet. Het is evenmin surrealisme, magisch realisme, science fiction, geen semi-mythologische roman met centaur en godin, en ook geen Indisch goena-goena-boek. Het is een psychologische roman, vol vormen van orthodox, onorthodox en Iers Rooms-Katholicisme, van persoonlijke religiositeit en een en ander met heidense survivals doorspekt. Een met de psychologie van het bijgeloof verweven toegepaste godsdienstpsychologie. Het karakter van het boek is zo beter, exacter, aanvaardbaarder, doordachter omschreven dan met de versimpelende term “spookachtig verhaal”. Want dat gaat maar op voor een deel van het boek, – maar ook voor dat deel geldt mijn omschrijving.

In Ierse en on-Ierse kwesties heb ik De vijf roeiers niet in verband

[p. 41]

willen brengen met ideeën uit De toekomst. Dat is niet het probleem waar het mij om gaat. Het gaat erom dat de twee Ierse romans niet gescheiden moeten worden, teneinde een periodisering in het leven te roepen, waarbij De toekomst en de Angst tegenover elkaar worden geplaatst als centra van daar omheen te groeperen boeken van Vestdijks hand. Waarschijnlijk valt heel zijn oeuvre met die twee boeken in verband te brengen.

Het is waar dat mijn verklaring van De vijf roeiers in de Vestdijkkroniek (nr. 12) in sommige opzichten afwijkt van die in De chaos en de volheid. De nieuwe visie is bevredigender en mag die oude vervangen. Dat ik door het schrijven van Ierse en on-Ierse kwesties opeens met twee interpretaties kwam te zitten, spijt me. Ik had natuurlijk moeten zeggen dat ik één interpretatie voor mij voldoende vind, en aan welke ik dan de voorkeur gaf.
Mijn tegenwoordig inzicht – ook niet voor eeuwig, waar de geldigheidsduur van een essay in waarde achtergesteld mag worden bij de diepte van de belijdenis onzer overtuiging – wijst niet alles uit De chaos terug. Welke correcties moet ik aanbrengen?
1. De door Vestdijk in Maatstaf (’65) opgesomde fouten moeten verbeterd; het gaat hier om de astrologische duiding der figuren.
2. De plaatsen waar De chaos in tegenspraak komt met Ierse en on-Ierse kwesties. Dus:
a. Conic – Molly is een moeder-zoon-verhouding;
Molly wordt na Conics vlucht voor zijn rivalen (vaderfiguren) door Moyna vervangen.
Of Conic ook in háár zorgen verstrikt raakt, vertelt het verhaal niet; zij openbaart zich (nog) niet als ‘heks’ en evenmin als ‘ideale geliefde’ al zijn beide aspecten aanwezig (zie hiervoor De toekomst, p. 192, waarop ik later trouwens nog terug kom).
b. Keane’s spektakelstuk heeft in ieder geval psychagogische betekenis voor Conic en Moyna, misschien ook voor de vier anderen of enkelen hunner, maar toch niet als ‘mystisch huwelijk’.
3. Voor alle vijf de roeiers geldt: Coyne de vaderfiguur, Eileen de moederfiguur.
Het ligt voor de hand dat Kralt zijn bezwaren tegen punt 2a zal handhaven; onze inzichten lopen hier te zeer uiteen. Toch kom ik op

[p. 42]

deze kwestie straks nog terug.
Met Kralts opmerking: ‘De vijf roeiers is geen religieuze roman’ ben ik het eens. Maar ik laat me er niet door weerhouden het boek te zien als een psychologische roman met veel aandacht voor godsdienstpsychologische vraagstukken. Dat strijdt ook niet met Kralts inzicht: ‘Het thema is de bedreiging van ons bestaan’. Ook dit boek houdt immers voeling met De toekomst en de Angst. Je zou van Ierse nachten ook kunnen zeggen dat het thema daar is ‘de bedreiging van ons bestaan’. Het handelt over de onderdrukking van een vrijheidlievend volk; het werd trouwens geschreven in een tijd toen een vrijheidlievend volk onderdrukt werd. Met de pikante bijzonderheid dat de eerste druk van dit boek verscheen in de taal van de bezetter: over de ‘gevaren om ons heen’ gesproken!

