Start » 16e jaargang (‘84-‘85) » Post uit de Herenstraat – Ontwerp voor een quizz III

Post uit de Herenstraat – Ontwerp voor een quizz III

 

Bron: Informatief Bulletin (‘Gele vellen’), Lodewijk Makeblijde College, Rijswijk (Z-H), 16e jrg., nr. 8, mei 1985.

CN/HQ 170185

Dit is een luidruchtig gedicht.
Het doedelen, het rauwe en snijdende krassen van de raaf, het kwaken van de koptelefoon, het blaten uit het lammertjeleerboek, de bijkans ontstoken keel, rauw als een rasp, het vijlen van een gebogen veertje ‘), de bezweringsformule tut tut, die toch een hoop lawaai schijnt te onderdrukken: ze doen een taal vermoeden, die nog muziek is – een cacofonie, waarin aanvankelijk nog geen onderscheid is tussen ‘ernst’ en ‘luim’.

Ernst! In de zesde druk vindt men onder punt 4:
genre van letterkundige voortbrengselen () waarbij niet op het grappige gewerkt wordt. Ernst en luim: den eersten prijs voor ernst bij een rederijkerswedstrijd.

Vergelijk zo’n uitdrukking eens met:

is hij droevig en vrolijk
is hij dromend en wroetend
in zijn geliefkoosde bloemen
is hij wroetend of vrolijk

Het tekent Lucebert dat hij ‘poëtische’ taal uit de weg gaat. Hij schrijft ‘droevig’ in plaats van het statige ‘droef, dat ‘door leed bedrukt, treurig, neerslachtig, mistroostig’ betekent. Maar het betekent ook (zie 6e druk, onder punt 3 van ‘droef’): ondeugend, stout.
Iwosyg is een zuigeling. De woorden ‘nestharen’, ‘spruit(jes)’ en begrippen als ‘zindelijk’, het ingepakt zijn in een fris gewassen doedelzak, dat lammertjesleerboek en het kooswoord onzelieveheersbaasje duiden dat aan.
Ik heb ‘nesthaar’ opgezocht. In de zesde komt het alleen als zelfstandig naamwoord voor. Lucebert maakte er een bijvoeglijk naamwoord van.
Spruit, spruitjes: allebei zelfstandige naamwoorden: bij Lucebert krijgt ‘spruitjes’ de functie van een bijvoeglijk naamwoord.
‘Spruit, 3. telg, kind, afstammeling: zijn jongste spruit
7. trompetvormige bek van een gieter’;
‘Spruiten, (sproot, is gesproten), 2. afstammen: hij is gesproten uit een aanzienlijk geslacht.’
‘Spruitjes, o. mv. spruitkool, v. (-en), de kleine kropjes, bestaande uit een kort stengeldeel, over welks top een groot aantal blaadjes dicht zijn samengevouwen, die ‘s winters of vroeg in het voorjaar ontspruiten uit den stengel der groene of bonte boerenkool.’ Zodat spruit, 3 en 7 en spruitjes het volgende beeld opleveren, dat prachtig overeen komt met regel 20/21:

