Start » 1974 » O Nederlandse taal (4)

O Nederlandse taal (4)

 

Bron: Vlaamse Gids, 58e jrg. nr. 2 (feb 1974), p. 48-52.
Over: literaire taal.

[p. 48]

14. Zo heb je het over ‘insinuerend woordgebruik’ (zie 12), zo loop je om met Lucebert te spreken – een stoorzender van het woord tegen het lijf, Arie van den Berg (in Maatstaf, dec. ’72, met Vliegende hollander).
Je zou zeggen dat het gedicht met Wagners Der Fliegende Holländer weinig te maken heeft, ook al noemt Van den Berg het meisje Senta. Zij is, bij hem, een redersdochter, samenzwerend met haar minnaar tegen de vader. Wie is die minnaar?
Hij heeft een toekomstdroom: ‘een geweldig vooruitzicht’ – in tegenstelling met de legendarische Hollander, die immers zwerven moest tot de jongste dag, tenzij…
Maar wie is het die de Hollander uit het gedicht ‘schipper naast god’ noemt? Is het de minnaar zelf? Is het de dichter?

schipper naast god, een geweldig vooruitzicht
: nog dekknecht randt hij Senta, dochter
van zijn gehoornde reder aan

Let op, er staat dubbelzinnig ‘een geweldig vooruitzicht’: is dat ironie? Er staat ‘gehoornde reder’, er staat,

[p. 49]

hoogst ironisch, ‘schipper naast god’, venijnig ‘dekknecht’: wie maakte zich op deze insinuerende manier meester van de naam van Van der Decken, waardoor althans déze Hollander uit de anonymiteit wordt gehaald waartoe Wagner de zijne, in navolging van Heine (Die Memoiren des Herrn von Schnabelewopski, hst. VII) had gedoemd? Het is de minnaar niet, die zich zo noemt; de dichter niet: het is de Laster, die in het leven van de dekknecht de mythe van de Hollander gaande maakt. Een verleden wordt aktueel: de knecht herkent zijn eigen levenspatroon in de mythe.

15. Een meerkeuze toets, nieuwe stijl!

Senta betekent: a. zenden
b. gezin
c. reis, weg
d. reisgezelschap

Etymologisch kun je alle vier de kanten op (zie Jan de Vries, Etymologisch woordenboek, onder gezin en zenden). Maar het slot van Wagners opera, en het feit dat de dichter aan die opera heeft gedacht in aanmerking genomen, past d als oplossing hier misschien het best. Waarschijnlijk trouwens is in het gedicht de naam van het meisje ook ironisch bedoeld. In de volgende strofe is er van Wagneriaanse romantiek immers niets te bespeuren. Hoewel -? Senta spant, met haar veroveraar en in zijn zeemanstaal, tegen haar vader samen. Ze blijkt geestig, lichtzinnig, wekt een vergeten uitdrukking tot nieuw leven, die het woord ‘reder’ een diepere zin geeft. Wie is er in deze tweede strofe aan het woord? De Hollander? De dichter? De Laster?

Het zou zo’n vaart niet lopen, zei ze, groter 
boten drijven op wel groter schulden 
bestevaer zou zeker dokken

Het is de dichter, die Senta citeert, en die op grond van haar overtuiging de allure van alweter krijgt. Hij spreekt hier door de mond van het vooroordeel, dat zoals zo vaak spreekwoordelijke vorm krijgt.
Waarom?
Omdat het spreekwoordelijke de kanalen voor het spuien van drifmatige impulsen normaliseert. Senta kijkt pas vooruit! Want áls het verleden in de mythe gekleed gaat, kun je immers meteen naar de toekomst doorliften. Tenminste, als het heden er maar niet was. Maar dat is er nou juist wel. En met de laatste strofe doet het zijn intrede in het gedicht: ‘de zoon in zijn kielzog’.
Dit heden houdt de toekomst in het verleden gevangen en maakt de Hollander stuurloos:

Bolt haar ronding nog altijd zijn zeilen? men kon
meer schuinschrift op de rol verwachten. de zoon
in zijn kielzog ontzet de kompasnaald.

Op de tijdbalk houdt deze strofe het heden bezet; de tweede speelt dan op een tijdstip achter de eerste, op een punt vóór de derde. En hoezeer die tweede het heden voorbij wil zien, de laatste strofe maakt mythe en verwachting problematisch.