Ik zei dat in De vijf roeiers het gevaar om ons heen op een kwajongensachtige manier gezocht werd. Terecht merkt Kralt op dat niet ‘alle gevaar om ons heen’ erdoor wordt uitgelokt. Mijn opmerking bedoelde te zeggen, dat de vijf door hun gedrag het gevaar, de gevaren, in ieder geval niet ontliepen, dat zij de risico’s door hun baldadigheden eerder vergrootten dan verkleinden. ‘Niemand waagt zijn leven voor een grap’, zegt Kralt, maar ik weet uit ervaringen in de oorlog opgedaan (en ik ben het tegendeel van een held), dat dit een misplaatste opmerking is. De psychologie van een mens is anders dan Kralt ons wil doen geloven, zeker onder omstandigheden waarin levensgevaar ons ertoe verleidt, het leven niet al te zwaar te tellen. Neem Peter Mac Carthy: met zijn tbc is hij ten dode gedoemd. Hij heeft een vriend, wiens vader zijn vijand is. Zijn gevoelens tegenover die jongen zijn duidelijk ambivalent. Onder vergelijkbare omstandigheden zijn er heel wat mensen geweest, die, omdat ze ten dode zijn opgeschreven, graag een ander mee zouden willen nemen – iemand aan wie ze de pest hebben. Peter beheerst zich. Hij gaat niet uit moorden, hij ontketent bij zijn licht ontvlambare landgenoten geen opstand, hij haalt een grap uit met het bijgeloof als inzet.
Van Ieren kun je een dergelijke paradoxale verhouding tegenover het bovennatuurlijke verwachten, zegt Vestdijk nog, comedianten en spotvogels als het zijn. Daarbij zijn ‘t gokkers.

[p. 43]

Ik vond Vestdijks tweede Ierse roman ‘amusant’.
Kralt heeft enig bezwaar tegen die uitdrukking.
Hij noemt DemonenMeneer VisserDer Zauberberg. Hem treft daarin naast ironie, de ernst. Maar waarom zou ik die boeken geen amusante literatuur mogen noemen? Ik zeg toch niet dat zulke boeken in mijn handen aan gewicht verliezen? Een boek als Han de Wit van Heeresma wordt door lektuur drie keer zo zwaar bij mij, zonder dat het aan lichtvoetigheid ook maar iets inboet en integendeel aan tragiek wint.
Kralt vindt spelen met je leven minder amusant dan een marionettenspel met de dood. Bij mij liggen die verhoudingen anders. Inderdaad – Agathie Christie! Ik heb nog geen letter van haar gelezen, en ik vrees dat ik me voor haar werk niet interesseer.

Over het ‘amusante’ nog dit:
Vestdijk noemt op p. 42 van De toekomst de idee van de natuurlijk-volmaakte mens een droom. Een droom die aan elk menselijk streven ten grondslag ligt. ‘Iedere evolutie van de menselijke ziel – haar groei, haar beproevingen, haar bekeringen, haar morele nederlagen en religieuze bereikingen – wordt op deze alomtegenwoordige en toch ongrijpbare droom uitgezet als op een onzichtbaar coördinatenstelsel’.
Wij kunnen die Eeuwige Mens nooit bereiken, nooit volmaakt of volledig worden, maar: wij stellen ons zelf wèl die eis! Wij streven ernaar en maken ‘fouten’, omdat die fouten wegwijzers zijn naar dit hoge doel en achteraf blijken geen ‘fouten’ te zijn (als we geen pech hebben).

Het maken van die fouten, dat is het kwajongensachtige, het gebrek aan gevoel voor verantwoordelijkheid: dat is het amusante van deze roman. Zij stelden iets in de waagschaal omdat zij onbewust wisten, dat zij uit wilden stijgen boven hun biologische gegevens. Natuurlijk loop je dan de kans te mislukken. Je wordt dan krankjorum, of je pleegt verraad aan je zelf, of je pleegt zelfmoord. Het eerste overkomt Regan, het tweede Pat, het derde Maurice. Maar over Regan hebben we het straks, en met betrekking tot Pat en Maurice zijn Kralt en ik het eens.