Figuur bij r. 20/21
 
Aldert Walrecht vertelde mij, dat Lucebert het gedicht maakte op het zoontje van Bert Schierbeek, dat toen vier jaar oud was. Uit het geboortejaar van het jongetje (1948) valt af te leiden, dat Lucebert het dus in ’52 moet hebben geschreven: het jaar van de eerste druk van de bundel. ‘Je zou daar Frieda, de moeder, eens naar moeten vragen’, zei Aldert. ‘Maar ik ken Frieda niet’, zei ik, ‘vraag jij het haar voor mij’. Ik gaf hem wat vragen op, en vat de antwoorden die hij kreeg, hier samen.
Allereerst zijn daar de doedelzak en de bloemen: het zijn de beelden voor de ballonbroek, waar het kind in rond liep, en op de stof waarvan bloemmotieven waren gedrukt. Voor de raaf wist Frieda geen oplossing, maar de koptelefoon was een stuk speelgoed, en het lammertjesleerboek een kleuterprentenboek met dieren, lammetjes onder andere. Of het kind een ‘ivorige’ aanblik bood, heb ik verzuimd te vragen. Tot mijn verrassing kun je de gegevens uit strofe 1 en 2, op basis van de nu beschikbare feiten heel concreet nemen. Lucebert slaagt erin een objectieve observatie zo weer te geven, dat zij bij de feiten blijft, en toch een opening maakt naar een ruimte, ver van de werkelijkheid vandaan.
In de volgende strofen plaatst hij immers de waargenomen realiteit in een atmosfeer, die niet meer bepaald wordt door de eisen van de werkelijkheid, maar door andere, innerlijke zaken en behoeften. Wie van de realiteit afziet, ziet ook af van logica en innerlijke censuur, en gebruikt het woord in de zin van expressie. Hij maakt de buitenwereld tot iets onbeduidends.
Het is van belang vast te stellen, dat de gegevens van Frieda ons terugvoeren naar een verleden realiteit; maar het is van even groot, of groter belang, in te zien, dat die (voorbije) werkelijkheid aanleiding is tot de creatie van een eigen wereld, die zeer ver af staat van het toenmalige, en die eerder bepaald wordt door psychische impulsen, dan door fysische en logische wetten. Associaties, die zich dan aandienen, drukken een visie uit, en niet (de oplossing van) een of ander probleem. Zij stralen het eigen innerlijk leven uit, en zij doen dit met te groter kracht, naarmate de werkelijkheid meer en meer terugtreedt.
En natuurlijk wordt een gedicht op iwosyg dan een zelfportret. De experimentele dichtkunst is immers een tijdgenoot van dat jongetje, en de experimentele dichter, vol jazz en dada, zingt zoals hij gebekt is. Dat strottenhoofd met zijn nestharen stem is ook de stem van deze dichters. Hun taal borrelt niet op uit geest of ziel: het is op en top lichamelijke taal.
‘Strottenhoofd’, zegt Van Dale 1924, is: ‘o. (ontl.) een uit kraakbeenderen, banden en spieren samengesteld lichaam boven in de luchtpijp, dat van binnen met slijmvlies overtrokken is, tot doorgang van de lucht naar de longen en als werktuig tot het vormen der stem dient; bij de vogels dient het onderste strottenhoofd tot stemvorming’. Kom daar es om, in de elfde druk!

Een dichtersportret dus. Bij alle lichamelijke bewegelijkheid en energie en bij al het martelend breinwerk (regel 16/18) ontbreekt hier het grote, bezielde, het retorische woord.
Niet alleen is aan het switchen door het woordenboek heen af te lezen, dat Lucebert zijn onderwerp van alle kanten heeft aangepakt, het wordt ook duidelijk dat hij het dichterschap opvat als een dialoog met de materie, een gevecht met het woord als stof. Materie, die te rusten is gelegd in Van Dale en uit haar slaap wordt gewekt door de dichter: ‘een gebogen mussenveertje’.
Geen grote woorden: bij het stoeien met het woord, het terugdringen van de realiteit, ontbreekt de traditionele derde: de Rede.
Een mussenveertje bijvijlen is een bescheidener werkje dan het bijvijlen van een ganzenveder. Maar het is vooral ook iets brutaler: het karwei waarvoor de dichter iwosyg plaatst, zit hem in het verschil tussen veer en veder.
Geeft Van Dale meer informatie over het ‘dichterschappelijke’?
Bijvijlen: ‘door vijlen een bepaalde vorm geven, iets afwerken’
vijlen: ‘een gedicht bijvijlen, polijsten, minder stroef maken’
Giftig in de figuurlijke betekenissen: ‘giftige dolksteken, bijtende gezegden’
eene giftige tong, eene lasterende, kwaadsprekende tong’.
Wij mogen ons afvragen, of die giftige walgvogel aan het eind van het gedicht wel zo’n aardig beestje is, als op het eerste gezicht lijkt: wie wordt hier tot rust gemaand, of hooghartig spottend weggewoven? En wordt luim tot ernst bijgevijld?

CN

‘) ‘Veer, stuk staal of ander veerkrachtig metaal, dat na drukking zijn vorige stand herneemt’, Van Dale, 1924.
 

Wollt ihr die totale Kultur? »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>