16. De parallellen in dit gedicht met de sage springen in het oog:
* De vervloeking stemt overeen met het optreden van de laster: de Hollander wordt door de publieke opinie getroffen.
* ‘Groter boten drijven op wel groter schulden’ is direct op Van der Decken

[p. 50]

en zijn schuld aan de duivel te betrekken.
* In de opera waant de kapitein zich verraden, doordat de jager Erik het meisje eraan herinnert, dat zij ook hem eens trouw beloofde: ‘men kon meer schuinschrift op de rol verwachten’.
Hoe is het dan mogelijk dat Van den Bergs Vliegende hollander geen ‘held’ is? Dat valt – bij zoveel essentiële raakpunten met de mythische realiteit – alleen te verklaren wanneer blijkt dat zijn daden de heersende normen niet te boven gaan. Precies dat bereikt de Laster: de dekknecht wordt niet in de sfeer van het eeuwig-geldende getild: zijn daden blijven ondermaats. Van zijn kracht is de knecht zich niet bewust, wèl van zijn zwakheid: de laatste regel laat daar geen twijfel aan bestaan. Wie zo in het leven staat als hij, drijft niet op grote schulden, maar gaat zonder af te betalen ten onder.

17. W.F. Hermans in de kroniek van het proza van Het vrije volk (26/1/’52), schrijft naar aanleiding van Schierbeeks Het boek ik:
‘Onze gebruikelijke taal wordt gevormd door tweeërlei soort grammatica: de taalkundige en de logische grammatica. Een zin als “vijfentwintig antilopen slaan zesenzestig verschillende wegen in om tot boom te worden” zondigt tegen de logische grammatica, maar taalkundig is zij geheel in orde; een zin als “die hebben te dood de tak van waar gedaan” beantwoordt aan geen enkele grammatica meer’.
Precies. Want beide zinnen vallen buiten het gebied van wat Hermans gemakshalve ‘onze gebruikelijke taal’ noemt.

18. Zoals gezegd: Hermans’ citaten uit Het boek ik hebben met logica niets te maken: ze dringen ons een beeld op, en dat is, zoals Hermans elders vaststelt, wat van literatuur mag worden verwacht. Beide zinnen hebben een translogisch karakter. We mogen zeggen dat ze beantwoorden aan een ‘translogische’ grammatica.
Waar nu de logische grammatica het geheel van spelregels omvat, die ‘ware beweringen’ formuleren, daar is de translogische grammatica het totaal van spelregels die (logisch) ‘zinlege beweringen’ onder woorden brengen. Daartoe behoren bv. alle uitspraken uit het geloof, alle dichterlijke vrijheden, in het kort: alles wat niet behoort tot de ware of valse beweringen: alle fictionele entiteiten.

19. Zoals iedereen weet, streeft de logische grammatica naar uiteindelijke probleemloosheid. In principe is het gebied waar ze betrekking op heeft – de materiële wereld – eindig. De ruimte waar de ‘translogische grammatica’ op te betrekken valt, wordt, naar aardse maatstaven berekend, bepaald door het tragische, paradoxale en absurde; deze ruimte is altijd problematisch, en het magische en religieuze verwijden die tot een psychische realiteit die eindeloos is, in principe en in feite.

20. Iedere psychische realiteit vertoont tegenstrijdigheden, waar de logica geen raad mee weet. Blijkbaar is dat ook het kenmerk van ‘zinlege beweringen’, die daar immers de uiterlijke verschijningsvormen van zijn. Zinlege beweringen slaan op wezens, niet op zaken, abstract of concreet, maar op het subject – de auteur.

[p. 51]

21. Wanneer we het begrip ‘dichterlijke vrijheid’ omschrijven als ‘terzijdestelling van een taal- of spelregel, dan behoren alle dichterlijke vrijheden tot het gebied van de translogische grammatica.

22. Maar aangezien het voorkomt dat taal die aan de translogische grammatica beantwoordt, ook logisch interpreteerbaar kan zijn, doen we er goed aan het begrip ‘dichterlijke vrijheid’ op te vatten als een terzijdestelling van taal-, spel- en logische regels.

Op de golven vindt de zon verstrooiing
(SLAUERHOFF)

op zichzelf volkomen logisch te interpreteren is met de translogische grammatica niet in strijd. De dichterlijke vrijheid hier is de personificatie van ‘zon’, – een manipulatie die de zin aan de translogische grammatica doet beantwoorden.