[p. 44]

Minder eens zijn we het, wanneer Conic en John aan de orde worden gesteld. Kralt maakt me dan verwijten in een voetnoot – de zevende. Hij plaatst daar een opmerking die mij dwong mij de ogen uit te wrijven. Met mijn notie van Ierland als moederbeeld zou ik niets weten te doen. Ik zou dat ook niet kunnen, ‘want Conic die zich van zijn moeder-binding bevrijdt, laat Ierland niet los, en van John, die zich aan Ierland bindt, zegt Cornets de Groot zelfs, dat hij op de goede weg is. Maar dan kan Ierland nooit de plaats van de moeder innemen’.
Wat blijkt uit dit oordeel?
Dat Kralt het mechaniek van de losmaking uit de moederbinding niet begrijpt! Johns moederbinding wordt geslaakt. Een plaatsvervangende moeder, Ierland, treedt op. Ik moet Kralt overtuigen met een tautologie! Vooruit dan! John is op de goede weg omdat Ierland de plaats van de moeder kan innemen en dus een moeder is’ als dat ook gebeurt.
En nu Conic.
Moyna treedt op als plaatsvervangster van Molly, tot wie Conic zich in een moeder/zoon-relatie verhoudt. Ook Moyna moet ‘overwonnen’ worden. Treedt ze op als ‘heks’, dan moet ze symbolisch worden gedood. Doet ze dat niet, dan komt er een mechaniek in werking van ‘een plaatsvervangend idealiseren over een reeks van steeds abstracter wordende gestalten, die dan ten slotte in het ‘Niets’ oplossen’. (Men zie hiervoor verder p. 192 uit De toekomst).
Die reeks geef ik hier in de gedaanten die ze voor Conic aannamen: de natuurlijke moeder – Molly – Moyna – Ierland. Bedenken we daarbij dat Conic zich de man uit Het Beloofde Land, Mozes, ten voorbeeld stelt als zijn beeld van de natuurlijk-volmaakte of eeuwige mens, dan zien we hoezeer Ierland hier een geïdealiseerde moederfiguur is – abstracter nog dan het Ierland van John.
Ik weet met het gegeven van Moeder Ierland wel degelijk uit de voeten te komen. Er is geen sprake van dat de werkelijkheid van de roman mijn constructie niet verdraagt.
Wanneer Kralt mij verwijt dat ik De vijf roeiers een ‘lichtvoetige roman’ noem, maakt hij een overschrijffout, en begrijpt mij vervolgens niet meer. Ik schrijf dat het boek in tal van opzichten een ‘lichtvoetige’ avonturenroman is. En ik bedoel daarmee dat het niet

[p. 45]

‘stijf’ staat van loodzware problemen, niet overal.

Op uitnodiging van Kralt (Vestdijkkroniek, 16 p. 6) ga ik nu in op enkele van de argumenten, die hij aanvoert om Ierse nachten als een ‘religieuze roman’ te zien.
In zijn ogen vertegenwoordigt Regan Farfrae een mengvorm van de door Vestdijk in De toekomst geschetste metafysische en sociale typen.
Nauwgezette lectuur van Ierse nachten leert, dat alle drie de typen in dit boek tamelijk zuiver aanwezig zijn.
Zo komt het mij voor dat we in James Farfrae het sociale type kunnen zien, een regent, iemand die sociale rust boven alles stelt, en die, al is hij een Schot, daarbij niet op een paar stuivers kijkt. Zijn godsdienstige belangstelling is nul komma nul, wat natuurlijk niet blijkt uit het feit dat hij Presbyteriaan is, en nauwelijks nog uit dit, dat zijn zoon wordt opgevoed in het geloof van zijn vrouw. Aan het heersend bijgeloof heeft hij vanzelfsprekend lak, en hij verbiedt zijn zoon dan ook naar zulk geleuter te luisteren. Zijn ongeïnteresseerdheid blijkt vooral uit zijn weinig militante houding op het stuk van het bijbelonderwijs. Nog een apart détail: zijn onverstoorbaarheid wanneer Regan een stel heiligenbeeldjes krijgt en daar een plaats voor zoekt in de buurt van zijn schuttersdiploma aan de muur. Ras en geloof spelen geen enkele rol bij deze man. Zijn streven is het om niet met zijn omgeving in conflict te komen – en daartoe behoren ook zijn werkgever en vrouw. Conflictstof gaat bij hem dan ook meteen de doofpot in; hij bewaart een paar geheimen: voor zijn vrouw, voor de landheer, voor de pachters en voor zijn zoon, – allemaal om communicatiestoornissen te voorkomen. Een bevoogdend type. Astrologisch beschouwd een Leeuw, het dier dat in de fabel over de dieren heerst.
Zo herkennen wij in Regan het metafysische type. Wie de moeite neemt de karakteristiek van Jaensch te lezen, die Vestdijk samenvat in De toekomst, herkent haar wel daaruit. Kenmerkend voor het metafysische type, waarmee het gedesintegreerde van Jaensch goeddeels samenvalt, is het individualisme, welk begrip ik definiëren wil als de cultivering van contactstoornissen, wat Regan dan ook voortdurend doet.

[p. 46]

Nu zal Kralt wellicht zeggen: ‘Maar haar sociale bewogenheid dan?’ Maar daar valt op te antwoorden dat dit zich beperkt tot Ieren, en van nationalistische trekjes niet vrij is.
Nationalisme valt te definiëren als het individualisme van een volk (dit geldt voor de 19e eeuw; in onze tijd zou men beter kunnen spreken van het individualisme van een staat).
Religieus beschouwd is haar liefde voor de Ieren een practische toepassing van ‘de Oud-Testamentische mentaliteit, die eigenlijk alleen liefde voor de volksgenoot kende (vgl. Leviticus 19:18)’. Ik citeer hier (uit De toekomst, p. 249) een ander kenmerk voor het bij Regan passende type.

Regan maakt bij het scheppen van contactstoornissen gebruik van het wapen dat zij beheerst: het woord, – en van het tegendeel hiervan: het zwijgen. Ook andere vormen van verbale en nonverbale communicatie staan haar ter beschikking: het schrijven, het honend of ironisch lachen, het suggereren, het zichzelf onderbreken, de kunst om iemand beloften af te dwingen, voor hij het zelf goed in de gaten heeft: een mini-propagandabureau. Zij heeft dan ook kritiek op anderen die niet over de macht van het woord beschikken: de briefschrijvers die haar man bedreigen: ‘Ze moeten die briefjes nooit te lang maken, want dan gaan ze raaskallen’, zegt ze er van – nadat ze Robert stilzwijgend aan zich gebonden heeft: tégen de vader. Ze maakt de indruk van een zeer zelfbewuste vrouw te zijn. Maar ze is zich er niet van bewust, dat juist die macht over het woord en het daaraan klevende gebrek aan spontaniteit haar van de mensen en van de realiteit vervreemdt. Zodat ook deze macht haar individualisme sterk begunstigt, haar neiging zich te isoleren. Maar een echte kringloop is dat toch niet. Want het woord gaat een eigen leven aan bij haar, zoals we nog zullen zien, en sluit haar dan totaal voor de werkelijkheid af.
Dit is natuurlijk niet zo maar ontstaan. De ontwikkeling van haar ziekte is niet van fase tot fase te volgen – een roman is tenslotte geen pathografie. Maar de lezer krijgt een aantal indicaties waaruit zoiets als een ziektebeeld rijst.
Natuurlijk is daar het huwelijk met James Farfrae, vol van wederzijds aantrekken en afstoten der echtgenoten, waarbij niet alleen geheimen,

[p. 47]