23. Als een zin logisch en translogisch klopt, is hij altijd ook taalkundig grammaticaal.

24. In Van den Bergs vliegende hollander is de zin

groter
boten drijven op wel groter schulden

taalkundig juist. Maar ook logisch: ze is in de fysische wereld op de genoemde objecten van toepassing. Ze is bovendien van toepassing op het schip van de Hollander: de ‘link’ naar het ‘translogische’. Dat de zin translogisch te interpreteren valt, blijkt uit het feit dat hij te betrekken is op de Hollander zelf, op diens stand-in, de dekknecht, en op Senta.

25. Wie de eerste versie van de eerste regel van Starings Herdenking

Wij schuilden onder drupplend lover

leest, kan die logisch begrijpen, en dat betekent: vervangen door een andere zin, die hetzelfde zegt.
Maar in de verbeterde tekst – Wij schuilden onder dropplend lover – wordt het translogische met groter nadruk op de voorgrond geplaatst. De dichterlijke vrijheid hier: het beeldscheppende, onomatopoëtische woord vervangt het objectief-beschrijvende. Taal als melodie. Er is geen zin die deze vervangen kan, zodanig, dat beeld en betekenis ongeschonden overkomen.

26. Als een zin in literaire taal voor elkaar is, taalkundig gezien, dan is het zaak te onderzoeken of hij niet zowel logisch als translogisch te interpreteren valt (zie 23).

27. Van Slauerhoffs geciteerde versregel schrijft Vestdijk:
‘Ook hier rhetoriek in schijn, – “verstrooiing vinden” in de betekenis van “zich vermaken” of “zich ontspannen”, – en tegelijkertijd ontkrachting der rhetoriek, doordat de uitdrukking niet in deze, overdrachtelijke betekenis, maar letterlijk genomen wordt: de zon wordt door de golven “verstrooid”, d.w.z. in alle richtingen terug gekaatst, – de poëzie zoekt hier regelrecht contact met de allernuchterste natuurkunde van het licht!’
Vestdijk ziet hier alleen de logische grammatica een verifieerbare bewering bewerkstel1igen. Maar de zin is translogisch ook, hij zei het zelf – al dringt hij dat inzicht naar de achtergrond. Taal als melodie. Een melodie die verloren gaat, als je de zin vervangt door een ander, die ‘hetzelfde zegt’.

28. Sommige woorden hebben van huis uit een fictionele strekking:

‘ik ben een god in het diepst van mijn gedachten’

: logisch valt daar niets mee te doen: een exacte betekenisbepaling is immers

[p. 52]

van deze woorden, van deze zin niet te geven. Fictionele entiteiten hebben altijd een hypothetisch karakter.
In zijn beschouwing ontneemt Vestdijk dat karakter aan Slauerhoffs woord. Hij past de bewering toe op de fysische realiteit; kijk maar, zegt hij: we kunnen het verschijnsel waarnemen!
Maar Slauerhoffs zin ‘dringt’ ons vóór alles ‘een beeld op’, om Hermans nog maar es te citeren. Dat heeft niets met logica van doen. We moeten dan ook de uiting toepassen op de voorstelling – visueel in dit geval – die door die woorden wordt gewekt.
We moeten er oog voor krijgen dat de zegswijze beeldscheppend is, en dat de werking die van het beeld uitgaat, beïnvloed wordt door die wijze van zeggen.
Slauerhoff beschrijft geen objecten. Feiten alleen zeggen niets. Maar hij brengt een gevoel tot uiting. Zoals alle literatuur vervreemdt ook deze regel ons van de fysieke realiteit: hoe zou de uiting anders translogisch kunnen zijn?

29. Gevoel is een vorm van gedrag (Mitzscherlich).
Maar dan kan het niet anders, of de tekst die ons van het fysische vervreemdt, brengt ons nader tot het subject, het ik van de dichter. Vestdijk doet ons geloven, dat hij Slauerhoffs regel verstandelijk begrepen heeft. In feite werd hij overrompeld door de magie van het melodische. Moet deze ware bewering worden geverifieerd?
Welnu: zijn peroratie geeft uitdrukking aan zijn gevoel, dat het verhevene hem en de hele wereld nader gekomen is.

30. Als een zin in literaire taal taalkundig en logisch voor elkaar is, is het duidelijk, dat hij vooral in translogisch opzicht moet worden geïnterpreteerd (zie 26).

»

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>