pacht en correspondentie betreffende, in het geding zijn, maar ook de vrijwel, en zeker later, tegengestelde verhouding tot een huisvriend (Ulick) die om die kwalificatie (huis is voor het metafysische type al bijna gezin!) alleen al, door Regan beschermd moet worden.
Haar verhouding tot Ulick is platonisch. Daarom gelooft James haar ontkenning van het tegendeel ook niet. Bij ‘sociale’ types van zijn slag is de gescheidenheid van hoofd en hart, bewust en onbewust, geest en lichaam, vloeiender dan bij types à la Regan; hij gelooft niet echt in het hogere, geestelijke en platonische, en ‘s avonds gaat hij dan ook naar Ulick op zoek – niet zonder geweer.
Wanneer aan het slot van de roman Sir Percy op overspel zinspeelt, gelooft hij Percy, niet zijn vrouw – en zoekt de dood. Regan heeft met de middelen waarover het type waartoe zij behoort beschikt, getracht hem van haar onschuld te overtuigen: in de laatste van de Ierse nachten zegt ze, met ook voor Robert onherkenbare stem: ‘Ik heb getracht hem het geloof bij te brengen, hij is gestorven in ongeloof, zoals ik altijd verwacht had. Maar hij heeft mij niet geloofd, dat is het ergste van alles’.
Deze woorden hebben betrekking op haar onschuld, niet op haar bekeringsdrift. Want dat zij op dat gebied geen succes boeken kon, wist ze al vóór het huwelijk.
Was de verstandhouding tussen Ulick en Regan al weinig bevorderlijk voor haar huwelijksleven, Ulicks dood bracht er verder de klad in. Regan wordt hatelijk, en voegt haar man toe, dat hij bij zijn avondwandelingen zijn geweer niet meer bij zich hoeft te dragen.

Farfrae verbiedt haar de nachtwake bij te wonen. Trouwens Robert mag er ook niet heen. Maar beiden gaan tóch. En waarlijk niet omdat Zijne Edelheid Mr. Farfrae – een man van gezag – zo ‘goedig’ is, zoals Kralt beweert. Hij regeert met recht, rede, stokslagen èn een schuttersdiploma over een gemeenschap, als een negentiende eeuwse burgemeester Van Hall en gedraagt zich verstandiger dan deze, als ook onder zijn regime een aantal provo’s – Ribbonmen – de zaak op stelten zetten. Hoe brengt een ‘goedige’ man zijn vrouw terug van de dwalingen haars weegs? Ik zou daar graag es getuige van willen zijn!

De bewening van Ulicks lijk bewerkt de desintegratie van Regans

[p. 48]

zielsvermogens. Zij treedt ongevraagd en naar het schijnt spontaan als klaagvrouw op. Door de mentale bacil van haar woord raken de aanwezigen besmet met gevoelens van wrok en haat. Niet zíj voert het woord, het woord voert haar, dwingt haar. ‘t Woord dat hier autonoom wordt, het contact met de werkelijkheid verliest, en dat als door een automatisme de tong beweegt – niet de Rede. Dit is geen demagogie meer, dit is al bijna Pinksterfeest, bijna glossolalie. Zij zou, ware zij niet alleen geweest, hetzelfde gezegd kunnen hebben. Maar zij is niet alleen. Haar toehoorders dringen aan op vervloeking, en zij zou hebben vervloekt – want de psychofysische krachten achter dit akoasme weten van geen matiging – wanneer de komst van Mr. Farfrae het effect van een koude douche zou hebben gemist.
Zij geeft in haar dodenklacht geen gestalte aan gevoelens van rouw, wanhoop, verdriet, troost, berusting in de vergankelijkheid van al het aardse. Wat haar woorden oproepen is veeleer een (gehoors-)hallucinatie, die de struktuur vertoont van een droom.

Regan, daar zijn we het over eens, is een religieuze vrouw. En bovendien – tot dit moment – een verstandige.
Het dilemma waarvoor zij zich geplaatst ziet, kennen wij: het ideaal van de natuurlijk-volmaakte mens spoort haar onverbiddelijk aan, in haar bloed, in haar instinkten (wat nog iets anders is dan de rede!). Naar haar jeugd, ouders en geborgenheid kan zij niet terug. In het huwelijk kan zij ook niet blijven, omdat dit met isolatie en stagnatie gelijk staat. Zij blijft dus waar zij is, met al haar gemoedsspanning gistend in haar: energieën, die zich niet in laten dammen, die voort moeten. En als zij daarin niet mee kan of wil, gaan zij alleen voort, per dictaat, zonder haar, los van haar: op het vrijgevochten, autonome woord. Hiermee is de projectie tot stand gebracht, en de lezer zal begrepen hebben dat ik dit mechanisme niet uit de duim zoog, maar overschreef uit De toekomst, p. 96/97. Regan blijft waar zij is? Nee. Ulick is dood. De weg vooruit is geblokkeerd – zij infantiliseert. Ook daarom is de ‘vroege’ plaatsing van het eerste deel functioneel: Robert ontwikkelt zich uit zijn bijgeloof tot zelfstandigheid – zij stort in de duisternis van het primitieve terug.

Ik zei dat het akoasme een met de droom verwante struktuur

[p. 49]

vertoont. Welk beeld van Ulick rijst er op uit Regans rouwbeklag? Natuurlijk dat van de natuurlijk-volmaakte mens. Zijn tocht over de wereld wordt verbeeld, zijn overwinning van mannen, vrouwen, die vrienden werden. Zijn boodschap dwong hem voort – de boodschap van een uiteindelijke verlossing uit een leven van uitbuiting door onwetendheid en hebzucht. Om die boodschap te verkondigen onder de onderdrukkers verliet hij de onderdrukten (die nu voort moeten zonder hem; dit staat niet ín de tekst, het staat er achter: Ulick zonk weg in het moeras, de ‘onderwereld’, vanwaaruit hij zal herrijzen, als een plant uit het zaad).

Regans mythe van Ulick heeft ook een andere kant: dat van zelfbeklag, de wens de schuld bij anderen te leggen: in feite de motor van de onder de aanwezigen algemeen levende wens de schuldige(n) te vervloeken.
Van nature al geneigd de werkelijkheid in te perken tot zich zelf, haar gezin, werk, groep, mede-uitverkorenen, ‘volk’ in Oud-Testamentische zin, zoekt zij bevrediging van haar religieuze behoeften in het ónwerkelijke. Uit haar ‘droom’, haar ‘mythe’, spreekt een verontrust geweten. Haar wroeging geldt haar afzijdigheid van haar medemensen, haar gebrek aan liefde daarvoor: haar ontbreekt wat juist Ulick zo in overvloed bezat. Onbewust voelt zij dat haar isolatie een gemis is, een gebrek in haar natuur. Zij is de mensen die Ulick nu ontberen moeten liefde, steun, achting, belangstelling, medeleven, verantwoordelijkheidsgevoel schuldig – kwaliteiten die zij niet heeft. Nu de zachte Ulick er niet meer is, voelt ze behoefte aan een ‘sterke man’, Sir Percy, die ze binnen wil halen, tegen de adviezen van Vader Kavanagh in.

Deze Vader Kavanagh schetst de lezer samenvattend het verloop van haar ‘autisme’:
‘Ze gaat tóch haar eigen gang; dat is allemaal zo geworden sinds de nachtwake van Ulick Mac Carthy, waarop ze als klaagvrouw gesproken heeft; dat heeft de stoot gegeven tot alles; ze is toen meer van je vader vervreemd geraakt, ze werd feller en haatdragender, zonderde zich meer af…’ (cursivering aangebracht).
Toen zij Sir Percy tenslotte ‘vond’ – het onwerkelijke doel van haar

[p. 50]

religieuze streven – was dit aftakelingsproces al twee jaar aan de gang.

De Ieren zagen een zondebok in hun landheer. Ten onrechte als je de man meemaakt, maar hij is dat misschien toch méér dan de middelaar die Regan in hem zag: voor haar is hij al bijna het Lam Gods! De gebeurtenissen bij en tijdens zijn komst, een jaar later, versnelden de ineenstorting van haar geest. Er blijkt dát er al een middelaarsfiguur was: James Farfrae. Er is een middelaar, die de ‘schulden’ afbetaalde die Regan niet betalen kon, en die hij betaalde met zijn dood. De werkelijkheid ontpopt zich voor haar, het inzicht dat zij in een schijnwereld geleefd had, al die tijd, een wereld van woorden, die zich van de psychofysische realiteit had losgezongen, zal ik maar zeggen. Wat aan het slot van de roman gebeurt, is werkelijke glossolalie, bezetenheid. Haar wapen, het woord, richt zich tegen haar. Interessante bijkomstigheid: Regan is astrologisch beschouwd een Schorpioen.
Het derde type, de mystisch-introspectieve mens, wordt in deze roman vertegenwoordigd door Robert. Dat hij introspectief is, blijkt uit het eerste deel: het geeft er overvloedig de bewijzen voor. Dat hij mystisch is aangelegd, valt af te leiden uit twee feiten:
de eeuwige mens wordt door hem niet als metafysische werkelijkheid gesteld;
hij ziet die eeuwige mens evenmin als symbool van de te verwerkelijken natuurlijk-volmaakte mensheid.
Hij omschrijft zijn tussenpositie zelf als volgt: de zoon, ‘die nu de drager was van hun beider geheim, dat van (zijn vader) en dat van zijn moeder; en dat gaf (hem) die bepaalde ( ) eenzaamheid van de bemiddelaar, die niet bemiddelt, die niet samenbrengt, die alleen maar het midden houdt en geen partij mag kiezen’. Astrologisch een Weegschaal, evenals zijn schepper. In feite: de evenaar van die weegschaal. Een vredestichter, al is hij dat pas achteraf – terwille van eigen gemoedsrust.

Wie is Sir Percy? Een zondebok voor de een, het Lam Gods voor de ander. Voor Robert vertegenwoordigt hij beide aspecten, op dezelfde manier als Moyna twee kanten in zich verenigde voor Conic.
Het eerste deel heeft daar veel mee te maken. De kleine jongen

[p. 51]

Robert vraagt daar naar het woord van afwezigheid. Hij verbindt dit woord met de eigenaar van het kasteel. Dat is zijn vader. Nee, toch eerder zijn moeder, volgens een van de vrouwen. De vraag doet zich voor of het misschien de Pooka toebehoort? Dat komt de landheer ter sprake: toen al werd Sir Percy belast met inhouden die hem voor Robert tot een vaderfiguur konden stempelen: schrik (de Pooka), bewondering (Percy was méér dan een vader, want een afwezige die door een vader vervangen moest worden): ambivalentie.
Die ambivalentie treedt ook aan de dag, als Sir Percy opeens wel aanwezig is. Schrik en verwarring bij de eerste aanblik, bewondering daarna voor Percy’s onverstoorbaarheid en flegma, zijn rijkunst en scherpschutterskwaliteiten. Die twee laatste dingen: Sir Percy is een Boogschutter.
Men moet zich afvragen of bij de ‘roerloosheid’ niet een ouderfiguur zich openbaart, een halfgod, een god, een sterrenbeeld, – een spiegel. Een figuur die twee kanten in zich verbergt, waar zijn adept zijn voordeel mee moet zien te doen.

Ik wil het hierbij laten.
Op de meeste van Kralts argumenten ben ik dit keer ingegaan, al kostte me dat direct een nieuwe interpretatie van Ierse nachten. De vroege plaatsing van het eerste deel (dat m.i. door de chronologische volgorde der jaartallen voldoende gerechtvaardigd wordt); Peters ‘bijgelovigheid’, de isolatie van de moeder; de ‘mythe’ van Ulick, Regans confrontatie met Percy – ze kwamen bij mij aan bod. Met het gevolg dat ik concluderen moet dat Ierse nachten veel meer een demonstratie is van Vestdijks ‘typen’ onder moeilijke omstandigheden (die soms aan de oorlog doen denken), dan een ‘religieuze’ roman. Ik zit nog met één vraag, de vraag waarom Kralt Leopolds kwatrijn, dat hij voor zijn motto benutte, halveerde. Doelt hij daarmee op een beperkte horizon bij mij?
Dan ben ik deze keer wat scheutiger geweest, want mijn kruik is natuurlijk niet leeg. De kruik van een waterman is nooit leeg.

Leiden, 1-4 augustus 1977





NOTEN
  1. In brief 18 aan de redactie van de Vestdijkkroniek biedt Cornets de Groot dit artikel als volgt aan: ‘In ‘t hierbij gaande stukje, een reactie op Kralts verweer in Vestdijkkroniek 16, heb ik, om de zaak uit een ‘welles-nietes’-sfeer te tillen, een ‘nieuwe’ interpretatie van Ierse Nachten geplaatst tegenover die van Kralt. Dat lijkt me voor de lezers ook ‘t aardigst.
    Met ‘t plan ‘t er deze vakantie ‘es van te nemen hield onze polemiek helaas geen rekening: ik heb vier dagen achtereen zitten lezen, suffen, peinzen, schrijven. En wat een uurloon hè? Een werkster is een verstandiger iemand dan ik. Enfin, vrolijk blijven we er toch wel bij.’ [Noot van de bezorger]. ↩

»

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>